Part 3
Vrouw Cloet, in hare keuken, maakte 't avondmaal van haren man klaar. Heden juist waren de aardewerken aan het sas van Lauwegem voltooid en kwam hij thuis. Haar maal zou lekker zijn: versch gekookte aardappelen met zwijnevleesch, zijn lievelingsgerecht. Het was de pastoor die het haar aldus had aangeraden. Hij had met Cloet gesproken en deze, alhoewel weinig tot verzoening gestemd, had niet bepaald alle gedachte van toenadering van de hand gewezen. Hij was nu ongeveer drie maanden weg; die avond der terugkomst was een goed gekozen oogenblik.
Zij kwam tot bij den haard en hief, gebogen, de schijf van den zooiende ketel op. Met een kort, ijzeren vork stekte zij er twee, driemaal in om te zien of de aardappelen nog niet van pas gekookt** waren. En weÍr zich oprichtend wendde zij luisterend het hoofd om, naar de ingangdeur. Een dof gejoel, met een getrappel van voeten in de sneeuw vermengd, greep d·ar voor den drempel plaats; en eensklaps, terwijl ze naar de deur ging om deze te openen, weÍrklonk een fijn, slepend gezang van kinderstemmen:
't Is van avond Driekoningenavond En 't is morgen Driekoningendag.**
Verwonderd bleef zij stilstaan. 't Was inderdaad Driekoningenavond en terstond herinnerde zij zich een dergelijken avond, zes jaar geleden, als Cloet, pas uit het gevang gekomen, haar schier vermoord had. Thans zou het zoo niet gaan. Dat lied klonk nu wel meer als een zang van verzoening, voor verlossing in haar oor. Zij luisterde het, tot 't einde toe glimlachend af en dan, hare deur opentrekkend, reikte zij aan een der zangertjes, een schoon, twaalfjarig meisje met diepe, zwarte oogen, eenen cent toe.
Zij kwam terug in hare keuken; maar, op het oogenblik nog eens het deksel van den ketel op te heffen, kwam het haar voor als hoorde zij een flauw, een zonderling geluid in 't nachtvertrekje. Had het gezongen liedje wellicht een der kinderen ontwaakt? 't Was beter niet, want zij hoefde met vader alleen te zijn. En stil, op hare kousen, stak zij 't deurtje open. Doch neen, alles was rustig, d··r: Jan en Pol lagen te ronken; Marie en Zulma sliepen met haar aangezichtje naast elkaar en eenzaam in zijn breed en lage bed, lag Julken, die den ganschen dag gewoeld had, steeds kalm en onbeweeglijk. Vrouw Cloet draaide 't nauw brandende lampje nog wat dieper in, week achteruit en stak het deurtje toe. Zij was nauwelijks in de keuken terug of een nieuw gejoel greep aan de voordeur plaats en hetzelfde fijn, slepend gezang weÍrgalmde:
't Is van avond Driekoningenavond, En 't is morgen Driekoningendag.
En nogmaals bleef zij, als begoocheld, luisteren en gaf na 't einde van het liedje, eenen cent.
Thans waren de aardappelen klaar. Zij nam den ketel van boven den haard weg en ging er, in het achterhuis, het sap** afgieten. In het keukentje terruggekeerd** hing zij hem nog eene wijl boven 't vuur en hield er het oog op gevestigd. En, terwijl ze daar stond wendde zij nog eens en met een soort van angst het hoofd naar 't slaapkamertje om. Had daar op nieuw** geen zonderling geluid weÍrklonken? Waren de kinderen bepaald** wakker? Zij nam voor goed** den ketel van het vuur, plaatste dien op de heete asch en ging terug in 't kamertje. Zij nam het lampje in de hand, draaide het lemmet** op en kwam vooruit, tusschen de bedden. Zij keek naar Jan en Pol; zij sliepen. Zij keek naar Zulma en Marie; zij sliepen ook. Dan wendde zij zich tot het kleintje om.
Het lag, steeds rustig na dien dag van groote woeling, als verzonken in het lage, breede bed. Het hoofdje was van 't hoofdkussen gezegen; de handjes, als om zich te weerhouden, hielden de deken vast en 't mondje, dat half open hing, scheen iets te willen zeggen, iets te vragen.
Vrouw Cloet, gebogen kijkend, kwam nader met haar lampje.
´Slaapt ge?ª vroeg ze stil en als het ware onvrijwillig. En vlug, aan eene zonderlinge ingeving gehoorzamend, vatte zij een der handjes vast.
Verbaasd, verschrikt, wipte zij achteruit. En eensklaps, terugkomend, lei zij hare hand op 't voorhoofdje. Hare oogen gingen wijd open, eene doodsche bleekheid overdekte haar gelaat en eÈn enkel, in hare keel verkroppend woord ontsnapte haar:
´Dood.....ª
Zij had den tijd niet aan hare gevoelens lucht te geven. Iemand had op de voordeur geklopt en toen ze die geˆpend** had, stond Cloet vÛÛr haar.
´Hij is doodª herhaalde zij werktuigelijk terwijl haar man binnen stapte.
Cloet, onthutst, staarde haar aan. ´Wie dood;**ª vroeg hij eindelijk en als het ware met weËrzin.
Sprakeloos, haar oogen in de zijne, wees zij met de hand naar 't kamertje. Cloet, roerloos, volgde met den blik de aangeduide richting. En na een oogenblik somber nadenken, gedurende hetwelk 't besef van de gebeurtenis in zijnen geest van brute** nederdaalde, zette hij zijn spade in den hoek van 't schutsel en keek schuins, met begeerige oogen, naar de dampende aardappels.
Zijn vrouw, verbaasd bij zulke diepe onverschilligheid, staarde hem wachtend aan. Maar ziende dat hij naar den haard ging om zich zelf van eten te bedienen, haastte zij zich voren en dischte hem zijn maal op.
Er heerschte eene lange stilte. Cloet had zich aan de tafel neÍrgezet** en was begonnen te eten. Het oog in zijn bord gevestigd, at hij onverpoosd, met vollen mond, gelijk een uitgehongerd dier. Hij scheen de tegenwoordigheid zijner vrouw zelfs niet op te merken, hij ademde krachtig en luid door de neusgaten en telkenmale hij iets noodig had: wat roggebrood, een mes, een lepel saus, keek hij herhaaldelijk en schuins naar de verlangde voorwerpen, alvorens die te nemen. Zijn vrouw, bewegingloos, stond aan de overzijde van de tafel recht.
´Gij, de eerste, zult hem 't woord toesturen en u niet laten ontmoedigen indien hij uwe poging tot verzoening niet dadelijk gunstig bÎantwoordt**ª had de pastoor haar bevolen. En angstig, tevens met de gedachte van** het doode kind en de begeerte tot verzoening bezig, wachtte zij naar een gunstig oogenblik om het gesprek heraan** te knoopen. Doch dit oogenblik kwam niet en door hare gevoelens overweldigd kon zij niet langer het stilzwijgen uitstaan.
´Hij zal moeten afgelegd worden, niet waar?ª vroeg ze schuchter, met de hand naar 't slaapvertrekje wijzend.
Hij mompelde iets dat zij niet kon verstaan en maakte, zonder het eten te staken, eene beweging met de schouders, alsof het hem niet aanging.
Onthutst, verschrikt, zonder hare vraag te durven herhalen, staarde zij hem aan. En na een oogenblik, in hare vrees van hem mishaagd te hebben aan het gesprek eene andere wending gevend:
´Mijnheer de pastoor is hier gisteren geweest, sprak zij en heeft gezeid dat hij u kan bezigen in zijnen tuin, nu, met het einde der maand, indien gij elders niet verhuurd zijt.ª
Opnieuw knikte hij met het hoofd en stamelde iets binnensmonds, steeds etend en den blik, in zijne teil gevestigd houdend. En in de drukkende stilte welke weÍrom heerschte, hoorde men voor de derde maal een dof gemurmel aan de voordeur, zoodra gevolgd van 't slepend, steeds herhaalde liedje:
't Is van avond Driekoningenavond En 't is morgen Driekoningendag.
Noch hij, noch zij keken op, spraken een woord. Alleen Cloet, steeds etend, loerde sinds eenige stonden rechts en links over de tafel, alsof hij naar iets zocht; en schielijk zelf de stilte brekend vroeg hij, doch zonder 't oog op haar te vestigen:
´Hebt ge geen bier?ª
Zij had er. Een volle kruik stond in de eetkast, die zij, in hare ontzetting, vergeten had op te disschen. Zij haalde die te voorschijn en schonk er hem een volle pint uit. Verkropt** door zijn droog voedsel, ledigde hij die in eenen adem. Hij had gedaan met eten, hij stond op.
´Gaat ge slapen?** vroeg zij dof.
Hij knikte met het hoofd en stak de deur van 't nachtvertrekje open. Zij draaide 't lampje in de keuken uit en volgde hem:
´Zeg, moeten wij hem toch niet afleggen?**
´'t Kan mij niet schelen!ª antwoordde hij ruw. Stom volgde zij hem voortdurend op.
Sinds hij van zijne vrouw gescheiden leefde sliep hij op den zolder; en zonder eenen blik voor 't doode kind dat daar onder lag, had hij het lampje in de hand genomen en was reeds langs den steilen trap**. Werktuigelijk, zonder nog een woord te durven spreken, maar het oog, door heen** de sporten, onweerstaanbaar op het lijk gevestigd, volgde zij hem steeds op.
Het bed stond daar omhoog, onder de pannen; en vooraleer hij den tijd had haar te vragen wat zij er kwam doen en, mogelijk, haar heen te zenden, zette zij zich vastberaden op de sponde neËr** en zei, hem strak aanschouwend.
´Mijnheer de pastoor heeft het mij aldus bevolen.ª
Hij zei geen woord maar zag haar aan en eene zonderlinge vlam schoot uit zijn grijze oogen. Krachtig ademend deed hij zijne kleÍren** uit en toen hij in zijn hemd stond boog hij neÍr en nam den nachtpot van onder 't bed. Groot en struisch, tevens gebogen en vierkant van schouders en 't hemd, boven de breede rugbladeren, door twee ronde, zwartachtige zweetvlekken bezoedeld, keerde hij haar den rug toe. Haar japon viel neÍr, zij kroop onder de grauwe sargen; en toen hij, na eenige stonden onbeweeglijkheid nederboog en den nachtpot terug onder het bed schoof, blies zij het lampje uit. Alles werd pikdonker. Cloet, al tastend, kroop in 't bed en voor de eerste maal sedert zes jaren sliep hij met zijne vrouw.
_De Bestuurder,_ POL DE MONT.
MAX ROOSES
*Schetsenboek*................................................ fr. 1 50 *Nieuw Schetsenboek*........................................... ª 1 50 *Derde Schetsenboek.* 2 dln.................................... ª 3 00 *Over de Alpen*................................................ ª 3 00 *Op Reis naar Heinde en Verre*, prachtuitgave fr. 5 00, volksuitgave............................................. ª 2 50
REIMOND STIJNS
*Ruwe Liefde*, Oostvlaandersche zedenroman..................... ª 2 00 *In de Ton*,................................................... ª 2 60 *Klein Leven*.
H. SWARTH
*Passiebloemen*.............................................. gld. 1 50 *PoÎzie*, op Holl. pap....................................... fr. 6 00 *Beelden en stemmen*......................................... fr. 2 00 *Verzen*, op Holl. pap....................................... fr. 6 00
HERMAN GORTER
*Mei*, een gedicht, op Holl. pap............................. fr. 7 60
FR. VAN EEDEN
*De kleine Johannes*......................................... fr. 4 00 *Johannes Viator*............................................ fr. 8 20 *Ellen*...................................................... fr. 3 75
_Men teekent in bij denzelfden uitgever op:_
*Zingende Vogels*, oorspronkelijke bijdragen van Nederlandsche dichters, verzameld door Pol de Mont, afleveringen van ± 100 bl., telkens met een artistieke plaat, ex. ‡ 2, en · .....................................................fr. 3 00 *De Vlaamsche School*, geÔllustreerd tijdschrift, gewijd aan fraaie kunsten en letteren;--redactie: Max Rooses. Pol de Mont, Paul Buschmann enz. per jaar .................... ª 10 00 *De Toekomst*, tijdschrift voor opvoeding en onderwijs, redactie: Cornette, Pol de Mont en H. Temmerman, prijs per jaargang .............................................. ª 6 00
BIBLIOTHEEK VAN NEDERLANDSCHE LETTEREN
LECTUUR VOOR IEDEREEN BIJZONDER GESCHIKT TOT VOORBEREIDING VAN DE STUDIE DER NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE
*ZIJN VERSCHENEN:*
1 PRUDENS VAN DUYSE, _Bloemlezing,_ 2 LOUIS COUPERUS, _Een Zieltje,_ 3 F. DE CORT, _Liederen en Gedichten,_ 4 HOOFT, _Sonetten en Liederen,_ 5 VAN DROOGENBROECK, _PoÎzie,_ 6 V.A. DE LA MONTAGNE, _Landschappen en Binnenhuisjes._
_Verder zullen het licht zien dicht-en prozawerken van:_
J. ADRIAENSEN, ANTHEUNIS, JOAN BOHL, COENS (PENNING JR),CORNETTE, COUPERUS, DA COSTA, DAUTZENBERG, A. DE ROP, DE QU…KER, MICHIEL DE SWAEN, AM. DE VOS, DROST, EMANTS, P. FREDERIQ, J. GEEL, GEZELLE, HANNAH, HEIJE, HEMKES, HEREMANS. E. HEYMANS-HERTSFELDT, HIEL, HOFFMANN VON FALLERSLEBEN, LANGENDIJK, JAN LUYKEN, J. NOLET, AUGUSTA PEAUX, POOT, ARY PRINS, RODENBACH BOOSES, SABBE, SAUWEN, G. SEGERS, SLEECKX, A SNIEDERS, STARING. R. STIJNS, HEL. SWARTH, TEIRLINCK, TER HAAR, TOLLENS, TONY, J. F. VAN CUYCK, VAN DER CRUYSSEN VAN OYE, VERSNAEYEN, VONDEL, VUYLSTEKE, O. WATTEZ, WELLEKENS J WINKLER-PRINS, J. F. WILLEMS Sr, ZETTERNAM, ENZ., ENZ..
_Eerstvolgende deeltjes:_
BUYSSE, _De Biezenstekker_ HIEL, _Gedichten:_ SLEECKX, _Hoe Mien zijn Bientje kreeg_; J. WINKLER PRINS, _Gedichten_; SNIEDERS, _Sneeuwvlokje_; G. ANTHEUNIS, _Liederen en Gedichten_; DE QU…KER. _De Tjeepeeuwer_; RODENBACH, _PoÎzie_, enz.
*Prijs per deel: 25 Centiemen.*
+--------------------------------------------------------------+ | COLOFON | | | | * Eerste publicatie: De Nieuwe Gids, jaargang 5 (1890), | | blz. 186 - 212. | | * Eerste publicatie in boekvorm: Gent, 1894, Algemeene | | Boekhandel van Ad. Hoste, Uitgever. | | * Dit electronisch bestand is gebaseerd op de editie | | van 1894. | | * De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling, er zijn geen wijzigingen aangebracht. | | * De kwaliteit van het origineel is zodanig, dat niet altijd | | duidelijk is wat er precies staat. | | * Vreemde woorden of schrijfwijzen, evidente en vermoedelijke| | zet- of schrijffouten zijn behouden gebleven. | | * Deze editie bevat heel wat inconsequenties met betrekking | | tot interpunctie, kapitalen, aanhalingstekens en het gebruik | | van lidwoorden. Deze zijn behouden gebleven. | | * Dialectwoorden worden soms verschillend gespeld, de | | schrijfwijze is behouden gebleven. | | * Bovenstaande schrijfwijzen zijn gemarkeerd met ** en worden| | toegelicht in de tabel onderaan het colofon. | | * De paginanummers zijn verwijderd. | | * Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn | | hersteld. | | * Spaties voor leestekens zijn verwijderd. | | * Het gebruik van guillemets (´ª) is behouden gebleven. | | * Voetnoten zijn verplaatst naar het einde van de alinea met | | de verwijzing. | | * De in het origineel cursief gezette tekst is weergegeven | | als _cursief_, de in vetjes gezette tekst als *vetjes*. | | * Gedachtestreepjes zijn vervangen door --, gedachtesprongen | | door 5 asterisken. | | | | Johan Boelaert | | 26/01/2015 | +--------------------------------------------------------------+