De Boeventaal Zakwoordenboekje van het Bargoensch, of De taal van de jongens van de vlakte
Part 2
Gehaaid, flink, ferm, handig, doorkneed. Een gehaaide jongen. Dat gaat hier gehaaid, hoor!
Gehad, bemachtigd. Ik heb gisteravond wat schooren gehad (goederen bemachtigd).
Gehandeld, gestolen. Hij had een paar stukkies blauw laken gehandeld (lood gestolen).
Geheibeld, gestoord.
Geilkenen, deelen.
Geiluk, aandeel.
Gein, pret, plezier. Ik had mijn grootste gein in dien ouwe.
Geintjes, grappen, lolletjes.
Gekloft ook wel geklopt, gekleed of netjes gekleed. Hij loopt joven (mooi) gekloft, draagt een paar godinne (beste) hiepen (schoenen) en heeft een godinne gooferd (hoed) op. De heitjes-piejijzers loopen er gewoonlijk gekloft bij.
Geknipt, aangehouden.
Gelicht, gerold. Ik knijsde dat de vink werd gelicht. (Ik zag dat de portemonnaie werd gerold).
Gelitanieerd, gebruikt (gezegd van een vrouw). Als dat niese 10 of 12 maal op een avond gelitanieerd is, etc.
Gelooid, sterk. Een gelooide gooser (een sterke kerel).
't Gemot, 't Gerecht. Ik heb lieve zaakies gehad en nooit last van 't gemot.
Genifterd, gedood.
Gepensionneerde, veeljarig gestrafte. Gepensionneerd met het fokse medaille (iemand, die 20 jaar gezeten heeft).
Gepiept, gestolen.
Geplakt, gevangen, gearresteerd.
Ges, ook wel get of gis, 8. Ges knaken (8 rijksd.).
Geschaakt, gesnapt. Al wordt er een geschaakt, geen moed opgeven!
Gescheft of Gesjeft, een geschefte jongen (een, die reeds veel in de gevangenis is geweest).
Geschote, gezien, begrepen. Heit niemand je geschote?
Geseewerd, gestolen. Zie Gezeeferd.
Gesimpt, geschreid.
Gesjankt, getrouwd; ook gesnapt. Laat mijn meid geweest zijn, wie ze wil, nu is ze gesjankt, meneer.
Ben je met je niese gesjankt?
Gesjochten, arm.
Geslagen, gestolen.
Geslikt, gestolen.
Gesprongen, uitgegeven. Drie loensche (valsche) knaken (rijksd.) zijn er gesprongen.
Het ezeltje is gesprongen. (De lade is open gegaan).
Geteistem, uitvaagsel. Wij komen niet meer met dat geteistem in aanraking.
Gevazel, valsch spel.
Geweirim, kameraden. Is dat je geweirim? (zijn dat je gabbers?)
Geweldje, geweldpleging. Een krakie (inbraak) en een geweldje; 't wil wat zeggen ook.
Gewikst, glad, slim, loos, scherpzinnig.
Gewoer of gewoerig maken, wegstoppen. Ik heb het gewoere gemaakt onder de derig (aardoppervlakte).
Gezeeferd of gesewerd, gestolen. Een kar met gezeeferd blauw laken (gestolen lood).
Gezopen, beetgenomen.
Gibbissen, bijten. Dat joekel (hond) heb me in me fiets gegibbist.
Gies, meid, dienstmaagd, vrouw.
Gif, slim. Zoo gif binne we ook wel.
Gif (Kif), boosheid. De gooser sloeg alles kort en klein; dat komt door de kif.
Giftig, boos.
Gila, spek.
Gilleskrauter, dief of inbreker op klaarlichten dag.
Gilkemen, Gilkunnen of Gilkanen, deelen. Zie Geilkenen.
Gimme, boter.
Gis, loos, verstandig. Hij is een gisse jongen; hij laat zich niet meevoeren.
Ook: onveilig. 't Is me hier een beetje al te gis. Zie ook Ges.
Glamonius, ruit.
Glimmende gajes, politiemannen in uniform.
Glimmende gassie, agent van politie.
Glimmert, politieagent.
Glimmerik, oog, ook politieagent. Ze hebben hem in de glimmerikken. Gekleurde glimmerikken (blauwe oogen).
Glonis, raam, glasruit. Kijk me die gooser daar zitten roojemen door die glonissen. (Kijk me dien vent daar zitten kijken door de ruiten).
Gnajen, (ngajin), 70.
Gnorel, onbesnedene, christen. (Zie Orel).
Gochem, loos.
Godin, oprecht, echt, vertrouwd, best. Een godinne jongen. Godin! ik weet het niet.
Jozef Godin (de eerlijke Jozef). Godinne schoren (kostelijke of eerlijk verkregen goederen).
Godinne, houd je goed!
Goïm, christen.
Goj, de mannelijkheid.
Gok bajes, speelhuis.
Gokken, spelen om geld.
Gokker, speler.
Goksie, voor de goksie (voor de grap).
Golof, melk.
Gondel, dame. Frits is verschud (opgepakt); hij nam een vinkie (portemonnaie) met 23 centen van een gondel.
Ook: de achterzak op de japon van een dame. Daar zit een vinkie in die gondel. Kijk, wat een gondel, 't lijkt wel een gaper.
Ik besteedde mijn laatsten schrabber (cent) aan een kluif voor me gondel.
Gondelbajes, Gondelspiese, Gondeltas, Bordeel.
Gons, een steek, een por.
Goochem, loos.
Goochemerd, de rechter van instructie. Je moet voor den goochemerd kotsen (opbiechten).
Gooferd of Goofertje, hoed. Geef je goofertje maar hier!
Gooien, ik heb er alle kienen (sleutels) opgegooid (aangewend).
Goozer, kerel; ook vrijer. Een haaie goozer (een sterke kerel). Uitgaan op sikkere goozers (dronken kerels).
Heb je mijn goozer van avond nog gezien?
Kijk me die goozers eens tippelen.
Goozertjes, id. id., ik ga op de goozertjes tippelen.
Goozertippelaar, die bij avond op dronken lui uitgaat, om ze te berooven.
Gouden ploeg, groote dievenbende.
Gouden regen, rijke buit.
Gouden spie, gouden tientje (fokse spie).
Goudvink, officier.
Grammonen, gereedschap voor inbraak.
Granderik, hemel.
Grandig, voornaam, deftig. Grandig gekloft of geklopt (deftig gekleed).
Grandige, heerschap. Zeg grandige, stiek (geef) me een bas (stuiver), dan heb ik net luimspieën (centen voor slaapgeld) genoeg.
Grandige(r), politieman.
Grauwe erwten, hij is in de grauwe erwten gevallen (hij is mottig).
Grazen, iemand te grazen nemen (beetnemen, bedotten).
Greppel, grens. Over de greppel gaan. (Over de grens of naar 't buitenland gaan).
Gribus, gevangenis. Ook een verdachte steeg. Pas op dat je niet in die gribus gaat.
Grikse, wandluizen.
Grimmerigen, lachen. Loek, de gooser grimmerigt. (Zie de vent lacht). Wat grimmerigt die gooser schijnheilig. (Wat lacht die kerel smerig).
Groen, dom, onnoozel. Er zijn nog wel groene goosers onder de prinserij.
Groene deken, het gras. Luimen op de groene deken. (In 't gras slapen).
Groentjes, onervaren jongens.
Grom, klein.
Grom, kleintje (kind). Dat niese zit met grom (is zwanger).
Grommerig, jong, klein. Hij heeft zulke grommerige jatten (kleine handen), dat hij haai (goed) op de meeluk kan peezen (zakken rollen).
Grommetje, kind. Bet heeft twee kleine grommetjes. Ze zit den heelen dag met de grommetjes opgescheept.
Ook meisje. Een grommetje waarschuwde hem, dat de vrijer (man) een nijf in zijn jat had.
Groot Bajes, strafgevangenis te Leeuwarden.
Grootlef, hart, moed; ook wel goed geluk, avontuur. Op groot lef tippelen (zonder vrees, zonder iets te ontzien op diefstal uitgaan). Hij had bij "Moeke" een goede cent schuld; dus ging hij op groot lef tippelen. Ze hebben hem op grootlef geplakt (ze hebben hem op goed geluk aangehouden).
Groot-Mokum, Amsterdam.
Groote knoop, rijksdaalder.
Grijns, gezicht. Hij gaf den rus (rechercheur) een mekajem (klap) voor zijn grijns, dat ie tuimelde.
Grijnzen, huilen.
Grijpelingen, vingers.
H.
Haai, sterk, groot, bij de hand, geducht.
Een haaie gooser (een sterke kerel).
Er is een haaie brand op de Nieuwmarkt.
Hij is haai met de flik (de kaarten).
Een haaie lel. (Een groote borrel).
Een haaie drukker (een zware straf).
Habbekras, bagatel. Voor een habbekras kwam hij weer in de lik (gevangenis).
Haberdoedas (appeldoedas), peuter, stomp, klap. Habe du das.
Hal, politiebureau. St. Pietershal te Amsterdam. De kar met het gezeeferd blauw laken werd naar de hal gebracht.
Half meier, 50 gulden. (Meier, 100).
Half poppie, halve gulden.
Halfvast, onzeker. Ik ga er halfvast op. (Ik ben er niet zeker van).
Hallas (Halles), herrie, drukte.
Halvebroer, boezemvriend.
Halve rooderug, 500 gulden.
Ham (Heim), huis. Ik smeer hem (ga weg) naar ham.
Handje, een handje geven (waarschuwen).
Handvol, 5 jaar. Ik wed, hij krijgt kimmel (3) jantjes (jaren). En ik wed, hij krijgt een handvol (5).
Twee handen vol (10 jaar).
Hassebassie, slokje.
Hebbedinge, zaken.
Heetspeler, iemand, die met hartstocht speelt.
Heibel, drukte, rumoer, herrie, ruzie.
Heibelmaker, ruziemaker.
Heilie, drukte. Wat maak je weer een heilie.
Heit, 5. Heit jantjes (5 jaar). Heit meier (f 500).
Heit en dollet, 5 + 4 = 9.
Heitje, 5 stuivers (kwartje). Ik zet er een heitje.
Heitjes-piejijzers, kwartjesvinders.
Helle, wijs, slim.
Hengelen, de klink van een deur etc. lichten met behulp van een ijzerdraad.
Hengs, uitroep, bij het toebrengen van een kopstoot.
Hengst, schok hem een hengst (geef hem een stoot of klap); kopstoot.
Hiep, schoen, ook wel klomp. Meneer had zoo goed als geen hiepen om de kleezen.
Hiepenmaker, schoenmaker.
Hintemer, gemeene, vieze, ontuchtige kerel; sodomiter.
Hip, avontuurtje; ook snol. Dat niese loopt op een hip. Ze kan hippies bij de vleet krijgen.
Hobbelbak met daaien, tafel waarop met dobbelsteenen gespeeld wordt.
Hoed, agent van politie.
Hoed, spuug bloed, Zooals de waterleiding doet.
Hoek, brigadier van politie te Rotterdam. Dubbele Hoek (Majoor idem).
Hoerenkolkje, Oudezijds Kolk, een grachtje b/d. Prins Hendrikkade te Amsterdam achter de St. Nicolaas kerk. Ik wou de vink in het Hoerenkolkje gooien toen ik merkte, dat er nog cassavies in steunden.
Hollanders, sleutels met kruisen. Ze waren bezig eenige Hollanders uit te peezen (uit te vijlen). Zie Kienen.
Hommeles, twist.
Hondje, dubbeltje.
Hoofdsmeris, Hoofdcommissaris van Politie.
Hoog gaan, gearresteerd worden (verschut gaan).
Hoogeschool, gevangenis te Leeuwarden.
Hoogstapelaar, spotnaam voor iemand, die een schijntje verdient. Schrijver van bedelbrieven in hoogdravenden en hartroerenden stijl.
Hotel Bellevue; id. de houten lepel etc., gevangenis.
Hortsik, paardevleesch. Ook: paardenslager.
Huidje, jas.
Huis, verstand. Ben je dan heelemaal je huis kwijt?
Huppelwater, jenever.
I.
Iep, musch. Een jonge iep.
Iezel, huis. Een leeg iezel (een onbewoond huis). Ik ga dat leege iezel op, om blauw (verkort voor blauw laken). Op de leege iezeltjes tippelen (op onbewoonde huizen uitgaan).
Immes, (zie emmes), goed, echt, prettig. Een immese lik (een goede gevangenis). Immese schooren (best goed).
Ook: heusch. Het is immes.
Als ik maar één neutje (slokje) gehad heb, voel ik me weer immes (lekker).
Knijs immes uit je lampies (kijk goed uit je oogen).
Inspringer, opgeschoven raam.
Intippelen, binnengaan.
J.
Jajem, jenever.
Jajemen, drinken.
Jajemer, drinkebroer.
Jajempie, slokje, borrel.
Jandoedel, jenever.
Jantif, Paschen.
Jantje, jaar. Hij was pas ontslagen van 2 jantjes.
Jas, een jas met staldeuren (een jacquet).
Een jas krijgen (slecht wegkomen; in 't ootje genomen worden). Hij heb een jas gehad (hij is voor den mal gehouden).
Iemand een jas geven (hem voor 't lapje houden, of hem erin laten vliegen). Zie Vrijzetter.
Jaspenen, zitten. Hij jaspent in de lik.
Jat, hand. Wat een jatte heeft die! Doe weg die jat. Met de jat peezen. (De hand ophouden, bedelen).
Jatmoos, (ook jetmoos), handgeld. Heb je wat benosseld, van avond? Noppes (neen) 'k heb den heelen dag getippeld en nog geen jatmoos gehad.
Jatmouzen, kleinigheden stelen; die met de handen te grijpen zijn, bijv. appels, peren, een zakmes etc.
Jato, agent van politie.
Jatten, stelen. Zie Jat.
Jatter, (ook jetter), dief. Die goozers zijn zelf de grootste jatters.
Jeile of Jeilie, geschreeuw, ophef.
Maak er maar zoo'n jeilie niet van.
Jen, grap. Voor de jen (voor de leus).
Jennen, spelen, liegen. Ik ga jennen. Jen wat voor me.
Jenner, speler. De jenner heeft de bank.
Ook: Quasi-toeschouwer, die mee in 't complot is, maar zich houdt als een vreemde; ongeveer als voerder, verlokker.
Jennetje, leugen.
Jensen, gebruiken. Een niese (meid) jensen.
Jetje, ik gaf hem van Jetje (een pak slaag).
Job, onnoozel.
Job, schip, schuit, stoomboot. Hoe hard moest ik niet bavianen toen ik op die job was.
Joekel (tjoekel), hond. Daar is een joekel in de bajes.
Joentje, (zie Joetje).
Joet, 10. Beis joetjes (20). Hij heeft er al beis joetjes opzitten (20 jaar). Joet bas (10 stuiver); Joet meier f1000.--.
Joet-beis, 12.
Joet-dold, 14.
Joeter, 10 stuivers (1/2 gld.).
Joetje, gouden tientje.
Jokef, Jozef.
Joosie, je zult er een joosie aan hebben (ik zal je maar gelijk geven).
Joven, goed, mooi. Een joven ponum. (Een mooi gezicht).
Jouker, duur. 7 pietermannen (7 gld.) is toch niet te jouker. Een poenbroekie is nog jouker ook, op Kattenburg betaal je er 7 1/2 piek voor.
Jozef godin, de brave Jozef.
Juutje, (zie Joetje).
Jijles, drukte, moeilijkheid.
K.
Kaaien, (zie Kajemen), vallen. Moet ik hem laten kaaien of schiet jij hem aan?
Kaairidders, sjouwerlui aan de kaden.
Kabanes, (zie cabanes). Herrie.
Kabs, alles kwijt; van alles beroofd. Ik heb hem kabs gehaald (bij 't spel alles afgewonnen).
Kachel, stomdronken.
Kadin, (Kedin), veilig. De val is niet kadin (de gelegenheid is niet veilig).
Kaf, dorp, stad.
Kaf, 11.
Kaf of Kijf, rug.
Kajem, val. Ze deden een kajem over een paar kooters (kinderen).
Kajemen, vallen. Een laat er zich kajemen en de rus (rechercheur) doet een tuimel over hem heen, dat zijn heele kanes (hoofd) uit elkaar ligt.
Kajim, neus.
Kakebeenhuishouden, scheldnaam voor een magere.
Kakkies, voeten. Ze liep op bloote kakkies.
Kalfie, kinkel. Je hebt geen kalfie voor.
Kalie, water, rivier, haven.
Kalf, groot mes. (Zie Galf). Het scheelt me geen haar of ik haal hem een kalf door zijn bast.
Kalfsch, zilveren. Het kalfsche medaille (de zilveren medaille).
Kalle, bruid.
Kallebak, politieagent.
Kalles, zilver, ook: niets. Kalles kanteren. (Niets zeggen).
Kalletje, publieke vrouw.
Kanebrajer of Kaantjesbrader, iemand die zich over kleinigheden druk maakt.
Kanes, hoofd.
Kanker, makke met een kanker (35 cent).
Kankeren, plagen, pesten.
Kanteraar, straatzanger.
Kanteren, zingen langs de huizen.
Kapoeres, kapoet, kapot (stuk).
Zijn tik is kapoeres. (Zijn horloge is stuk).
Kapsie, aanmerking. Kapsie op iets maken.
Kapsoones, drukte. Die heeft altoos zoo'n kapsoones over z'n lijf.
Kapsoonesmaker, opschepper.
Kar of Karretje, rijwiel.
Kaskedoole, drukte.
Kaskenade, herrie.
Kaskienen, kleine sleutels voor kasten en kistjes.
Kassavie, brief, briefje. Ik zal een kassavie aan mijn gabber (kameraad) veeberen (schrijven).
Ook: bankbillet. Een kassavie van kimmel meier (300 gld.)
Kast, bochel. Ook draaiorgel.
Katezel, (zie Kattebak).
Katoen, kalm. Hou je katoen. Dood katoen (volkomen kalm).
Katsen, kijken. Kats den grandige roojemen naar de seeferaars. (Zie den agent eens kijken naar de dieven).
Katsen, (zie Kotsen en aankwatsen), praten. Een advocaat die goed katsen kan.
Katser, veelprater.
Katsjef, slager, die onrein vleesch verkoopt.
Katsjemme, luimkeet, penne, slaapstee.
Kattebak, ook Katterik en Katezel, winkellade. Ik kan dien kattebak niet nemen; er steunt (is) gajes (volk) in den winkel.
Katteborrel, glas melk.
Kattekop, scheepslantaarn, gewoonlijk van koper.
Kazer, vleesch. Bonzen met kazer (aardappels met vleesch).
Kedeevie, ook Kedeevid, klap, slag, stoot.
Jan gaf zijn niese een kedeevid in der lampies.
Kedin, zie Kadin. Veilig.
Keesie, pruim tabak.
Keet, herrie, drukte, janboel.
Bij Lammetje, daar is 't me een keet; hier zitten er kienen te vijlen; daar studeert er een, hoe hij 't best een vin in een ruit kan zetten (een barst in de ruit aanbrengen, om ze zonder geraas uit te kunnen nemen).
Ook: menigte. Wat een keet gajes!
Keet, (kit), zaak, luimkeet (slaapstee).
Keggie, mik, broodje.
Keien, iemand op de keien laten staan (hem niet meenemen in de kroeg).
Ook: Iemand in de verlegenheid laten.
Keilen, gooien. Hij keilde hem over de straat.
Keiletje, slokje, borrel. Ik heb een keiletje of tien van den loensche (schele) gehad.
Kennef of Kennep, kink, klap, stoot.
Kenijve, brood.
Kersepit, hoofd.
Kesef, zilver.
Ketippie, dubbeltje.
Kewijne, Kaas.
Kezavie, zie Kassavie.
Khein, loos, slim. Zie kim.
Khoug, kracht. Wat heb die vent een khoug in ze jatten.
Kiebes, hoofd.
Kiendop, klein persoontje.
Kien, hij drukt kien. (Hij zit vast, hij kan zich er niet meer uitredden).
Kienen, ook wel Kiejenen, koopen. Ze zijn een jajempie wezen kienen (een borreltje gaan koopen). Hij verklaarde dat ie dien dag van mij een zwijntje (fiets) had gekiend.
Ook opensluiten. Hij kient de deur open.
Kienen, sleutels. Een mooi stel kienen (ook tandels).
FIGURE
Enkele soorten van kienen: ------
Kieren, ik had hem in de kieren (in de ramen, in de gaten).
Kim, (Khein), goed. Dat smaakt kim. Ook: loos.
Kimmel, 3. Kimmel meier (300 gld.)
Kimmel jantjes (3 jaar).
Met ze kimmele (met z'n drieën).
Kimmel en dollet, 3 + 4 = 7.
Kimmelaar, 3 gulden.
Kimpet, in kimpet (in de kraam).
Kin, ja; ook wel stil.
Kinematograaf, sleutel (woordspeling met kien).
Kinf, luizen. Hij zit in de kinf.
Kink, klap, stoot.
Kip, agent van politie, ook hond.
Kippen, aandeel, portie. Heb jij er ook kippen aan?
Hij kreeg een roodruggetje op ze'n kippen.
Kippenhok, school.
Kit, (zie keet), luimkit (slaapstee), (zie platte kit).
Klabak, politieagent.
Klabbes, hoer.
Klanker, flesch. Een klanker neurie, (een flesch drank).
Klapper, kamer. Bovenklapper (bovenkamer). Luchtklapper (bovenhuis).
Klinkertje, glaasje.
Kleerenprik, kleermaker.
Kleezen, voeten. Hou je kleezen een beetje voor je, je schopt tegen me broek op. Die heit me een paar kleezen! Denk om je kleezen.
Kleine knoop, gulden.
Klepelstok, een stok met een gleufje aan de voorzijde, gebruikt om de kwak (winkelschel) over te tikken, (vast te houden).
Kletspatet, hoofdzeer.
Kleum, slaag. Je kunt nog kleum krijgen.
Kleur houden, blijven ontkennen.
Klimmerd, om daarbij te komen, moet ik een geduchte klimmerd maken.
Kloek legem, pond brood.
Kloek met kuikens, stel gewichten.
Kloft, kleeding. Je bent godin gekloft, (netjes gekleed).
Klofting, kleeren, ook wel beddegoed.
Klok, (voor uur). De drukste klok van den Jodenhoek is 11 uur. Onder de klok tippelen. (Naar den dokter loopen op spreekuur; ziek zijn van jongens of meiden die met den neus in den wind hebben geloopen).
Klok met kuikens, stel gewichten in blok.
Klokkie, horloge.
Klomp, groote neus.
Klopdaai, man met een zeer hoofd.
Kluif, een hartig stuk van den slager. Schertsend, voor een stuk koek. Moeke, geef me een bak zweet, (kom koffie) met een kluif.
Kluisgaten, oogen.
Kluit, groote hoeveelheid. Een kluit geld.
Klijf, zilver. (Zie Timtim).
Klijfsch, zilveren. Klijfsche speentjes (zilveren knipjes; beursjes).
Knaak, rijksdaalder. Loensche knaken (valsche rijksd.). Je krijgt bij den snees nog beis knaken voor dat pijtje (jas). Die ander heeft je een lammetje gegeven; het is mij een knaak waard.
Knageling, rat.
Knaker, portemonnaie.
Knappert, pistool. Knappers (pistolen).
Knar, hoofd. Hij heeft een harde knar. Ik kreeg onverwachts een mep tegen me knar.
Knees en Kneesde, kende; van knijzen (kennen). Zij kneesde mijn niese.
Kneibel, sterke, pootige kerel.
Knikker op het dak, Brigadier van politie in Amsterdam.
Knikkers, biljartballen.
Knippen, aanhouden.
Knobbel- of knopsmeris, Brigadier van politie in Amsterdam.
Knoften, (zie Kloften).
Knok, slag (ook slaag). Dat is er een, die je knok kan geven. Zij was bang, dat zij knok kreeg van mijn niese.
Knokken, vechten, slaan, stukslaan.
Ook: wisselen.
Hij had dat poen (geld) nog niet geknokt.
Knoloog, schele.
Knolsmeris, bereden politieagent. Knopknolsmeris (bereden brigadier in Amsterdam).
Knoopje, dubbeltje.
Knul, vent. Die knul, die de knaken (rijksd.) maakt, was bijna geschaakt (gesnapt).
Knurf, klap. Hij kreeg een knurf in zijn tronie.
Knijzen ook Knijtsen, kijken. Zij knijsden hem goed in de lampies.
Knijs even uit, of er wat op de vlakte is.
Stijf staan knijtsen.
Al de buren stonden voor het raam te knijzen.
Ook kennen. Ik knijsde hem noppes. (Ik kende hem niet.) Een broocher, dien ik niet knijs.
Koef noen, twee Hebreeuwsche letters, K en N, gebruikt voor: kost niets.
Koetsef, diamant, (roosje).
Koetsef blinker, briljant.
Koeskoepee, bed, slaapplaats.
Koffer, bed. Ik ga naar den koffer. Hij gaat met zen mokkel in de koffer.
Kokkerd, een groote. Een groote neus, bijv.
Konkel, koffieketel.
Kontslinger, achterjaszak.
Kool, bedrog, (seibel). Iemand een kool stoven.
Kooler, spoortrein. Pleite gaan met de kooler is altijd gevaarlijk; zoodra de zaak ontdekt is, gaat het naar alle kanten rikketikketik en je bent zoo gesjankt. (Met den trein er van doorgaan is altijd gevaarlijk, zoodra de zaak ontdekt is, wordt naar alle kanten getelegrapheerd en je wordt direct aangehouden).
Koone, aangezicht.
Kolf, mes, (zie galf).
Koperen bout, agent van politie in uniform.
Koppie, dubbeltje.
Kopstoot, een stoot met het hoofd, van onderen tegen iemands kin, waarbij het woord hengs! wordt gesproken. De gestootene valt in den regel duizelig achterover en wordt beroofd.
Korpus delik (Corpus delicti), bewijsstuk. Ze heb het korpus delik (ze is zwanger).
Kooter, kind. De kooters zijn naar school.
Heb dat niese een kooter? (Heeft die meid een kind?)
Kooterum, klein.
Kortjan, matrozenmes.
Kotel bajes, gevangenis.
Kotsen, braken, ook opbiechten. Je moet voor den goochemerd kotsen, (voor den rechter van instructie moet je opbiechten). Zie Katsen.
Kopzorg, bekommering. Heb daar geen kopzorg over, (bemoei je daar niet mee.)
Koud maken, vermoorden.
Kout, mes. (Zie Nijf, Galf, Nifterik).
Kousjer, zuiver. Dat zijn kousjere bullen.
Je zou bij je olmse (ouders) toch een veel kousjerer leven hebben dan in zoo'n spiese.
Kraak, inbraak. Een krakie zetten (een inbraak doen).
Twee vrijers waren bezig met een kraak.
Kraanoogen, spelden. Leverworst met kraanoogen aan een joekel (hond) geven om hem stil te maken (te dooden).
Krabbedaaier, vechtersbaas, ruziemaker.
Krabbelpoj, inkt.
Krabber, breekijzer.
Krakeling, ze verlunzen geen krakeling (ze verstaan geen woord).
Kraken, inbreken. Het nobele volk neemt den nacht voor den dag; bij dag luimen ze, bij nacht kraken ze.
Kraker, inbreker. Hij stond bekend als een kraker.
Krakertje, borreltje.
Krankjorem, krankzinnig.
Krates, (kriek), gebochelde.
Krats, streep; streep door de rekening, teleurstelling; een niet in de loterij.
Krauter, politieagent.
Kreeft, vleesch.
Kreischen, schreeuwen.
Kren, meid. Ze zit met kren (ze is zwanger).
Krententuin, Veenhuizen.
Kriek, gebochelde.
Krien, zilver.
Krot, verdacht huis.
Kruif, kwast, verwaande kerel, grootdoender.
Krummeldieven, minachtend voor pruldieven. Dat is een mooie stad om te jatten voor de krummeldieven.
Kug, brood.
Kuierstokken, beenen. Neem je kuierstokken (pak je weg).
Kuil, kelder, ook: diepert. Bierkuil (bierkelder). We gaan naar de kuil van Moeke.
Kuiten, neem de kuiten (maak beenen; zet het op een loopen).
Kutpooier, iemand, die leeft van zijn meid of vrouw. Zie: Behojjebikker.
Kwak, winkelschel. De kwak doet ting-ting. Tik de kwak over (hou de schel vast).
Kwakkie, kleine hoeveelheid. De snees (opkooper) zou de daaien (diamanten) bij kwakkies laten verslijpen.
Kwant, flink. Dat vind ik kwant van hem.
Kwart meier, 1/4 van f100. Bankje van f25.
Kwats, uitroep. Kwats! die zit er weer in. (Wordt bedoeld: in de gevangenis).
Kwiek, vlug.
Kwinten, zakkenrollen.
Kijletje, (zie Keiletje), slokje.
Kijf, zie Kaf.
L.
Labe, heele hoop; een boel. Daar zal wel een labe van in de flik (krant) steunen.
Lak, ik heb er lak aan. Er is lak aan me te verdienen. (Ik laat me niet beetnemen).
Laken, blauw laken, (lood).
Lakijfe, (lekijve), beminde, vrouw.
Lammet, 30.
Lammetje, 30 stuivers. Een lammetje, (een daalder). Veel schokt hij er niet voor, maar toch altijd wel een lammetje. Die ander heit je een lammetje gegeven; 't is mij een knaak waard.
Lamp, politie, onraad. Tegen de lamp loopen.
Lampies, oogen, smeerpitjes, waspitjes. Iemand blauwe lampies slaan. Laat je lampies goed knijzen, (kijk goed uit je doppen).
Landing, ruzie. De gooser heb landing met ze niese gehad.
Last, hij heb de last, (zooveel hij dragen kan, knap dronken).
Lat, stok, sabel, kerfstok. Me olmse had daar aardig op de lat gedronken, (op de pof), op crediet.
Laten zakken, in 't water gooien.
Latkip, agent van politie.
Laulem, ten minste.
Lausie, ei.
Laveloos, stomdronken. Dat kren is laveloos. (Die meid is stomdronken).
Laven, dronken maken.
Lawaje, begrafenis. Daar gaat een lawaje voorbij. Krijg een lawaje in je huis! (verwensching).