Part 8
Het is in 1790 echter niet daartoe gekomen. Den 20{sten} Februari was Jozef II gestorven, en zijn opvolger koos de partij van zich met het drievoudig verbond over België te verstaan. Hij offerde Jozefs hervormingen op en verleende een amnestie, en de drie mogendheden hielpen hem België te herwinnen. Er was geen wapengeweld voor noodig: de Statenpartij verwierf wat zij bovenal verlangde en wat zij van Frankrijk niet hopen mocht: haar behoud.
De geschiedenis van 1789 en 1790 is bij uitstek leerzaam. Zij toont aan dat, aan den vooravond van den Franschen inval die aan het bestaan van het oude België en van het oude Nederland een einde zou maken, van geneigdheid tot hartelijke toenadering bij geen van beide een spoor te ontdekken was. Niet de beide volken, maar de beide regeeringen naderden elkander voor een oogenblik, enkel uit zucht tot zelfbehoud, maar geen van beide was daarbij oprecht. De Belgen beloofden ons zaken die zij aan zichzelven verplicht waren niet te houden; wij lieten ons met hen in omdat men hen niet in de armen van Frankrijk mocht drijven, maar hadden oneindig liever dat het land onder de gehoorzaamheid aan een Keizer terugkeerde die onze voorrechten ontzag, dan dat het onafhankelijk bleef. Twee jaar echter nadat wij ons recht der Scheldesluiting zoo fraai uit de klem meenden te hebben geholpen, werd het door de Fransche Conventie voor altijd verbeurd verklaard. Tegelijkertijd vielen de welgedane magisters en prelaten, die zich in 1790 zoo over de ketterijen der Vonckisten hadden ontsteld, aan de duizendmaal erger Carmagnolen ten prooi.
* * * * *
Een punt, dat wij nog te nauwernood aanroerden, was de houding van het Oranjehuis ten opzichte der Belgische zaken. De Prinses van Oranje gevoelde zich door het aanbod van een stadhouderschap aan haar zoon gevleid, maar het is laster, dat zij ter bevordering van zulk een plan in België op alle mogelijke wijze zou hebben geintrigueerd. Haar welbewaard persoonlijk archief lijdt op dit punt het strengste onderzoek; wat de Bataafsche uitgewekenen daaromtrent destijds in honderd couranten en pamfletten hebben beweerd, en wat daaruit in tal van jongere geschriften is overgenomen, is product geweest van hun door vrees verbijsterde verbeelding[36]. In dezelfde maand waarin van de Spiegel zijn „Generaale Gronden” op het papier bracht, heeft ook de Prinses haar Belgisch program opgemaakt. Het komt met de denkbeelden van van de Spiegel nagenoeg geheel overeen, alleen verheft zij haar gemaal tot kapitein-generaal van het Belgische leger ook in vredestijd, waarbij zij de opmerking voegt, dat, waren beiden niet zoo jong, een van haar zoons gevoeglijk onder den Prins dat leger zou kunnen commandeeren[37]. Zij was dus van het denkbeeld, een van haar zoons een toekomst in België bereid te zien, niet afkeerig, maar heeft voortdurend haar wensch aan het inzicht van van de Spiegel ondergeschikt laten blijven, en zelf geen stappen tot de uitvoering van zulk een plan gedaan of laten doen, hoewel men haar hiertoe te Berlijn, waar zij in den zomer van 1789 verbleef en waar toen de verloving van den Erfprins met de dochter van Frederik Willem II beklonken werd, ongetwijfeld sterk aangemoedigd heeft. Hertzberg wenschte op dat oogenblik niets liever, dan dat het huis van Oranje zich zoo diep mogelijk in de Belgische zaken stak. Op den zeventienjarigen, eerzuchtigen Erfprins heeft dit alles ongetwijfeld een diepen indruk gemaakt. Lang voor 1814, in 1795 en 1799 reeds, heeft hij de Belgische zaken in verband gebracht met de vooruitzichten van zijn persoon en zijn huis[38]. Zoo dikwijls er sprake is van een bevrijding der Vereenigde Nederlanden en van een herstel van de stadhouderlijke familie aldaar, tracht hij betrekkingen aan te knoopen met Belgische ontevredenen; hij wil bewerken dat het Zuiden tegelijk met het Noorden opstaan, en tegelijk met het Noorden zich onder het huis van Oranje zal begeven. Eerst veel later is dit denkbeeld door Engeland overgenomen, dat hem in 1799 te dezen opzichte zelfs zeer duidelijk gedwarsboomd heeft. De Engelsche staatkunde was toen, gelijk zij het in 1789 geweest was, van de proefneming met een Oranje in België nog zeer beslist afkeerig.
[36] Ik meen dit te hebben aangetoond in de inleiding van het eerste deel mijner meervermelde Gedenkstukken, p. XLII vv.
[37] Gedenkstukken I, p. XLV. Voor „wel” leze men daar: „wil”.
[38] Zie voor 1795 het eerlang verschijnende tweede deel mijner Gedenkstukken; voor 1799 Piot in Compte-rendu Comm. Royale, 1877.
Het is merkwaardig, hoe, nadat het denkbeeld eener vereeniging eenmaal in 1789 en '90 in openbaren druk was uitgesproken, het telkens weder ergens voor den dag komt, dan hier, dan daar. De conservatieven van beide landen waren er over begonnen; de democraten werden op hunne beurt een oogenblik door het verleidelijk denkbeeld meegesleept. Onder de uitgewekenen van beide volken in Frankrijk is meermalen uitgesproken, dat men zich vereenigen moest om tegelijk de vrijheid van de Oostenrijksche en van de Vereenigde Nederlanden (en daarbij van Luik) te bevechten, en dat dan de vestiging eener groot-Nederlandsche republiek zou zijn aangewezen[39]. Het was zeer natuurlijk dat zulk een denkbeeld in dezen tijd opkwam. Men had elkander noodig tegen gelijksoortige vijanden: den Keizer en de Staten in België, den Prins en de Staten in Holland. De opwinding voor vrijheid en menschenrechten kon ook licht de groote belangen doen vergeten, welke Noord en Zuid tot dusver gescheiden hadden gehouden: die van godsdienst en handel. Een afvallig katholiek en een afvallig calvinist konden een even braaf sansculot worden, en wat maakte verschil van rijkdom uit, waar de broederschap heerschen zou? De schepping van een dergelijke groot-Nederlandsche republiek was zelfs min of meer een stokpaard van sommige redenaars der Gironde; zij scheen de natuurlijke toepassing van het axioma, dat Frankrijk door een kring van vrije republieken moest worden omringd. „Hors des limites de son empire”, zeide een rapport van Lasource, „la République française ne veut avoir d'autre domaine que la reconnaissance des peuples”[40]. Zoo luidde de theorie, maar de practijk was het decreet van 15 December 1792, vrijbrief tot een systeem van roof en brandschatting, dat de Belgen tot wanhoop dreef. Er was geen sprake van dat Frankrijk, als het van het woord tot de daad moest overgaan, de oprichting eener groot-Nederlandsche republiek een oogenblik zou kunnen gedoogen. Curieus is het, in het verslag van een onderhoud van een Noordnederlandsch uitgewekene met den Franschen minister Lebrun, in October 1792 gehouden, te lezen hoe het de Franschman is, die de vereeniging aanprijst, en de Hollander, die ten antwoord geeft: „wij weten immers veel te goed dat Frankrijk het nooit toelaten zal”[41]. Als dan ook in het begin van 1795 door de Bataafsche gezanten te Parijs een intrigue met een Brusselaar in deze richting wordt opgezet, volgt van de zijde van het Comité de Salut Public een heftige snauw, en worden de gezanten door hun eigen regeering in den Haag oogenblikkelijk gedesavoueerd. Zij waren dan ook hun instructie te buiten gegaan, die hen voorschreef het niet op de verwerving, maar op de verdeeling van België toe te leggen. Er gingen in Frankrijk toen nog enkele stemmen op, om zich met een grensverbetering tevreden te stellen, en niet gansch België in te lijven; de instructie nu, een werk van Pieter Paulus, vraagt voor de Bataafsche Republiek de Vlaamsche kust tot Nieuwpoort, en verder alles wat ten Noorden eener lijn Nieuwpoort–Yperen–Kortrijk–Gent–Dendermonde–Antwerpen–Maastricht–Venlo–Wezel ligt[42]. Die een dergelijken moordaanslag op België beraamt, is zeker niet met „broederschap” voor dat land vervuld. Doch wel verre van over zulk een verdeeling ook maar te spreken, nam Frankrijk, dat heel België voor zich behield, ons ook nog een stuk van ons eigen gebied af, waarvoor het ons een vergoeding toezegde in het Oosten, in Kleefs- en Munsterland, die nimmer is toegewezen.
[39] Gedenkstukken I, p. XXXV, 36, 43, 51–54, 463, 693–'98.
[40] Sorel, l'Europe et la Révolution française, III, 154.
[41] Gedenkstukken I, 43.
[42] Gedenkstukken I, 662.
Ook in België waren de tijden er niet naar, om aan iets anders dan eigen lijfsbehoud te denken, maar, minder gelukkig dan het voorwaar reeds niet fortuinlijke Nederland, zag het zelfs geen mogelijkheid althans den schijn van een zelfstandig bestaan te redden. Het land was, na twee invallen der Fransche legers en der Fransche Conventie-commissarissen, ongeveer tot vertwijfeling gebracht. Het verzocht zelf om bij Frankrijk te worden ingelijfd. „La réunion de la Belgique à la France”, zegt een rapport van den commissaris Haussmann van 27 Februari 1795, „est généralement désirée; ceux mêmes qui n'étaient pas pour le système républicain, sentent que le salut de la Belgique dépend de cette réunion”. De representant Lesage d'Eure-et-Loir kwam er later in de Conventie voor uit, wat deze raadselspreuk beteekende. „Des députés belges m'ont dit”, zeide hij: „Vous nous avez rendus tellement malheureux, l'état d'incertitude, d'anxiété, de peine où vous nous retenez encore est tellement insupportable, que nous aimons encore mieux être à la France que de rester comme nous sommes”[43]. Bij decreet van 1 October 1795 sprak de Conventie de inlijving uit, op een rapport van Merlin de Douai, dat de zwakheid van eene Belgische, en de kracht van eene Belgisch-Hollandsche republiek, gelijkelijk een gevaar voor Frankrijk noemde, en de noodzakelijkheid van Frankrijks uitbreiding tot den Rijn als een staatkundig dogma consacreerde. De revolutie had dus de scheiding van België en Holland opnieuw bevestigd. Doch meer theoretisch dan practisch: in werkelijkheid was Hollands onafhankelijkheid een ietwat verzachte onderwerping, tot in 1810 ook dit verschil in graad werd opgeheven.
[43] Borgnet, Histoire des Belges à la fin du XVIIIe siècle, II, 394.
* * * * *
Men doet zeer verkeerd het voor te stellen, gelijk kort na de restauratie gebruikelijk was, of Holland en België den Franschen invloed zeer onwillig hebben ondergaan, en sedert 1795 slechts gesnakt hebben naar het oogenblik der verlossing. Daartoe beteekende het Fransche régime in te veel opzichten een verbetering. Aan België's nijverheid opende het een enorm afzetgebied, dat gesloten was voor de Engelsche mededinging; aan Holland bracht het de een- en ondeelbaarheid, die het land voor zijn voortbestaan zoo dringend behoefde, en die het niet vermocht had bij zichzelf te ontwikkelen. Allerlei oude instellingen werden opgeruimd, waaronder het meeste inderdaad volkomen versleten was en na 1813 niet weer levend gemaakt is kunnen worden. Napoleon heeft in Holland enkele geestdriftige dienaars gehad, als Verhuell. In 1799, toen de Engelschen en Russen een landing deden, en de Erfprins van Oranje naar den Helder kwam, bleek het dat Holland van een eenvoudigen terugkeer tot het oude hoegenaamd niet weten wilde. In België behield de boerenbeweging tegen de conscriptie en voor de geestelijkheid (in 1798 en '99) een Vendée-karakter; de beschaafden namen er geen deel aan. De gewezen Jozefisten en Vonckisten stemden over het geheel met den geest der Fransche regeering in; de conservatieven gehoorzaamden zonder te luid te durven morren. Maar naarmate Napoleon's bewind ontaardde, groeiden diep in het hart de schaamte en de wrok. Men verlaagde zich tot al de vleierijen die de dwingeland maar verlangde, maar zoodra hij niet meer de sterkste was, wreekte zich de geschonden menschelijke natuur. In België deden de conscriptie, en zijn anti-kerkelijke politiek der latere jaren hem wel het meeste kwaad, in Holland de conscriptie, de tiërceering en het continentaal stelsel.
In 1813 nu kwam uit, hoeveel Holland in zijn geschiedenis der laatste eeuwen op België voor had. Het kon veel gemakkelijker dan België een nationaal middelpunt vinden. Het riep den Prins van Oranje terug. België kon op zijn best Oostenrijk inroepen, maar Oostenrijk wilde niet eenmaal ingeroepen zijn. Oranje daarentegen verlangde niet beter.
Het had hard geboet voor 1787 en 1799. De man, die op den laatsten November 1813 te Scheveningen voet aan wal zette, behoorde met zijn geheele wezen tot een anderen tijd als de in 1795 gevluchte vader. Aanstonds na die vlucht was tusschen Willem V en den Erfprins verschil van meening ontstaan over de tegenover de omwenteling aan te nemen houding. Willem V weigerde alles, zoo het niet op volledig herstel van het oude neerkwam, en hield zich aan Engeland, de eenige macht die mede dit volledig herstel zeide te beoogen. De zoon vestigde zijn hoop op Pruisen, en nam zijn vaste woonplaats te Berlijn. Hij begreep de noodzakelijkheid, een nieuwen staat van zaken te doen rusten op de instemming der gematigden van alle partijen. In 1799 bleek dan ook, dat de patriotten, zoo de Franschen de nederlaag hadden geleden, zich niet zouden onttrokken hebben aan een poging om zich met hem te verstaan. Van een weder aannemen van Willem V was bij niemand van hen sprake. Maar de Franschen overwonnen, en het huis van Oranje moest een heenkomen zoeken in de wereld. Weldra kondigde Engeland aan, dat het voorshands alle pogingen tot restauratie opgaf. Napoleon, die als Consul bij den vrede van Amiens zich tot schadevergoeding voor het stadhouderschap verplicht had, gaf niet meer dan een vrij armzalig brok, dat hij als Keizer in 1806 weder terugnam. Tegelijk werd Pruisen lamgeslagen, de macht waarop de Prins van Oranje[44] bij voorkeur had gebouwd. De toekomst van het Oranjehuis kon slechts in de vernedering van Napoleon, en deze slechts in de overwinning van Engeland liggen; met Engeland moest dus de Prins weder aanknoopen. Hij beproefde het jaar op jaar, maar Engeland gedroeg zich te zijnen opzichte meer dan koel. Het ontving wel 's Prinsen zoon, naar Oxford gezonden om een Engelsche opvoeding te genieten, maar aan den vader scheen men niets te willen vergeven. In den zoon zag men een geschikt kandidaat voor de hand van prinses Charlotte, lang voor omtrent een eventueel herstel van den vader iets was bepaald.
[44] Prins sedert den dood van Willem V, 9 April 1806.
Eerst na Napoleon's nederlaag in Rusland kwam hierin verandering. De Prins van Oranje, begrijpend dat het nu of nooit de tijd was tot een verklaring met het Britsche kabinet te komen, stak in het begin van 1813 zonder verlof gevraagd te hebben naar Engeland over; hij deed het met voorweten en goedvinden van Frederik Willem III en Alexander. Sedert Pruisen was opgestaan en zich met Rusland verbonden had, was een bevrijding van Nederland binnen de grenzen van het mogelijke komen te liggen; Engeland onttrok zich nu ook niet langer aan een bespreking met het natuurlijke hoofd eener nieuwe Nederlandsche regeering, al had het ook zorg gedragen zich tegenover een zoo eigenzinnig en vasthoudend man als men wist dat de Prins was, vooral niet te vroeg te binden. Het stelde hem thans, informeel, de volgende voorwaarden: herstel in een uitgebreider Nederland, dat niet al de overzeesche bezittingen van de oude Republiek zou terug bekomen. De Prins nam, bij een 27 April 1813 gedagteekend stuk, beide voorwaarden aan[45].
[45] „Extension des frontières de la Hollande, soit par une sorte de nouvelle _Barrière_ plus efficace que l'ancienne, soit par la réunion de quelques portions du territoire voisin de l'ancienne République.”—De Prins zal afwachten, „jusqu'à quel point la Grande Bretagne croirait convenable à ses propres intérêts de se dessaisir en faveur de cet état régénéré des colonies hollandaises dont Elle a fait la conquête pendant la guerre” (Minute des principaux points touchés par le Prince d'Orange dans son entretien avec Lord Castlereagh, le 27 avril 1813).—Dit stuk zal door mij worden uitgegeven in het vervolg der meergemelde Gedenkstukken.
Engeland, door 1792 en 1794 geleerd, wilde België in handen zien van een macht, die er voortdurend het hoogste belang bij hebben zou, dit land tegen Frankrijk te verdedigen. Oostenrijk kon die macht niet zijn, Holland wel. Men rekende dat het, met België vereenigd, middelen genoeg had om een krachtige verdediging tegen Frankrijk te voeren; voor zooveel noodig kon Engeland bijdragen in de kosten van vestingbouw op het zuiderfrontier. Daarentegen had Holland geen zeemacht van belang meer, en geen middelen om er een te scheppen. Het was dus niet de macht, aan welke met vertrouwen de verdediging van de Kaap en Ceylon tegen Frankrijk kon worden overgelaten. De Kaap en Ceylon in zwakke handen waren een bedreiging van Engelands bezit in Indië, zonder hetwelk Engeland rekende niet meer te kunnen bestaan. Sedert Suffren in 1782, op de Kaap en Ceylon gesteund, den voor Engeland zoo hoogst gevaarlijken scheepstocht tegen Indië had kunnen ondernemen, had men te Londen ingezien, dat deze beide koloniën bij de eerste gelegenheid de beste Engelsch moesten worden. Ware het mogelijk geweest ze nog vóór 1784 te veroveren, zij zouden zeker niet bij den vrede teruggegeven zijn. In 1795 overreedde Engeland Prins Willem V, alle gouverneurs van Nederlandsche bezittingen tot vrijwillige inbewaargeving hunner posten aan Engeland aan te schrijven; voldeden zij hieraan, dan zou Engeland, bij een te verwachten herstel der „wettige regeering” in Nederland, aan deze de koloniën teruggeven. Deze belofte van 1795 kon echter in 1813 niet tegen Engeland worden ingeroepen, vooreerst omdat in verreweg de meeste koloniën geen ~vrijwillige~ inbewaargeving had plaats gehad, maar ook omdat beide contractanten van 1795, Engeland en de Prins, in of na 1802 het begrip der „onwettigheid” van de Bataafsche regeering hadden prijsgegeven: beiden hadden tractaten met haar gesloten[46]. Bij den vrede van 1802 had Engeland alle Nederlandsche koloniën die het veroverd had, of waarin het toegelaten was, aan de Bataafsche Republiek afgestaan, op Ceylon na, dat uitdrukkelijk in vollen eigendom aan Engeland werd gelaten. Sedert de hervatting der vijandelijkheden in 1803 waren alle bij den vrede van 1802 Bataafsch geworden koloniën weder met de wapenen door Engeland veroverd, zonder dat eenige toezegging hoegenaamd van latere teruggave was gedaan. Formeel noch moreel was Engeland thans tot teruggave van eenige kolonie verplicht, en het was vast besloten, behalve het reeds in 1802 bij tractaat afgestane Ceylon, ook de Kaap te houden. Volstrekt niet uitgemaakt was het evenwel in 1813, dat tevens Demerary, Essequebo en Berbice aan Engeland zouden blijven[47]; de sterke aandrang der Engelsche belanghebbenden in 1814, en de gebleken noodzaak om, in ruil voor Zwedens afstand van Guadeloupe aan Frankrijk, en voor Ruslands bewilliging in de vereeniging van Holland en België, groote opofferingen in geld te doen, zijn voorzeker van overwegenden invloed op de eindbeslissing geweest. Bij de overeenkomst in April 1813 is niet uitgemaakt, ~welke~ koloniën zouden worden teruggegeven; slechts erkende de Prins het recht van Engeland, om alleen af te staan wat het zelf verkoos. Het heeft den Oostindischen archipel teruggegeven, tegen welks kostbaar beheer toen door de Engelsche Oostindische Compagnie werd opgezien (zij had met Engelsch-Indië de handen vol), terwijl men wist dat Holland meende Java en de Molukken niet te kunnen missen, en dus de niet-teruggave Holland zoodanig zou hebben doen mokken, dat het ongeschikt werd voor de bevordering van Engelands oogmerken op het vasteland;—verder Suriname, de eenige van de oud-Nederlandsche bezittingen in Guyana, waarbij het Engelsch kapitaal nog niet in overwegende mate was geïnteresseerd;—de Westindische eilanden en de Goudkust, welke van ondergeschikt belang werden geacht. Daarentegen zegde Engeland een bijdrage van twee millioen pond toe in de kosten van den vestingbouw tegen Frankrijk; keerde het aan Zweden, tot afkoop eener door deze macht wegens den afstand van Guadeloupe gemaakte aanspraak op schadevergoeding met oud-Nederlandsche bezittingen in West-Indië, een millioen pond uit, en nam het de betaling op zich van de helft eener schuld van zes millioen pond, welke Rusland had aangegaan te Amsterdam (tractaat van 13 Augustus 1814). Holland heeft dus de Kaap niet aan Engeland verkocht, om de goede reden dat het die niet had. Het ~kon~ geen enkele kolonie aan Engeland meer verkoopen. Het bekwam er enkele van Engeland terug, op voorwaarde dat het in de vereeniging met België toestemde, de grens van België tegen Frankrijk zwaar versterkte (voor de helft op zijn eigen kosten), en de wederhelft der schuld van zes millioen pond van Rusland overnam. Had het zich aan deze voorwaarden willen onttrekken, het zou zeker Java niet hebben teruggekregen. Ook is er geen sprake van dat het de Kaap zou terugbekomen hebben, indien het tot zijn eigen grondgebied beperkt ware gebleven. De gansche zaak is geen koop en verkoop geweest (al heeft de Engelsche regeering er in het tractaat, ter ontlasting van haar verantwoordelijkheid tegenover het parlement, dien schijn aan gegeven), maar een gedwongen ruil.
[46] Dat van 1804, over de particuliere bezittingen van het huis van Oranje, is nimmer van kracht geworden, daar de Bataafsche Republiek op verlangen van Napoleon de ratificatie weigerde. Het was evenwel door den Prins geratificeerd.
[47] Vgl. Lord Malmesbury aan Fagel, 3 Dec. 1813, bij van Deventer, Het Nederlandsch Gezag over Java sedert 1811, bl. 25.
Behalve het beginsel van vergrooting van Nederlands grondgebied, en dat van gedeeltelijke teruggave der Nederlandsche koloniën, werd in April 1813 nog een derde punt tusschen den Prins en Engeland vastgesteld. De vergrooting van Holland zou geen doel treffen, indien men tot Hollands ouden regeeringsvorm terugkeerde, die het uitvoerend gezag verdeeld en verlamd had. Er werd dus bepaald, dat men niet eenvoudig den toestand van vóór 1795 zou herstellen, maar een regeering invoeren die gelijkelijk aan de wenschen der Hollandsche natie en aan die der mogendheden voldeed[48]. De titel, dien de Prins zou aannemen, werd nog in het midden gelaten. Hoever men met de uitbreiding van grondgebied, hoe hoog men in de verheffing van den Prins zou gaan, moest van omstandigheden afhangen: van het succes der wapenen, van de bewilliging der bondgenooten, en, wat de aanvaarding der souvereiniteit betreft, van de stemming in Holland zelf. Het bleek weldra dat deze juist in de souvereiniteit van het huis van Oranje een waarborg zag tegen herleving der oude partijgeschillen. Toen dan ook in November 1813 Repelaer namens het Haagsch comité van den opstand bij den Prins in Engeland kwam, zeide deze dat men in Holland twee zaken verlangen moest: handhaving der sedert 1795 bestaande gelijkheid van alle gezindten voor de wet, en aanvaarding der souvereiniteit. De Prins zeide het eerste grif toe; het andere niet dadelijk. De keus van een titel hing met de voorgenomen uitbreiding van grondgebied samen, en eer hij van deze laatste in het openbaar kon spreken, moest allereerst België op de Franschen veroverd en de toestemming der bondgenooten voor de vereeniging verkregen zijn. Dit nu was in November 1813 nog niet het geval. Toen het echter bleek dat Engeland evenzeer als de Hollanders de onmiddellijke aanvaarding der souvereiniteit wenschte, bepaalde hij voorloopig zijn keus op den titel van „Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden”, welke hem dan ook dadelijk bij zijn komst in het land is aangeboden.
[48] „Un système de gouvernement qui conciliât le vœu de la nation hollandaise avec les vues des puissances appelées à influer si puissamment sur les destinées futures de cette nation”.