De Boeventaal Zakwoordenboekje Van Het Bargoensch Of De Taal Va
Chapter 3
Lawajen, begraven. Ik ben uit lawajen geweest.
Lazerus, stomdronken.
Och meneertje heb meêlij met mijn, Ik zal nooit weer lazerus zijn.
Leb, lief. Saarleb, (Saralief).
Leepoogen, etterende oogen.
Lef, moed. Om te moorden, daar heb ik nooit lef voor gehad. Op groot lef uitgaan (willen stelen tot elken prijs). Zuipen op lef (drinken op avontuur). 't Was een heele lef voor me (een stout stuk). (Zie Grootlef).
Lefjongen, een jongen met moed (durfal).
Legem, brood.
Lekijve, (zie Lakijfe).
Lel, borrel. Een haaie lel. (Een groote borrel).
Lenzelink, luisteren. Zie ook Lunzelink.
Lenzen, kijken. Lens goed uit je doppen.
Leuningbijter, leeglooper.
Leut, koffie.
Lichten, rollen. Ik knijsde dat de platvink werd gelicht. (Ik zag dat de portefeuille werd gerold).
Lichterik, dag.
Lik, gevangenis. Een linke lik (een strenge gevangenis, waar 't niet deugt). Een immese lik (een goede).
Likkar, celwagen.
Link, loos, slim, niet pluis, gevaarlijk, leelijk, niet te vertrouwen. Steun niet meer op die val, het is er veel te link geworden. (Ga niet meer in dat huis; 't is er veel te gevaarlijk geworden). (Zie Verlinken). Link tegen link (list tegen list). Een linke slag (een slinksche streek). Een linke broger. (Een leelijke vent). Zakkenrollen is een link werk. Dat is een linke pernoose (gevaarlijke taak). Het link (politie).
Link dajem, valsche eed.
Linken, bedriegen. Laat je niet linken. Op link nemen (er in laten loopen). De rechters wouen hem op de link nemen.
Linken en Lenzen, kijken en loeren.
Linkgajes, niet te vertrouwen volk. Slecht volk. Politie.
Linkmiggel, grappenmaker, ook wel akelige vent of deugniet. Gevaarlijke kerel, die de jongens aflegt.
Lippies, sleutels met smalle baarden.
Loebertangetje of Loevertangetje, Halve cent.
Loeder, dweil, slobber, meid van slecht allooi.
Loefie, halve cent. De kerel valt dood over een loefie, ofschoon hij bulkt van geld.
Loegie, spel kaarten.
Loeken, kijken. Loek reis even in dat spoormeelukje. Je komt voorbij, maakt een veter van je schoen vast en loekt terwijl even naar 't slot. 's Avonds ga je er een paar kienen opgooien, of het soms springt.
Loen, bedriegelijk, valsch. Schermen met een loen jatje, (zich mal houden, zich krankzinnig aanstellen).
Loene, slecht, kwaad.
Loenen, valsch doen.
Loenenaar, valsche kerel, verraderlijke kameraad.
Loensch, scheel, schuin, onecht, valsch, ook wel koper. Ze kijken zoo loensch. De loensche, (de schele). Een loensche oksenaar, (een horloge van onecht goud). Loensche knaken, (valsche rijksdaalders). Een loensche brommer, (een koperen ketel). Loensche glimmerikken (schele oogen).
Loensch poen, valsch geld.
Loensche sjoefe, meineed.
Loensche cassavies, valsche bankbiljetten.
Loensche daai, valsche diamant.
Loentjes, leugens. Ik vertel je geen loentjes.
Loentjes draaien, moppen verkoopen.
Loep of Loepie, horloge. Hij heb een loep in de meeluk.
Loerie, chocolade. Hij heb loerie gegapt.
Lokvogel, de voerder bij de kwartjesvinders.
Lollepot, wellustige vrouw; vrouw die zich aan ontucht met vrouwen overgeeft.
Lol-tiejijs, middel tot het opwekken van vrouwelijke wellust.
Lommerdbriefje, (doorgefourneerd), hoer.
Lommerdspiese, bank van leening.
Lood, geld. 't Schijnt dat jij je lood niet op kan.
Een plak lood op den kop hebben. (Dronken zijn).
Een dot lood, ook een poet lood. (Een hoop geld).
Loodpot, men kan wel zien, waar de loodpot zit.
Hier heb je de loodpot. (Hier is 't geld).
Looien, kloppen, vechten.
Loojig, zwaar. Dat blauw laken is loojig (dat lood is zwaar).
Lorum, zwendel.
Loste, alles kwijt. Zie Kabs. Ik ben glad loste, (zonder een cent).
Lousie, ei.
Louw, niets, weinig, neen. Raffie, ga je mee? Antw. Louw (neen). Sjak me louw, 't kan me weinig schelen, (schadt mir lau). Voor louw (voor niets, gratis).
Louwfikus, niets. Louwfikus te beknijzen. (Niets te zien).
Louwloene, slechte zaken, tegenspoed.
Louwpoekelen, niets zeggen, niets meedeelen.
Louwsmoezen, id. Ik moet kotsen, (opbiechten) voor den goochemerd, (rechter-commissaris), maar ik smoes louw, (ik zeg niets).
Lovie, geld. Lovie in de meeluk. (Geld in den zak).
Luchtklapper, bovenhuis.
Luffie, (zie Loefie). Halve cent.
Luikes, stiekum, stilletjes, in 't geniep. 't Manvolk houdt zich in zulke gevallen altijd luikes.
Luimen, slapen. Ze konden van nacht op de brits luimen.
Luimkeet (luimkit), slaapstee.
Luimspiese, slaapstee, logement.
Luisterlap, oor.
Lul, suffer, domme kerel. Een lul van een brooger.
Ook: dupe. Hij is de lul (hij betaalt het gelag of hij is gesnapt).
Lummelbout, mannelijkheid.
Lunzelink, kijk om je heen, laat je niet uithooren of beluisteren. (Zie ook Lenzelink).
Lunzen, zie Lenzen.
Lurven, kleeren. Ik pakte hem bij zijn lurven.
Lussen, ik lus hem (ik wil met hem vechten, ik durf hem aan).
Lijk, versleten vrouw.
Lijnschieter, suffer.
Lijntrekken, rekken.
Lijpen, drinken.
M.
Macher, koopman, boerenbedrieger, kwakzalver.
Maf, slaap.
Maffen, slapen.
Maffie, kwartje.
Maholle, bedorven, kapot.
Majem, water. Ik gooi hem in de majem. Geef me een glas majem. Tof majem (goed water); link majem (slecht water). Ga dit majem maar niet buizen (drinken) het is link.
Majemen, regenen. Het majemt dat het giet. Het blijft maar doormajemen.
Makke, makke met een kanker, (35 cent).
Makkes, slaag, klap, last, onheil. Hij gaf haar een linke makkes in der koone. (Hij gaf haar een klap die raak was in haar aangezicht.) Daar zit makkes voor 'm an. (Daar krijgt hij last mee). Er zijn lieden die niet houden van makkes en peigere (bedorven) visch.
Maling, iemand in de maling nemen. (Iemand er tusschen nemen of voor den gek houden). Ik had uit de maling kunnen zijn. (Ik had voor altijd binnen kunnen zijn). Ik heb er maling aan.
Malogemen, werken.
Malogemer of Maloochum, werkplaats. Foksmalogemer (goudsmidswerkplaats). De grandige knijst naar het gajes van de maloochum. (De agent kijkt naar het volk van de werkplaats).
Maloochum, (Melogo), werk.
Mangen, vragen.
Mannetjesputter, sterke kerel.
Mansjen, (mansj maken) aanprijzen; recommandeeren.
Mareedsemen, stelen.
Mareedsemer, dief.
Marwiegen, stelen.
Marwieger, dief.
Masker, pand, (voor de bank van leening).
Massel, winst, geluk, voorspoed. Aan gestolen goed is geen massel. (Gedijt niet).
Masselen, goede zaken. Masselen broocher, (geluk man!) Hij is in zijn massel. (Hij heeft geluk). Il a de la veine.
Massematten, handel, negotie, zaken, ook wel gestolen buit.
Matograaf, sleutel. (Zie Kinematograaf en Motograaf).
Matschudding, herrie, ruzie.
Matses, Paaschbrooden.
Mattenklopper, tien gulden. (Gouden tientje).
Mauwerik, kat.
Meegig, lui, suf. (ook: meelig).
Meeleg, zout.
Meeluk, (Meelik), zak. Poen in de meeluk. (Geld op zak). Een meeluk schoren (goederen). Een meeluk koffie, etc.
Meelukpeezer, zakkenroller.
Meie(r), 100. Een goede meier. (Een goede f100). 1/2 meier. (50). 1/4 meier. (25).
Meier, man. Houd den meier in de gaten.
Meikever, zwerver, schooier. (Ook Merwiecher).
Meilig, Koning.
Meiligin, Koningin.
Meimus, dood. Hij gaat meimus. Ik zal je meimus slaan.
Meine-Deine, Duitsch hasardspel met kaarten.
Meis, lijk.
Mekajem, groote hoeveelheid, een hoop, een klap.
Ook gebruikt voor veel slaag. Hij geeft 't dier mekajem, als 't niet loopt.
Daar lag een mekajem oksenaars achter die ruit. Jongens met een mekajem poen in de meeluk. Ga weg of ik geef je een mekajem. Wat een mekajem gajes op de vlakte. Het wemelt van russen. Als ik alles bij mekaar had, wat ik van me leven geslagen (bemachtigd) heb, dan had ik mekajem.
Mekattering, ook bekattering, beschuldiging. Ook ruzie: Ze hadden een mekattering met een kar met blauw laken.
Melane, lading. Ze kregen de melane (ze werden dronken).
Melogo of Melogem, werk. Zie Maloochum.
Melojen, wenken.
Mem, 40.
Meneertje, de Commissaris van Politie.
Menobbel, monster, bijzonder leelijk schepsel.
Mep, klap, stoot.
Meppen, beetnemen, stelen. Ik laat me niet meppen. Wat praat je van meppen? Ik zal de spieën hebben, die jij van een ander gemept hebt. Katten meppen. Kattenmepper.
Mepschooren, onbruikbare goederen. (Zie Nepschooren).
Merode, neerlaag, armoede. Hij is nou in de merode (aan lager wal).
Merriekie, moeder.
Merwiechers, meikevers, landloopers, dieven.
Mesokke, Mesjoche, Mesjoege, Mezokke, gek, suf. Zie Besjoche, (gek). Schele Mie heeft zich ook mesokke gehouden.
Mezoles, ook Bezoles, bedorven, kapot, ook ziek. Vleesch, dat ruikt; boter, die sterk is; een ei, dat niet versch is; heet mezoles. Kijk eens wat een knap mokkel daar voor de glonissen scheft, maar neem je in acht voor dat niese. Ze is mezoles, dat kan je aan der patsjif wel zien.
Mezoomen (Mesomme), geld.
Middendek, sleutel. (Zie Kienen).
Miegen, wateren.
Mieg-tiejijs, pisbak, urinoir.
Mieniker, vuilik. (Bij verkorting Mien). Een kerel, die gnieperige streken uithaalt.
Mietje, iemand, die een hekel heeft aan de vrouwen. In den regel 't zelfde als hintemer, flikker.
Miesgasser, zie Misgasser.
Miezig, schuldig. Ik heb me nooit aan een portemonnaie miezig gemaakt.
Miggelen, lachen. Hij miggelde link en ze schokten hem een jantje. (Hij lachte verdacht en ze gaven hem een jaar).
Miggelaar, uitkijker; iemand die op uitkijk staat.
Mik, buik, maag. Hij heeft zijn mik weer vol. Sla dit treitertje (broodje) maar vlug in je mik.
Mikwe, bad. Den avond voor den trouwdag moet het Joodsche meisje een mikwe nemen.
Mimmele, moeder.
Minette, poesje, jonge dame, snolletje. Iemand die het minetten uitvoert.
Minetten, streelen, kittelen, likken van de geslachtsdeelen.
Miskaf, Miskuiken, Misgasser, Miesgasser, vuilik, akelige vent, sodomieter.
Misslaan, te kort doen, geld achterhouden en dus niet eerlijk deelen.
Hij heeft me een meie misgeslagen, (f100 te weinig van den buit gegeven).
We waren allen godinne jongens, misslaan hebben we mekaar nooit gedaan.
Misslaander, iemand, die 't gestolene niet eerlijk deelt.
Moeke (Moeke Kommers), kelder Nieuwe Markt 19, Amsterdam.
Mok, beker. Een mokkie bruin (een kop koffie).
Mokkel of Mokkeltje, meid, geliefde.
Mokum, stad. Groot Mokum, (Amsterdam). Er zijn hier in Mokum geen goede tiejijzen meer, (geen welvoorziene brandkasten). Klein Mokum, (Rotterdam). Mokum Mollof, Mokum Alf (Amsterdam). Mokum Reis, (Rotterdam). Mokum Beisz (Berlijn).
Mokumer, Amsterdammer.
Molleke, (zie Mokkel).
Molm, geld. Ik weet dat er molm steunt, (dat er geld zit). Een kattebak met molm (een winkellade met geld).
Mollof, Mokum mollof, (Groot Mokum), Amsterdam.
Monnie, geld.
Moord, de moord steken. (Om 't leven komen). Steek de moord, (krijg een ongeluk).
Moos, geld.
Mootvlek, hij peest met de mootvlek, (met 9 dobbelsteenen).
Moppentrommel, effectentrommel, geldkist.
Morf letten, goed opletten op 't geen iemand zegt.
Morig, vrees. Hij schokt geen morig, (hij is niet bang). Ben je morig? Hij schokt morig. (Hij is bang). Je zult zien dat hij morig schokt. (Je zult zien dat hij wegloopt). Hij peest morig. (Hij werkt niet vastberaden).
Mot, twist.
Motlap, mottige.
Motograaf, (zie Matograaf). Sleutel. Heb je de matograaf pekaan. (Heb je den sleutel bij je?)
Muim, slaag.
Muimen, slaan.
Munt, smak hem munt, (werp hem tegen den grond).
Muntmeter, brandkast.
Muziekdoos, brandkast.
Mijlie, mond. Hoor eens, wat een mijlie, (wat een groote mond).
Mijmus, dood.
N.
Naai, bij de hand.
Nafke, meid. Ook: nefke. Als ik met hard werken wat verdiend had, dacht ik: 't Is voor me nefke.
Nafkoone, id.
Najin, oog.
Nase, neus.
Nefke, meid.
Negenweker, iemand, die maar half voor zijn kost berekend is.
Nekijve, (zie Lakijfe).
Nemen, zich laten nemen, (beetnemen).
Nepschooren, (zie Mepschooren). Onbruikbare goederen.
Neuren, rondgaan om te zien of er iets te stelen is.
Neurie, drank, sterke drank.
Neuriespiese, herberg. Ook huis met kelnerinnen.
Neus, 2. Bij 't dobbelen, Aas-Neus (1-2).
Neuzen, kijken. Ga je mee neuzen in 't woud, ('t Vondelpark).
Neut, hoofd. Je wordt al aardig olmsch met je kale neut.
Neutje, slokje. Een neutje kraken (een borreltje drinken).
Niese, dame, meid. Dat niese van hem is ook naai (bij de hand).
Nifteren, dooden. Hij moet genifterd worden.
Nifterik, mes.
Nobel, geschikt, goed, vertrouwd, veilig. Jongens, de val is nobel (de gelegenheid is schoon).
Een nobel spiese (een vertrouwde herberg).
Ook: gepakt. Hij is nobel.
Nobele, man, vrijer. Wat doet je nobele? Die luimt nog. Dat liet de nobele (de man) zich geen tweemaal zeggen.
Noen, 50.
Nooien, uitnoodigen, uitdagen.
Noppes, neen, niets.
Noppes poen (geen geld).
Noppes pekaan (niets bij me, niets op zak, van mij is niets te halen, niets voorhanden).
Er steunde noppes in de platvin (er zat niets in de portemonnaie).
Ik wou een sjaans, (chance, kans) bij haar hebben, maar noppes, hoor je ('t gaf niets).
Noppes kotsen, niets zeggen.
Nor, 't hok, 't cachot op 't Politiebureau. In de nor.
Nosselen, stelen. Heeft Bet van avond nog wat benosseld?
Nosteren, vloeken, ook wel spreken.
Nosterik, boek.
Notting, niets. (Nothing at all).
Nijf, mes.
Nijs, moed, lust. Die heeft nijs om wat te bedissen (moed om te stelen).
O.
Oj, wel, wat moet je?
Okketaaien, iemand te weinig geld terug geven, door kelners, en bij ontdekking het teruggehoudene op den grond laten vallen, alsof 't bij vergis ergens was blijven hangen.
Oks, degelijk, goed.
Zoo gaat ie oks. Dat smaakt oks. Een okse oksenaar (een goed horloge).
Oksenaar(tje), horloge. Een foks (een gouden). Een halffoks (een zilveren). Een loensch (een nikkelen of koperen).
Olf, 1.
Olms, oud, ook gek of kindsch. Een olmse serrore (man). Een olmse niese (een oude vrouw). Een stuk van een olms hemd. Een paar olmse lappen dienden voor kousen. Wat doet ie weer olms. Laat dien gooser toch, hij is olms.
Olmse, ouders. Ben je weer bij je olmse thuis?
Ook enkelvoudigvoor: Vader of Moeder. Ik ga naar mijn olmse. Mijn olmse schokt (geeft) mij nog wel eens wat; hij heeft nog al wat molm. Een die zich olms houdt heet een simulant.
Olmspiese, oudemannenhuis. (Ook Gekkenhuis).
Oltrip, cigaret. (Old rip, een cigaretten merk).
Omslaan, bekennen.
Omslag, omtrekkende beweging. Een omslag maken (door een of andere slinksche manoeuvre iets bewerken).
Onderkruiper, klein mannetje.
Onderkruis, sleutel, zie Kienen.
Onderzeil, iemand onder zeil brengen. (Iemand in slaap maken).
Ongodin, onoprecht, niet waar.
Oome Jan, de Bank van Leening.
Oosser, neen, neen! Een krachtig van de hand wijzen.
Opjacht, kostwinning.
Opgaan, gestraft worden. Zou hij opgaan? Toch is die gooser niet opgegaan voor dat zwijn (fiets). Wie dekt, gaat net zoo goed op als de dader die verschut wordt.
Opknappen, 2 jantjes opknappen (2 jaar in de gevangenis zitten).
Opladen, voeren, bewegen. Hij laadt den sooger op. (Hij bewerkt den man om b.v. aan 't kaartspel deel te nemen).
Oppikken, opvangen. Een vreempie oppikken.
Orel, Christen. Zie Gnorel.
Ottenoj, (zie Attenoj). Heer in den hemel!
Ousten, praten. Oust zachter. (Praat niet zoo luid).
Overbruggen, overbrengen, verklikken. Dit werd alles door dien punt (bochel) overgebrugd.
Oxenaar, horloge, (zie Oksenaar).
P.
Paaltje, stuk roggebrood, (in de gevangenis). Krijg ik van avond je paaltje.
Padjakker, deugniet, schelm.
Pafferik, vuurwapen, pistool, of revolver. De oude Peters draagt altijd een groote pafferik bij zich.
Pageintjes, (zie Geintjes), aardigheden, grapjes. Hij had enkel wat pageintjes in zijn brief geschreven.
Pakslinger, scheldnaam voor Jood.
Palmegoone, een koloniaal.
Palmer, soldaat. Daar tippelt een palmer.
Panas, chef, directeur, ook winkel of lombard. Breng het maar naar de panas.
Paradegeld, geld van een ander, dat iemand bij zich draagt om mee te pronken.
Parademaker, bluffer, die opschept met geld, dat niet van hem is.
Paradet, kletskop, zeer hoofd, schurftkop, (zie Parrig).
Parag, scheldnaam voor Jood.
Paraplu, koepelgevangenis. (Haarlem, Arnhem, Breda).
Parrig, hoofdzeer, (zie Paradet).
Passe-route, vagebond.
Patatters, aardappelen.
Paternosters, handboeien. (braceletten).
Patet, hoofd.
Patjakker, deugniet, fielt.
Patsjif, gezicht.
Pattisj, zwanger.
Peesvrijer, werkman.
Peezen, werken. Hij peest met de flik. (Hij werkt met de kaarten).
Peezen is goed voor de paarden. ('t Werken is voor de dommen). We zullen morgenavond gaan peezen, misschien is de val dan nobel, (de gelegenheid schoon).
Jan is een gooser, die nooit peest, hij steunt den heelen dag in het neuriespiese.
Peget, 2.
Pei, 80.
Peiger, dood, aas, lijk, kapot, bedorven, rot .... van dieren. Peigere visch.
Peiger maken, dood maken.
Peigeren (peieren), sterven, doodgaan.
Pekaan, (piekaan, bekaan), hier, aanwezig, voorhanden.
Pekaan nemen, (in beslag nemen). Noppes pekaan. (niets in den zak). Ze nemen een dronken gooser pekaan, (inrekenen).
Penne, slaapstee. Platte pen. (Slaapstee onder den blooten hemel).
Penneboes, huisbaas, slaapsteehouder.
Pennen, vingers. Wijspen, Ringpen.
Pennetje, cigaret.
Penooze, neus.
Permonje, verlof. Als ie visschen wil moet ie altijd permonje vragen aan ze temeie.
Pernooze, kostwinning, werk, jacht. Hij gaat op de pernooze. Kon ik met de pernooze niets verdienen, dan bikte ik niet, (had ik niets te eten).
Zoo'n tippelaarster peest meteen op vinkies, dat hoort bij die pernooze thuis.
Pernoozemannen, mannen van 't vak. Hij heeft onder de pernoozemannen den naam van vinkendresseur, (zakkenroller).
Perriekie, vader.
Personsie, (presonsie, presumptie), verdenking.
Pesaules, aangebrand, veneriek.
Pestman, gierigaard.
Peut, slaag, klappen. Het doet me lol, dat de russen (rechercheurs) zoo'n peut gehad hebben.
Philippie, muntbiljet of bankbiljet van 10 gld. (De philippus, het geld).
Pichem, jood.
Pickpocket, zakkenroller.
Pié, buurt. Hoerenpié. Ruiterpié. (Pieter Jacobstraat te Amsterdam).
Piechern, suffer.
Piejijzers, heitjes piejijzers (kwartjesvinders).
Piekelman ook Piek, gulden. Ik heb een mooi vinkie (portemonnaie) in dat spoormeelukje (zakje) gezien, met een piekelman er in. Ik ga er op peezen (er moeite voor doen). Dat was de man 4 piek (vier gulden).
Piekeren, denken.
Piemelen, huilen.
Piender, loos, bij de hand. Hij was hem te piender af.
Piepen, slapen. Maar ook wegsluipen, vluchten, lichten, enz.
Hij schijnt hem gepiept te hebben. Ik piep hem, hoor! (Ik maak me uit de voeten). Het is gepiept. (Het is gebeurd). Hij heeft een ezeltje gepiept. (Hij heeft een lade gelicht).
Pieper, aardappel.
Pièr of piejèr, opkooper. (Pierre, naam van een snees in den Haag).
Pierder, speler, nachtbraker.
Pierement, harmonica.
Pieremezeur, cent.
Pieren, spelen, nachtbraken (pierewaaien).
Pieskapee, loopje, grapje. Maak geen pieskapee met mij. (Neem geen loopje met me.)
Pieterman, gulden. Zeven pietermannen is toch niet te jouker (duur).
Pietsie (Bischen), weinig. De Motlap vond 6 heitjes wel een pietsie min. (De mottige vond 6 kwartjes wel wat weinig).
Pikke, de duivel.
Pikken, nemen. Een oksenaartje pikken.
Pikker, matroos.
Pil, iemand de pil ingeven. (Iemand beduiden wat hij doen of zeggen moet. Suggereeren).
Pin, ketel. Een koperen pin.
Pinkeling, pink.
Pinter, slim. (Zie piender).
Piot, soldaat.
Pit, moed. Hij heeft nog al pit.
Plak, halve stuiver.
Planten, verstoppen.
Plat, stil. We moeten die getuige zien plat te maken. Ik moet haar met zoete woordjes plat maken (sussen) om haar mee te krijgen. Zich plat maken (buiten slapen).
Plattekit (stille kit), winkel waar men gestolen goederen koopt.
Platvink, portemonnaie. Een platvink met knaken (rijksd.). Hij zei, dat er noppes in de platvink steunde.
Platvink, zakportefeuille, tasch.
Pleite (ook pleiter), weg. Pleite gaan (wegloopen, weg gaan, zich bergen). Ga maar pleite, het is een beetje link (onveilig); ze knijzen op je. Is de smeris pleite? Hij is pleite gekommen (weggekomen, ontkomen). Ik tippel gauw pleite. (Ik loop gauw weg). Ze hadden juist nog tijd om pleite te tippelen.
Pleite scheften, wegloopen.
Pleite maken, wegwerpen.
Daar kwam een rus (smeris) aan, zoo hard hij kon, en wij pleite. De vonk pleite maken. (Het licht uitdoen).
Plentie, genoeg.
Ploeg, vereeniging. De gouden ploeg (van jongens in Haarlem).
Ploeteren, werken.
Pluk, werk. Zie dat je pluk krijgt.
Poedel, agent van politie.
Poeierpen, cigaret.
Poekelaar, prater, iemand die niet kan zwijgen, babbelaar.
Poekelen, praten. Louw poekelen (niets vertellen).
Je poekelt over dingen, waar je geen verstand van hebt.
Ze begrepen eerst niet, wat ik poekelde.
Poen, geld. Poen in de meeluk.
Daar steunt een dot poen.
Hoe kom jij aan poen, dat je met de melane (dronken) thuis komt?
Poen (een), een opschepper, een gemeene vent.
Poenbroekie, broek, zooals de jongens op de Zeedijk dragen, nauw over de knieën en wijd op de hiepen (schoenen).
Poengassie, pet.
Poeplappie, zakje met geld. Hij heeft een aardig poeplappie.
Poerem, drukte.
Poet, een poet lood (een hoop geld).
Poets, politiebeambte.
Poj, water.
Politoeren, blanketten, sminken.
Pompertje, valsche sleutel. Leen mij dat pompertje voor die val (huis). Een pomper met 5, 6 of 7 tandjes.
Ponem, gezicht. Dat niese heeft een joven (knap) ponem, een leelijk ponem.
Pooien, eten. Moeke, schok wat te pooien. Ik moet maar zorgen, dat er wat te pooien is, jij brengt geen spie thuis. Zij kon zelf wel haar pooien verdienen.
Pooier, dikvreter. Kerel die met een meid leeft, die voor hem den kost verdient. Als ik zoo'n pooier moest hebben, liet ik hem gauw den moord steken (om hals komen).
Pooier, staalboor.
Poozer (posser), duit. Ik had geen posser in de meeluk. Daar is geen posser te verschieren (verdienen).
Poozetjat, platzak.
Pop (Poppie of Poppetje), gulden.
Poppekast, bedstede.
Pores, koe, stuk rundvee (Beheime).
Poser, vleesch.
Posjer, (zie Poozer), cent, duit.
Posser, (zie Poozer), duit.
Posterik, deur.
Pot, smeltkroes.
Poteten, belooning. De versliegeraar kreeg f25 voor een poteten.
Pots, snor, knevel. Een zware pots.
Potsvrijer, iemand, die met kwartjesvinders uitgaat, om uit te kijken.
Prames, deel, aandeel, portie.
Prent, beeld, mooie vent (spottend).
Preuvelen, praten.
Preuvelement, praatje. Ik maakte mijn preuvelement bij haar en kreeg ze mee naar een dansspiese.
Priem, dolkmes.
Priemerik, zwerver, landlooper, ook wel dominee of geestelijke.
Prikken, met een mes steken.
Prins, politieagent.
Prinsemarij, Prinserij, de politie.
Jongens, deize, daar is prinsemarij op de vlakte. (Stil, jongens, daar is politie in de buurt).
Pruif, lading, last. Hij heb de pruif. (Hij is dronken).
Puinsteker, vingerring. (Zie Veemsteker).
Punt, bochel.
Pij, jas, demi-saison, ook wel mond. Halt de pij. (Houd den mond).
Pijger, (zie Peiger), dood.
Pijtje, jas. (Zie Velletje).
R.
Rachmones, medelijden.
Rad, geldstuk. Rijksdaalder, Gulden, Mark, Franc.
Raggeling, mislukking, tegenvaller. Heb je nog wat loensche knaken (valsche rijksd.) uitgegeven?--Ja, beis, maar ik heb ook verscheiden raggelings gehad.
Ramen, oogen. Hij heeft het in de ramen (in de gaten, in de smiesen, in de kijkert).
Rammen, vechten. Als jullie rammen willen, gaat dan op de vlakte (op straat). De jongens gingen rammen met de geslagen treiters (brooden).
Ramsjen, opkoopen.
Randeevoe (Rendez-vous), op randeevoe gaan. (Met een niese in een logement gaan slapen).
Rats, gestampt eten.
Rausj, hoofd.
Rausjen, stelen, rooven. Alles wil ook rausjen. (Ieder meent maar te kunnen stelen).
Ree, flink, bij de hand. Een reeë vrouw.
Regen, (zie Gouden regen).
Reis, Mokum Reis. (Klein Mokum). (Rotterdam).
Reizen, loopen. Ze reizen op hem (ze loopen op hem) (ze zoeken hem).
Rekel, voet.
Remsch hebben, verbannen zijn.
Rewoochem, winst, overmaat.
Ribbemoos, mannetjesputter, sterke kerel.
Rikketikbons, Bank van Leening in Rotterdam.
Riks, Riksie, rijksdaalder.
Rollen, biljarten. Ik mag graag een potje rollen. Ook: stelen, bemachtigen. Hij had een gondel (dameszak) gerold. (Zakkenroller).
Roode haan, de roode haan op een huis zetten (den brand erin steken).
Rooderug, rood ruggetje (bankbiljet van f1000).