De Boeventaal Zakwoordenboekje Van Het Bargoensch Of De Taal Va

Chapter 1

Chapter 13,544 wordsPublic domain

Produced by the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

De Boeventaal.

Zakwoordenboekje van het Bargoensch, of De taal van de jongens van de vlakte, in woorden en zinnen alphabetisch gerangschikt.

Met een voorwoord van

W. L. H. Köster Henke.

Schaafsma & Brouwer--Dockum.

Auteursrecht verzekerd.

VOORWOORD.

Ieder, die veel met misdadigers in aanraking komt, weet, dat door die lieden en hun aanhang woorden en zinnen gebruikt worden, waarvan de beteekenis voor een oningewijde moeilijk of in het geheel niet te begrijpen is.

Men noemt dit gebruik van verouderde, verbasterde, uit vreemde talen al of niet gewijzigd overgenomen of andersgebruikte woorden of het toekennen van een andere dan de gewone beteekenis aan overigens goed Nederlandsch, het spreken van de boeventaal, ook wel dieventaal of Bargoensch. De misdadigers spreken van de Gabbertaal (Gabber = Kameraad).

Waar een groot deel der kroeghouders van het minste allooi, slaapsteehouders, prostituées, opkoopers enz. enz., evenals kwartjesvinders en beroepsmisdadigers zich van deze boeventaal bedienen en laatstgenoemden zich zelfs zoozeer aan het gebruik daarvan gewend hebben, dat zij het niet kunnen laten ook in het verkeer met personen, die niet tot hunne vrienden gerekend kunnen worden, hunne eigenaardige uitdrukkingen te bezigen, daar is het wenschelijk, dat in de eerste plaats de politie, maar ook de justitie- en gevangenis-ambtenaren moeite doen om die taal te leeren verstaan.

Voor de politie is dit wel in het bijzonder wenschelijk. Immers, een enkele bijzondere uitdrukking in het Bargoensch, opgevangen in het voorbijgaan, zal voor een politieman, die de taal kent, voldoende zijn om te weten, dat hij te doen heeft met "jongens van de vlakte", die in 't oog gehouden moeten worden. Ook wanneer misdadigers, die bij hun "werk" op heeterdaad betrapt worden, elkaar in het Bargoensch een aanwijzing geven voor de verder te volgen gedragslijn, zal de politiebeambte, die de taal verstaat, beter zijn maatregelen kunnen treffen dan hij die er nimmer iets van hoorde. Bij het verhooren van publieke vrouwen, opkoopers, pandjeshuis-houders en dergelijke, evenals bij het ondervragen van verdachten, zullen verschillende uitdrukkingen nadere verklaring behoeven, wanneer de ambtenaar, die het onderzoek leidt, niet met de dieventaal bekend is of geen hulpmiddel bij de hand heeft, waarin hij de verklaring van de onbekende uitdrukking kan opzoeken. Die nadere verklaring kan hij, bij gemis van een woordenlijst, voorloopig alleen verkrijgen van hem, die in verhoor is en deze wint dus, door het gebruik van zijn eigenaardige taal, tijd, wat voor hem van groot belang is, omdat hij er dan nog eens op zijn gemak over kan nadenken, wat hij den ambtenaar op de mouw zal spelden. Later, voor den rechter, zal de beroepsmisdadiger of de getuige tegen wil en dank--als blijkt dat zijn opgaven niet juist geweest zijn--niet aarzelen te zeggen, dat de politie hem misverstaan heeft en dat hij geheel te goeder trouw was. Hij zal zelfs bereidwillig herhalen de uitdrukking, die hij beweert gebezigd te hebben, en de politieman, die de taal niet kent, zal zulks dan niet meer voldoende kunnen tegenspreken.

Ook de rechter, die te oordeelen heeft over de beteekenis van een gebezigde Bargoensche uitdrukking, tast dikwijls in het duister, omdat hij de taal niet verstaat en hij ook moeilijk een anderen misdadiger als deskundige kan hooren.

Dat in gevangenissen door de bevolking heel wat besproken, afgesproken en getikt kan worden, als de bewaarders niet met het Bargoensch bekend zijn, behoeft geen betoog.

Een eenigszins betrouwbare woordenlijst van de Nederlandsche boeventaal bestond tot heden niet, hoewel er wel behoefte aan gevoeld wordt.

Nu is het een gelukkig verschijnsel, dat in den laatsten tijd verschillende ambtenaren--het groote belang dezer aangelegenheid begrijpende--de woorden en uitdrukkingen uit het Bargoensch, die zij bij de uitoefening van hun dienst hoorden gebruiken, hebben opgeschreven met de beteekenis, die er algemeen aan gegeven wordt, er bij. Dit heeft aanleiding gegeven tot het ontstaan van deze woordenlijst die, hoewel niet volmaakt, toch reeds vrij volledig is.

Ik heb niet gerust voordat ik bewerkt had, dat deze vrucht van voortdurende oplettendheid en nauwkeurige aanteekening, door de drukpers vermenigvuldigd kon worden, opdat velen daarvan een nuttig gebruik zouden kunnen maken, en ik heb dan ook niet geaarzeld te voldoen aan het verzoek van den Uitgever om een aanbevelend woord aan dit werkje te doen voorafgaan.

W. L. H. Köster Henke. Amsterdam, Mei 1906.

A.

Aangebrand, veneriek.

Aanklennen of aankleinen, lijmen, lokken, meetroonen.

Aankwatsen, aanspreken. Een niese (meid) of een sirool (man) aankwatsen.

Aanschieten, aanvallen. Hij heeft dien vrijer (kerel) aangeschoten.

Aanslaan, aanspreken. Een poging in 't werk stellen. Ik zal dat heertje reis aanslaan. Sla dien broger (man) aan, misschien heeft hij poen (geld). Jongens, er moet aangeslagen worden, daar loopt mooi gajes (menschen daar wat van te halen is).

Aas-Neus, één, twee, (bij 't kaarten en dobbelen).

Aberdoedas of Appeldoedas, zie Haberdoedas.

Achelen, bikken, eten.

Achtermeeluk, zakje, achter op den pantalon.

Achterwiel, rijksdaalder. Er is me een achterwiel voor dien joekel (hond) geboden.

Adje, agent van politie.

Afdokken, betalen, afstaan.

Afgelajen, af, afgetobd. Me niese is afgelajen. (Mijn meid kan niet meer).

Afgelooid, van alles beroofd.

Afgrissen, afrukken.

Afleggen, beloeren, ongemerkt nagaan, verkennen. De russen (rechercheurs) hebben hem afgelegen (beloerd). Dat spiese (huis) moet eerst afgelegen worden. Een smeris legt je af. (Een agent bespiedt je).

Aflenzen, afloeren.

Afloeken, afloeren. Als het gajes (volk) weggaat, zullen we afloeken, of het nobel (veilig) is.

Afroojemen, afloeren.

Aftrekken, onanie plegen.

Aftrekker, onanist.

Aksie en refaksie, last en schade. Ga jij maar pleite (weg) met de kooler (trein), ik ga met de batterik (boot) dan heb je niks geen aksie of refaksie.

Amper, nauwelijks.

Arres, vrees, angst. In arres zitten. (In angst zitten).

Askelen, handelen; koopen en verkoopen.

Askenen, stelen, bestelen. Zeg mokkeltje, ik heb een mooie gooser voor je meegebracht, dien kan je askenen. Wel 60 goosers zijn dien dag geaskend.

Attenoj, hemel, zeg, kijk, als uitroep. Attenoj donder op (zeg ga weg). Attenoj daar komen Heintje en Pastoortje. (Hemel, daar komen twee bekende rechercheurs).

Averkoot, zak, beurs.

Azen, twee éénen werpen (bij 't dobbelen).

B.

Baardaap, bijzonder leelijke vrouw of een knappert (revolver) die niet schreeuwt (geen knal geeft).

Badderen, zwemmen.

Bajes, winkel, huis, gevangenis.

Bajeskar of bajeswagen, celwagen.

Bajesklant, iemand die veel in de gevangenissen terecht komt.

Bak, kop.

Een bak zog, Een bak slobber, Een bak zweet, Een bak leut, een kop koffie.

Bak, verzinsel. Een bak zetten (een verhaal opdisschen).

Balbes, huisbaas. (Bollebof).

Baldoveren, klikken, nakijken. Pas op dat je niet gebaldoverd (nagekeken) wordt.

Baljisrool, (zie Basserool).

Bamser, (bamboesjeur). Een uitgaander; kroeglooper.

Bangmakertje, in zijn bangmakertje staan (ontkleed staan, als gereed om te vechten).

Banjer, heer.

Banken, kaartspel (vingt et un).

Bankie, bank. Een bankie zetten (een spelletje banken).

Barrasch, schurft.

Bas, stuiver, 5 spie. Kimmel bas (3 stuiver). Joet bas (10 stuivers). Geef me een bas bier.

Basserool, Heer; chef. Deisje (stil!) voor den basserool. (Neem je in acht voor dien meneer).

Bast, lijf. Hij had geen goed stuk kleeren aan zijn bast.

Batterik, schip, schuit, stoomboot. Ik heb hem met een batterik pleite moeten maken (weg moeten helpen).

Bauernfänger, kwartjesvinder.

Bavianen, hard werken; in 't bijz. kolentremmen op een groote boot.

Bazaar, politiebureau.

Bedibberen, zeggen, praten, vertellen; ook: bedotten. Noppes bedibberen (houd je mond).

Bedissen, verdienen, (stelen). Weet je wat te bedissen? Ja, ik weet een mooie val (huis).

De Prinserij komt altijd, als er niets meer te bedissen (aan de hand) is.

Bedist, verdiend (gestolen). Kan ik het helpen, dat er zoo weinig bedist wordt?

Begieten, bevreesd. Je bent toch niet begieten, dat zaakje op te knappen?

Hij durft niet te seinen (informeeren) niet te dekken en niet aan te nemen (bij het zakkenrollen) ook, hij is veel te begieten voor de bajes (gevangenis).

Beginnem, spotprijs. 't Is voor een beginnem te krijgen.

Begoulesj, veneriek.

Behaai, lawaai, drukte.

Behaaimaker, levenmaker.

Beheime, beest, dier, vee. Kijk wat slaat-ie dat arme beheime.

Behojje, vrouwel. schaamdeelen.

Behojjebikker, een kerel, die leeft (bikt) van het zedeloos bedrijf van zijn vrouw of meid.

Ook een scheldnaam voor den houder van een café met dames. (Zie Kutpooier).

Beis, straat, buurt, volksbuurt.

Foeliebeis Kinkerbeis Willemsbeis Bloembeis Monnikenbeis Ridderbeis Jonkerbeis enz.

Beis, telwoord twee. Beis hondjes, (2 dubbeltjes). Beis meier (f200).

Beis, valsche omwegen. Maak geen beis met mij, leid me niet om den tuin.

Beisko, jood, snees, of in 't algemeen iemand dien men in zijn zaak betrekt. Deis je voor den beisko. (Neem je in acht voor den opkooper).

Beizen, oogen. Die vrijer knijst (kijkt) link (loos) uit zijn beizen.

Beizie, dubbeltje.

Beizige, met zijn beizige, met zijn tweeën.

Beizig dollet, (2 × 4 = 8).

Beizig kimmel, (2 × 3 = 6).

Bekaan of Pekaan, hier. Noppes bekaan. (Hier is niets; niets aanwezig).

Bekattering, uitbrander, berisping, bekeuring.

Beknijsd, bekend. Beknijsd bij de prinserij (bekend bij de politie).

Beknijzen, bekijken.

Bekwaam, al de bekwame jongens (ervaren dieven) wonen in de Nes.

Bel, groot glas.

Belabberd, beroerd, ellendig. 's Morgens sta je half belabberd op, en knijst uit je doppen als een verzopen mauwerik (kat).

Belatafeld, belazerd, zot. Ben je belatafeld? ook belaaitafeld.

Bemore, bevreesd, (zie Morig).

Bengel, een tik met een bengel, (een horloge met ketting of signetten).

Benosselen, zie nosselen.

Bensen, drinken.

Beseibelen, bedriegen.

Besjoche, zie Mesjoche.

Besjoechem, loos, bij de hand. Die een beetje besjoechem is maakt wel dat hij op tijd te bikken (eten) heeft.

Besjoechen, verliefd. Je ziet wel, hoe besjoechen zij op mij is.

Besjolemen, betalen. Besjoolmd, (betaald). Als je besjoolmt, dan kun je slapen.

Besluit, vrouwel. schaamdeelen.

Betoeft, goed weg. Die is betoeft, hij heb een paar meier op ze kippen. (Die is goed af, hij heeft een paar honderd gulden voor zijn aandeel). Spottend wordt van iemand die getrouwd is gezegd: Hij is betoeft.

Betoeg(d), gered, uit den brand, rijk. Een betoege goozer, (een rijke kerel).

Betoft, onder dak. Als ik jou spiëen had, was ik wel half betoft of heel.

Bevroren hond, gebochelde.

Bezaar, politiebureau.

Bezarretje, bekeuring. Ze hebben beide een bezarretje gekregen.

Bezokke of Besjoche, gek. (Zie Mesokke).

Bezoles, ziek, bedorven, kapot. (Zie Mezoles).

Bezolletje, koopje. Je hebt er een bezolletje aan.

Bezommen, geld. (Zie Mezommen).

Biet, suiker. Hij peest in de biet, (hij werkt in suiker).

Bivakken, in de open lucht slapen.

Bivakker, daklooze.

Bikken, eten, smullen. Hij bikt van zijn niese (meid).

Bikken-cement, warm eten; ook bikkesment.

Bikker, smulpaap.

Bikkesment, eten; warm eten. Zeg nou niet, dat jij alleen voor 't bikkesment zorgt.

Bink, man.

Binnenkomen, in de gevangenis geraken.

Binnenmeeluk, binnenzak.

Binnen mikken, geborgen. Die zijn binnen mikken, (die hebben genoeg).

Blad, dak van een huis. Ze gaan met een nijf (mes) het blad op.

Blauw laken, lood.

Bobbert, lichaam, lijf. Op zijn bobbert krijgen (slaag).

Boddie, lijf.

Boender, smeerpoes, vuilik.

Bokkenvreter, veertig gulden.

Bokkepoot, marinier.

Boks, broek.

Boldoveren, zie Baldoveren.

Bollebof, de baas. De bollebof van de keet, (de chef van de zaak).

Commissaris van Politie; Directeur van een gevangenis; kostbaas; kastelein.

De bollebof van de luimkeet, (de kastelein van de slaapstee).

Die bakker is een godinne bollebof, (een flinke kostbaas).

Bolleboffin, kasteleines.

Bommelen, dobbelen.

Bommelaar, dobbelaar.

Bonjer, gesnapt. Als ik weer bonjer kom (gesnapt word), is het jou schuld.

Zij werden bonjer geslagen, (verraden aan de politie).

De snees (opkooper), wil ook niet graag bonjer worden.

Bonjer, ruzie, schuld. Je moet noodig nog bonjer tegen me maken. Ik heb nooit bonjer met hem gehad. Hij gooide de bonjer op mijn. Hij is bonjer. (Hij is gesnapt). Hij legde mij alle bonjer in de schoenen. (Hij gaf mij overal de schuld van).

Bonk, leugen, verzinsel.

Bonsen of Bonzen, aardappelen.

Boosjer of Boosor, vleesch.

Boot afhouden, lijntrekken. De dokter zegt dat is maar boot afhouden (voorgewend ziek zijn om vrij van werk te komen).

Borjen, (zie jenner). Een medespeler voor de leus, die tot het complot der kwartjes-vinders behoort.

Boterpapiertje, huwelijksbewijs. Wij hebben geen boterpapiertje noodig.

Botten, eten. Botten en bensen (eten en drinken).

Bout, agent van politie, (koperen bout).

Hij is van koper, en niet van goud, Daarom noemen ze'm, de koperen bout.

De bouten scharrelen hier erg in de beis, (straat of buurt).

Bouten, zich ontlasten, een groote boodschap verrichten.

Boutje, potje, sommetje. Ik waag dat boutje.

Boutkitje, privaat.

Bovenkruis, sleutel. (Zie kienen).

Bovenmeester, commissaris van Politie.

Braceletten, handboeien. (Paternosters).

Brand, hij heb de brand. (Hij is dronken).

Branderig, heet, belust. Hij staat branderig op mijn joekel (hij heeft veel zin in mijn hond).

Brandspinozer, brandkast.

Branie, heer, praatsmaker.

Brankalie, kaalhoofd.

Brasem, kerel. Wat een olmse brasem is dat. (Wat een gekke kwast is dat).

Brassen, verlangen, hunkeren.

Brasser, lokduif.

Breektiejijs, breekijzer.

Brem, chocolade.

Broeier, zwerver, daklooze.

Broekmeeluk, broekzak.

Broochem, voorwerp, goederen. Massel en broochem (goede zaken).

Broocher of Broger, man. Een sikkere broger (een dronken man).

Brommer, ketel. Een loensche brommer (een koperen ketel).

Bronzen, slapen.

Bruggetrekker, leeglooper.

Bruintje, bier.

Buiter, dronkaard.

Buizen, drinken, zuipen.

Bulboef, (zie Bollebof).

Bulle, kleeren. Mooie bullen, (zie Spulle).

Bult, bed. Bultzak, beddezak.

Bulten, bevallen. Dat niese moet bulten.

Bijbel, spel kaarten.

Bijl, balie. Ik moet voor de bijl (voor 't gerecht).

Bijt, teleurstelling. Hij ging uit jatten (stelen) maar liep een bijt op. De grandige had een bijt. (De agent kwam bekaaid weg).

Bijter, nijptang.

C.

Cabanes, herrie.

Casavie, brief, bankbiljet.

Cenijve, brand.

Chocoladewagen, celwagen.

Citroendraaier, gebochelde. (Krates, kriek).

Couchee, bed.

Croupier, kashouder van dobbelaars.

D.

Daai, klap.

Daai, steen, dobbelsteenen, diamant, ook keien. Ik koop van alles: een stelletje foks (een partijtje goud) of een paar daaien. Een veemsteker (ring) met daai. Hij rolde met z'n test (hoofd) tegen de daaien. Een loensche daai (een valsche diamant).

Daaitje, steentjes, diamanten, keitjes.

Daas, zot, krankzinnig. Als hij maar niet zoo daas is geweest, hard weg te tippelen. Zou je niet zeggen met een stel dazen uit Meerenberg te doen te hebben?

Dajem, eed. Loensche dajem (valsche eed).

Dalf, op de dalf van (gebedeld van).

Hij drinkt een jajempie (slokje) op de dalf van een ander.

Dalfenoor, (zie dalver).

Dallastdekker, armoedzaaier.

Dalles, armoede. Hij heb de dalles. (Hij is aan lager wal) (zie gedallist).

Dallet, 4.

Dalven, (dalleven, dalfen), bedelen, schooien, ook zwerven.

Dalver, (dalfer), zwerver, landlooper, bedelaar, ook dalfenoor. Een sjofele dalfenoor (een arme drommel).

Dampen, iemand de dampen aandoen (de pest injagen).

Dansspiese, danshuis.

Darren, sarren, tarten. Laat je niet darren.

Dein, Plezier, (zie dijn).

Deinzen, afzakken. De sooger deinst. (De kerel zakt af, gaat weg).

Deisje, (deize), stil! Hou je mond. Spreek niet zoo luid. Deize voor den vrijer (kerel), die daar steunt (zit).

Deken, grasveld. Daar ligt een goozer (man) op de deken (in het gras). Die heeft vast poen (geld) bij zich.

Deken (groene), het gras. Luimen op de groene deken. (Op 't gras slapen).

Dekkel, politieagent.

Dekken, aan 't gezicht of gehoor onttrekken. De persoon, die genomen wordt, staat tusschen den roller en den dekker. Gedekt smoezen (zacht praten).

Dekkie of Detje, halve cent.

Derig, grond, aardoppervlakte, ook weg. Een linke derig, (een slechte weg). Een toffe derig (een goede weg). Schoren of poen onder de derig gewoer maken (goederen of geld onder den grond stoppen). Ga de derig maar op. (Ga maar de straat op). Ik ga de derig op. (Ik ga op stap of op reis).

Detje, halve cent.

Deurkienen, sleutels voor deuren. (Zie Kienen).

Dief, verkorting van hartedief. Jonge, wat een mooie dief (mooie vrouw) is dat.

Dinkelen, (zie tippelen).

Disch, tafel.

Dobberen, (zie Doppen), vechten. Ze waren aan het dobberen, omdat Jaap aan Lukas zijn prames (aandeel) niet gegeven had.

Doei, honger. Als ik mijn nefke zag smikkelen, vergat ik mijn doei en mijn armoe.

Doerak, deugniet. Wat dee ze zich aan zoo'n doerak te vergooien.

Dofferd, klap, maar ook ketel.

Een rooie dofferd (een ketel van rood koper).

Een gele dofferd (een ketel van geel koper).

Dof gajes, loos volk, rechercheurs.

Doft, knap, netjes. Dofte flep (goede papieren).

Dokken, afdokken, betalen.

Dold of Dollet, zie dallet, 4. Hij zit weer voor dollet jantjes (4 jaar) in de bajes. Dold meier (f 400).

Dollen, groot doen (b.v. met geld rammelen).

Dolmen, slapen.

Dolmspiese, slaapstee.

Dolver, boksijzer.

Doorgefourneerd lommerdbriefje, hoer.

Doorslaan, bekennen, de zaak blootleggen. Ik heb niet doorgeslagen en zoodoende is hij vrijgekomen.

Doorslaan op een ander, alle schuld op een ander werpen. Lammetje had een hekel aan een jongen die doorgeslagen had.

Doorslaander, iemand die voor de rechtbank alles bekent.

Doortimmeren, doorslaan.

Dopkien, sleutel zonder gat. (Zie kienen).

Doppen, vechten.

Doppen, oogen. Goed uit zijn doppen kijken. Hij wreef zich de doppen eens uit.

Dormen, luimen, slapen.

Dossement, papiergeld.

Dot, groote hoeveelheid. Daar steunt een dot poen. (Daar zit een hoop geld).

Dravertje, fiets, rijwiel.

Drenzen, dreinen. Hij begon te drenzen als een klein kind.

Drosjes, gekheid, onzin, malligheid.

Drossen, op den loop gaan. Mijn niese heeft 'm stiekem gedrost (ze is stil weggeloopen).

Druif, kerel. Wat is me dat voor een druif?

Drukken, zitten. Waar druk je voor?

Drukkerd, straf. Een haaie drukkerd (een zware straf).

Drutten, twee drieën werpen, (bij 't dobbelen).

Duimeling, duim.

Duimen, (duimsen). Valsch spelen. Wat, duim ik ze? Zeg dat nog eens, dan zal ik je een smeer in je tronie geven.

Duimpje, daalder, f1.50.

Dun, klare.

Dusken, kleine jongen.

Dijn, plezier. Hij lachte of hij de grootste dijn had.

E.

Edelvolk, beroepsdieven. (Zie nobele).

Eegit, 1. Eegit jantje (1 jaar).

Eens, achterdocht, vermoeden. De grandigers (politie) hebben eens op je.

Eesche, huismoeder, echtgenoote.

Ei, Die werkt met een ei. (Hij heeft altijd geld, maar hoe hij er aan komt, is een raadsel).

Emmer, scheldnaam voor hoer.

Emmes, (zie Immes) goed. Een emmese lik (een deugdelijke gevangenis).

Engelschman, Engelsche sleutel. (Zie Kienen).

Engerd, vervelende vent.

Ertje, electrische schel.

Ezeltje, lessenaar. Loopend ezeltje (beweegbare lessenaar). Staand ezeltje (vaste lessenaar).

Ezeltje, winkellade. Hij heeft een ezeltje gepiept (een lade gelicht). Het ezeltje springt (de lade springt los).

Ezeltje, foulard, das. Een zijden ezeltje (een zijden das).

Ezeltjesdrijver, ladenlichter.

F.

Fakkel, brief, bedelbrief, brandbrief.

Fakkelen, schrijven, een brief schrijven.

Falle, lichaamsgebrek.

Falle maken, een lichaamsgebrek voorwenden, om er mee te gaan dalfen, (bedelen).

Feemen, (zie veemen) vingers, grijpelingen.

Fidel (letje), vloo.

Fiets, 2 Rijksdaalders.

Fietsen, handen, ook wel beenen. Daar zag ik Frans, met paternosters om ze fietsen. Hij had z'n keesje in z'n linkerfiets gespuwd.

Fietsen, uitoefenen van de bijslaap. Dat niese is bezoles van het fietsen.

En als het fietsen is gedaan, Dan moet het meisje in de kraam.

Filippie, tien gulden.

Fladder, krant, maar ook kaart. De Fladders (een spel kaarten).

Flapdrol, meid, waar geen boon aan gelegen is.

Flauwe kul, onzin.

Flens, melk.

Flep, getuigschrift. Dofte flep (goede papieren); linke flep (valsche papieren).

Flepje, papiertje, briefje. Een flepje van 100. Een groen flepje (f40). Een geel flepje (f25). Een ros flepje (f60).

Flik, krant. Daar zal wel een labe (een hoop) van in de flik steunen (in de krant staan).

Maar ook: spel kaarten. Kees is een jongen, die met de flik peest (met de kaarten werkt).

Flikflooier, mooidoener.

Flikker, vuilik, sodomieter; veel als scheldnaam gebezigd zonder bepaalde beteekenis. Het bennen flikkers hoor, die russen (rechercheurs), ze loopen altijd vlak achter je kont.

Flip, lade, kast, waggon, etc.

Flok, hemd.

Flonkewit, lekker eten.

Foelie, kerfstok. Je hebt veel op je foelie.

Fok, rijk, ook wel bril. Een fokke vrijer (een rijke kerel). De goozer had een fok op ze penooze. (De man had een bril op zijn neus).

Foks, goud. Het foks gaat in den pot (de smeltkroes) waar je bijstaat.

Een paar fokse bellen.

Fokse, me fokse (mijn schat).

Foksespiese, goudsmidswinkel.

Fokse oksenaar, gouden horloge.

Fokse cent, Fokse schrabber, Fokse spie, gouden tientje.

Fokse medaille, dat niese is bekroond met de fokse medaille (er is niets meer aan die meid gelegen).

Fokse slang, gouden horlogeketting.

Foks-malogemer, goudsmidswerkplaats.

Fokse veemsteker, gouden vingerring.

Fonk, (zie vonk). Licht.

Fonkert, (zie Vonkert). Kachel.

Forts, een kleinigheid, een duit. Ik geef er geen forts voor.

Frotterin, smeerpoets, vuil wijf.

G.

Gaai, man.

Gabber, kameraad, vriend.

Gabbertaal, taal der kameraden, Bargoensch.

Gabel, vork.

Gadjeener, slager.

Gaf, 20.

Gajes, (zie gaai), volk, menschen. De steeg is vuil en het gajes, dat er steunt, zijn meestal luitjes van de universiteiten (gevangenissen). Dof gajes (loos volk, rechercheurs). Link gajes (niet te vertrouwen personen). Om gajes gaan (om zeep gaan, krepeeren). Het gajes is pleite (de bewoners zijn uit). Tof gajes (volk dat niet hindert, in tegenstelling met link gajes, politie).

Gakmoos, (zie Jatmoos), handgeld, eerste inbeuring.

Galf, mes.

Galg, knip van een deur, ook: bretel. Onder- en bovengalg.

Gallach, pastoor, priester.

Galsterd, gemeene kerel.

Gammel, ziek. Dat niese is zoo gammel als de pest, door en door kapot.

Gammor, domoor, ezel.

Gannef, dief, bedrieger.

Gannefen, stelen, bedriegen.

Gappen, pakken, stelen.

Gasjewijnen, weggaan, er van door gaan. Sjewijn (fiets).

Gasse(r), zwerver.

Gassenen, trouwen.

Gasser, spek, ook zwijn.

Gasserol, pet.

Gassie, pet of muts. Glimmend gassie (agent van Politie).

Gattes, deugniet.

Gavver, zie Gabber. Kameraad.

Gebbetje, grapje, lolletje.

Gebeft gajes, Heeren van 't Gerecht.

Gebenscht, gezegend.

Gebrand, gebrande jongen (iemand die veel op zijn kerfstok heeft).

Gebroedsel, familie. Span, daar steunt gebroedsel van je. (Kijk, daar staat familie van je).

Gedagis, iemand de gedagis ingeven. (Iemand de les lezen, hem inlichten of waarschuwen).

Gedallist, op straat, op de keien, zonder geld. Ik ben (of ik sta) gedallist. Schei uit, ik ben net zoo gedallist als jij.

Gedekt, aan het gezicht of het gehoor onttrokken. Hij staat gedekt. Gedekt smoezen. Houd je gedekt (zeg niets).

Gediegen of gedegen, bekend.

Gedoft, gepoetst. Hij draagt altijd een paar gedofte hiepen (schoenen).

Gedrost, op den loop gegaan. Ook: naar de bajes gebracht.

Geeltje, bankbiljet van 25 gulden.

Geflescht, beetgenomen. Ik heb hem geflescht.

Gefloten, gestolen. Gefloten goederen.