Part 7
Toch bleef er, in beider verval, groot onderscheid tusschen Noord en Zuid. Hoe ondermijnd dan ook, was de Republiek toch nog een zelfstandige staat en herbergde zij een meer zelfstandige kultuur dan het Zuiden. Kenmerk van het Zuiden was geweest de eigenaardige versmelting van Waalsche en Dietsche beschavingelementen. In de uitoefening dezer historische functie trad door de ongenade der omstandigheden een voor België's toekomst noodlottige stilstand in. De Fransche kultuur katholiciseerde en centraliseerde zich meer en meer: zij werd de kultuur van het tijdvak van Lodewijk XIV. Aan de andere zijde protestantiseerde zich de Dietsche beschaving, waarin België thans geheel door Noord-Nederland werd overvleugeld. België nu had, thans als immer, taalgemeenschap met beide aangrenzende landen, maar geloofsgemeenschap alleen met Frankrijk, en geloofsgemeenschap was in dezen tijd een oneindig machtiger factor dan taalgemeenschap. En dit was niet alles: ten gevolge van den ondergang des handels en het schrikbarend verval der Belgische steden nam de beteekenis van den adel en van de geestelijkheid in de Belgische maatschappij zeer toe: een maatschappij die in bouw veel meer op die van Frankrijk dan op die van Noord-Nederland ging gelijken. Terwijl dus de monarchale, katholieke, aristocratische Fransche beschaving vrijen toegang had, stuitte de republikeinsche, protestantsche, burgerlijke van het Noorden tegen een ondoordringbaren muur. Het gevolg was dat het evenwicht tusschen Waalsch en Dietsch werd verbroken in zulk een mate, dat vijftig of zestig jaren Vlaamsche beweging het toen vernielde nog niet weer hebben kunnen opbouwen. Er had langen tijd op Belgischen bodem geen bevruchting van Romaansche door Nederduitsche beschaving en omgekeerd meer plaats, en dus ook geen eigenaardig Belgische productie meer. Eenerzijds verviel de Nederlandsche taal in België tot een staat van boerschheid, het katholicisme in Vlaanderen tot een staat van bijgeloof; andererzijds werd de beschaving van Parijs en Versailles, zonder oponthoud aan eenig tusschenstation, regelrecht naar Brussel ingevoerd, waar zij als een geleend pak werd gedragen. Naarmate de toon te Parijs veranderde, veranderde de weerklank in de beschaafde kringen van België. Deze maakten in de achttiende eeuw de zwenking van Bossuet naar Voltaire mede. Iemand als de Brusselsche markies du Chasteler (1744–1789) is een volmaakter type van den „philosophe à la mode” dan er in het Noord-Nederland van denzelfden tijd één is voorgekomen. Er kwam door de Belgische samenleving een scheur te loopen, dieper dan het verschil in taal er ooit door getrokken heeft: een scheur door den geestelijken samenhang der onderscheiden klassen van het volk, waarvan de beschaafden als tot een ander rijk behoorden als de massa.
In dit opzicht was het in Noord-Nederland veel beter gesteld. Het land lag voor allerlei geestelijken invoer open, maar het ingevoerde bleef er zelfstandig verwerkt worden tot een product van onmiskenbaar Nederlandsch karakter. Niet dat dit product altijd even groote waarde had, doch dit behoeft ook niet om in de geschiedenis van een volk die mate van continuiteit te verzekeren, waardoor de overlevering eerst tot een eigen, levende kracht wordt gemaakt. Het is deze meerdere continuiteit die Nederland nog altijd iets op België vóór doet hebben. In vergelijking tot België zijn wij tegelijkertijd een veel jonger en een veel ouder land. Veel jonger: om dit te erkennen is het voldoende de middeleeuwsche geschiedenis van Vlaanderen naast die van Holland te leggen, of eerst Dordrecht, Leiden en Amsterdam, daarna Gent en Brugge te doorwandelen. En in anderen zin herkent men in Nederland toch weer een veel ouder land, als men niet de zaken opzoekt die tot louter historische bezienswaardigheden zijn geworden, maar zich rekenschap geeft van den ouderdom der organen van het nationale leven gelijk zij nog heden ten dage in werking zijn. Wij zijn in meerdere mate ons zelf gebleven, en dus jonger dan het historische, maar ouder dan het hedendaagsche België.—Een overeenkomstig verschijnsel leveren Noord- en Zuidduitschland op. Gelijk in de Nederlanden, heeft ook in Duitschland de Fransche omwenteling een veel grooter opruiming in het Zuiden dan in het Noorden gehouden; juist wijl in het Zuiden het bestaande ouder en meer verouderd was, heeft het minder goed den storm doorstaan, en is er meer noodzaak geboren tot geheel nieuwe constructie.
Hoewel onmiskenbaar bestaande, is toch de voorsprong die Nederland aldus op België behouden heeft, niet zeer groot. Lang zoo groot niet als die van Pruisen in Duitschland. Pruisen, dat een schepping der Hohenzollern's was van den Grooten Keurvorst tot Frederik den Groote, en dus meer dan een eeuw jonger dan de Republiek, die van Willem van Oranje en Oldenbarnevelt dagteekent;—Pruisen heeft van de Fransche omwenteling niet meer dan een heilzamen stoot ontvangen, aanleiding tot de volksbeweging van 1813, die het weder aan het hoofd der ontwikkeling van Duitschland stelde. Jena maakt in de geschiedenis van Pruisen bij lange na niet een zoo diepe insnijding, als het jaar 1795 in die van Noord-Nederland. Pruisen is in de dagen zijner diepste vernedering nimmer van de kaart van Europa verdwenen; het had een veel grooter prestige tegenover de landen die het in 1815 verkreeg, als Nederland het hebben kon tegenover België. De taak waarvoor Pruisen zich in de Rijnprovincie gesteld zag, is in menig opzicht bij de taak van Willem I in België te vergelijken. Maar Pruisen was beter toegerust; ook gingen zijn oude provinciën in omvang en bevolking de nieuwe verre te boven, hetgeen in de Nederlanden niet het geval was. Pruisen heeft veel verricht, maar heeft het geleidelijk kunnen doen; in 1815 zag het een stuk van Duitschland aan zijn leiding onderworpen, in 1866 een tweede, in 1871 een derde stuk. En het verdient zeker de aandacht, dat Pruisen er niet in geslaagd is de Duitsche eenheid tot stand te brengen zonder Oostenrijk uit te sluiten, de half-Duitsche macht. Wat onder Pruisens leiding gesteld werd, was telkens zuiver Duitsch gebied, en telkens ook in oppervlakte en bevolkingsgetal zeer de mindere van de oude provinciën. Hoeveel moeilijker was de taak van Noord-Nederland in 1815. Ware het Willem I gelukt, een groot-Nederlandsche eenheid te stichten, hij zou, op verkleinde schaal, niet hetzelfde als Bismarck, maar veel meer dan Bismarck hebben bereikt. Een dergelijk resultaat zou gelijkwaardig zijn geweest niet aan de aantrekking van Beieren en Wurtemberg tot den Noordduitschen staat, maar bijna aan de assimilatie van Oostenrijk zelve.
* * * * *
Wij eindigen deze voorafgaande beschouwingen, die ten doel hadden ons te binnen te brengen hoezeer Noord- en Zuid-Nederland vóór de vereeniging van 1815 in samenstelling, in aanleg, in lotgevallen hadden verschild. Aan den tijd van de zestiende tot de achttiende eeuw hebben wij daarbij zeer in het kort kunnen herinneren: de geschiedenis van het uiteengaan in den tachtigjarigen oorlog, en de groote tegenstelling tusschen het Noorden in den tijd van zijn hoogsten bloei, het Zuiden in den tijd van zijn diepste verval, zijn bekend genoeg. Doch wij meenen te hebben aannemelijk gemaakt, dat het verschil niet enkel of niet voornamelijk zijn oorsprong heeft in de groote gebeurtenissen der zestiende eeuw. Ook daarvóór waren Noord en Zuid twee werelden, en bestond veeleer een tegenstelling tusschen deze beide, als tusschen een Dietsche wereld (Noord met inbegrip van Vlaamsch-België) en een Waalsche. Maar even onloochenbaar als dat Noord en Zuid veel verschilden, is het dat zij grooter overeenkomst met elkander hadden dan met welk ander land van Europa ook. Het was slechts de vraag, of sedert de zestiende eeuw de lotgevallen beide helften niet zoodanig van elkander hadden vervreemd, dat hereeniging onmogelijk zou blijken.
TWEEDE HOOFDSTUK.
De Vereeniging.
Het was geen innerlijke drang, het was dwang van buiten die beide helften in 1815 tezamen voegde.
Er had, reeds eenigen tijd vóór de Fransche omwenteling, een „Belgisch vraagstuk” bestaan, dat het hoofd weer opstak toen de vloed afliep en Europa nieuw moest worden ingericht.
België was, in 1715, aan een huis toegevallen dat het land onder zeer bezwarende omstandigheden aanvaardde, als een soort dépôt in het belang van het Europeesch evenwicht, en in het bizonder als bolwerk voor de veiligheid van de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Het lag afgescheiden van de overige deelen der Oostenrijksche monarchie, en was onmogelijk daarmede te vereenigen. Geen wonder dat de regeering te Weenen er dikwijls over dacht, een of ander meer begeerd land, Beieren bij voorkeur, tegen België te ruilen. Doch een dergelijk plan was zeer moeilijk te verwezenlijken: België was nu eenmaal zoo gelegen, dat de belangen van driekwart Europa bij zulk een ruil betrokken waren. Jozef II heeft in 1785 getracht de zaak door te zetten, maar zonder vrucht.
Ging dit ruildenkbeeld van den vreemden souverein uit, België zelf deed in het laatst der achttiende eeuw ook weer van zich spreken.
Het was lang geleden dat het dit ooit gedaan had. De vrede van 1648 had het land geen rust gebracht; juist daarna werd het meer dan ooit het slagveld, waarop de groote mogendheden van Europa haar geschillen kwamen uitvechten. Tot den vrede van Utrecht toe weerklinkt in België haast onafgebroken het hoefgetrappel van vreemde benden. Eerst die vrede bracht verademing. Een lange rust breekt aan, slechts, omstreeks het midden der eeuw, door den Oostenrijkschen successie-oorlog verstoord.
Het kon niet anders of het land moest zich in dezen tijd van langdurigen vrede eenigermate herstellen, al ging het nog zoo langzaam. Er was nameloos veel vernield, maar wat niet vernield had kunnen worden was de gunstige ligging van het land, de rijkdom van zijn bodem, de begaafdheid en de nijvere aard zijner bevolking. Van de ligging viel echter vooralsnog weinig voordeel te trekken: de geschiedenis der Compagnie van Oostende was er het droevige bewijs van. Doch bleef de handel België ontzegd, het kon zich op den landbouw en op de nijverheid toeleggen. Beide deze bedrijven gingen aanmerkelijk vooruit, met name onder de regeering van Maria Theresia.
Naarmate eenige welvaart terugkeerde, werd het natuurlijk minder gewillig verdragen, dat het land ten believe van de Republiek der Vereenigde Nederlanden gekortwiekt was. Het is, behalve tegenover Jozef II, voornamelijk tegenover Holland geweest, dat het België der achttiende eeuw zich bijwijlen weder een natie gevoeld heeft. De onwil om zich het barrière-tractaat te laten opleggen, de instemming die Jozef II ondervond toen hij de Hollandsche garnizoenen verwijderde, spreken duidelijk genoeg. Ware Keizer Jozef in andere opzichten niet dwars tegen den geest der bevolking ingegaan, zijn maatregelen tegen de Republiek zouden gewis nog veel hartelijker door haar zijn ondersteund. Dat het land niet van zijn natuurlijken weg naar zee gebruik mocht maken was inderdaad een monstruositeit; men vervange het woord Schelde eens door Texel of Maas, en brenge zich te binnen, wat dan „de sluiting” voor Holland zou beteekend hebben! Doch naarmate de Republiek haar grootheid tanen zag, klampte zij zich te angstvalliger aan haar voorrecht vast.
Nog meer evenwel dan de antipathie tegen het Noorden, bracht die tegen de regeering van Jozef II de Belgen bijeen. Jozef was sedert Philips II de eerste vorst, die in het binnenlandsch bestuur den geest der bevolking moedwillig tartte. Geheel iets anders was het, de verlichting der eeuw in het land toe te laten en zelfs te bevorderen, geheel iets anders, haar, van de bureaux der regeering uit, een niets ontzienden aanval te doen richten tegen al wat bij overlevering bestond. En Jozef II wilde daarbij de Nederlanden regeeren van uit Weenen, gelijk eenmaal Philips van uit het Escoriaal. „Il imagine tout”, schrijft Starhemberg, zijn gewezen minister in Brussel, aan Mercy, „il voit tout, dirige, exécute et gouverne tout par lui-même. Les divers départemens ne sont que des corps organisés auxquels il donne l'impulsion qui les met en mouvement, mais ils ne peuvent rien par eux-mêmes et ne sont pas même assurés d'un jour à l'autre de leur propre existence et encore moins du maintien de leur ressort.”[26] De processiën werden verboden, op grond dat zij „geen eer deden aan de verlichting van het volk.”[27] Alle dorpskermissen zouden—waartoe?—in het geheele land plaats moeten hebben op één en denzelfden dag. Tegen dergelijke schoolmeesterij kwam ten slotte de massa van het volk in verzet, niet enkel de duisterlingen.
[26] Schlitter, Regierung Josefs II in den Österreichischen Niederlanden, I, 164.
[27] Belgiojoso aan Kaunitz, 9 Mei 1786 (Schlitter I, 159.)
Opmerkelijk is, dat het Jozef niet aan machtigen steun voor zijn hervormingen zou ontbroken hebben, indien hij te werk had willen gaan als een bezadigd man en niet als een dolkop. Er berust in de archieven te Weenen een merkwaardig stuk van den markies du Chasteler, dat aangeeft welke groote doeleinden de Keizer najaagt in zaken van godsdienst, rechtspraak en bestuur; vervolgens op welke wijze hij zijn doel heeft zoeken te bereiken, en eindelijk hoe hij het had kunnen bereiken, of althans nader komen, zonder zooveel aanstoot te geven[28]. De grondtoon van het stuk is een klacht, dat de Keizer de natie het goede op wil leggen buiten haar om, en geen oog heeft voor haar eigenaardigheden. Zoo waren er veel onder de hoogere standen, die minder bezwaar hadden tegen de zaak dan tegen de uitvoering. Maar Jozef luisterde naar geen waarschuwingen, en het volk stond tegen hem op.
[28] Bij Schlitter, I, 188–202.
Het was gedurende dezen opstand, dat van Belgische zijde de vraag opgeworpen werd naar de toekomstige verhouding tot Noord-Nederland. Men kon niet van Oostenrijk af zonder buitenlandsche hulp, en, zooals de politieke verhoudingen van 1789 lagen, moest die komen van de drie verbondenen, Engeland, de Republiek en Pruisen. Van deze drie nam Pruisen, uit vijandschap tegen Oostenrijk, de meest tegemoetkomende houding tegenover de Belgen aan. Meer terughoudend waren Engeland en de Republiek; het gold dus vooral, deze beide voor de zaak van den opstand te winnen. Tot dit doel begaf zich de advocaat van der Noot naar Londen en naar den Haag, en spiegelde in het eene land de koningskroon aan den hertog van York, in het andere een algemeen stadhouderschap aan den tweeden zoon van den Prins van Oranje voor. Deze aanbiedingen waren niet ernstig gemeend en werden ook niet ernstig opgenomen. In den Haag sprak van der Noot ook over een toekomstige vereeniging der Belgische en Nederlandsche republieken, een denkbeeld, dat toen ook in het vlugschrift _La République belgique_ is aanbevolen. De Noordnederlandsche staatkunde van 1789 echter was van zulk een vereeniging afkeerig: de Raadpensionaris van de Spiegel noemt het, in een brief aan den gezant der Republiek in Engeland, „een chimère, welke aan ons althans niet convenieeren zoude”[29]. Hij wilde de onafhankelijkheid van België slechts erkennen op beding, dat van de voorrechten, die Nederland bij tractaat ten opzichte van België had verkregen, iedere letter gehandhaafd bleef[30]. Een vreedzame oplossing van het Belgische vraagstuk, waarbij het land, tegen bevestiging zijner oude privilegiën, onder de gehoorzaamheid des Keizers terugkeerde, was hem verreweg het liefst; hij voorzag te goed, dat een krachtige nationale staat in België de voorrechten van Holland niet lang zou kunnen eerbiedigen, en ze ten offer te leggen op het altaar eener groot-Nederlandsche gedachte lag toen geheel en al buiten den Hollandschen gezichtskring. Maar het scheen een oogenblik, in het begin van 1790, alsof men werkelijk geen andere keus had, dan België als een onafhankelijk land te erkennen; het had de vreemde troepen verjaagd: liet men het nu los, dan zouden Lafayette en de Nationale Vergadering in Frankrijk zich van de beweging meester maken, tot groot nadeel van het belang der zeemogendheden. In dezen tijd heeft van de Spiegel overwogen, hoever hij, zoo de nood drong, met België zou willen gaan. Zijn „Generaale Gronden van een verbond tusschen de twee Republieken” komen op het volgende neder: „De beide Republieken zullen independent zijn van malkander en hebben haare eigen souverainiteit, administratie van justitie, politie, militie, finantie en wat verder tot de regten der souverainiteit behoort, maar zullen zich ten aanzien van de onderlinge defensie zoo nauw confœdereeren alsof zij maar éénen Staat uitmaakten”[31]. Derhalve geen aanvallende oorlog, geen alliantiën, geen doortocht aan vreemde troepen dan met gemeen goedvinden; wederzijdsche inzage van den staat van elkanders weermiddelen; éénmaal per jaar een bijeenkomst van wederzijdsche afgevaardigden, „in welke gehandeld zal worden van den staat van defensie, van alliantiën, en in 't generaal van alles wat tot deeze confœderatie relatief is, doch niet beslooten dan op approbatie van de wederzijdsche souvereinen.” In tijd van oorlog zal deze vergadering permanent zijn, en zullen de vereenigde legers worden aangevoerd door den Erfkapitein-generaal van de Vereenigde Nederlanden[32].
[29] Zie mijne „Gedenkstukken der algemeene geschiedenis van Nederland van 1795 tot 1840”, I, 140.
[30] Gedenkstukken I, 141 (instructie aan d'Yvoy).
[31] Gedenkstukken I, 145.
[32] Overeenkomst met van de Spiegel's denkbeelden vertoont het vlugschrift: _Wat staat ons Batavieren te doen bij het vrijworden der Belgen_ (Januari 1790).
Een militaire conventie dus is het uiterste waartoe van de Spiegel komen wil. Van een Belgisch stadhouderschap voor een lid van het huis van Oranje wil hij niet hooren. Men behoeft zich ook geen oogenblik voor te stellen, dat deze zaak van Belgische zijde ernstig was gemeend. Zij was door van der Noot voorgespiegeld in Mei 1789, zeer in het vage, als een eerste aanloksel. In December 1789 evenwel was de eigenlijke intellectueele leider der zaken, de kanunnik van Eupen, in den Haag geweest, en had de grondslagen opgegeven der constitutie die men voor de nieuwe republiek dacht aan te nemen: een vergadering van Staten-Generaal, die souverein zal zijn tegenover het buitenland en ten opzichte der landsverdediging; een onder de Staten-Generaal gestelden Raad van State; voorts zelfregeering der provinciën. Een prins of gouverneur dacht van Eupen niet aan te nemen[33]. Van de Spiegel's „generale gronden” voor een verbond tusschen Noord en Zuid waren „en gros met van Eupen beredeneerd”. Zij zijn te beschouwen als de grondslag waarop de wezenlijke leiders der Belgische en der Nederlandsche staatkunde van 1790 van oordeel waren dat een toenadering kon worden beproefd; wat daarboven uitging was toenmaals òf niet oprecht gemeend, òf ijdele plannenmakerij. En of zelfs op de „generale gronden” de toenadering mogelijk zou zijn geweest? Ik geloof het geen oogenblik. Het wachtschip bij Saaftingen vertegenwoordigde in werkelijkheid een soort Chineeschen muur, dien Holland niet wilde laten springen, en dien een in waarheid zich onafhankelijk gevoelend België geen tien, geen vijf jaar meer zou willen laten staan. Het netelig punt der handelsvoorrechten werd dan ook door de Belgische onderhandelaars zooveel mogelijk ontweken. „Nous n'aimerions pas à recevoir des lois trop dures, mais à cela près qu'on ne nous redoute pas,” schrijft van Eupen aan zijn agent in den Haag, Leempoel. „Niet zeer voor de vuist,” meende van de Spiegel. Een woord van van Eupen aan van de Spiegel's man te Brussel, d'Yvoy, was iets duidelijker: „dat er geene de minste reden van vrees was voor al 't geen waarvan de Republiek volgens de tractaten jouïsseert, maar dat zij onmogelijk, zonder zigzelven in gevaar te brengen, thans van eenige zekerheid dienaangaande te geven konden spreeken.”[34] Zonder die zekerheid evenwel zou de Republiek de onafhankelijkheid van België nimmer erkennen, en zonder die erkenning was er geen mogelijkheid van verbond.
[33] Renfner 15 Dec. 1789 („si la chose est possible, nous ne voulons ni prince ni gouverneur”).—„Notre ambition se borne à avoir autant d'amis que de voisins, mais point de maîtres” (van Eupen aan Lafayette, nieuwjaar 1790).—Gedenkstukken I, p. XLIV.
[34] Gedenkstukken I, p. XLVII.
Er was nog een andere omstandigheid, die het welslagen van een Belgisch-Nederlandsch verbond in 1790 in de hoogste mate onwaarschijnlijk maakte. Beide landen waren innerlijk verdeeld. Noord-Nederland had juist eenige jaren van hevige partijberoering doorgemaakt, die met een materieele, niet met een zedelijke overwinning der partij van het behoud waren geeindigd. Duizende patriotten waren naar België of naar Frankrijk uitgeweken, en wachtten op het oogenblik om met Fransche hulp de oude Republiek ten val te brengen en een nieuw staatsgebouw op te richten op den grondslag der „rechten van den mensch”. Zij waren zeker van de instemming van de meerderheid der beschaafde burgerij in het land zelf. Een zeer dringende reden, waarom de Nederlandsche regeering op goeden voet met de leiders der Brabantsche omwenteling blijven wilde, was de mogelijkheid dat zij zich door Frankrijk op sleeptouw zouden laten nemen, waar de partij der omwenteling met de Belgische opstandelingen de vijandschap tegen Oostenrijk gemeen had. Een oorlog tegen Oostenrijk kon zeer licht tot een oorlog tegen de zeemogendheden worden uitgebreid, waarin dan België niet aan de zijde van Holland staan kon, maar geheel in den stroom der Fransche omwenteling zou worden medegesleept, waardoor Hollands voormuur tegen den inval der Franschen en der Bataafsche patriotten kwam te vervallen. Hierom was het voor Holland dringend noodig dat de Belgische omwenteling haar zelfstandig karakter behield, hetgeen alleen kon geschieden door een volledige zegepraal der conservatieve partij van van Eupen en van der Noot op haar democratische tegenstanders. Want het verzet tegen Keizer Jozef was van zeer onderscheiden motieven uitgegaan: ook in België bestond een democratische partij, die met de ouderwetsche Staten van Brabant of van Vlaanderen niets gemeen had, dan dat ook zij tegen den Keizer was opgestaan. Het waren de behoudende elementen in Noord en Zuid die eenigermate elkander zochten; die vooruitstrevenden van beide landen zochten gelijkelijk Frankrijk.
Op den naam „revolutie” af, was de Brabantsche beweging in de Fransche hoofdstad met jubel begroet. Men verheerlijkte in éénen adem _Les Révolutions de France et de Brabant_[35]. Zoodra men zich echter met de Brabantsche zaken daadwerkelijk inliet, bleek dat de Fransche vrijheidsbegrippen geen hardnekkiger tegenstanders hadden dan van Eupen en van der Noot. Nauwelijks was de Brabantsche opstand gelukt, of Nootianen en Vonckisten lagen in open strijd. Den 16{den} Maart 1790 brak te Brussel een woeste furie tegen Vonck en de zijnen uit, waarbij een volkshoop, onder oogluiking der Staten, zich van de aan Parijs ontleende revolutionnaire terminologie bediende tegen de voorstanders der Parijsche denkbeelden. Den 18{den} Maart ontdekte Lafayette in de Parijsche Nationale Vergadering met leedwezen, „dat het congres der Belgische Staten niet het ware karakter eener vertegenwoordiging van het souvereine volk scheen te vertoonen”. Het licht was eindelijk opgegaan! De Vonckisten vluchtten naar Frankrijk, dat nu, naast eenige duizend Bataafsche, eenige duizend Belgische uitgewekenen te herbergen kreeg, die niet anders verwachtten of de Fransche wapenen zouden hen op staanden voet gaan wreken.
[35] Naam der courant van Camille Desmoulins.