De Boe Hedma in Zuid-Tunis De Aarde en haar Volken, 1907
Chapter 2
Naar zijn verhalen te oordeelen, denk ik, dat de Oeled Boe Saad een mengeling zijn van Berbers en Arabieren. Een klein groepje berbersche autochthonen bewoonde oorspronkelijk den djebel Biada en den Boe Hedma en zij waren de stichters van de troglodietendorpen, waarvan men de overblijfselen in al deze bergen vindt, vervallen dorpen, gebouwd op Kabylenmanier op den top van rotsen, en misschien zijn ook van hen afkomstig die groote kringen van megalithen of groote steenen, waarvan ik melding heb gemaakt. Die primitieve Berbers, teruggedreven bij invallen van de Mohammedanen, verlieten Biada en den Boe Hedma en trokken zich in dit deel van het bergland terug, dat moeilijker te genaken was. Arabische vluchtelingen, menschen, die in hun stam de eene of andere misdaad hadden begaan, kwamen bij hen een schuilplaats zoeken en legden den grond tot die verschillende groepen van Arabieren, die zich langzamerhand met de primitieve bewoners vereenigden en er meê samensmolten. Door zulk een bevolking is waarschijnlijk het dorp Sakket gesticht. Van de Berbers hebben die menschen de gewoonten van afzondering en godsdienstige onverschilligheid behouden. Zelfs is de mohammedaansche eeredienst bij hen ontaard in een soort van afgodendienst, een bijgeloovig vasthouden aan goden, die de namen dragen van Fonds, Amzor, Oksja enz. en stellig in geen enkel pantheon een plaats hebben gevonden.
Buiten de enkele jaren van goede oogsten, zooals dit jaar, zijn de Oeled Boe Saad arme menschen. Zij houden zich bezig met de bereiding van teer uit het hout van de thuya's hunner bergen, en hun vrouwen weven grove burnoes, want hun kudden geven ongeveer 9000 K.G. wol per jaar. Daar ze niet veel aan handeldrijven doen en er niet veel van houden, vreemdelingen te ontmoeten, die in hun rotsland doordringen, brengen ze hun voortbrengselen, zelfs hun olijfolie, naar Gafsa of den Kef en hebben geen markt onder hun eigen volk.
Van Sakket naar Sened gaat men de wadi Kebir stroomop, de rivier van de Oeled Boe Saad, die door de rijke, met koren begroeide vlakte stroomt; maar hier in den bovenloop in de rotsen van den Kef Biada is het een steile afgrond. En het is niet onwaarschijnlijk, dat de menschen uit Sakket, die niet gestoord wenschen te worden door indringers, er hun best voor hebben gedaan hun weg zoo gevaarlijk mogelijk te maken. Er zijn plotselinge bochten boven de diepe kloof, lange gladde hellingen, trapvormige rotsen, en niets is vergeten, dat er toe mee zou kunnen werken, de beenen der paarden te breken en den hals der ruiters. De enorme massa van den El Biada, (den Witten) werd nu zichtbaar, alleenstaand tusschen twee spleten van het bergland; dien moest ik beklimmen langs dit geitepad. Op den top werd een driehoekig plateautje bekroond door een berbersche vesting, die er zeer vervallen uitzag, en beneden stonden twee maraboets. Overal staken steile rotsen omhoog naast diepe afgronden.
In deze woestijn ontmoetten wij slechts één Arabier, die met zweepslagen een armzalig ezeltje met een onmogelijken en waggelenden last voortdreef; van dichtbij gezien, bleek die last, die zoo slecht zijn evenwicht bewaarde, de vrouw te wezen van den toerist. Wij stonden stil om het gebruikelijke praatje te houden, en ik maakte mij gereed, om hem inlichtingen te vragen over den weg en de kansen om water te vinden, toen hij mij voorkwam, door aan mij de vraag te stellen, die ik juist wou uitspreken. "Waar komt gij dan vandaan?" vroeg ik hem.
De man was een oekil of intendant van de Kadriya's, een godsdienstige secte van Sidi Abd el Kader en Djilani uit Bagdad; hij kwam uit Tebessa en moest bij de geloovigen langs reizen, om voor de secte eenige offers van hen los te krijgen.
"En hoe gaat het met de zaken? Geven ze nog al wat voor de maraboets?" vroeg ik hem.
Hij gaf een ontwijkend antwoord, maar zijn rijdier en verdere uitrusting gaven geen hoog denkbeeld van zijn geldelijke positie.
Een plotselinge insnijding in het bergland gaf ons het gezicht op de eindelooze vlakte van Maknassi, en op de toppen van het bergland lagen tegenover elkaar twee Berbervestingen; maar het waren vervallen sterkten. Verlaten waren ook de spleten in de rotsen, waar oudtijds de lieden van Sened woonden, die lang als holbewoners hebben geleefd. De nieuwe dorpen van de Senedi en Nassri liggen nu op de randen van de kloof.
Al vroeg in den morgen werd ik in mijn sober kamp gewekt door vrouwen, die het alfagras in de bergen plukken en er een nimmer eindigenden voorraad van vinden. Het half nomadische leven van al de bewoners dezer dorpen past best bij het bedrijf van het inzamelen van alfagras. Als een van hen zakgeld noodig heeft, wordt hij alfagraszoeker en kan, als hij goed hard werkt, van honderd tot honderd-vijftig kilogrammen per dag inzamelen. Hij brengt zijn oogst over naar Maknasi, een spoorwegstation op enkele uren afstands van hier, waar een markt van dit gras wordt gehouden, en de Engelsche Maatschappij koopt hem een lading van 100 K.G. af voor drie of vijf francs.
Meestentijds werkt met den Oeled Boe Saad een vrouw mee, soms doen dat verscheiden vrouwen. Hij laat ze werken aan het uitrukken van de plant, ziet op haar werk toe en stelt zich ermee tevreden, den kameel te beladen en het alfagras te verkoopen. Hij behoudt het geld. Dat stelt hem dan in staat, zich met de opbrengst van nog enkele dagen van arbeid naar Sfax of Gafsa te begeven--te voet wel te verstaan--en er zich die voorwerpen te verschaffen, die hij begeert; er feest te vieren, hetgeen voor hem bestaat in het zien dansen van afschuwelijk leelijke vrouwen onder de tonen van een woeste muziek en het drinken van drabbige koffie in een oneindig aantal koppen, terwijl hij tenslotte voor zijn eigen vrouw, als hij een goed echtgenoot is, een of ander valsch sieraad meeneemt, dat de joodsche zilversmid hem voor echt zilver heeft verkocht.
Dezen morgen komt mij in het jonge morgenlicht deze rivier van Zagoefta minder afschrikkend voor, en toen we buiten de kloven van den waterloozen stroom waren gekomen, betraden wij het dal der wadi Terli, waar we aardige vlakten te zien kregen, beplant met betoems, dat zijn boomen, die een soort van terpentijn leveren, Pistacia terebinthus; nu prijken ze in hun eerste lentegroen. Dit dal moet vroeger goed bebouwd zijn geweest en veel graanvruchten en olijven hebben geleverd. De romeinsche ruïnen, de waterleidingen en de versterkte posten op bepaalde afstanden langs den weg zijn er een bewijs van. Ik ontdek zelfs te midden van een groep verwoeste boerenhoeven en een aantal oliepersen de zeer duidelijk herkenbare overblijfselen van een christenkerk. Er moet hier een landbouwcentrum zijn geweest voor een in vaste woonplaatsen gevestigde en beschaafde bevolking, een belangrijk middelpunt, dat waarschijnlijk is blijven bestaan tot de eerste invallen van de Mohammedanen. De Arabieren noemen zulke ruïnen ksar el hadid, d. i. ijzeren kasteelen, vanwege het vele ijzer, dat tusschen de op den grond liggende steenen wordt gevonden.
Mesj,--dat is een verrassing! Ik dacht een dorp te vinden en ik zie er geen; wij herkennen, zoo ver het oog reikt, slechts een maraboet en die is nog maar klein en half verwoest. Ik dacht een put te vinden, en er is er geen!
Maar daar zien we midden op de vlakte, die door de brandende zon verschroeid wordt, een groote, donkergroene vlek, die ik reeds uit de verte opmerkte en die een boomgaard is met dichte, heerlijke olijven.
Het was half één op den middag, en de zon sloeg fel de hitte neer; de gele vlakte leek er rood van met hittegolven, die, als het ware, uit den grond schenen op te slaan. Ik haastte mij naar de olijfboomen, een waar gewelf van koelte, waar ik den verderen namiddag doorbracht, op den grond rustend, zonder den moed te hebben, opnieuw de hel daarbuiten op te zoeken.
Toen de avond was gekomen, lieten Salem en Nefti dieren drinken en gingen water halen; het was een heele reis, daar de naastbij zijnde put ver verwijderd was. Zij namen een inboorling mee van daar, een der notabelen uit de streek, die kippen, een kan melk en koeken meebracht. Hij maakte mij bekend, dat het dorp zeer dicht bij ons kamp was gelegen, op minder dan een arabische mijl afstands. De plaats was zoo prettig onder die olijfboomen, dat ik besloot, er nog den volgenden dag te blijven. Dat dorp zou ik gaan zien.
"Hoe komt het, dat men het dorp nergens in het oog krijgt?" vroeg ik onzen gast.
"Maar het is toch niet noodig, dat ieder mensch, die door de vlakte gaat, onze huizen ziet! Wij weten zelf ze wel te vinden, dat is voldoende!"
Si Ahmar is een verstandige landbouwer; hij vervangt den sjeik en stelde zich te mijner beschikking. Hij is een slimmerd van belang, en de verlokking van een baksjis; verdubbelt zijn ijver; maar hij is er blijkbaar op uit, de grootte van de fooi te doen toenemen.
"Morgen," zei hij, "zal ik mijn geweer meenemen en ik zal een haas schieten vóór ik u kom halen," en daarmee verliet hij ons.
En den volgenden morgen kwam hij met zijn geweer, maar hij had den haas gemist en hij had geen kruit meer. Hij wist wel, dat ik hem wat zou geven; dat was weer zooveel gewonnen.
"Wij zijn midden in den oogst; ik heb gewerkt vóór het aanbreken van den dag; maar daar ik er op gesteld was, vroeg te komen, heb ik een man uit het dorp iets gegeven, om mij bij het werk te vervangen!" Ik begrijp hem, maar wou den bal niet dadelijk opvangen.
Wij beklommen den berg langs een geitepad, onder struikgewas verborgen; de zon brandde, maar met een dragelijke, droge warmte. De jas van Si Ahmar hinderde hem niet, want hij had al zijn kleeren uitgetrokken en had zijn hemd om zijn lenden geknoopt; ook zijn geweer had hij zich omgehangen, want "de hazen hebben het te warm om uit te gaan; zij slapen." Ik droeg alleen mijn hemd en een linnen broek, en Salem, met bloote voeten in zijn muilen, had ook zijn buis uitgetrokken, daar hij vond, dat hij aan het photografietoestel genoeg te dragen had.
Wij kwamen aan den top, en eindelijk zag ik het dorp, als men dien naam mag geven aan de zonderlinge vereeniging van gaten, in de rots aangebracht, juist op de hoogte van den kam van het gebergte. Ik trad een der holten binnen over een laag muurtje van gedroogde steenen, dat den ingang vormde. De woningen zijn van binnen in verschillende vertrekken verdeeld door middel van hoopen takkebossen. Het was er zeer koel en de slimme boeren houden zich er schuil in den zomer bij de groote hitte. Maar hun dorp is ook de verzamelplaats van alle slangen uit de buurt, want in de steenophoopingen aan den zuidkant van den berg hebben deze bergbewoners een echt woud van cactussen aangelegd en in die aanplantingen, die ondoordringbare en veilige schuilplaatsen vormen, zijn de reptiliën warm en gerust en planten er zich vlijtig voort.
Bij het omslaan van een bocht deed Si Ahmar plotseling een sprong achteruit en viel bijna tegen mij aan; ik zag een groote slang recht overeind staan ter hoogte van zijn bloote borst. Verschrikt, deed ik zelf ook een zijsprong naar Salem, die achter mij liep; de slang, die nu ook verschrikt werd, week ook terug en verdween pijlsnel, vóór dat de Arabier den tijd had, zijn geweer in orde te brengen. "Ik ken hem wel," zei hij, "dien hond! Hij heeft twee maanden geleden een zoon van mijn oom gebeten en de jongen is er aan gestorven."
Van dat oogenblik af liep ik met de grootste voorzichtigheid in dit bekoorlijke dorp, en hield den poot van mijn toestel vóór mij uit, er steeds mee zwaaiend. Zoo kwamen wij behouden beneden, en Si Ahmar kreeg zijn extra baksjis; voor den maraboet, die ons zoo wonderdadig had beschermd.
End of Project Gutenberg's De Boe Hedma in Zuid-Tunis, by Ch. Maumené