De Belgische omwenteling

Part 9

Chapter 93,708 wordsPublic domain

Reeds vóór de opstand in Holland uitbrak, was Engeland begonnen het punt der uitbreiding van grondgebied bij de bondgenooten in te leiden. Het eerste wat het te kennen gaf was, dat Antwerpen bij Holland moest worden gevoegd met zooveel gebied als noodig was om aan dit land een goed verdedigbare grens te geven[49]. Van aanhechting van België in zijn geheel werd niet gesproken. De gedachte die dezen voorslag had ingegeven, was, dat in ieder geval het „pistool”, dat Napoleon in Antwerpen „op Engelands borst” hield gericht, ontladen moest worden, ook al bleek het niet mogelijk, Frankrijk geheel tot de grenzen van 1792 terug te brengen. Het was niet uitgesloten, dat men in de eischen ten behoeve van Holland verder zou gaan, als heel België vrij kwam, en Oostenrijk er geen aartshertog in plaatsen wilde. De Prins van Oranje wees reeds op het belang Luxemburg en Gulik voor de verdediging der Nederlanden, en wilde dat de uitbreiding gansch België en al het land tusschen Maas, Rijn en Moezel zou omvatten[50]. Dit stemde Lord Castlereagh niet toe, maar hij was toch zeer gunstig gezind. „De nieuwe grens van Holland moet minstens Mechelen insluiten”, heet het kort na den Haagschen opstand, „vervolgens Maastricht en Gulik, en dan Keulen of ten minste Dusseldorp; wellicht moet ook Luxemburg er bij”[51]. Nauwelijks Souverein Vorst geworden, vroeg de Prins reeds of hij door zijn zendelingen België mocht bewerken[52]. De Engelsche regeering ontraadde dit: in ieder geval moesten eerst de bondgenooten worden gehoord. Hiertoe vertrok Lord Castlereagh in de laatste dagen van 1813 naar het vasteland. Den 26{sten} December had de ministerraad plaats, waarin zijn instructie werd vastgesteld. Men bepaalde, dat Castlereagh voor Holland een barrière zou vragen, die voor het minst zou omvatten Antwerpen, Maastricht en Gulik, met een „behoorlijke” uitbreiding van grondgebied buiten de grenzen van 1792; dat men de Kaap zou houden, maar „daarvoor” Holland geld bieden om zijn barrière te versterken; dat men zou onderzoeken of Oostenrijk oogmerken had op de rest van België voor aartshertog Karel; dat de Souvereine Vorst vooralsnog zijn handen van België af moest houden[53]. Castlereagh nam zijn weg over den Haag, waar de Prins hem met een herhaling van zijn vroegere aanspraken opwachtte[54]. Er kwamen uit België, meende de Prins, reeds gunstige stemmen[55]. Zelfs waren twee Gentenaars, de „propriétaire” Huyttens en de katoenspinner Bauwens, in den Haag geweest om zich hem aan te bieden. Hij moest vooral de koopers van geestelijk goed in hun bezit handhaven, hadden zij gezegd, de nijverheid beschermen en de uiterste clericale factie zoowel als de verklaarde Franschgezinden mijden[56].

[49] „Memorandum respecting Holland, submitted to the Powers”, einde October 1813 (F. O.), in Fransche vertaling bij van Dijk, Répertoire des traités conclus par la Hollande, bl. 66.—Met F. O., A. E., v. M. duid ik afschriften aan in het bezit der Commissie van Advies voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën, genomen naar bescheiden uit de archieven van het Foreign Office te Londen, van het departement der Affaires Etrangères te Parijs, en uit de nalatenschap van van Maanen (Rijksarchief, den Haag). Al de dus aangehaalde stukken worden gedrukt in het vervolg mijner meervermelde uitgave.

[50] De Prins van Oranje aan Castlereagh, 9 Nov. 1813 (F. O.).

[51] Castlereagh aan Clancarty, 30 Nov. 1813 (F. O.).

[52] Clancarty aan Castlereagh, 17 Dec. 1813 („whether I saw any objection to the employment of emissaries on the part of the Dutch Government at Antwerp particularly, and in other parts of the Austrian Netherlands, for the purpose of inducing the inhabitants to declare for the Government of H. R. H. the Prince of Orange”).

[53] „The Prince of Orange to be discouraged from any attempt to extend Holland on the side of the Netherlands beyond its ancient limits, without the express consent of the Allies” (Memorandum of Cabinet, 26 Dec. 1813; F. O.).

[54] „La réunion de la rive gauche du Rhin jusques à la Moselle, ainsi que celle des Pays-Bas, y compris Luxembourg, peut seule donner aux Provinces-Unies, considérées comme le boulevard de l'Europe contre la France, la consistance nécessaire” (Haagsch memorandum van 26 Dec. 1813; F. O.).

[55] „Que l'on promulgue que la religion catholique s'exercera comme du tems de Marie Thérèse, que jamais ils ne relèveront en fait de religion que du Saint-Père, que l'on abolisse la conscription et la gabelle, et tout ce bon et brave peuple ne demandera que de partager le bonheur d'être gouverné par un Prince d'Orange” (memorandum van J. C. Amman van Schwanberg, Dec. 1813; copie in F. O.).—Schrijver was een artillerie-officier, in het land gekomen in 1789 tijdens de Brabantsche omwenteling en daar blijven hangen. Hij werd in Maart 1814 door de geallieerden aan het hoofd van de artillerie van het toen opgericht Belgisch leger gesteld (zie Coremans in Compte-rendu Comm. Royale, 1847, bl. 155).

[56] Hogendorp, Br. en Ged. V, 53, 208; het antwoord van den Prins aldaar, 480.—Vgl. ook Fauchille, Une chouannerie flamande, 1813–1814 (Paris 1905), bl. 122 vv. Huyttens was ondernemer der stadsverlichting te Gent.

Toen Castlereagh bij de bondgenooten te Bazel kwam, bleek het onmiddellijk dat Oostenrijk aan Venetië boven België de voorkeur gaf, en ook geen aanspraken maakte ten behoeve van aartshertog Karel[57], maar dat Pruisen het land tusschen Maas, Rijn en Moezel voor zich verlangde. Een eisch waartegen Engeland in hoofdzaak geen bezwaar had[58], immers nu Oostenrijk zich van de Fransche grens terugtrok, wilde men gaarne de andere groote Duitsche macht tot aan die grens uitbreiden. Liefst zou nu Engeland aan Pruisen beide Luxemburg en Mainz bezorgen, mits het lager af op den linker Rijnoever eenig gebied aan Holland liet, welks nieuwe grens dan zou kunnen samenvallen met de grens van België tegen Frankrijk van 1792 van de zee tot de Maas, en voorts zou insluiten de steden Namen, Luik, Maastricht, Gulik en Keulen. Den 27{sten} Januari vroeg Castlereagh, of de Souvereine Vorst vast van dit gebied, voor zoover het bewesten de Maas viel, de voorloopige administratie hebben mocht. Oostenrijk maakte geen bezwaar; Pruisen echter wilde vooralsnog aan den Souvereinen Vorst slechts de administratie der departementen van de Leie, van de Schelde en van de beide Nethen overlaten (de tegenwoordige provinciën West- en Oost-Vlaanderen en Antwerpen)[59]. Tegen toekomstige uitbreiding van zijn gebied tot de Maas evenwel werd ook van die zijde geen bezwaar gemaakt. Castlereagh gaf thans verlof, dat de Souvereine Vorst aanving, België „op een bedaarde manier” in zijn voordeel te bewerken[60].

[57] Castlereagh aan Clancarty, 22 Jan. 1814 (F. O.).

[58] „I doubt much the policy of making Holland a power of the first order, to which she would approach if she possessed the whole of these territories” (Castlereagh aan Liverpool, 22 Jan. 1814; F. O.).

[59] Stein aan Castlereagh, 27 Jan. 1814 (F. O.).

[60] „With respect to political connection, altho' no adjudication of new territory can take place till a peace, I see no reason why the Prince of Orange should not by emissaries or other means quietly encourage the people of the Low Countries to look to him as their future Sovereign. As far as the Meuse I think he is quite safe” (Castlereagh aan Clancarty, 1 Febr. 1814; F. O.).

Hij was er sinds lang mee bezig. Een zijner jonge diplomaten, van Zuylen van Nyevelt, reisde in het gevolg der troepen van von Bülow en van den hertog van Saksen-Weimar het land rond, en trachtte overal betrekkingen aan te knoopen. Hij verspreidde vliegende blaadjes, op dubbele kolom in het Vlaamsch en in het Fransch gedrukt, waarbij het volk tot den opstand werd aangespoord om zich vervolgens met het Noorden te kunnen vereenigen[61]. Een sedert eenige jaren te Brussel wonend Hollander, graaf van Bylandt, schreef brochure op brochure van dezelfde strekking[62]. Toen Bülow en de hertog van Saksen-Weimar den 8{sten} Februari Brussel binnentrokken, was behalve de hertog van Clarence ook prins Frederik, de tweede zoon van den Souvereinen Vorst, aan hun zijde[63]. De stad onthaalde de bevrijders op een schouwburgvoorstelling; halverwege den avond vertrokken Bülow en de hertog van Weimar; de hertog van Clarence liet „God save the King” spelen; applaus. Maar de hertog was achter in zijn loge teruggedoken, en liet prins Frederik de ovatie in ontvangst nemen. Het publiek had het niet zoo bedoeld[64]. De Engelsche gezant in den Haag, Lord Clancarty, nog onder den indruk van het vroegere gebod, dat de Souvereine Vorst in België nog niets zou ondernemen, maakte zich ernstig boos. Toen hij vernam dat van Zuylen bezig was een Belgische deputatie bijeen te trommelen, die den Souvereinen Vorst haar opwachting zou gaan maken in den Haag, eischte (en verkreeg) hij de terugroeping van dezen agent, en gaf, in tegenwoordigheid van den Souvereinen Vorst, aan van Zuylen's chef, van Hogendorp, harde woorden[65].

[61] „Que le seizième siècle instruise le dix-neuvième.... Que sous Guillaume VI il nous soit réservé de réaliser les vastes projets du premier Guillaume. Surtout ne laissons pas à des négociations de paix, toujours incertaines, le soin de fixer notre sort. S'il est vrai ce que nos politiques de Bruxelles assurent que l' _uti possidetis_ en sera la base, dépossédons l'usurpateur de son illégitime possession, et nous aurons une patrie” (Lettre interceptée d'un seigneur de Bruxelles à un de ses amis à Gand, 7 janvier 1814; een van van Zuylen's blaadjes, gevoegd bij Clancarty aan Castlereagh, 5 Febr. 1814; F. O.).

[62] Hogendorp V, 54; overzicht van den inhoud bij Hymans, Hist. de la Belgique I, 53, 71.

[63] Coremans (bl. 133) en Hymans (bl. 44) meenen verkeerdelijk dat het de oudste zoon, de latere Prins van Oranje, was.

[64] „Les bons Bruxellois croyaient fêter l'Angleterre, et ne pensaient nullement complimenter le jeune prince d'Orange. Cette scène a fait une fâcheuse sensation” (brief uit Brussel aan Nesselrode, 8 Febr. 1814; afschrift in F. O.). Vgl. Hogendorp V, 56.

[65] Clancarty aan Castlereagh, 9 Febr. 1814 (F. O.); vgl. Hogendorp V, 54.—„The Prince of Orange has been playing the very devil in attempting to agitate the public mind in the Austrian Low Countries to tender the sovereignty of those provinces to him; in some parts among the very lowest rabble he has succeeded, but as these efforts have been directly against the opinions of the better and more respectable inhabitants, who are equally hostile to French rule, but who wish for the return of their old Government, or in default of this to be disposed of by the Allies with the consent of the Emperor who they think will consult their interests, these movements have had little effect, and indeed except in the immediate neighbourhood of General Bülow's force have scarcely appeared at all” (Clancarty aan Hamilton, 9 Febr. 1814; F. O.).—Vgl. Fauchille, bl. 180.

Intusschen kon van een voorloopig gouvernement van den Souvereinen Vorst in België, uit te oefenen op naam der geallieerden, voor het oogenblik geen sprake meer zijn: onmiddellijk toen Bülow en de hertog van Weimar te Brussel kwamen, hadden dezen er reeds een voorloopig bestuur ingericht[66], waarbij eerlang twee Pruisische commissarissen optraden, von Lottum en Delius. Van den Souvereinen Vorst werd bij dit alles met geen woord gesproken. Dit was voor dezen te bedenkelijker, daar Bülow en de hertog van Weimar de Belgen toeriepen, dat hun onafhankelijkheid niet twijfelachtig meer was[67]. De Belgen konden hieronder kwalijk iets anders verstaan, dan dat de toestand van vóór 1795 zou terugkeeren, hetgeen niet in de bedoeling van de stellers der proclamatie lag, die aan onafhankelijkheid ten opzichte van Frankrijk hadden gedacht. Van vereeniging met Holland hadden zij ook kwalijk kunnen spreken: de bondgenooten hadden zich nog slechts bij voorloopige toezegging, niet bij uitdrukkelijke acte tot goedkeuring van Engelands plan verbonden. Rusland had ook de voorloopige toezegging nog niet gegeven. Het treuzelde opzettelijk in deze zaak, met het oogmerk zich voor zijn toestemming te doen betalen.

[66] Coremans, bl. 135.

[67] „Qu'elle renaisse cette Belgique jadis si florissante....; l'indépendance n'en est plus douteuse” (proclamatie van 4 Februari; Coremans bl. 133).

Den 15{den} Februari waren de onderhandelingen van Castlereagh met de bondgenooten, die over tal van zaken liepen, waaronder die van België er maar één was, zóóver gevorderd, dat hij hun eenige artikelen ter teekening kon voorleggen. Die welke het Hollandsch-Belgische vraagstuk betroffen, luidden als volgt: België tot de Maas, benevens het land tusschen Maas en Rijn benoorden een lijn Maastricht–Duren–Keulen, worden afgestaan aan den Prins van Oranje als Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden om voor altijd een integreerend deel van dien staat uit te maken[68]; over de andere helft van het land tusschen Maas, Rijn en Moezel zal, zoo het niet in zijn geheel of ten deele bij Holland wordt ingelijfd, beschikt worden in het belang van de veiligheid van dien staat en van Noordduitschland, en niet zonder goedvinden van Zijne Britsche Majesteit.—Oostenrijk teekende onmiddellijk; Pruisen met een voorbehoud: het wilde, zoo het zelf tusschen Maas en Moezel geplaatst werd, niet al het land benoorden de lijn Keulen-Maastricht aan Holland laten, opdat de nieuwe Pruisische provincie niet afgesloten zou komen te liggen van de Pruisische bezittingen rechts van den Beneden-Rijn. Rusland teekende niets, en kwam met den eisch, dat in ruil voor zijn toestemming, Holland een schuld van tachtig millioen gulden, door Rusland te Amsterdam aangegaan, zou overnemen[69]. Deze zaak gaf tot een langdurige onderhandeling tusschen Engeland en Rusland aanleiding, die hiermede eindigde, dat Engeland op zich nam Holland tot overneming van de helft eener tot zes millioen pond teruggebrachte som te bewegen, en dat het zelf de andere helft zou voldoen.

[68] „To be annexed for ever to Holland as an integral part thereof.”

[69] Castlereagh aan Clancarty, 20 Febr. 1814 (F. O.).

Was dus Rusland met geld tevreden te stellen, moeilijker was het, tusschen de aanspraken van Pruisen en die van den Souvereinen Vorst te bemiddelen. Wat Pruisen met zijn voorbehoud bedoelde, zette Hardenberg weldra in een uitvoerig stuk uiteen. Hij vroeg vooreerst de oude Pruisische bezittingen op den linker-Rijnoever terug, en wilde den ganschen Rijn van Mainz tot Emmerik tot een Pruisischen stroom maken, waarvan beide oevers tot denzelfden staat zouden behooren. Hiertoe was noodig dat de verschillende takken van het Nassausche huis (waarvan Nassau-Oranje er een was), hun bezittingen aan Pruisen afstonden. Nassau-Usingen en Nassau-Weilburg zouden dan worden schadeloos gesteld op den linker Rijnoever, tusschen Aken en Spa. Nassau-Oranje vond zijn schadeloosstelling in de vergrooting van Holland. Aan dit land zouden volgens het Pruisische plan op den rechter Maasoever slechts kleine halvemanen komen tegenover de vestingen Venlo, Roermond, Maastricht en Luik, voorts Gulik met een rayon, en Luxemburg. Om deze laatste vesting aan Holland te brengen zou de grens bij Val St. Lambert de Maas verlaten en dan den weg volgen over Marche en Famine, Bastogne, Martelange en Arlon naar Luxemburg; daarentegen zouden eenige kantons van Henegouwen en Namen aan Frankrijk worden afgestaan, dat geen behoorlijke verbinding had tusschen Givet, Philippeville, Maubeuge en Valenciennes[70]. Terwijl dus Pruisen niet in eerste linie tegen Frankrijk wilde staan, begeerde het beide Rijnoevers tot de oude grens van Nederland toe, en daaronder ook het Nassausche gebied van den Souvereinen Vorst, dat deze wel gaarne had geruild, maar dan tegen een land lager aan den rechter Rijnoever, en tegenover de (gehoopte) nieuwe grens van Holland gelegen: het hertogdom Berg[71].

[70] „Plan pour l'arrangement futur de l'Europe”, 28 April 1814 (F. O.).

[71] Heinrich von Gagern, Das Leben des Generals Friedrich von Gagern, I, 137.

Nog in een ander opzicht liep het den Souvereinen Vorst tegen. Het voorloopig gouvernement, dat de Pruisen te Brussel hadden opgericht, werd door een ander vervangen, maar niet door het zijne. In het hoofdkwartier te Chaumont was een deputatie van Belgische aanzienlijken verschenen (de hertog van Beaufort, de markiezen van Assche en du Chasteler, en de gewezen pensionaris van Brabant, de Jonghe), om van de bondgenooten te vernemen wat het lot van hun land zou zijn[72]. Zij hielden bij Keizer Frans aan, dat deze België onder zijn hoede nemen zou; was het herstel van het Oostenrijksch bestuur zelf onmogelijk, dan hoopten zij een afzonderlijke mogendheid te mogen worden onder een Oostenrijkschen prins. De Keizer nam alle hoop weg dat hijzelf weder hun vorst worden kon, maar het andere verzoek sloeg hij aanvankelijk niet onvoorwaardelijk af. De overige bondgenooten evenwel waren er eenstemmig tegen, en men gaf dus aan de deputatie mondeling te verstaan, dat de toekomstige vereeniging met het Noorden een uitgemaakte zaak was[73]. Om de Belgen echter zooveel mogelijk genoegen te geven werd het Pruisisch voorloopig bestuur door een Oostenrijksch vervangen; tevens gaf men hun schriftelijk, doch in zeer rekbare uitdrukkingen, de verzekering dat door de bondgenooten op de belangen van België zou worden gelet, in het bizonder wat betreft godsdienst, handel, overneming van schulden, en vertegenwoordiging[74]. De nieuwe commissaris der bondgenooten was een Oostenrijksch generaal, baron Vincent, Belg van geboorte. Hem werd opgedragen de bevolking zoo geleidelijk mogelijk op de vereeniging met Holland voor te bereiden[75].

[72] Zij waren afgevaardigd door de vergadering van 24 notabelen, die de hertog van Saksen-Weimar den 12den Februari te Brussel had bijeengeroepen (Coremans, bl. 135).

[73] Castlereagh aan Clancarty, 14 Maart 1814 (F. O.).

[74] „Les souverains alliés auront à cœur de maintenir la religion du peuple, de protéger son commerce contre toute entrave contraire à la raison et à la nature de sa position, et d'empêcher qu'on ne le charge de dettes dont en justice il ne saurait être grevé. Ils employeront leur haute influence et autorité pour procurer au peuple belgique une existence politique propre à lui assurer les avantages d'un système de gouvernement sage et libéral, jointe à une étendue de pouvoir et de ressources qui lui permette de jouir avec sécurité de la liberté et de l'indépendance qu'il est décidé à conquérir” (Note verbale adressée aux députés belges, 14 Maart 1814; F. O.).

[75] Metternich aan Vincent, 1 Mei 1814 (F. O.).

Een gevoel van onbehagen en onzekerheid maakte zich van de Belgen meester. Wat hun het liefst ware geweest, onafhankelijkheid onder een Oostenrijksch prins, werd hun ontzegd. Buiten hen om was tot de vereeniging met het Noorden besloten; met een kettersche macht, klaagden de clericalen; met een door en door burgerlijke maatschappij, de groote heeren; met lieden die drie modes ten achter zijn, de Franskiljons. Wie nog het meest met de vereeniging op hadden, waren de gezeten liberale burgers, fabrikanten, „acquéreurs de biens nationaux”, zooals de heeren Huyttens en Bauwens. Maar hun nijverheid verloor het groote Fransche afzetgebied, en wist niet wat zij er voor terug zou krijgen. De bondgenooten hadden de afgezanten met vage beloften afgescheept: over de hoogste belangen van het land zou worden beslist, zonder dat één Belg stem in het kapittel had. Onderwijl werd de weinig militaire natie tegelijk tot het oprichten van een eigen leger, en tot het onderhouden van talrijke vreemde troepen genoodzaakt. Het klagen over de afpersingen van vreemde troepen was den Belgen een tweede natuur geworden; zij bereikten er een ongeëvenaarde virtuositeit in. De historie had hun maar al te veel gelegenheid gegeven, deze gave bij zich te ontwikkelen. Hadden wij dan toch eindelijk een souverein, weeklaagt de raad van het departement van de Dijle, om ons armen te beschermen![76] En onderwijl drongen de meest verontrustende geruchten door omtrent de aanstaande verdeeling van bij elkander behoorende landen. Bleef men er bij, de Maas tot grens aan te nemen, dan werden oud-Namen en oud-Luik in tweeën gereten, waardoor tal van belangen werden geschaad[77].

[76] „Qu'il il nous soit enfin permis de nous jeter aux pieds du Souverain que la Providence et Vos Majestés doivent nous donner, en le conjurant de sauver son peuple prêt à périr!” (Le Conseil général du département de la Dyle aux Souverains alliés, 27 April 1815; F. O.).

[77] Verschillende adressen uit de Maasstreek (F. O.).

De ingenomenheid was in het Noorden weinig grooter. De zaak werd daar in diep geheim behandeld, zelfs voor de leden der commissie aan welke de Souvereine Vorst het ontwerpen eener grondwet voor de Vereenigde Nederlanden had opgedragen. Zij lekte niettemin uit, en ten slotte gaf Hogendorp er de grondwetcommissie in algemeene termen kennis van. Bij een van haar leden, Röell, Amsterdammer in zijn hart, kwam toen zoo groote weerzin tegen het denkbeeld op, dat hij beproefde er Hogendorp en den Souvereinen Vorst van af te brengen, althans van een vereeniging onder één huishouding. Hij kreeg ten antwoord, „dat het doel der vereeniging, kracht en sterkte voor den nieuwen staat, niet kon worden bereikt dan door éénheid”[78]. Bij het vaststellen van enkele artikelen der grondwet is het waarschijnlijk vooral de gedachte aan de toekomstige vereeniging geweest, die de stem der leden bepaald heeft; zoo b.v. bij het artikel dat in den vorst de belijdenis van den hervormden godsdienst eischte; een bepaling die den Souvereinen Vorst persoonlijk niet aangenaam was, maar die hij staan liet op dringende waarschuwing, dat anders een aantal notabelen alleen hierom tegen de grondwet zouden stemmen[79].

[78] Briefwisseling tusschen Röell en van Maanen (v. M.).

[79] Hogendorp V, 87.—„Wanneer wij Brabandsche provinciën tot territoir krijgen, zullen wij gereformeerden het onderspit delven” (van Lynden van Blitterswijk in de commissie; bij van Maanen, Aanteekeningen bl. 86).

Intusschen hadden de bondgenooten Napoleon overwonnen, en konden zij den vrede voorschrijven te Parijs. Het gansche geheel der nieuwe regelingen, die de val van het Keizerrijk noodzakelijk maakte, kon daar natuurlijk nog niet worden getroffen; veel moest worden overgelaten aan een Europeesch congres. Het vredestractaat, van 30 Mei, bepaalde ten aanzien van de Hollandsch-Belgische zaken niet meer, dan dat Holland zou worden vergroot met België tot de Maas; dat zijn grens op den rechter Maasoever zou worden geregeld, „naar vereisch eener goede verdediging van Holland en van zijn naburen”; dat de landen op den linker Rijnoever, die sedert 1792 bij Frankrijk waren ingelijfd, zouden toevallen aan Holland, aan Pruisen en aan andere Duitsche staten. De kwestie tusschen Holland en Pruisen bleef dus, tot groote ergernis van den Souvereinen Vorst, geheel open, en het tractaat zeide niet, dat men de provinciën Luxemburg, Namen en Luik ongedeeld zou laten. België kon alleen met het tractaat tevreden zijn, in zooverre de onzekerheid omtrent 's lands toekomst verminderd was, en dit was weinig. Men wist nu dat men onder den Oranjevorst kwam, maar van de voorwaarden ter verzekering van de Belgische belangen, aan de deputatie te Chaumont beloofd, was in het tractaat niets te vinden.