Part 1
BIBLIOTHEEK VAN NEDERLANDSCHE LETTEREN
ONDER BESTUUR VAN POL DE MONT
* * * * *
CYRIEL BUYSSE
DE BIEZENSTEKKER
* * * * *
´Kent uw spraak en heel haar overvloed?ª BILDERDIJK.
´Met de tale gaat het vaderland ´verloren!ª F. DE CORT.
* * * * *
GENT ALGEMEENE BOEKHANDEL VAN AD. HOSTE, Uitgever Veldstraat, 47
* * * * *
1894
* * * * *
_Te verkrijgen bij den uitgever der ´Bibliotheek van Nederlandsche Letterenª:_
POL DE MONT
*Gedichten*, bekroond met den 5jaarl. prijs (1875-1880), in-16∞.................................................. fr. 3 00 *Lentesotternijen*, met een gedicht van KI. Groth, portret en fac-simile van den schrijver.................. ª 2 00 *Loreley*, liederen en gedichten; gekart. 3 fr., ingenaaid.... ª 2 00 *Idyllen*..................................................... ª 2 55 *Idyllen en andere Gedichten*................................. ª 3 25 *Fladderende Vlinders*, met drie koperetsen................. gld. 3 75 *In Noord en Zuid*, nieuwe idyllen en andere gedichten...... gld. 2 90 *Hendrik Conscience*, zijn leven en zijne werken, met 2 autografen en 2 portretten ........................... fr. 1 25 *Jan van Beers*, zijn leven en zijne werken, met portret ........................................(40 cents) ª 0 85 *Peter Benoit*, met portret......................... (40 cents) ª 0 85 *Losse Schetsen* uit de letterkundige Geschiedenis van onzen Tijd; deel I, Duitschland. fr. 2,50; deel II, Frankrijk en Provence, fr. 4,00; deel III, Nederland .................. ª 3 50 *Op mijn Dorpken*, korte vertellingen in proza, met een ets.... ª 2 75 *Claribella*, met twee heliotypieÎn van Fern. Khnopff en Jef Leempoels, VIII + 224 bl groot-4∞......................... ª 8 00
ALBRECHT RODENBACH
*Gudrun*, drama in 5 bedrijven en in verzen, met een inleiding ................................................ ª 2 00 *Al de Gedichten van*--........................................ ª 2 50
VIRGINIE LOVELING
*Drie Novellen*................................................ ª 1 60 *Het Hoofd van 't Huis*........................................ ª 3 25 *Sophie*, 2 deelen, met platen van Fr. van Kuyck, Volksuitgave............................................. ª 3 00 *Gedichten* van R. en V. Loveling, met pl...................... ª 1 50 *Novellen* id. met pl.......................................... ª 1 50 *Nieuwe novellen* id. met pl................................... ª 1 60
[Nota's van de bewerker staan na de tekst.]
CYRIEL BUYSSE
* * * * *
Een der allerjongsten onder de beoefenaars der Nederlandsche proza, doch van heden af een der meest belovenden. Buysse behoort tot die kloeke, echt Vlaamsche familie der Lovelings, waaruit ook de gezusters R. en V. Loveling, des schrijvers tanten van moeders zijde, gesproten zijn. Ofschoon van zijn hand tot heden toe slechts Èen** verhaal in boekvorm het licht zag, heeft Buysse toch reeds een niet licht te dragen bagage. In tal van Noord-en Zuidnederlandsche tijdschriften zijn de proeven van zijn talent verspreid. In _het Nederl. Museum_ gaf hij _Broeder en Zuster_, _Guusje en Zieneken_, _Twee Herinneringen uit Amerika_, _Een Amerikaansche Verkiezing_, _Mishawaka_, _Iets over de Godsdiensten in Noord-Amerika_, _Twee Beesten_ en _De Pokken_; in _Goeverneur's Oude Huisvriend_ verschenen: _Op den Senegal_, _Beter laat dan nooit_, _Een Verzoening_, _Hongerlijder_; in _Nederland_ werden opgenomen _Een Philippe_ en _De Dood van Ieperen_; in _Elsevier's geÔllustreerd Maandschrift_ de schetsen _Schrik_ en _Oproer aan Boord_; in _De Gids_ de novelle _Een Levensdroom_; in _Warendorf's Novellen-Bibliotheek_ een verhaal, _Het huwelijk van Neef Perseijn_; in _Zingende Vogels_ een kleine studie, _Gampelaarken_, en eindelijk, in _Van Nu en Straks_, waarvan hij een der medestichters is, _Moeder_.
_De Biezenstekker_, de novelle die onder dit omslag nu het eerst afzonderlijk het licht ziet, verscheen in _De nieuwe Gids_ van Juli 1890.
Buysse's literaire aanleg lijkt, geheel in overeenkomst met zijn volbloedig, ongemeen sterk lichaamsgestel, een vlakaf realistische. Ook zonder den invloed van E. Zola, op vele plaatsen zichtbaar in zijn werken, hadde hij zich ongetwijfeld tot een krachtig konterfeiten van bij voorkeur brutale personages, tot een stout schilder van tooneelen van hoogopgevoerde hartstocht, ontwikkeld. Met luttel eerbeid** voor gekuischte taal en sober-teekenachtigen stijl, legt hij aan den dag een ongemeen talent van koloriet: hij werkt niet met vlakke, effen tonen, maar met losse toetsen en snelle vegen als het ware, en weet treffend te zeggen, wat hij overigens heel goed heeft gezien. Vooral in het volksleven uit de omstreken van Gent voelt hij zich te huis. Zijn schetsen, _Twee Beesten_, _De Biezenstekker_ en meer dan Èen tafereel uit zijn roman _Het Recht van den Sterkste_ hebben blijvende waarde.
* * * * *
Buysse werd geboren in Nevele den 21n September 1859.
Hij studeerde aan het Kon. Athenaeum van Gent en ondernam verscheidene reizen naar en door Amerika.
Hij behoort tot de _beste krachten_ in Noord en Zuid!
[De auteur van de inleiding wordt niet vermeld.]
* * * * *
DE BIEZENSTEKKER
Als Cloet dien zaterdag namiddag om vier ure juist, de zware hekkens van het Gentsch gevang zag opengaan en eensklaps, na een tiental schreden, weÍr** in vrijheid was;** trok hij haastig, door het daglicht verblind en reeds aan eenzaamheid en duisternis gewend, de breede kassei dwars over en verdiepte zich in de kronkelende hovingen, die daar, aan de overzijde van het stadsgevang, de gansche lengte der eenzame, regelrechte laan begrenzen. Het was een groote, kloeke kerel van rond de vijf en veertig, met grijzende knevel en haren, met forsig afgeteekende wezenstrekken, met stijven, onheilspellenden oogopslag. Tien maanden was hij daar opgesloten geweest. Eene messteek, in een gevecht aan eenen makker toegebracht, had de vervolgingen der Wet op hem getrokken. Een ogenblik had hij gehoopt op vrijspraak; maar een gebuur--Rosse Tjeef** had bezwarend tegen hem getuigd--en** hij was eindelijk veroordeeld geworden. Dat was nu ook de vierde maal dat hij in het gevang gezeten had, telkens voor vechten.
Somber, zonder den minsten zweem van vreugd op het gelaat, stapte hij steeds rasser en met hooge schouders, in de mistige winterlucht vooruit. Hij droeg een klein, in een rood zakdoek omwonden pakje aan de linkerhand; in de rechter hield hij zijnen gaanstok. Hij had eene donkerkleurige broek aan; grove schoenen met nagels; een blauwen kiel; een zwarte pet.
Aan het uiteinde der hovingen gekomen draaide hij links om en sloeg, doorheen de woelende en reeds verlichte voorstad, den eenzamen steenweg naar Wilde in.
Gedurende ruim een half uur ging hij aldus met wijden tred vooruit. De avond was van lieverlede gansch gevallen en langsheen de pijlrechte, met boomen omzoomde baan die hij thans door het veld volgde, blonken hier en daar, op groote afstanden, eenzame lichten. VÛÛr** een dezer hield hij stil. D··r** stond, terzijde van den weg, een klein, landelijk herbergje. Zonder aarzelen, als van zelf, trok hij er binnen.
´Een druppelª, bestelde hij kortaf, zijn vijfcentstuk klinkend op de schenktafel werpend. En, terwijl een jong meisje, spoedig rechtgestaan, hem bediende, keek hij schuins, met zijn vorschenden blik, naar 't vergaderd gezelschap: drie mannen en eene vrouw, die op stoelen rond een tafeltje gezeten, met de kaart speelden.
Hij ledigde zijn glas in ÈÈne teug, mompelde iets binnensmonds als groet, opende de voordeur en vertrok. En eerst toen hij een tiental schreden ver was dacht hij aan den datum der maand en dat die lieden, al-licht** in familie, Driekoningenavond vierden. Deze gedachte, die hem schielijk zijn eigen gezin voor oogen tooverde, ontrukte hem een doffen vloek en deed opnieuw, terwijl hij nog den stap verhaastte, eene vruchteloos verjaagde foltering in hem opwellen.
Gedurende de drie jongste maanden had zijne vrouw hem in 't gevang niet eenmaal meer bezocht. Waarom? D‡t wist hij niet. Hij had doen schrijven en geen antwoord ontvangen. Hij had aan andere bezoekers van zijn dorp, welke hij kende, naar heur gevraagd en deze hadden hem ontwijkend en met een zonderlingen glimlach, scheen het hem, gezegd dat het er goed, heel goed meÍ** ging. Wat school daarachter! Wat had zulks te beduiden! Lang had hij alle mogelijke oorzaken nauwkeurig onderzocht; hij kon tot geen besluit geraken. Maar eens was hem, als een schicht, een argwaan door het brein gevlogen. Zou ze misschien...... in zijne afwezigheid...... met een ander...... O, hij dorst zijne veronderstelling niet voltooien, zÛÛ** vreeselijk voelde hij dan zijn hart van wraaklust kloppen, zÛÛ helsch vlamden zijn oogen, zoo forsch krompen zijn handen, als klauwen ineen.
Wat er van was zou hij eindelijk weten. VÛÛr anderhalf uur was hij thuis, vÛÛr anderhalf uur zou hij hooren en zien. En rasser nog, en rasser, als hadde hij de ruimte willen verslinden, stapte hij door.
Hij kwam in een klein dorpje: Keuze:** Gejoel en zang weÍrklonken** in de huizen; een geur van versch gebakken pannekoeken walmde bij tusschenpoozen in de koude lucht en langs de donkere, bochtige straatjes gingen arme kinderen, van deur tot deur, met fijne stemmetjes hun liedje zingend:
ª**'t Is van avond** Driekoningenavond En 't is morgen Driekoningendag,**ª
Somber stapte Cloet steeds voort. Die vreugd vergramde hem, die fijne reuk van versch gebak, waarvan hij zijn deel niet zou hebben, folterde zijne maag van uitgehongerden gevangene; en, aan den ommekeer van 't dorpje, op 't oogenblik van de kassei te verlaten om den landweg door de velden in te slaan, hield hij weÍrom stil en trad nogmaals, als werktuigelijk, de deur der aldaar gevestigde herberg binnen.
´Een druppel...... Evenals in de eerste afspanning wierp hij zijn muntstuk klinkend op de schenktafel en werd hij door de vrouw, die haar kaartspel had gestaakt, met ontzagvolle beleefdheid gediend. De drank, ditmaal, bracht hem een warmte aan het hart en, in stede van zijn ledig glas terug te zetten, keek hij strak naar de flesch en zei, na eene korte aarzeling, de hand vooruitgestoken:
´Schenk nog eens volª.
Zij schonk, hij ledigde zijn glas, betaalde en vertrok.
Thans was hij volop in het vlakke veld. De aardeweg, zeer modderig en somber, met grachten en bomen omzoomd, liep kronkelend door de landouwen. Hier en daar een haag, een stijl**, de balie van een hofgat**. Somtijds, wat terzijde, de onbepaalde silhouette eener hoeve, met fijne, als het ware door de geslotene blinden barstende streepjes licht; nu en dan, op de weinig bevolkte gehuchten, wat gejoel van viering in de arme huisjes; wat reuk van vet en van gebak in de lucht en steeds de kleine kinderen, die voor de deurtjes, in de killige winteravondstilte zongen:
´'t Is van avond Driekoningenavond En 't is morgen Driekoningendag.ª
In het Kappelletje...... Ditmaal aarzelde Cloet niet meer. Hij stapte rechtstreeks binnen en dronk twee druppels aan de schenktafel.
´Fijne genever, hË?ª pochte de waardin. Hij gaf geen antwoord maar bekeek heur** strak. Hij was daar slechts een klein half uur van Wilde meer en het woord lag hem op de tong om iets over zijn huisgezin te vragen. Hij deed het niet. Hij wierp tien centen op de tafel en verdween.
Het sloeg juist zeven op den toren toen hij aan de eerste huizen van Wilde kwam. Hij nam een zijdewegel** en, langs het beekje heen, den omtrek van het gansche dorp makend, geraakte hij aan 't straatje waar hij woonde. Met zwaren tred stapte hij den stronkeligen**, ietwat klimmenden steenweg op. Thans had hij geene kou meer; het vuur dat hem eerst 't hart verwarmde, brandde nu ook in zijn hoofd en gloeide op zijn wangen. Hij voelde zich krachtig, moedig, vastberaden; een soort van glimlach zweefde op zijn ruw gelaat. Een oogenblik kromp hij de vuist ineen en kwam er een beleediging op zijne lippen; hij trok het huis van Rosse Tjeef, den verklikker, den vijand voorbij. Maar die herinnering duurde niet lang; vÛÛr 't derde deurgat eener reeks alle gelijke huisjes hield hij stil, hief ruw de klink op en was in zijne woning. In eenen oogwenk stond hij midden der keuken, den blik gevestigd op zijn vrouw.
Zij zat, omringd van alle vier haar kinderen, aan tafel, voor het avondmaal. Het licht der lamp viel haar vlak in het aangezicht en zij had juist, uit de groote aarden papteil, haren eersten lepel pap geschept, toen hij van achter 't schutsel kwam.
Zij verwachtte hem niet. Zij meende dat hij, zooals het zijne straf vermeldde, nog ruim eene maand moest wegblijven; en stom, als hadde zij in eens de spraak verloren, bleek, als ging ze sterven, staarde zij hem verwilderd aan, werktuigelijk den lepel in den kom terugleggend.
Eiwel?..... waarom zijt ge sinds drie maanden niet meer gekomen!** was hij op 't punt haar te vragen; maar schielijk, eenen stap naderend, zag hij haar met verschrikkelijke oogen aan.
´Sta eens rechtª sprak hij haastig, met verkropte stem.
Een hevig rood had haar kaaksbeenderen gekleurd en, op dit onverwacht bevel, scheen zij heel en gansch 't hoofd te verliezen. Zij maakte een beweging op haar stoel maar stond niet op. De kleinen, gapend en verschrikt, staarden roerloos hunne ouders aan.
´Eiwel!..... Zijt ge doof?...... riep Cloet met nog vervaarlijker gelaat. En eensklaps, rond de tafel gaande, kwam hij zelf tot haar.
Als onder eenen zweepslag sprong zij recht. ªO doe me toch geen leedª kreet ze, bevend de handen uitstrekkend. Cloet, versteend, was blijven staan, het oog, als zinneloos, op haren buik gevestigd. Die buik was zwaar en rond, vooruitgestoken.
´Wie heeft d‡t** gedaan?ª vroeg hij. Zijn stem klonk niet luid, niet onnatuurlijk en met de hand den buik aanwijzend, was hij opnieuw eenen stap vooruitgetreden.
Het scheen als wilde zij iets zeggen, doch de woorden verkropten haar in de keel. Zij zwolg met moeite haar speeksel in en bleef voortdurend, roerloos en met een onuitsprekelijken angst op het gelaat, haar man aanstaren.
´Ik.... vraag.... u.... wie.... zulks.... gedaan.... heeftª herhaalde hij luider, met een soort van hardnekkigheid ieder woord afkappende en, als onbewust, steeds naderkomend.
Hijgend en onveranderlijk zag zij hem nog, gedurende den tijd eener seconde aan en wat er toen gebeurde ging met de vlugheid van het weÍrlicht**.
O gij nondemilledzju![1]** schreeuwde hij eensklaps. En terzelfdertijd, terwijl zijn gaanstok en zijn pakje kletsend tegen den muur aanvlogen, kreeg ze zijne vuist vlak in haar aangezicht, stortte zij huilend achterover en sprong hij vloekend en tierend, met handen en voeten op haar.
1 Vermoedelijk naar het Fransch ´Mille noms de Dieu.ª
Met de linkerhand had hij haar bij de keel gegrepen, als om haar te verworgen; met de andere, geslotene vuist sloeg hij haar gestadig, uit al zijne macht in 't aangezicht en met de kniÎen**, onder dewelke hij haar in den grond gedrukt hield, stampte en schokte hij haar den buik ineen, zooals de slachters doen met een gekeelde zwijn.
´Wie heeft dat gedaan, nondedzju!ª huilde hij woedend. En zonder haar zelfs den tijd te laten van te antwoorden, sloeg en sloeg hij voort, om dood.
Oogenblikkelijk was zij overvloedig begonnen te bloeden en zonder de minste poging om zich te verdedigen, vermengde zij enkel, in de razende vermaledijdingen van Cloet en het verschrikt geschrei der weggevluchte kinderen een akelig en aanhoudend gehuil, een ´oeijoeijoeijoeijoeiª van schier onmenschelijke smart, 't onnoemelijk gekreet van het geslachte dier, dat met zijn bloed, zijn leven voelt heenvlieden.
Eensklaps vloog de deur hevig open en Rosse Tjeef, de gebuur, gevolgd van een drietal andere mannen, ijlden binnen.
´O helpt toch moeder! trekt** er hem toch af!ª snikte smeekend het oudste meisje.
´Cloet! Cloet!ª riep, verwilderd, Rosse Tjeef. En, met een soort van weËrzin**, doch door de anderen voortgeduwd, vatte hij den vechter bij den arm. Noodlottige beweging. Cloet keerde zich om, erkende zijnen vijand, sprong recht en zijn aard van wreeden vechter kwam eensklaps met ontembaar geweld te voorschijn: hij nam het broodmes van de tafel, zwaaide het glinsterend in de lucht, sprong toe en Rosse Tjeef stortte, met eenen straal dampend bloed uit den mond, op den vloer achterover.
Op dit oogenblik greep er eene worsteling aan de voordeur plaats. Het toegestroomde volk werd hevig verdrongen en twee gendarmen, in uniform, met het geweer op den schouder kwamen binnengestormd. In eenen oogwenk hadden zij Cloet, schielijk stom en roerloos, ontwapend, geboeid en gevangen genomen.
´Allez! spoedig om priester en dokter en alle man uit den huize!ª riep, op gebiedenden toon, de oudste der twee.
Joelend, in een getrappel van voeten, verdrong zich het volk. De kinderen schreiden steeds vervaarlijk en de moeder, naast den haard achterover gevallen herhaalde onophoudend haar akelig gehuil, haar ´oeijoeijoeijoeijoeiª van stervend dier. Twee mannen hadden Rosse Tjeef onder de schouders opgetild. Hij was niet dood.
´Vooruit, schelm!ª sprak de brigadier. Cloet, tusschen de twee gendarmen, werd buiten gestampt. De brigadier hield het nog druipend broodmes in de hand.
Met vasten, rassen tred en door een steeds aangroeiend gepeupel gevolgd, trokken zij naar het dorpsgevang. Dit bevond zich op den koer van het gemeentehuis. De zware ingangspoort stond reeds open. Met geweld werd zij achter de twee gendarmen met hunnen gevangene en enkele nieuwsgierigen weÍr toegegrendeld. De uitgesloten menigte liet een gejoel van opstand en misnoegdheid hooren. Haastig, zonder een woord, openden de gendarmen de ijzeren deur en na de deur het hek met ijzeren staven. Zij deden den gevangene de boeien af.
´Ledig uw zakken,ª beval de brigadier.
Cloet, gebogen en als het ware verkleind, haalde een luikermes**, een tabakzak en negen enkele centen te voorschijn. De brigadier nam deze voorwerpen in zijn bezit en overtastte dan nog zelf de zakken van den moordenaar, die hij omkeerde. Toen wendde hij zich om. Het ijzeren hek werd weÍr gesloten, de ijzeren deur gegrendeld en in het somber hok, achter de dikke, zwarte staven, bleef Cloet als een wild beest alleen. Buiten, achter de hooge, zware ingangpoort, weÍrklonk** opnieuw het woest, opstandelijk gejoel van 't toegestroomde volk.
* * * * *
Ditmaal, en hoewel Rosse Tjeef niet doodelijk gewond was, werd Cloet tot vijf jaren gevangzitting veroordeeld; en toen hij, na dit tijdsverloop, evenals de jongste maal, op een kouden winteravond in zijn huis terug kwam**, vond hij, naast zijne vrouw en kinderen, een onbekend, vijfjarig knaapje aan de avondtafel zitten: het kind dat zij, vier maanden na zijne misdaad, op de wereld had gebracht.
Hij vroeg niet wie dat knaapje was en viel nu ook niet woedend, als een dier, op zijne vrouw. Hij gaf geen antwoord op de schuwe welkomgroeten van zijn huisgezin, hij zag zelfs niemand aan, maar na zijn pakje op het schouwboord en zijnen gaanstok in den hoek, achter het schutsel geplaatst te hebben, nam hij de papteil van de tafel, ging er meË** vÛÛr den haard zitten, plaatste ze daar op zijne knieÎn** en begon, uitgehongerd, te eten. Hij was vergrijsd, verouderd. De vrouw en de kinderen, roerloos en bleek, keken tersluips**, in de flauwe schemering van 't lampje, naar zijn breeden rug en zijne dikke schouders; en in het doodstil, met schrik bevangene keukentje, hoorde men enkel nog het regelmatig slokken zijner lippen en het geborrel der druppeltjes pap, die na elken schep, in de papteil terugvielen. Toen hij geÎten** had stond hij gebogen recht en trok, steeds sprakeloos, in 't nachtvertrek. Toen zijne vrouw, bevend, hem na een half uur daar vervoegde om, zooals eertijds, zijne rustplaats te deelen liet hij enkel dit ruw, met kalme vastberadenheid gÎuite** woord hooren:
´Hieruit, nondedzju!ª
En aldus, van stonden af, richtte hij opnieuw zijn leven in. Hij at, hij sliep, alleen. Nooit stuurde hij iemand van zijn huisgezin het woord toe en gansch den dag, te fier om te gaan schooien of te stelen, wrocht hij met de hardnekkigheid van een wroetdier op zijn land, waaraan hij alleen het bestaan wilde verschuldigd zijn.
Deze onverwachte en zonderlinge handelwijze had aldra op zijne vrouw een diepen indruk gemaakt. Slordig en somtijds aan den drank verslaafd, had zij reeds, in den graad van zedelijke daling, tot welken zij gekomen was, tevens de verzuiming harer plichten en zijn vreeselijke wraak vergeten; en, alhoewel ze zich stellig, bij zijne terugkomst, aan nieuwe mishandelingen verwachtte, toch dacht ze, dat men, door elkaar goed te verstaan, nog in vrede zou kunnen leven. Cloet's kalme, maar onoverwinbare hardnekkigheid had aldra deze hoop verijdeld, en zulke toestand, onheilspellender voor haar dan de losbarsting zijner woede, deed haar in eenen staat van bestendige onrust verkeeren. Beurtelings, maar te vergeefs**, had zij alle mogelijke middels van verzoening aangewend. Noch het door de kinderen ergens geschooide vleesch bij het dagelijks zoo mager eten; noch de liters bier en genever des avonds; noch de steeds welgevulde takakspot, niets had den ouden vechter uit zijnen staat van sombere teruggetrokkenheid kunnen doen komen. Vrouw Cloet begreep ten slotte dat alles vruchteloos zou blijven en toen, van lieverlede, keerde haar schrik, in haat veranderd, zich tot de aanhoudende oorzaak der oneenigheid, tot het schuldelooze kind der zonde, dat ze reeds niet lijden kon, tot het arme Julken om.
Zulks begon voor goed** op eenen avond. Vrouw Cloet en hare kleinen nutt'en** 't avondmaal rondom de tafel; Cloet, eenzaam en afgetrokken, zat, als naar gewoonte, in den hoek van den haard. Sinds eenige stonden bekeek vrouw Cloet haar jongste kind met barsch gelaat. Hare wangen boven de kaaksbeenderen blonken, eene zonderlinge vlam schitterde in hare stijve oogen; zij was dronken. En eensklaps, losbarstend, sloeg zij hevig met de vuist op de tafel. ´Wilt ge verdome** ophouden van zoo in de teil te zeeveren,ª riep ze den kleine dringend toe.
Verschrikt wipten de kinderen allen op en staakten zij het eten. Niemand had iets misdaan en de onthutste verwondering van 't jongste knaapje was zÛÛ groot, dat het onschuldig naar de anderen keek om te zien wie er bekeven werd. Cloet, in zijnen hoek, had nauwelijks eens opgekeken en was herbegonnen te eten; doch die blik was aan zijne vrouw niet ontsnapt en, als in een weÍrlicht, had zij er eene zwijgende goedkeuring in gelezen. Er heerschte een oogenblik volkomene en bevangene stilte.
´Kom alhier, sakerdzju,ª riep zij eensklaps tot den kleine.
Julken, als versteend, bleef zitten. De anderen, gapend, keken. En in het nog verstilde keukentje hoorde men niets meer dan het luider geworden tiktak der horloge en het slokken van Cloet's lippen in den houten lepel.
´Wilt ge verdome komen!ª herhaalde zij huilend en half opstaande.
Eene beweging op zijn stoeltje, 't geluid van kleine klompjes op den vloer en 't kwam, het stond vÛÛr haar.
´Neem, Goddome!ª
En zonder reden, ditmaal, zonder zelfs geveinsde reden, sloeg zij hem hare hand volop in 't aangezichtje.