De Biezenstekker

Part 2

Chapter 23,829 wordsPublic domain

Het begon niet onmiddellijk te schreien; het viel, half achterover, zijdelings tegen de tafel en bekeek, verdedigingshalve de handjes uitstekend, met eene uitdrukking van onuitsprekelijken schrik, zijne moeder. Het scheen bijna niet te begrijpen wat er met hem gebeurde en eerst op een nieuw, dreigend gebaar van vrouw Cloet vluchtte het vervaarlijk huilend weg en ging zich, bevend en snikkend, in den versten hoek van 't keukentje verschuilen. De andere kinderen, stom van angst, zagen steeds roerloos en met wijd open gespalkte oogen toe, terwijl Cloet, gebogen in den hoek, met nog vergroote onverschilligheid zijnen afzonderlijken papkom ledigde.

* * * * *

Tot dus toe had het arme kleintje, wel is waar** aan geene moederlijke liefkozingen gewend, doch ook door niemand erg verstooten, schier gelukkig geleefd. Het was een bleek, blondharig knaapje, met lichtblauwe oogjes en schier onafgeteekende wenkbrauwen, volkomen verschillend van al Cloet's andere kinderen, die kersrood van wangen en gitzwart van haarbos waren. Langzaam, pijnlijk, was het opgegroeid. Om** tweejarigen ouderdom wist men nog niet of het alleen zou kunnen lopen. 't Was wel, onder uiterlijk opzicht, 't verworpelingje der natuur, het kind der zonde, zooals men deze zich soms voorstelt; en de dorpelingen, steeds bereid om bijnamen te geven, hadden hem met een woord dat d··r, te Wilde, al de overige omvat, herdoopt: zij noemden hem den ´biezenstekkerª, 't is te zeggen het arm, misvormd en onderbleven** kind van onbekenden vader.

Bij de dieren, als er zoo een avorton** voorkomt, wordt deze gewoonlijk, in stede** van verdedigd, door de kloekere individus van 't ras mishandeld en verdrukt. Omtrent hetzelfde greep hier met het kleintje plaats. De moeder, meer en meer aan den drank verslaafd en doorde** onverschillige, medeplichtige houding van Cloet aangemoedigd, werd alle dagen boozer en onmenschelijker; de oudere broÍrs** en zusters, natuurlijk wreed van aard, gelijk schier alle onbeschaafde kinderen, vonden in 't voorbeeld hunner ouders eene al te schoone gelegenheid om hun broertje onophoudelijk en ongestraft te tergen. Op korten tijd werd 't leven eene hel voor 't knaapje. Eerst mocht het met de anderen aan de tafel niet meer zitten. ´De zwijnen eten na de menschen,ª zei vrouw Cloet. En 't kreeg, alleen, de slechte koude overschotten. Zijn kleederen hingen in flarden; zij werden niet vernieuwd. De broÍrs en zusters gingen naar de school en kregen 's Zondags centen; het** niet; en op zekeren morgen duwde zijne moeder hem een korfje in de hand en zei:

´Gaat en verdient uwen kost, ik wil geene luiaards meer kweeken.ª Het was toen vijf jaar oud.

Het wist zelfs niet, het arme kleintje, hoe het doen moest om te bedelen. Het dwaalde den ganschen dag rond in het veld, en 's avonds, uitgehongerd, kwam het met enkele, ergens uitgetrokken worteltjes en rapen thuis.

´Hoe! is dat alles wat men u gegeven heeft!ª riep de ontaarde moeder woedend. En eenen wortel bij den groes** vastnemende, sloeg zij hem dien vloekend in het aangezicht.

Het leerde bedelen; het leerde langs de straten van het dorp, met zijn korfje aan den arm, van huis tot huis rondgaan. In den eerste kreeg het weinig. Het was te klein om aan de bellen te geraken, het klopte zachtjes, met de vuistjes, op de zware deuren.

´Wat wilt ge, ventje?ª

.... ´Weet het niet.... het stond en draalde.

´Een boterham?ª

´Ja.ª

´Hoe heet ge?ª

´Julken.ª

´Julken wie?ª

Het gaf geen antwoord.

´Julken Cloet?ª

´Neen, neen.ª

´Hoe dan?ª

´Julken Biezenstekker.ª

Men had hem alzoo zijnen naam leeren zeggen en toen het den dorpelingen 't laag vermaak gegeven had dien door hemzelven te hooren uitspreken, kreeg het zijnen boterham.

* * * * *

Cloet, nochtans, veranderde van houding noch gedragslijn niet, bleef steeds de ruwe, ongezellige bruut, de vijand en de schrik zijns huisgezins. Vruchteloos had zijne vrouw opnieuw beproefd hem te doen spreken. Halsstarrig in zijne dreigende pruiling verdiept gaf hij geen antwoord, scheen zich niets van zijn huisgezin aan te trekken, affecteerde** daar enkel nog te zijn om te eten en te slapen. En werkelijk, men zag hem anders niet dan gebogen over zijne teil, in den hoek van den haard, met den rug naar de anderen. Die stelselmatige handelwijze exaspereerde** zijne vrouw. Na hem tot een zeker punt overhaald te hebben, voelde zij zich eensklaps door een onbekenden hinderpaal gedwarsboomd en in hare ergernis vermengde zich van lieverlede een soort van drift, de aangroeiende dierlijke begeerte van dien man, dien zij bemind had en bedrogen, terug te bezitten. Toen verergerde nog 't lijden van het kleintje. Zij voelde, ondanks alles, dat deze vervolgingen aan Cloet behaagden, dat zij daardoor tot hem naderde en gestadig, na elke mishandeling, zag zij den ruwen vechter in de oogen aan om op zijn aangezicht zijn goedkeuring en 't oogenblik van de verzoening te bespieden. Nuttelooze pogingen. Cloet, steeds onveranderlijk, bleef, als een veeleischend afgod zitten in den hoek van zijnen haard, scheen noch te hooren, noch te zien, maar woonde onverschillig alles bij, alsof hij naar iets wachtte.

In het midden zijner ellende, nochtans, had Julken eenen vriend gevonden, die hem hielp en hem beminde: Rosse Tjeef, de gebuur, de vijand van Cloet. Hij woonde--weduwenaar met drie kinderen--aan den ommedraai van 't straatje, in een klein huisje dat alleen stond en soms, op 't uur van middag en van avondmalen, als het verdrukte knaapje daar voorbijgedrenteld kwam, riep hij het heimlijk binnen. Het was een groot, struisch man met geelros haar, met gele sproeten vol het aangezicht** en groote, blauwe, glimlachende oogen. Vroeger, terwijl Cloet in het gevang zat en nauwelijks genezen van zijn messteek, kwam hij soms, des avonds, in het huis van zijne moeder. Sedert Cloet's terugkomst was hij achter gebleven**.

Julken vond daar de zorgen en de liefde die hem thuis zoozeer ontbraken. Het kreeg er goed, warm eten en ook al, eenige centen soms, des Zondags. De kinderen deden hem geen kwaad en Rosse Tjeef, die hem vaak streelend op zijn knieÎn nam, zei dat het hem mocht ´vaderª heeten, gelijk de anderen. Dit alles gebeurde met groote omzichtigheid om de aandacht der Cloets, de vijanden, niet op te wekken.

Op zekeren avond zat Julken in den versten en sombersten hoek van 't keukentje naast Siesken op den vloer. Siesken, dat was het glad, zwart hondje, met zijn wakkere oogjes en zijn staartje in trompet, onlangs door Jan, Cloet's oudsten zoon, van een boerenhof medegebracht. Beiden, hond en knaap, kenden en beminden reeds elkaar en dien avond had Julken heimelijk een van Rosse Tjeef gekregen vijfcentstuk** te voorschijn gehaald en vermaakte zich in volle stilte, in volle eenzaamheid, met het hondje er naar te doen happen en springen. Vrouw Cloet, met haar eten bezig, gaf voor het oogenblik geen aandacht op den kleine; Cloet en de andere kinderen waren nog niet thuis.

Maar eensklaps gaat de voordeur open en Cloet, met de spade op de schouder, stapt lomp binnen. Julken hield juist het vijfcentenstuk** omhoog en door de intrede van Cloet, die hem steeds een geheimen schrik inboezemde, verstrooid, verloor het, gedurende eene seconde, Siesken uit het oog. Noodlottige stond. Siesken, dievevlug, knapte het muntstuk vast, liet het klinkend op den vloer neÍrvallen**, sprong er op met zijn beide vorderpootjes**. Cloet en zijne vrouw, alle twee, keken om.

´Wat is dat? vroeg de laatste, hatend. En schielijk toesnellend, raapte zij het vijfcentstuk op. ªVan wien hebt ge dit gekregen?ª

Julken wist dat het zulks zorgvuldig zwijgen moest. Rosse Tjeef herhaalde het hem elken dag en zonder bepaald te begrijpen waarom, voelde het er ook de noodwendigheid van. Het had zich zelven tot dus toe nog nooit verraden, maar op dat oogenblik, door die dreigende en hatende, op hem gevestigde blikken ontsteld, keek het onthutst en bevend op, werd gansch bleek, vergat zijn verbod en zei, vol bange naÔefheid**:

´Van vader....ª

Vrouw Cloet, verbaasd en niet begrijpend, bekeek haren man. Cloet, bewegingloos, met de spade op den schouder, staarde naar Julken.

´Van wien, zegt ge?ª hervroeg met ruwe stem de vrouw.

Julken, van langs om meer onthutst en te onbehendig om nog zijn eerste gezegde te verbeteren, opende wijd zijn blauwe oogjes en zei, enkel de woorden wijzigend:

´Van Rossen** Tjeef....ª

De moeder, als had zij eenen slag in het aangezicht gekregen, wipte achteruit en Cloet, het gelaat veranderd, stapte toe.

´Van wien?ª vroeg hij op zijne beurt, eensklaps zijn maandenlang stilzwijgen brekend.

´Van Rossen Tjeef,ª hernam de kleine bevend.

Cloet, versteend, staarde meer en meer den kleine aan, bekeek zijn haar, zijne oogen, scheen ÈÈn voor ÈÈn, met klimmende ontsteltenis, zijn aangezichtje te ontleden. Een oogenblik drukkende stilte heerschte. De moeder, achteruitgedeinsd, hield bleek, met wijd opengespalkte oogen, de beide vuisten vÛÛr den mond.

En schielijk keerde Cloet zich tot haar om.

´Wiens kind is dat?ª vroeg hij.

Zij gaf geen antwoord, maar nog bleeker, met nog wijder uitgespalkte oogen, deinsde zij voortdurend achteruit.

´Wiens..... kind..... is..... dat?ª raasde hij dof, met dicht gesloten tanden ieder woord afkappend en met zijn rechterhand, die de spade niet vasthield, ruw haar vuisten van vÛÛr haren mond wegtrekkend.

Zij roerde zich niet, zij sprak geen woord.

´Wiens kind is dat, nondedzju!ª huilde hij, eensklaps uitzinnig, haar bij de keel vastgrijpend en haar tegen den muur duwend.

´Rossen Tjeef's.....ª

Hij had haar 't woord om zoo te zeggen uit de keel geduwd, het was haar ontsnapt, werktuigelijk, instinctmatig, om niet te verstikken.

Hij liet haar los en zag haar aan, verbaasd, verstomd, moedwillig ongeloovig bij het aanhooren dier bekentenis die hij geprovoqueerd** had en waarvan hij den slag verwachtte. En in eens**, zonder een woord, vloog, evenals eertijds zijn gaanstok en zijn pakje, zijne spade op den vloer en sprong hij, gelijk een wild beest, op zijne vrouw.

Ditmaal zou het al-licht** om dood zijn. Zij was, langs den muur weg, zijdelings achterovergevallen, dwars op eenen stoel, die krakend achteruitvloog. Thans sloeg hij niet, hij neep en duwde. Bij de keel, bij den boezem, in de lenden, aan den buik nam hij het vleesch met volle grepen vast en duwde, trok en stampte als om het haar van 't lijf te scheuren. En opnieuw wendde zij niet de minste poging tot verwering aan; opnieuw uitte zij enkel, in 't midden der vermaledijdingen van Cloet en het afgrijselijk geschreeuw van Julken niets dan haar schier onmenschelijk gehuil, haar ´oeijoeijoeijoeijoeiª van stervend dier, waarin zich nu, door de vlijmende pijn ontrukt, soms scherpere, oorverscheurende kreten vermengden. Eensklaps sprong Cloet, aan het toppunt der woede gestegen, recht en vatte zijne spade in de hand. Hij ging zijn vrouw vermoorden. Reeds hield hij 't wapen in de beide handen opgeheven, reeds raakte 't koudblinkend staal hare keel, toen een vervaarlijk vizioen: de herinnering zijner vijf jongste jaren folteringen in 't gevang hem vÛÛr den geest verrees en met een bovennatuurlijke kracht zijnen arm weerhield. Vloekend gooide hij de spade verre weg; vloekend wrong hij zijne vrouw een laatste maal de keel toe en dan, zich omkeerend, sprong hij naar de deur, trok die hevig open en verdween.

* * * * *

Acht dagen bleef hij weg, acht dagen gedurende dewelke niemand hem zag, noch van hem hoorde spreken. En toen hij na dit tijdsverloop terugkwam, ging hij weÍrom** naar zijnen hoek, zette er zich, zonder een woord, gelijk een dier, te eten en 't zelfde leven als van vroeger herbegon. De weken, de maanden verliepen. Eene benauwende drukking, een gevoel van diepen haat en van oneenigheid hing over 't huisgezin. 's Nachts na het vreeselijk tooneel welk het had bijgewoond was Julken in stuipen gevallen en sedert dien, verzwakt en ziek, verliet het 't huis niet meer. Het was, om zoo te zeggen, doorschijnend van magerheid geworden, het at bijna niets meer en van tijd tot tijd kreeg het nu zijne kwaal terug. Het waren vreeselijke aanvallen, die hem in eens** overweldigden en midden derwelke het soms schreiend rechtsprong en verwilderd, met bevende handjes, met draaiende oogjes, met vervaarlijk gewrongen gezichtje vÛÛr zijne moeder of zijn broertjes stond, hen smeekend hem toch zoozeer niet te mishandelen, hem toch zoo niet te dooden. Maar zijn hartscheurend smeeken werd zelfs niet aanhoord en toen de krisis over was viel het weËrom**, dieper dan ooit, in zijnen staat van wanhopige verlatenheid.

Alsdan, in dat gefolterd hartje, groeide allengs eene uiterste drift**, eene laatste genegenheid op, waarin zich al zijne teederheidsvermogens verzamelden: zijne liefde voor Siesken, het zwart, glad Siesken met zijn krolstaartje, dat nu de gewone en trouwe gezel van zijn ellendig leven geworden was. Van 's morgens tot 's avonds zat het stil, doodstil in den sombersten hoek van het keukentje met 't hondje in zijn armen. Het sprak, het vezelde er tegen; het was hem als een jonger broertje, dat onder zijn bescherming stond. Siesken had kou, het moest verwarmd worden; Siesken had honger, het zou te eten krijgen; Siesken had vaak, hij zou het slapen leggen. En sussend en kussend streelde en wiegde Julken het hondje, totdat het kontrast met zijn eigen lot al te vlijmend wordend, het in stille tranen smolt.

Die toestand in het huisgezin kon echter zoo niet blijven duren. Aan alles, tot in de geringste dingen voelde men gestadig dat de spanning tot het toppunt was gestegen, dat er een verandering, een einde moest aan komen.

* * * * *

Sinds een paar dagen was vrouw Cloet gansch zonderling, gansch anders als naar gewoonte. Zij ook at schier niet meer. Een bestendige koorts, tevens door drank en gejaagdheid veroorzaakt, deed hare wangen gloeien en, zonderlingst van al, sinds twee dagen had zij Julken niet meer mishandeld, hem geen enkel hatend woord meer toegestuurd. Zelfs, dien avond, had zij hem van rond zes ure eene goede warme teil pap doen eten en hem daarna te slapen gelegd. De vader en de overige kinders waren nog niet thuis.

Vrouw Cloet, alleen in hare keuken, ging naar de eetkast, haalde er vlug eene verborgene flesch uit te voorschijn, ontkurkte die en dronk. Een wijl bleef zij roerloos en als het ware duizelig in 't midden van de keuken staan en langzaam dan, zeer stil en langzaam trok ze naar de voordeur, waarvan ze den grendel toeschoof. Eenige stonden gewacht, nog eens even geluisterd, nog eens aan den hals der flesch gedronken, dezelfde terug weggezet en zacht, op haar kousen, stak zij de deur van 't nachtvertrekje open.

Dit was een zeer klein kamertje, nog lager gebalkt, nog somberder en akeliger van uitzicht dan het keukentje. Er was maar ÈÈn klein venstertje, langs buiten toegeblind; drie bedden, laag en breed, maar kort, vervulden bijna heel het ruim en op de onderste trede van den korten, steilen trap, die naar den zolder klom, stond een klein, half opgedraaide nachtlampje, welks flauwe, van beneden komende klaarte al die droevige dingen beschemerde.

Vrouw Cloet nam 't lichje** in de hand en hief het omhoog. Zich met de linkerhand aan den trap vasthoudend, boog zij het lichaam sterk voorover. De vale kaartje** verlichtte tevens haar ontstelde wezenstrekken en, in het naaste bed, het uitgemergeld, ingesluimerd aangezichtje van Julken. Zij zette 't lampje hoger op den trap en kwam twee stappen nader. Thans stond zij in 't smal gangetje tusschen de twee eerste bedden. Opnieuw bleef zij eene wijl luisteren, roerloos, bleek, met blinkende kaaksbeenderen en vergroote oogen. Alles was stil, alles was eenzaam; en schielijk, zich half omkeerend, keek zij naar den kleine.

Hij sliep steeds voort, het bleek, ontvleesde hoofdje zijdeling gezegen, met een gelijk en flauw, ternauwernood verneembaar zuchtje door zijn witte lipjes. De handjes lagen boven de deken en heel het lijfje was zÛÛ mager, dat het nauwelijks, in 't midden van het breede bed, een kleine hoogte vormde.

Langzaam, met de handen achter den rug en 't oog halsstarrig op den knaap gevestigd, had vrouw Cloet het deksel van het tweede bed tot zich getrokken. Zij hief het omhoog en spreidde het zachtjes, met eindelooze voorzorgen en als om den kleine warmer in te dekken, boven dit welk reeds zijn tenger lichaamtje** bedekte, uit. Zij hield den adem op, haar aangezicht was nog verbleekt, enkel de huid boven de wangbeenderen en de oogen blonken met een ongewonen, schier vervaarlijken glans. Aan de handjes gekomen hief zij de sargen** weÍr hoger, keek nogmaals om, kwam een laatsten stap nader en eensklaps, pijlsnel, viel de deken boven 't hoofdje en zijboven** de deken....

´Neen**, zij had niet, met voorbedachten rade eene kindermoord beraamd; maar die onverjaagbare gedachte, dat Julken ziek en flauw was, dat een tikje, een niets hem zonder pijn noch worsteling zou doen verdwijnen en dat ze dan toch rust zou hebben, had haar dagen en nachten bezeten en werktuigelijk, zonder wroeging noch gedachten, zonder bijna te weten wat zij deed was zij te werk gegaan, had zij eens ´geprobeerd.ª Maar op dat oogenblik, toen zij in al hare verwachtingen bedrogen, schielijk onder de dekens het half verstikte knaapje met de ongewone kracht welke de strijd om 't leven geeft, voelde spartelen, sprong zij verwilderd op en liet zij, met een kreet van afschuw, alles los.

Verbaasd, alleenlijk aan den adem wat bevangen en niet begrijpend wat er gebeurde, had Julken het deksel weggeworpen en staarde het verwilderd zijne moeder aan. En eerst, na ettelijke stonden, kreeg het, als het ware eene onduidelijke gissing van 't gevaar dat hem bedreigd had. Zijn aangezichtje overtrok, het rechtte zich, kroop schreiend uit zijn bed en kwam, van langs om meer verschrikt op de hielen zijner moeder in de keuken. Siesken, ontwaakt, sprong onmiddellijk op hem en kroop in zijne armen.

Vrouw Cloet, nochtans, was machteloos op eenen stoel ineengezakt en staarde nu hijgend, met vlammende oogen, naar den kleine. Eene klimmende en onberedeneerde woede woelde in heur hart; blijkbaar worstelde zij wanhopig tegen de zwakheid die haar overviel en eensklaps, door de behoefte van iets te verdelgen overweldigd, stond ze recht, sprong als eene tijgerin op Julken, rukte hem 't hondje uit de armen, sloeg dit vloekend met den kop tegen den muur, liet het vallen en overtrapte, overstampte het op den vloer onder haar voeten.

Zinneloos van smart en schrik, met eenen kreet waarvan niets de wanhoop wedergeven kan, was Julken toegesneld en had het zijn huilend lievelingje in de armen terug opgevat. Zijn getier, zijne gebaren, de uitdrukking van zijn gelaatje waren zoo vervaarlijk, dat de ontaarde moeder zelve, als bang, achteruitweek.

´Ho, ho! mijn Siesken! Och Heere toch mijn arm Siesken mijn Siesken! mijn Siesken!ª kermde het. Tranen rolden overvloedig langs zijn wangen, rasse, gesnikte zuchten verdrongen zich en verkropten in zijne keel, als ware zijn mondje te klein geweest om ze alle te uiten. Het was midden den vloer op de knieÎn gevallen met het steeds huilend, bloedend, stervend hondje in zijn armen. En het kronkelde zich, het lei zijn hoofdje op de tegels, het strekte de armpjes uit, het overkustte, overstreelde, overweende in eene uitbarsting van onbeschrijfelijke wanhoop zijn ellendig makkertje, gestadig, met schier onmenschelijke stem herhalend:

´Ho, ho, mijn Siesken! Och Heere toch, mijn arm Siesken!ª

Cloet, de andere kinders kwamen binnen. Een nieuw gehuil van smart steeg op toen deze laatsten 't hondje zagen en Cloet zelf, verontwaardigd, scheen op het punt op zijne vrouw te springen. Somber en hijgend, met brandende kaaksbeenderen en zwarte oogen was deze in den versten hoek der keuken achteruitgedeinsd. Siesken, een weinig gesust, werd in zijn mandje neÍrgelegd**. Een zijner pootjes was gebroken, het bloedde uit zijn muiltje en zijn buikje was schier onmiddellijk begonnen te zwellen. Het huilde niet meer, het kermde nog in stilte, met uitgedoofde oogjes en lange rillingen over de huid, gelijk een mensch.

* * * * *

Het leefde nog drie dagen, gedurende dewelke Julken hem geen oogenblik verliet; en toen vrouw Cloet den vierden morgen ontwaakte vond zij, in het keukentje, nevens den haard, Siesken dood en Julken in bezwijming naast elkander liggen.

Siesken werd in den mestput geworpen; Julken in zijn bed gedragen. En zonderling toeval, als men het kleintje ontkleed had, bemerkte men dat het met een dik gezwollen buikje lag, juist als hadde hem Siesken, bij het sterven zijne kwaal overgezet. Eenige dagen verliepen; Julken beterde niet. Een hevige koorts had hem aangetast en een groot deel van den tijd raaskalde en doolde het. De dokter, de kostelooze armendokter werd geroepen. Rust en voedsel, bevol** hij; veel voedsel: bouillon, wijn, eieren. Hij sprak alsof die dingen maar te nemen waren. Ook de pastoor kwam af. Het knaapje had een fleschje medicijn gekregen en was een weinig verbeterd. De pastoor gaf hem een ´zantjeª en sprak hem van den hemel.

´Zal ik daar mijn Siesken zien!**ª vroeg eensklaps Julken. En toen de herder, met den zin van 's knaapjes vraag bekend gemaakt, hem zei dat de hemel niet voor honden, maar voor engeltjes geschapen was, keerde het zich, als moede, naar den muur om en deed zijn oogjes toe.

Op 's priesters bevel nochtans werd Zulmatje, Cloet's jongste meisje, gelast met Julken gezelschap te houden en zorg voor hem te nemen. Het was een tamelijk braaf meisje, zachter van aard dan Cloet's andere kinderen en weldra waren het en Julken goede vrienden. Sinds 's knaapjes ziekte, overigens en vooral sinds de pastoor, die de echtgenooten tot verzoening wilde brengen, daar bijna dagelijks kwam, scheen er meer vrede, meer overeenkomst in het huisgezin te heerschen.

Julken, in het breede bed, lag met de oogjes open. Het meisje, aan zijn sponde, breide.

´Zulmatje, houd eens op van breien.ª

Het meisje staakte.

´Wat heeft mijnheer de pastoor nu gezeid, Zulmatje?

´Hij heeft gezeid dat hij wel hoopt dat gij genezen zult en als gij sterft dat gij zult een engel in den hemel zijn.ª

´Heeft hij van Siesken niet gesproken?

´Neen.ª

En eene stilte heerschte. Het kind, strak naar de balken starend, scheen op iets te peinzen. En na een oogenblik:

´Zulmatje, doe eens 't deksel** weg.ª

Het meisje gehoorzaamde en staroogend dan, bekeek Julken zijn uitgemergeld lichaam. Aan de armpjes, aan de beentjes, was geen ziertje vleesch meer. Men kon de ribben tellen, de gewrichtsverbindingen geleken aan knokkels en builen en alleen de buik bleef rond en dik, van dag tot dag meer opgezwollen. Alsdan, tot zijne halsstarrige gedachte terugkeerend, sprak Julken:

´Zulmatje, mijn buik is gezwollen gelijk die van Siesken, maar Siesken is gestorven omdat het bloedde. Als ik ook begin te bloeden zal ik sterven en toen** zal ik Siesken in den hemel wederzien.ª

Andermalen namen zijne gedachten eene verschillende wending.

´Zulmatje, 'k zou vader willen zien.ª

´Ja, Julken, maar vader is niet thuis.ª Zij bedoelde Cloet, sinds een paar weken in de aardewerken. Doch 't kleintje schudde 't hoofd:

´Uw vader is de mijne niet, Zulmatje. Mijn vader woont in deze straat en is wel thuis, maar hij mag hier niet komen.ª

En dan zwegen zij alle twee, in hunne schuldeloosheid overdenkend hoe het kwam dat zij eene gelijke moeder en verschillende vaders hadden.

* * * * *

De nacht was vroeg gevallen. Het had den ganschen dag gesneeuwd en van vÛÛr vijf ure waren in het dorp de straatlantaarnen aangestoken.

Vrouw Cloet was gansch alleen in hare keuken. De kinderen hadden vroeg gÎavondmaald** en waren slapen; zelfs Julken, die den ganschen dag gewoeld had, was niet den avond stil gevallen en sluimerde nu ook. Zij was daar zooeven** nog gaan zien.