De Boeventaal Zakwoordenboekje Van Het Bargoensch Of De Taal Va

Chapter 4

Chapter 43,589 wordsPublic domain

Roodevlag, de vrouwelijke stonden (zie vuile week).

Rooieloop, kopergeld.

Roojemen, kijken. Die vrijer staat daar te roojemen, die wil weer 9 stuiver (getuigengeld) verdienen. Kun je niet beter roojemen? Roojeme, (kijk) wat mijn kerel daar doet. Ik kan noppes roojemen. (Ik kan niets zien).

Rookertje, sigaar.

Rosj, hoofd; ook haar. Wat heb die vent een rosj.

Rosjie, id. De niesetjes (dametjes) hadden allen een safiaantje (sigaar) in der rosjie.

Rot, bankrot, ook dood. Als bij 't banken de bankhouder een 9 krijgt, heeft ie de rot. De jongens onder mekaar zijn eerlijk als goud, der mag geen spie aan mankeeren en is d'r eens een misslaander bij, dan slaan ze 'm half rot als ie op de vlakte komt.

Rotten, stinken.

Rotteraar, verrader.

Ruiker, slechte stoot op 't biljart (zie ui en stinker).

Ruiter pié, Pieter Jacobstraat in Amsterdam.

Rukkerd, hij heeft in één rukkerd (aan een stuk) joet-beis (12) jantjes (jaren) opgeknapt.

Rus (Smeris), politieagent, rechercheur.

Russies, id.

S.

Sabberaar, koevoet.

Sabberen, inbreken.

Sabbervelletje, slabbetje, front.

Safiaantje, sigaar. Safiaantjes van de dold (van de 4).

Safianenkoker, sigarenkoker.

Salans, vuur; ook heet. Geef me een beetje salans. Wat is dat niese salans.

Samenetje, cigaret.

Sammech, 60.

Sappelen, talmen.

Sapperen, werken. Daar moet een mensch hard voor sapperen.

Saribel, kerel.

Saroespeelster, heelster.

Saskenen, loopen.

Sassem, suiker.

Sassie, cigaret.

Sauzen, regenen.

Sawor, hals.

Schacheren, handelen.

Schaf je, zie Schof je.

Schafthuis, huis, waar de jongens eten en hun wasch laten doen.

Schaken, snappen, pakken, arresteeren. Heintje en Pastoortje (2 bekende Amsterdamsche rechercheurs) hebben weer een jongen geschaakt.

Scharre, slet.

Scheffen, zitten; ook gevangenzitten.

Daar scheft noppes. (Daar zit niets).

Een oude scheffer of schefter (iemand, die veel gevangen gezeten heeft).

Scheg, neus. Ottenoj, wat een scheg. (Kijk! wat een neus).

Scheppen, bij het vechten de tegenpartij met den nek opvangen en over 't hoofd werpen.

Schermen, scherm met een loen jatje. (Houd je mal).

Scherp staan, besloten zijn tot het uiterste. Ik sta zoo scherp mogelijk. (Ik ben tot alles in staat).

Schiebaart (sjiebaart), masker, mombakkes. Ook: geschonden gelaat.

Ik kan van avond niet tremmen (op de baan loopen) met zoo'n schiebaart voor (met zoo'n stukgeslagen gezicht).

Schieten, zien, begrijpen.

Schim, gezicht, bewijs; ook wel naam. Er staat geen schim in het oksenaartje. Ze hebben stellig zijn schim wel gezien. Een agere schim. (Een andere, valsche, naam). Ik zal je veeberen (schrijven) op een agere (andere) schim (onder een anderen naam). Maak de schim asjewijne (verdonkeremaan de bewijzen).

Schimmen trekken, photographeeren.

Schimmetje, bagatel. Ik heb er maar een schimmetje voor gehad.

Schlemiel, lummel, ongeluksvogel.

Schoenen, hij heeft mij alles in de schoenen gegooid (alle schuld op mij geworpen).

Schof je, zie er af, doe het niet. Soms ook: hou je stil, of verroer je niet.

Schok, goedgeluk. Uitgaan op de schok (op avontuur). Op de schok gaan (uit bedelen of op avontuur uitgaan). Op de schok tippelen. (Des avonds op woningen loopen waarvan de bewoners uit zijn; of op kermissen reizen om een slag te slaan).

Schokken, betalen; ook geven. Schok je een potje bier? Schok dien vrijer een paar spieën. Wat schok je voor dat pijtje? Hij schokt geen morig. (Hij is niet bang).

De bollebof uit het neuriespiese kreeg noppes van hem geschokt. (De kastelein uit de kroeg kreeg geen cent van hem betaald).

Schol, 2 1/2 ct. stuk.

Schorem, arm; ook slecht en leugen. Je hebt schorem gehandeld. 't Is allemaal schorem wat je daar vertelt.

Schorem en al, rommelzoo.

Schooren, goederen, in tegenstelling met geld. Daar is geen poen (geld) te vinden, willen we 't schooren maar meenemen? Gejatte schooren. (Gestolen goederen). Een kist (baal) schooren. Goeie schooren. Op de schooren tippelen. (Uitgaan op diefstal van onbeheerdstaande goederen).

Schoot of schotel, onderdeel van een slot. De deur zit op de nachtschoot.

Schot, hij had het in 't schot (in de gaten).

Schrabber, cent. Piet wou er geen schrabber (geen cent) bijgeven.

Schrabbes (ook Schrappes), geld.

Schrapper, zie Schrabber.

Schragen, beenen. Kromme schragen. Zoodra er verschutting viel (onraad kwam) heeft hij de schragen genomen.

Schrandere, verbastering van grandige. Deis je voor den schrandere (politie).

Schranderig, schraal. Hij zit er schranderig bij.

Schranzen, smullen.

Schriebes, honger. Kijk dat stomme dier een schriebes hebben.

Schrooi (ook wel Schroei), trek, eetlust, honger. Ik heb niet veel schrooi.

Schrooien, hard werken, ploeteren.

Schrijfspiese, kantoor.

Schubbetje, dubbeltje.

Schuifster, hysterische vrouw.

Schuiven, loopen. Laat die maar schuiven.

Schuiver. Een schuiver nemen (hard wegloopen).

Schunnerd, zwerver, schooier.

Schuurtje, 't hok, 't politiebureau, cel. De prinserij wou hem naar 't schuurtje brengen. Als hij mij niet had, zegt Bet, had hij al lang in 't schuurtje gesteund.

Schijthuis, hoer.

Secreet, hoer.

Seeweren, stelen. (Zie Zeeferen).

Segem, schouder.

Seibel, bedrog, zwendel, slechte waar. Laat je geen seibel in je jatten stoppen.

Seigel, verstand. Ik heb daar geen seigel van.

Sein, afgesproken teeken.

Seinen, informeeren. Hij durft niet te seinen en niet te dekken, hij schokt morig. (Hij durft niet te informeeren of op den uitkijk te staan, hij is bang).

Sereife, brand. Sereife maken (brand stichten). Ik zit in de sereife. Waar is de sereife?

Seribel of Sereibel, ongeluk, misère. Door eigen stommigheid zouden ze je in de seribel helpen.

Serrore, persoon, heer. Een olmse serrore (een oud heer).

Siene, agent van politie.

Sikker (sjikker), dronken, duizelig. De gokkers zijn knap sjikker. 's Morgens als ik opsta ben ik eerst wat sikker.

Simpen, schreien.

Sirool, man, kerel. Een rare sirool. Een dronken sirool, die niet weet of het ochtend of avond is.

Sjaak of Sjaakies, kalm. Houd je sjaakies (houd je kalm, doe of je nergens van weet).

Sjaans, kansje (chance). Ik ging uit om een sjaans (avontuurtje) bij een niese. Dat is een mooi sjaansje voor je.

Sjachelen, soort dobbelspel.

Sjad, sjad mie louw of sjakt me louw ('t kan mij niet schelen, schad't mir lau).

Sjanken, trouwen.

Sjappie-hendele-mendele, Hutspot.

Sjaskelbajes, kroeg, herberg.

Sjaskelen, drinken.

Sjed, duivel, vijand, politie.

Sjeezen, hard loopen, wegvluchten.

Sjeg. Zie Scheg.

Sjeks, man.

Sjein, lekker, ook schoon. Sjein in de kloften (knap in de kleeren).

Sjerfen (sjerpen), helen, opkoopen.

Sjerfer, heler.

Sjiebaart, masker.

Sjief (Schiff), schip.

Sjien, politieagent.

Sjikse, een christenmeid. Een nobele sjikse.

Sjikker, dronken. (Zie Sikker).

Sjim, zie Schim, naam.

Sjoeche, begrip; ook verdenking, vermoeden.

Sjoechem, antwoord, bescheid. Ik kreeg geen sjoechem.

Sjoefe, eed. Loensche sjoefe (meineed).

Sjoege, gek.

Sjoele, kerk.

Sjoes (verkort voor Schuster), schoenmaker.

Sjofel, armzalig. Een slechte kerel. Sjofel werk (werk, waaraan weinig te verdienen is).

Sjofelaar, armoedzaaier.

Sjoof, gulden (zie Soof); ook schaap.

Sjooges, erwten. Een H.L. sjooges.

Sjoome, vet.

Sjoucher, koopman.

Sjouter, politieagent.

Slaan, stelen. Geslagen schooren. (Gestolen goederen).

Slagen, winst, buit. Hij heeft mooie slagen gemaakt.

Slag slaan, gebruik maken van de gelegenheid om iets te doen, b.v. stelen.

Slak, horloge (ook tik, tikkie en oksenaar).

Slamassel, ongeluk.

Slampamper, drinkebroer.

Slang, horlogeketting. Fokse slang (gouden ketting). Loensche slang (namaak).

Slemassel, ongeluk.

Slemp, koffie.

Sleur, water en melk (in de gevangenis).

Sleur (slurf), nauwe gang.

Slobber, koffie. Een bak slobber. Den man komt een spatje toe, de vrouw een bak slobber.

Ook: slons, slordige vrouw. Hoe jammer dat ie aan die slobber verzeild is.

Sloeber, vuilpoes.

Sloeper, pantoffel.

Slof(je), halve stuiver. Ook: een krentenbroodje.

Sloom, langzaam.

Sloome, suffer. Een sloome Hannes.

Sloome duikelaar, iemand die door zijn luiheid ten onder gegaan is. Iemand die geen lef heeft.

Sloopen, het lood wegstelen van leegstaande gebouwen.

Slooper, looddief.

Smakken, gooien. Smak hem munt. (Gooi hem tegen den grond).

Smeer, klap.

Smeerkanes, vuilik (eig. vuilkop). Zie kanes (hoofd).

Smeichler (Schmeichler), vleier, mooiprater.

Smeren, hard wegloopen. Smeer 'em met den looppas.

Smeris, politieagent. Op smeris staan. (Op uitkijk staan).

Smerrie of Smurrie, tabak.

Smerrietje, sigaar.

Smiesen, oogen. Dat loopt in de smiesen (in de gaten). Ik had hem in de smiezen. Houd hem in de smiezen.

Smikkelen, smullen.

Smiksem, boter.

Smoesie, praatje.

Smoezen, praten. Ik moet er op kunnen vertrouwen, dat je met niemand smoest. De dokters smoezen niet; die kan 't wat schelen of je in Medemblik zit of in de bajes. Gedekt smoezen (zacht praten). Louw smoezen (niets zeggen).

Smous, dief. Ook scheldnaam voor Jood.

Snaar, onwettige vrouw.

Snees, opkooper van gestolen goederen. De sneezen schuilen wel eens met de politie onder één hoedje.

Sneezen, opkoopen, en ook stelen. In de Marnixbeis woont een okse (een godinne) snees (vertrouwde opkooper).

Snoeien, rondgaan om te zien of er iets te stelen valt.

Snoet, lieverd, schat. Dag snoet.

Snol, lichtekooi, hoer.

Snuiven, bemerken. Snoof je 'm? (Heb je hem begrepen?)

Snurkers, zij die op een kansje tippelen.

Snij, zakdoek.

Soemkoef, politie.

Soentje, verraderlijke steek of por.

Soeteneur, bijspringer.

Sohof, goud.

Sokken, hard loopen. De sokken zetten. (Hard loopen).

Sokon, baard.

Solletje, hoed.

Soof, (zie sjoof). Ik heb je Zaterdag nog beis soof (2 gld.) geschokt.

Sooger, jongen uit een dievenhuis.

Sooges, heete (gekookte) boontjes.

Sossem, paard.

Sossem Prinserij, bereden politie.

Spaander, cent.

Spak, cent.

Span, uitkijk.

Spannen, kijken, zien. Span reis. Ik zal spannen of er onraad is. Span immes (kijk goed). Span je het?

Spanling, oog.

Spankeren, hard wegloopen, vluchten. Hij spankert de deur uit.

Sparber, parapluie. (Zie Sperwer).

Spat, de spat zetten (aan de haal gaan).

Spatje, slokje. Me vader houdt veel van een spatje.

Specie, geld, maar ook drank. Gewonnen specie. Een flesch specie.

Speeldoos, brandkast.

Speentjes, knipjes, beursjes.

Spekkerd, spekslager.

Sperwer, parapluie. (Zie Sparber).

Spie, cent. Vijf spie. Geen spie breng je thuis. Pak op de spiezen.

Spienoze, roof, diefstal. Hij gaat uit op de spienoze. (Zie Pernooze).

Spiese, huis. Neuriespiese (drankwinkel). De donkere spiese ('t cachot). Luimspiese (logement).

Spiesertje maken, uitgaan op een val.

Spinnekop, dasspeld.

Splint, geld.

Spoormeeluk, zijzakje van de jas, waarin het spoorkaartje gestoken wordt.

Spoortiejijs, id., id.

Springen, losspringen, opengaan. Is het ezeltje gesprongen? (Is de lade losgegaan?)

Spuit, geweer, ook wel parapluie.

Spulle, kleeren. (Zie Bulle).

Stand, hoop menschen bijeen, oploop. Een stand maken (een hoop menschen om zich verzamelen, 't zij om een artikel te verkoopen, of om zakkenrollers gelegenheid te verschaffen).

Standel, sleutel. Zie Tandel.

Standwerker, iemand die aangenomen is om een menigte bijeen te brengen.

Stapelaars, Zie Hoogstapelaar.

Steunen, zijn, vertoeven, zitten, blijven staan; ook logeeren. Daar steunt een brandtiejijs (brandkast). Ik moet weten of er poen (geld) steunt. Ik steun (logeer) op een luimspiese. Steunt de kien in 't slot? (Zit de sleutel in 't slot?) Laat de deur open steunen.

Stiek, stand. Een van ons stiek (een van onzen stand, van ons soort volk).

Stiekem, stilletjes, arglistig, in 't geheim. Een stiekemerd.

Stiekemerd, iemand die in 't geheim kwaad doet.

Stieken of stiekjen, geven, reiken. Als je ziet, dat je verschud (gesnapt) wordt, dan stiek je 't zoo over aan een gabber (kameraad). Stiek dien gooser nou z'n poen. Stiek me de kienen.

Zijn olmse (vader of moeder) stiekt hem nou en dan een paar knaken.

Stik, zie Stuk.

Stille, geheime politieagent.

Stille kit, zie Platte kit.

Stil maken, dooden.

Stinker, slechte bal, misstoot (op 't biljart). Zie Ui.

Stinkniese, vuile meid; hoer.

Stoot, ze hebben een mooien stoot gehad (een goeden slag geslagen). 17000 gld. was mijn laatste stoot. Een mooi stootje zou ik zeggen.

Streep, die trekt een streep. (Die bedriegt ons).

Streeptrekker, bedrieger.

Strontschragen, beenen.

Strootje, sigaar. Stiek me een strootje. (Geef me een sigaar).

Strop, tegenvaller, mislukking. Als je daar op loert, dan krijg je een strop. Ik had een strop. ('t Pakte verkeerd uit).

Struinen, stroopen. Ga je mee op de struin?

Stuk (stik), boterham.

Stukken zakkie, broodzakje.

Stukkiesdraaien, spijbelen, platloopen, peuen.

Swel, fat, kwast. (Zie Zwel).

Swellen, verwaand worden. (Zie Zwellen).

Swiebel, ketting.

Swiepen, slingeren. Je haalt het poen er uit en swiept het pijtje in de majem (te water).

Swiepert, iemand, die er zijn werk van maakt, menschen tegen den grond te werpen, om ze te berooven.

Sijbebelajum, beste kamer, no. 100.

T.

Tabee, gegroet. Tabee, broer. (Goedendag, vrind).

Tafeltimtim, tafelzilver.

Talhoutjes, breekijzers.

Tamp, brood. Is er nog tamp?

Tampil, slag.

Tapijtje, jas.

Tandels, sleutels. Ze schokten mekaar de tandels over.

Teefie, meid. Een mooi teefie.

Teller, bord.

Temeie, meid uit een verdachte omgeving. Hij heeft dat temeie beis (2) hondjes (dubbeltjes) geschokt (gegeven). Zijn temeie had een paar trederikken (pantoffels) voor dat poen (geld) gekocht.

Temeierlikker. Zie Minette.

Temeierspiese, bordeel.

Tennef, slechte koopwaar.

Tes, 9.

Test, hoofd. Sla je lat op zijn test stuk. Ik had hem wel eens willen zien rollen met z'n test tegen de daaien (keien).

Tiejijs, huis; ook brandkast, en verder elk ding waarvan de naam niet dadelijk te binnen schiet (dinges).

Een zeere tiejijs (zieke geslachtsdeelen).

Voor de deur van z'n tiejijs zat de bollebof een praatje te houden.

Daar steunt geen tiejijs (brandkast). De tiejijs steunt dicht bij de wipper (het raam).

Wat heb die gooser een haaie slang op zen tiejijs hangen (op zijn vest in dit geval).

Tiejijspeezer, brandkastforceerder.

Tift, thee (drank).

Tik, horloge. Tik met bengel (horloge met ketting of wel met signetten).

Tikken, op den kop tikken (bemachtigen).

Tikkertje, horloge.

Til, verzamelplaats van kwartjesvinders, dieven en dergelijken.

Timmer, slaag. Op de bazaar (politiebureau) kreeg hij timmer.

Ook: zaken. Heb je een goeie timmer gemaakt? (een goeden slag geslagen?)

Timtim, zilver. Tafeltimtim (tafelzilver).

Ting, schel.

Tingeling, gewone winkelschel.

Tinnef, slechte kost.

Tip, man. Een sikkere tip, (een dronken man).

Tippel, uit de voeten.

Tippelaar, straatdief. Een tippelaar op klompen (iemand zonder lef).

Tippelen, loopen, op roof uitgaan; ook: op de baan loopen, gezegd van meiden. Ik tippel op een zwijn. (Ik ben bezig om een fiets te stelen). Op een ezel (winkellade of kantoorlessenaar) tippelen. Op de schippers tippelen.

Tippelsjikse, rondzwervende vrouw.

Tjakmoos (Gakmoos), verbasterd van jatmoos (handgeld, eerste ontvangst).

Tjoekel, hond. Zie Joekel.

Toeren, rondgaan, bijv. met den voddenzak.

Toet, mond. Kom er uit, dan kan je je toet onder de kraan houen; water aan je nest brengen, dat doe ik vast niet.

Toetje, mond. Ik gaf haar een kedeevid voor haar toetje.

Tof, goed, degelijk; ook kalm en eerlijk. Het was een toffe gooser (een flinke kerel), eigenlijk kachel zag je hem nooit. Hou je maar tof. Hij speelt tof. Dat je een tof niese hebt wil ik graag gelooven. Tof poen (goed geld). Toffe brogers (nette heeren). Een tof niese (een mooie meid). Tof gajes (goed volk). Louw tof (niet goed). We hebben een tof meelukje gehad.

Tofes, gevangenis.

Toges of Tokes, achterste, gat.

Toppie, pet, ook wel hoed. Als dat ezeltje springt, schaf ik mij dadelijk een velletje en een toppie aan. Me olmse wierp ze toppie in een hoek. Alle tippelaars dragen toppies van 2 pieken, mooie gassies maar jouker.

Tor, vrouw van slechte zeden.

Trammelan, lawaai. Ik zal maar geen trammelan maken.

Tredekers of Trederikken, schoenen of pantoffels. Daar hangen een paar trederiks of trederikken.

Trederiks-bajes, schoenwinkel.

Tredikers, schoenen.

Tredikerspiese, schoenenwinkel.

Treiter, een brood. Een krentetreiter (een krentebrood). Hij kreeg 3 maanden voor een treitertje.

Een bakker bekeuren of op zijn kop tikken voor een paar treiters.

Treiter-chocolade, water en melk dat in de gevangenis bij het brood wordt gegeven (sleur).

Treitertippelaar, brooddief.

Treive, slecht, onrein.

Tremmen, op de baan loopen; de hoer spelen. Voor zoo'n kerel moet je nog tremmen.

Treter, schoen of pantoffel.

Treters, schoenen.

Tring, bel, schel. De tring overgooien.

Tronie, gezicht. Zet een ander tronie.

Troost, koffie. Een kommetje troost.

Truk (truc), streek. Linke trukken (listige streken).

Trutten, twee drieën werpen bij 't dobbelen (zie Drutten).

Tuimel, tuimelraam boven een winkeldeur.

Ik ga de tuimel openmaken en haal de schoren (goederen) eruit. Je klimt nooit een tuimel binnen of de tandel moet aan den binnenkant op de val zitten.

Tuffel (of tiffel), kerk.

Turftrekker, zakkenroller.

Turksche tafelschel, hoer.

U.

Ui, een slecht gemaakte stoot op 't biljart (zie Stinker). In 't algemeen een misslag.

Uitpeezen, uitvijlen. De kienen uitpeezen. Hollanders gaan gemakkelijk. (Zie Kienen).

Uitvisschen, uithooren.

Universiteiten, gevangenissen.

Uppie, 1/2 cent. (Zie luffie en loefie).

V.

Val, gelegenheid, huis, deur, ook wel bedekt bordeel of rendez-vous. Leen me dat pompertje voor die val. Is dat jou valletje? (woning). De val is nobel. (De gelegenheid is schoon. Er is geen onraad). Heb je de tandel (sleutel) van de val bekaan (bij je). Op de val steunen of drukken (op logement leven).

Varsche waar, afval van geslacht vee, pens, longen, enz. Luuk is in de varsche-waar beweging; die jat niet meer.

Vatling, gereedschap.

Vau, 6.

Vazelen, valsch spelen. Pas op, Bok, dat je niet vazelt, want dan knok ik je lampies dicht.--Je knokt niks. (Je zult het wel laten).

Veeberen, schrijven. Ik zal een kassavie aan mijn gabber veeberen. Iemand veeberen op een agere (andere) schim (naam).

Veemen, vingers (zie Feemen).

Veemsteker, vingerring.

Veiling, in de veiling zetten. (In de maling nemen).

Vel, jas. Hou me vel even vast, we gaan looien (kloppen). Dat is een joven (uitstekend) vel.

Velletje, jas. Uit vrees dat zijn velletje in brand zou raken, etc.

Ook: bankbiljet. Een geel velletje (een bankbiljet van 25 gld.)

Verbruggen, verkoopen.

Verbuizen, verdrinken, opmaken. Die broger verbuist al z'n schrappes.

Verdienen, stelen.

Verdiend, gestolen.

Vergokken, het gelach betalen. Kaplaars had het gedaan en Stille Jan moest het vergokken (er voor boeten).

Verkienen, ook wel verkiejenen, verkoopen. We gaan foks (goud) bij den snees verkienen. De gejatte schoren verkienen.

Verkleffer, verklikker.

Verklefster, verklikster (politie-spion).

Verklikker, winkelbel, ook telephoon.

Verknoeien of verknoezen, verraden. Hij is verknoesd (hij is verraden).

Verknoeier, verrader, (ook verknoezer).

Verknoeierij, verraad.

Verknijzen, verraden, bespieden.

Verkrummelen, wegstoppen.

Verkrummelen (zich), zich wegmaken, uitknijpen, zich verstoppen.

Verlinken, verraden, bedotten.

Verlinker, verrader.

Verlunzen, ook verlenzen, bespieden, beloeren, beluisteren, maar ook verstaan. Ze verlunzen geen krakeling (ze verstaan geen woord).

Vermamsen, verraden.

Vermoffelen, wegstoppen.

Vernollen, sluiten. De deur is vernold.

Vernold, gesloten. Hoe is ie vernold, met een Hollandsche of een Engelsche kien? Is de kattebak vernold? Een vernolde val. (Een gesloten deur).

Verpatsen, verkoopen.

Verpieren, kwijt raken, van de hand doen.

Ook verliezen: Hij had zijn fokse veemsteker verpierd.

Heb je je bruine joekel al verpierd?

Versche waar, zie Varsche waar.

Verschieren, verkoopen, verklikken en verdienen. Mesomme verschieren (geld verdienen). Weet je het te verschieren?

Verschud of verschut, betrapt, gevat. Als ik nu weer verschud kom (gearresteerd word) kan ik rekenen op kimmel jantjes (3 jaren). Maar enfin, verschud-verschud (ik moet het er op wagen). De jongen was verschud geworden wegens een oksenaartje.

Verschudden of verschutten, het bed voor iemand verschudden (hem de zaak bederven).

Verschudding of verschutting, stoornis. Ik heb heel wat verschuddings gehad. Ik stond te werken op het oksenaartje van een vrijer; ik had de swiebel los en toen kreeg ik een kleine verschutting.

Verkwartsen, vervloeken.

Versliegeraar, verrader, politiespion.

Versmiegelen, verklagen. Die vrijer ging ons bij den rus versmiegelen.

Versneezen, verkoopen bij een opkooper.

Versnoeien, versnoepen.

Versta j'em, begrip. Daar krijg je geen versta j'em van.

Viege, niets. Hij krijgt een viege.

Vigileeren, zich heen en weer bewegen op de straat of staan in een deur, door een publieke vrouw, om mannen te lokken.

Vin, barst. Een vin in een ruit zetten (een barst erin maken).

Vink(je), portemonnaie.

Vinkendresseur, zakkenroller.

Vinkenpeezer, id. Ik moet niets hebben van dat vinkenpeezen; zeg me liever een godin spiese, waar poen steunt (een goedgelegen huis, waar geld is).

Violen, begaan. Mijn niese dee ook wel is wat dat niet in den haak was, maar ik liet ze maar stil violen.

De Vlakte, de straat; buiten. De jongens van de vlakte. Een jongen of een niese van de vlakte.

Vlammen, hij vlamt op dat niese. (Hij hoopt dat meisje te bezitten).

Vlerk, arm. Een lamme vlerk. Linker- en rechter vlerk.

Vliegerik, vogel.

Voeren, lokken, meetroonen. Koo, de kippenboer wist dat joven ponempie mee naar de val te voeren.

Een der kwartjesvinders voert den vrijer naar een neuriespiese waar de anderen hem opwachten.

Voetenlicht, opening onder of bezijden een gordijn, waardoor men in huis kan zien. Ik knijsde door het voetenlicht, een gooser werd zijn platvink gelicht.

Vol, diefstal. Die vol kan ik van avond niet opknappen.

Vonk, licht, lamp, kaars. Kun je in die val (dat huis) met de vonk werken? (is het vertrouwd er licht te ontsteken?) Er brandde nog vonk. De vonk pleite maken.

Vonkert, kachel.

Vonkie, lucifer, vlammetje, zaklantaarntje. Geef reis een vonkie.

Voorwiel, gulden.

Vreempie, vreemdeling.

Vrouwedod, laffe vent.

Vrijer, man. Iemand die uitgekozen is om slachtoffer te worden van kwartjesvinders. Ik heb dien vrijer aangeschoten (aangekwatst).

Vrijzetter, iemand een vrijzetter geven.

Vuile week, dat niese heb de vuile week (maandelijksche stonden).

W.

Waffel, mond. Hou je waffel dicht.

Wagensmeer, boter. Geef me een broodje met wagensmeer.

Wandelstok, groot breekijzer. Is de wandelstok pekaan? (Heb je het breekijzer bij je?)

Watjekow, klap.

Wees, ook Weets, stille agent. Jongens daar komt een wees aan.

Werkelooze, groote borrel voor 5 spie. Een heitje betalen voor maffen is zonde; je hebt er 5 werkeloozen voor.

Werken met 2 vingers, zakkenrollen.

Wieberig, uit de voeten, weg. Tippel maar gauw wieberig. Maak je wieberig. Breng mijn oksenaar maar wieberig. Maak het maar gauw wieberig.

Wiedes, begrijpelijk. Dat was nogal wiedes (dat spreekt).

Wiepsjer, bedrieger; kaartspeler, die de kaarten zoo weet te schudden, dat hij altijd een mooi spel heeft.

Winde, plaats waar iets te verdienen is.

Windfang of Windvank, overjas, demi, mantel.

Wip of wipper, raam. Blijf jij staan knijtsen, dan zal ik zien de wip open te krijgen.

Wippen, bemachtigen. Hij wipte een vinkie.

Wissiewassie, kleinigheid.

Witje, dubbeltje.

Wolletje, deken.

Wolber of Wolver, goedkoop. Dat heb je wolver gekiend.

Woof, 6.

't Woud, ga je mee neuzen in 't Woud (in 't Vondelpark).

Wijzik, ziekte. Krijg alle judische wijzik (verwensching).

IJ.

IJzeren Hein, de brandkast.

Z.

Zachts, 't mag wel, 't is wel billijk.

Geef me een bittere, maar een kanjer hoor, want ik krijg maar één; zachts dat-ie goed is.

Die gannef heeft een karvol, zachts dat ik er ook een paar heb.

Zain, 7.

Zakken, laten zakken (in 't water werpen).