Part 2
Daar had je de groote groene gouden loopkever, de vriend mijner jeugd, dan nog een heel donkergroene met zes rijen koperen knoopen op zijn rug, waar ik later nog wel eens van hoop te vertellen, dan nog een iets kleinere groenbronzen (8) met allerlei strepen en kettinkjes over zijn rug en eindelijk nog een heel donker violette (7). Van de beide laatste waren er ’t meest, die komen dan ook trouwens ’t meest algemeen voor.
Ik mag hier wel even tusschen twee haakjes zeggen, dat de keverkundigen bij de woorden „goud” en „brons” aan andere kleuren denken dan aan gouden tientjes of bronzen centen. In de gauwigheid kan ik dat niet zoo precies beschrijven, ’t best is maar, dat je probeert die kevers zelf te pakken te krijgen, dan snap je meteen de bedoeling.
De buit, die wij in Nizza behaalden, werd behoorlijk verdeeld en ik stopte mijn portie in de brandspiritus. Nog al met een gerust geweten ook, want ik meende, en ik geloof wel, dat ik gelijk had—dat in hun winterverdooving die dieren niet zoo’n ergen doodstrijd zouden hebben.
Voor iemand, die juist in ’t drukst van ’t aanleggen van verzamelingen was, had zoo’n vondst natuurlijk heel wat te beteekenen. Alles ging in een groote stopflesch, die bij ons thuis om de kleur van de spiritus en om ’t donkere rommeltje op den bodem schertsend de trekpot werd genoemd. ’s Avonds, of als ’t slecht weer was, vischte ik uit die trekpot al mijn dieren weer op en dan werden ze netjes opgezet met de pooten mooi in de loophouding en de sprieten recht vooruit. Een aardig geduldwerkje, vol verrassingen. Soms had je met negen spelden alles kant en klaar, een andermaal waren de pooten zoo weerbarstig, dat er zes spelden noodig waren, om er één behoorlijk op zijn plaats te krijgen.
Wat heb ik een pleizier gehad van dat verzamelen. Ik had van alles: planten, insecten, schelpen, steenen, versteeningen, krabbenpooten, verdroogde zeesterren, alles wat maar buiten te verzamelen was. Van heel veel dingen wist ik de juiste namen niet, maar heel veel kwam ik te weten uit een Duitsch boek, dat ik in ’t begin maar half begreep en voor een paar kwartjes gekocht had op een oude-boeken-stalletje. Later kreeg ik hulp van alle kanten, maar die eerste tijd was toch de leukste, allemaal vinden en ontdekken.
Natuurlijk tastte ik vaak mis. Door het onoplettend lezen van eene beschrijving kwam ik er toe, om een paar jaar lang het roodstaartje te betitelen met den naam van goudvink, maar dat kwam later wel terecht. De tegenwoordige jongelui hebben het heel wat makkelijker dan wij in onze jeugd, maar daarvoor wordt er ook al weer heel wat meer van hen gevergd.
Maar we zouden Nizza heelemaal vergeten, ons toevluchtsoord in Maart. Het eerste bloempje, dat er bloeide, was ’t klein hoefblad (11, 15) en als dat in de warme zon zijn stralen uitspreidde, dan kwamen er uit den grond ook al dikke paarse proppen te voorschijn, die aan hun top openbarstten en daaruit verrees dan de bloeistengel van het groot hoefblad (13, 14).
De aanwezigheid van die twee planten maakte, dat er haast geen gras op dien dam groeide, want in den zomer werd er de grond geheel overschaduwd door de groote bladeren van die planten, want je kunt de bladeren van klein hoefblad ook gerust groot noemen. Die van het groote zijn toch nog altijd weer viermaal zoo groot en zijn ook gemakkelijk te kennen aan den mooien stijven rand, die ’t begin van de bladschijf steunt en niets anders is dan een dikke zijnerf.
Wij vonden het klein hoefblad aardiger dan het groot; het leefde zoo echt met de zon mee. Bij donker weer bleven de kopjes dicht, maar als de zon te voorschijn kwam, dan zag je binnen enkele minuten de gele straalbloempjes omslaan naar buiten en dan gingen ook de kleine bekervormige bloempjes open, die het hartje vormen.
Dan kwamen vliegen, hommels en vlinders opdagen en dan was ’t aardig, om te zien, hoe die hun zuigsnuiten in de bloempjes staken: de vlieg een dik rond slurfje, de hommel iets dat wel leek op een blinkend mes en de vlinder een dun zwart draadje, dat hij allerkoddigst kon knikken en krommen.
Het groot hoefblad kreeg veel minder bezoek dan ’t klein en later in ’t jaar had het ook lang niet zulke mooie vruchtjes. Dan prijkt het kleine hoefblad met een mooi pluishoofdje, veel zachter en zijiger dan dat van de paardebloem. Wie ’t wil nasnuffelen kan zien, dat die pluisvruchtjes alleen afkomstig zijn van de stralende lintbloempjes, de mooie bekerbloempjes middenin dienen alleen, om stuifmeel voort te brengen.
Soms kwamen er ook hoefbladbloempjes te voorschijn binnen het hek, op de wei zelf, maar dan kwam al heel gauw de boer opdagen, om ze uit te spitten. Hij hield meer van gras in de wei en was ook al lang van plan, die hoefbladplanten van den hekdam uit te roeien, want van daar woei natuurlijk ’t zaad in de wei en ook maken ze lange uitloopers onder den grond, die met plezier onder een hek doorkruipen en wijd en zijd de buurt onveilig maken. Gelukkig kon hij er nooit den tijd voor vinden en zoo bleven wij in ’t bezit van onze mooie bloemen.
In de wei zelf was in ’t heel vroege voorjaar niet zoo heel veel te vinden. Schuins links achter het hek had je eerst een geheel kale plek, waar ’t paard altijd stond te mijmeren in zijn vrijen tijd. Daarachter lag het ruime veld met grijs oud gras met jonge sprietjes en met allerlei klein goed, dat later bloeien zou en dat alles min of meer pimpelpaars zag van de zon, het voorjaar en de lage temperatuur.
Het meest frisch zag nog de ruige veldkers (20) er uit, een verwant van de zoozeer beroemde en geliefde pinksterbloem (37). Deze ruige veldkers is meestal heelemaal niet ruig, maar gladjes en groen en hij bloeit ook al heel vroeg, tegelijk met ’t hoefblad, met heel bescheiden witte kruisbloempjes.
Zulke kruisbloemen of cruciferen behooren in hun bloem zes meeldraden te hebben, vier lange en twee korte, maar die ruige veldkers schijnt geen tijd en gelegenheid te hebben, om ze alle zes te fabriceeren en vergenoegt zich dus in den regel met vier.
Hij slaagt er meestal in, mooi weer of geen mooi weer, om zijn lange hauwvruchten te rijpen. Dat gebeurt dan in Mei en Juni en dan hebt ge zooveel aandacht noodig voor al de andere duizenden planten en dieren, dat ge dit nederig voorjaarsplantje allicht vergeet. Toch moet ge hem dan nog eens opzoeken, en even de rijpe hauwen aanraken aan hun punt. Dan springen ze met een ruk uit elkander en de kleine zaadjes worden weggeslingerd tot wel drie of vier meter ver; dat moet ge bij gelegenheid maar eens zelf nameten.
De ruige veldkers is dus de voorlooper van de pinksterbloem en zoo mogen we de klimopbladige eereprijs (25) beschouwen als de voorlooper van de beroemde blauwoog, de gamander-eereprijs, die we in Mei zullen vinden.
’t Is anders niet zoo ineens te zien, dat die klimopbladige behoort tot zoo’n doorluchtig geslacht. Alleen als je een van de bleekblauwe bloemkroontjes, die zoo gemakkelijk afvallen, terdege bekijkt, ontdek je de twee meeldraadjes, die hun voornaamste kenmerk uitmaken. De stengelbladeren vertoonen den echten klimopvorm, dus de naam is goed gekozen.
Dit kleine eereprijsje groeit niet in ’t dichtst van de wei, maar op verwaarloosde plekken en langs heggen en boschkantjes, waar hij zich heel gelukkig gevoelt in gezelschap van paarse doovenetel, sterremuur, kruiskruid en meer dergelijk gespuis.
Evenals al die andere is hij een echte snelgroeier en niet bang voor een beetje kou of barheid. Midden in den winter ontkiemen de zaadjes al, zoodat begin Maart de bloempjes al voor den dag kunnen komen.
Toch blijft de wei de heele Lentemaand door nog stug van uiterlijk, slechts gaandeweg wordt ’t beter en als ’t eerste kievietsei eenmaal gevonden is, begint het er aardig uit te zien.
De groote groene donkere proppen, die dotterbloemen (1) zullen worden, beginnen zich te ontrollen en gaan er werkelijk uitzien als stengels met bladeren. De stengelstukken zijn in ’t eerst nog wel kort, maar de bladeren vertoonen al hun mooien niervorm. ’t Is een lust te zien, hoe mooi ze geaderd zijn en gekarteld langs den rand. Midden in elk karteltje zit een wit plekje en daar eindigt ook een ader of nerf in. Al die witte plekjes zijn een soort van zweetkliertjes, die helpen de bladeren om het overtollige water weg te krijgen.
De eerste dotterbloem-bloem (2) vind ik ook nog in Maart, de laatste nog in Juni en elk jaar zijn er ook weer van die dotters, die op ’t eind nog weer eens in bloei komen en het uithouden tot laat in October. Toch blijft Palmpaschen de mooiste dotterbloementijd, tegelijk met den mooisten bloei van de waterwilgen.
Alles is dan geel in de wei en ’t is volkomen in den haak, dat dan ook in groot aantal de gele kwikstaartjes (109) aankomen, mooie, vlugge vogeltjes met lichtblauwe kopjes, keel en borst zoo geel als van een kanarie en de staart, zooals alle kwikstaarten die hebben, lang en bont en bewegelijk.
Ze komen aan in kleine troepjes; ’t is zeer goed mogelijk, dat elke troep bestaat uit een of meer gezinnen van ’t vorig jaar, die bij elkander zijn gebleven en al dien tijd elkanders lief en leed hebben gedeeld. Ook nu blijven ze nog geruimen tijd bijeen, insecten zoekend op en tusschen de schapen, krijgertje spelend in ’t gras of pronkend op den zwarten bagger langs den slootkant. Daar zie je ze dan op hun mooist.
Over een poosje maken zij hun nest, ook alweer verborgen onder ’t gras in holten langs greppelranden en heel moeilijk te vinden. Er liggen tot vijf of zes grijsbruin-gevlekte eieren in.
Eens heb ik er een gevonden bij ’t zoeken naar viooltjes. Als ’t Maart werd, dan gingen wij jongens er altijd op uit met een zakmes en een bloempot, om viooltjes (22) uit te steken. Ik herinner mij nog, hoe we ze zochten op een kleiig plekje langs den Ouden Rijn, jaar in jaar uit en altijd vonden wij er. Je sneed dan met je mes in een kring rondom ’t polletje, zoodat je een afgeknotten kegel kreeg, die juist in de bloempot paste, ik voel nog het inpersen van die vette klei. En hoe aardig stonden de enkele grassprietjes om ’t plantje; een paar donkerblauwe bloempjes verspreidden hun geuren, andere waren nog in knop, we konden altijd wel een maand lang plezier van ons potje hebben.
Er waren nog al veel kinderen, die daar viooltjes haalden, maar gelukkig was de voorraad groot genoeg; er groeiden er zooveel, dat de heele wei er van geurde. Er stonden boomen om die wei, oude eiken. Eigenlijk geloof ik, dat er op die plek vroeger een buiten of een boerderij had gestaan en dat die viooltjes evenals de sneeuwklokjes bijna altijd als ontsnapte tuinplanten moeten worden beschouwd.
Wij namen natuurlijk de mooiste polletjes en lieten de niet bloeiende staan. We wisten toen niet, dat de viooltjes later in den tijd, in de zomermaanden, nog eens bloeien, maar dan met heel kleine groene bloempjes, die je nooit te zien krijgt, als je niet weet, dat ze bestaan en als je er niet opzettelijk naar zoekt.
’t Zijn kleine groene spitse knopjes aan nogal lange steeltjes. Ze liggen vlak bij den grond en de vruchten (24), die ze opleveren, komen ook op den grond te liggen; die zijn groot en zwaar genoeg. Ze springen open met drie kleppen en die krullen ineen, zoodat ze de dikke zaden wegschieten net zooals iemand een kersepit tusschen duim en vinger wegschiet. De mieren sjouwen die zaden weer verder en zoo kan dan een heele buurt vol viooltjes raken.
Doch heel veel zijn er toch niet in onze Hollandsche wei; ’t meest vind ik ze nog op de dijken en daar zie ik dan ook ’t meest de mooie parelmoervlinder (105), die zijn eitjes op de viooltjes legt.
Als er heerlijke geuren uit de wei opstijgen in April en Mei, dan zijn die meestal wel afkomstig van de beide reukgrassen. Het eene heet „reukgras” zonder meer, het andere veenreukgras. Ze zijn allebei nog al gemakkelijk te vinden, want ’t zijn de grassen, die het vroegst bloeien, alleen de vossestaart houdt hen dan gezelschap en die is aan zijn zachte cilindervormige aarpluim al heel gemakkelijk te onderscheiden. Het veenreukgras groeit liefst op vochtige plaatsen, langs slooten en greppels. Doorgaans heeft het een bruinachtig tintje. De pluim is nog al wijd vertakt en bestaat uit veel bloempakjes, die aan kronkelsteeltjes neerhangen. Dat maakt dat dit gras in den bloei wel wat gelijkt op het meer bekende trilgras, dat we in Mei vinden.
Wie er lust in heeft en er niet tegen opziet, om even een loupe te gebruiken kan op droge zonnige Aprildagen gemakkelijk de meeldraden en stampers van dit gras te zien krijgen, als ze uit de bruine of violette kafjes naar buiten groeien. Maar veel beter gaat dit nog bij het gewone reukgras. Het begint te bloeien met een tamelijk dichte doch kleine aarpluim, die uit langwerpige bloempakjes bestaat. ’s Morgens komen daaruit nu de meeldraden te voorschijn, uit elk bloempje twee; bij de meeste andere grassen bedraagt dat getal drie.
O, wat heb ik daar al dikwijls met genoegen naar zitten kijken! Je kiest een bloempje, dat al de paarse helmknoppen laat zien, en blijft dan wachten. Telkens komt dan met een schokje die helmknop een klein eindje hooger, dat kun je vaak ook zonder loupe al zien. Eindelijk is de helmknop er heelemaal uit, maar nu is ’t nog niet gedaan, want nu schiet de helmdraad, een mooie witte helmdraad, al hooger en hooger op, totdat de paarse helmknoppen twee centimeter buiten de bloem uitsteken en daar bibberend en trillend met ieder zuchtje van den wind hun fijne stuifmeel uitstrooien.
Je hebt in Münchhausen’s leugenboek wel eens gelezen van dien man, die het gras kon hooren groeien en dat is wel aardig, om aan te denken. Maar nog duizendmaal aardiger vind ik het, om met mijn eigen oogen het gras te zien groeien en dat zie je nergens zoo goed als bij het reukgras.
De geur van die reukgrassen is later de geur van ’t hooi, maar zoover zijn we met Palmpaschen nog niet.
Er bloeit nog zoo’n klein dingetje, dat de meeste menschen over het hoofd zien, maar dat eigenlijk toch veel te mooi is om vergeten te worden. Het lijkt net een soort van gras, maar de bladeren zijn met lange zijde-achtige haren bezet en als de bloempjes uit de bruine pluim op een warmen lentemorgen goed open staan, dan zie je dat ’t mooie zespuntige sterrebloempjes zijn, met aardige stampers en meeldraden en ’t is nog moeilijk genoeg, om een echt onderscheid te vinden tusschen deze verschoppelingetjes en de trotsche lelies. Deze „veldbies” (18) groeit ’t liefst in zandige niet al te natte weiden.
Daar komt dan ook de akkerpaardestaart (17) te voorschijn, die meer lijkt op een stukje speelgoed, dan op een plant. De stengel is opgebouwd uit een aantal verdiepingen die met mooie tandrandjes aan elkaar sluiten. Bovenop zit een soort van bijenkorfje dat bestaat weer uit kransen van aardige doosjes, waaruit een groen poeder te voorschijn komt. Dat zijn de sporen en daaruit komen ten slotte na allerlei avonturen weer nieuwe paardestaartplantjes opschieten. Behalve deze sporendragende twijgen komen later groene twijgen te voorschijn met kransen van takjes en die kan je ook al weer in stukjes trekken.
Als een boer je bezig ziet met ’t vernielen van paardestaarten dan kijkt hij niet ontevreden, want hij beschouwt die paardestaarten als een gevaarlijk onkruid.
Er zijn in ons land heel wat verschillende soorten van weiden en elke soort is mooi op zijn eigen manier. Die van ’t Hollandsch laagveen hebben in ’t vroege voorjaar niet hun allermooisten tijd, al gaan ze soms heelemaal schuil onder de pracht en praal van de dotterbloemen. Ze liggen dan nog veel te kil en te open in hun omlijsting van slooten. De weiden langs den zeekant zijn ’t langste dor, alleen bloeit daar in April het lepelblad, maar later komt er mooi Engelsch gras (16) en de aardige zeespurrie (28).
De Zeeuwsche en Geldersche weiden echter hebben vaak hagen of brokken heg van meidoorn (6), sleedoorn (5) met hondsroos (23) en braam (26) en dat geeft weer heel wat afwisseling. Al in Maart begint de meidoorn zich heelemaal met groen te bespikkelen, doordat de knoppen bersten en zwellen en terzelfder tijd gaan aan de sleedoorn zich al bloemknoppen ontwikkelen, zoodat met half April de hagen heelemaal in den bloesem zitten en het na een buiïgen dag haast niet uit te maken is, of een weirand onder de sneeuw ligt of met bloeiende sleedoorns is bezet. Als ik zoo’n heestergroepje langs de wei zie, dan koers ik er dadelijk op af, want ik weet zeker, dat daar altijd iets moois te zien of te beleven is. Natuurlijk staat het speenkruid (4) er in grooten overvloed, het aardig boterbloemachtig sterrebloempje, dat ook wel veel staat in de wei zelf en langs de dijken, maar toch eigenlijk tehuis behoort in heg en bosch.
Daar staat ook nog een ander heggekruid, de stinkende gouwe (21) of liever kortweg „gouwe” of „groote gouwe”, want met dat stinken is het zoo erg niet. Wel krijg je gele vlekken aan je vingers als je de bloem plukt, want stengels en bladeren zijn geheel doortrokken met kanalen vol geel melksap. Den eenen dag is het geler dan den anderen en in de wortels is het dikwijls oranje bij steenrood af.
Als je haast nog niets van planten afweet en wel eens hebt hooren praten van kruisbloemen, dan beschouw je de gouwe met zijn vier kroonblaadjes ook al licht als een kruisbloem, dus als familie van koolzaad, pinksterbloem of veldkers. Maar als je beter toekijkt, dan zie je wel aan de groote menigte meeldraden, dat we hier met heel wat anders te doen hebben en dat onze vriend met het gele melksap behoort tot de familie van de klaprozen. In die zeer juiste meening wordt je nog versterkt, als je ziet hoe bij ’t opengaan van de bloem de twee kelkblaadjes worden afgestooten en hoe dan de vier kroonblaadjes gekreukeld en verfomfaaid uit hun dichte omknelling te voorschijn komen. De gouwe opent zijn eerste bloem in ’t midden van April en blijft voortbloeien tot in October toe.
Op den bloeienden sleedoorn wemelt het van bijtjes (10), kleine wilde bijtjes, die ook alle omtrent Palmpaschen uit den grond komen kruipen. Ze hebben daar in de diepte, soms 5 c.M. diep, soms twee d.M., hun heele jeugd doorgebracht; eerst als witte made peuzelend van den honig- en stuifmeelvoorraad, die hun moeder daar voor hen had bijeengebracht, in elk kamertje juist genoeg voor de ontwikkeling van een jong. Later verpoppen ze en als de lente komt, zijn ze gereed, om zich een weg te banen naar de frissche lucht en het heldere zonlicht, dat ze nog nooit hebben gezien, en naar de mooie bloemen, waar niemand ter wereld hen van verteld heeft en waarop ze toch dadelijk hun kost moeten zoeken.
Ik heb er vaak bijgestaan, dat die bijtjes uit den grond kwamen, honderden bij honderden. Waar je ook keek, overal zag je kleine openingetjes ontstaan, twee voelsprietjes wuifden onderzoekend in de ruimte en dan volgde langzamerhand het harige kopje en ’t ruige lijf. Die er al uit waren gekropen bleven nog een tijd rondvliegen boven het opstandingsterrein, alsof ze er belang in stelden, hoeveel van de familie er wel te voorschijn zouden komen.
Dan gingen de mannetjes de wijfjes jagen en ten slotte zwermde de heele bende naar de bloemen, naar de sleedoorn, de gouwe, ’t speenkruid, de dotterbloemen en het hoefblad. En na een paar dagen zag je telkens nu hier dan daar weer zoo’n wijfjesbijtje hard bezig met graven in denzelfden grond, waar ze juist uitgekropen was.
Dag aan dag doet ze niet anders dan kamertjes maken, die ze vult met honig en stuifmeel en waarop ze het lange geelachtige eitje legt, waaruit de witte made komt, die ’t volgend jaar als bij weer uit den grond zal kruipen. Zoo gaat het voort, jaar in jaar uit, altijd weer van voren af aan.
III. ALS DE EEREPRIJS BLOEIT.
De mooie blauwe eereprijs (31) komt meestal in bloei omstreeks den eersten Mei, soms een dagje eerder, soms wat later, maar heel dikwijls heb ik haar voor ’t eerst gezien juist op den eersten en daar was ik dan heel blij om, hoewel het niets te beduiden heeft. Ook blijft het plantje wel doorbloeien tot in September, maar ’t mooist is het toch in Mei.
’t Is nu, terwijl ik dit schrijf, Januari, maar ik verheug mij er al op, dat iedere dag ons nader brengt tot de Mei en als ’t eenmaal zoover is, dan ga ik lekkertjes weer uren lang zitten bij de eereprijsjes, hetzij in mijn eigen tuin, waar ik ze een eereplaats heb ingeruimd, hetzij aan den Vechtdijk of aan den Zuiderzeedijk, waar ik groote plakkaten eereprijs weet te staan vlak bij meidoorns die in bloei gaan komen. Groote bloeiende meidoorns aan den rand van de eindelooze wei. Hun laagste takken hangen neer tusschen de graspluimen, zoodat de witte meibloesem gezellig komt buurten bij boterbloem en vossestaart, eereprijs en wilde zuring.
Uren lang bij de eereprijsjes. De witte wolken drijven langzaam langs de blauwe lucht en tusschen ’t groene gras gaat telkens een nieuw blauw oogje open. Eerst steekt een bleekblauw kegelspitsje uit groene kelkblaadjes, dat zwelt en opent zich aan zijn top en dan ontrollen zich de vier kroonslippen zoo snel, dat je de beweging duidelijk kunt zien, maar altijd is ’t nog een verrassing, dat op eens een groot blauw bloempje prijkt, waar eerst een bleeke knop was.
En overal in ’t eereprijsveldje zijn de bloempjes aan ’t opengaan. Als je dat heel mooi wilt zien, ga dan kijken in de morgenuren. Je behoeft niet zoo griezelig vroeg te gaan, als voor andere natuurverschijnselen wel noodig is, ’t is al voldoende, als je er bij bent zoo tusschen achten en tienen. Dan is ook het gras al droog, zoodat je ongestoord kunt genieten.
Als alle oogjes open zijn, dan zie je, dat ze verschillen; sommige zijn heel mooi diep donkerblauw, andere bleek, waterig, paarsachtig. Die donkere zijn vandaag voor ’t eerst open, de andere hebben gisteren hun beau-jour gehad, gaan misschien vanavond nog eens een keertje te ruste, maar als ze zich dan weer morgen openen, dan vallen ze al heel gauw af, hun tijd is voorbij en zoo krijgen ze allemaal hun beurt.
Geur verspreiden die bloempjes niet, maar de groote blauwe plas, die ze in ’t grasveld vormen, wordt toch opgemerkt door de insecten en buitengewoon aardig is het, om te zien, hoe gevleugelde snoepers van allerlei soort de bloempjes komen bezoeken. Nu eens is het een klein gouden vlindertje, dan weer een graafbijtje, dat pas uit den grond is gekropen, maar meestal zijn het bonte, blinkende zweefvliegen.
Sommige zien er uit als wespen, andere als de gewone honigbij en ik ken wel menschen, die ze om dat uiterlijk houden voor heel gevaarlijke dieren, die ze nooit zouden durven beetpakken. ’t Aardigste is nog wel, dat de eene, die veel op de honigbij lijkt, zich ook heeft aangewend, om op bijenmanier te vliegen: hij houdt zijn achterpooten net, alsof hij daar een heele vracht stuifmeel aan zal gaan meedragen.
Doch ’t is allemaal niets dan looze bangmakerij en als je een beetje oplet, dan merk je dat hij niet alleen niet steken kan, maar zelfs niet eens in staat is, om een behoorlijk gebrom ten gehoore te brengen.
Hij heet dan ook gewoon weg „blinde bij” (61), niet omdat hij een bij zou zijn en niet kan zien, maar om dezelfde reden als de mooie lipbloem, die zonder zijn bloemen zooveel op de brandnetel lijkt, den naam van „doovenetel” (42) heeft gekregen. Er is er ook een, die weer heel veel lijkt op een zwart met wit hommeltje, en die daarom dan ook hommelzweefvlieg (64) genoemd wordt. Deze zweefvliegen zijn al even trouwe bloemenvrienden als de bijen; ze eten niet anders dan honig en stuifmeel. Maar ze nemen niets mee; want hun jongen komen op heel andere manier aan den kost.
Die van de blinde bij en ook die van bosch-zweefvlieg (62) en gestreepte zweefvlieg (63) hebben een nog al sombere jeugd. Onder den naam van „rotjes” leven ze in modderslooten, stilstaande greppels en ook wel in gootjes, waarlangs in dorpen en op ’t platte land het afvalwater van de keuken naar de slooten loopt.