Part 6
Aan de groote mystieke beweging, die op de grens staat van middeleeuwen en nieuwen tijd, hebben de Nederlanden een zeer groot aandeel genomen. Dezelfde 14{de} en 15{de} eeuw die getuige waren van een zoo schrikbarend zedenverval en van een toenemende verwereldlijking en verwildering der Kerk, hebben het geloof zelf in den boezem van het individu nieuwe en onsterfelijke zegepralen zien behalen. Ook in deze beweging is het Zuiden voorgegaan, en heeft het Noorden zelfstandig verwerkt. Geert de Groote heeft aan Ruysbroeck's voeten gezeten, maar hij is een ander geworden dan de Noordnederlandsche Ruysbroeck. Het denkbeeld, de ondeugd in de onkunde te bestrijden, was Noordnederlandsch, Noordnederlandsch de toepassing van dit beginsel in de broederschap des gemeenen levens. Aan de innigheid van het geloofsleven deed dit streven zoo weinig afbreuk, dat uit de Zwolsche omgeving de _Imitatio Christi_ is voortgekomen; tot de verlevendiging der studiën heeft het zoozeer bijgedragen, dat Erasmus zelf, hoezeer hij later (en, van zijn nieuw beklommen hoogte, terecht) op het Noordnederlandsche klooster gesmaald moge hebben, niet denkbaar is zonder zijn in die nationale school genoten opleiding.
Met Erasmus komen wij, van verschil, weder op verbinding terecht. Het Noordnederlandsche dorperskind, oud-voedsterling van een Noordnederlandsch klooster, is tevens de stichter van het _Collegium trilingue_, den roem der Leuvensche hoogeschool. In de wetenschap der zestiende eeuw, universeel van strekking als zij was, gaan Noord en Zuid hand aan hand. Naast die van Busleyden, van Mercator, Ortelius, Dodonaeus en Vesalius, bewaart de geschiedenis de namen van Paludanus, van Dorpius, van Jemme den Fries.
* * * * *
Een volk dat aan Europa de Antwerpsche beurs en de Hollandsche scheepvaart ten gebruike stelde, en dat daarbij aan den ingang der nieuwe geschiedenis de van Eyck's en Thomas a Kempis, dat een eeuw later Erasmus had voortgebracht, kon gezegd worden zijn plaats onder de zon verdiend te hebben. Evenwel stond zijn staatkundige organisatie nog niet op de hoogte van zijn stoffelijke en geestelijke beschaving. Er bestond hier een volk, eer er een staat was.
De Bourgondiërs waren op weg dien te maken, maar 1477 bracht een groote terugslag. En, op een dochter na, was het huis uitgestorven, dat in korten tijd hier zooveel had bereikt. Een noodlottige omstandigheid voor de Nederlanden. Maximiliaan herstelde hier wel de orde, maar zijn huwelijk met Maria bracht noodzakelijkerwijs voor de Nederlandsche wereld het gevaar met zich van al te enge verbinding aan buiten-Nederlandsche belangen. Het was de staatkunde der Habsburgsche huismacht, die Philips den Schoone een Spaansche prinses, zijn zuster Margaretha een Spaanschen prins huwen deed. De gemaal van Margaretha overleed kort na het huwelijk; eveneens overleed het eenig kind van de zuster der gemalin van Philips den Schoone (20 Juli 1500). Zoo werd Philips' zoon koning van Spanje; tevens volgde hij zijn grootvader op in het keizerschap.
Aan een zoo machtig monarch te behooren, heeft de Nederlanden kwaad en goed gedaan. Hun economische belangen hadden in Karel's Europeesche macht een sterken steun. Het leenverband van Vlaanderen en Artois werd losgemaakt; de verhouding tot het Rijk zeer in het voordeel der Nederlandsche zelfstandigheid geregeld. Maar de vorst kon tegen de Nederlanden optreden met een macht, die hij niet aan de Nederlanden had ontleend. Zijn persoonlijke welgezindheid was de eenige waarborg voor de handhaving der Nederlandsche belangen. Het was voldoende dat op een Nederlandschen vader een in Spanje opgevoede zoon volgde, om moeilijkheden te zien ontstaan waaruit het geweld alleen den uitweg heeft gevonden.
Onder Karel V heeft Nederland het geluk gehad, door twee hoogbegaafde vorstinnen te worden geregeerd; door Karel's moei en vervolgens door Karel's zuster. Deze omstandigheid waarborgde de continuiteit en het nationaal karakter der regeering: Margaretha van Oostenrijk zoowel als Maria van Hongarije waren van opvoeding Nederlandsche prinsessen. Persoonlijk heeft Karel zich in 1531, 1540, 1543 en 1549 met de Nederlandsche zaken sterk bemoeid. In 1531 kwam onder zijn persoonlijke deelneming de bestuursorganisatie tot stand, die zich in België gehandhaafd heeft tot de Fransche omwenteling toe, en tevens de oorsprong is geweest van een goed deel der instellingen van de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Als organen der centrale regeering treft men sedert den Landvoogd of de Landvoogdes aan, den Raad van State als adviseerend, den Geheimen Raad en den Raad van Financiën als besturende lichamen; tevens werden de instructiën van den Grooten Raad van Mechelen en van de provinciale hoven herzien, en kwam er een vaste orde tot stand in de samenvoeging van bepaalde provinciën tot stadhouderschappen; de stadhouders werden gebonden aan vaste instructiën. In deze maatregelen lag een strekking tot strenge centralisatie, maar ook tot grooter nationaliseering van het opperbestuur: de „kanselier van Bourgondië” verviel, de hooge landsadel kreeg eenigermate een constitutioneelen werkkring, al bleef de klem der regeering berusten bij de Landvoogdes en den uit legisten (doch Nederlanders) samengestelden Geheimen Raad. In 1540 werd een laatste opflikkering der Gentsche demagogie door Karel met geweld onderdrukt, en deze stad voor goed onder de heerschappij van het gemeene recht gebracht; in 1543 werd het onmisbare Gelder ingelijfd bij den gemeen-Nederlandschen staat; in 1549 werd Philips als troonsopvolger gehuldigd en een uniform successierecht ingevoerd. In de inleiding van de Pragmatieke Sanctie waarbij het nieuwe recht werd afgekondigd, wijst de Keizer op het groote belang dat deze landen er bij hebben, om altijd onder één vorst te blijven en door dezen bezeten te worden als een geheel. Als over een geheel, stond Karel dan ook in 1555, ten overstaan van de plechtige vergadering der Staten-Generaal, de regeering der Nederlanden aan zijn zoon af.
Wel natuurlijk is het, dat de gedachten onzer historieschrijvers, als zij aanvangen zullen van den tachtigjarigen oorlog te verhalen, eerst bij de vergadering van 1555 plegen te verwijlen. Het is, in de geschiedenis van Groot-Nederland, een der meest gedenkwaardige oogenblikken; bovendien een dat de pen uitdaagt tot het ontwikkelen der tegenstellingen, toen onder één dak bijeen. De eerste souverein reeds over de ~zeventien~ Nederlanden zal tevens de laatste zijn, zoo men dien ander niet mederekenen wil, nazaat van den man op wiens schouder 's Keizers arm leunt, die wederom eerste en laatste zijn zal in één. Tegenstelling: de populaire Gentenaar, nu gebogen en afgeleefd, en de nurksche Spanjaard, die jong van jaren is maar niet van hart; andere tegenstelling: de vorst en de aanstaande rebel; de _auctor intellectualis_ van den moord, en het slachtoffer. Nog andere tegenstelling: de bontgepluimde adel van het Zuiden, de effen tabbaarden uit het Noorden, dat overwinnen zal....
Nietwaar, er zijn motieven te over voor een historieschilderij in grooten stijl, gelijk Motley er een van heeft zoeken te maken. Of de aanwezigen een voorgevoel gehad hebben van het geweldige dat gebeuren zou? Bezwaarlijk. Nog was het godsdienstvraagstuk niet acuut, nog Philips een onbekende. En een hevige orkaan voorwaar is het geweest, die den groot-Nederlandschen staat geveld heeft. Een zwaren storm, dien van 1477 en volgende jaren, had hij zegevierend doorstaan: het ontbrak hem dus niet aan weerstandsvermogen. Wat er van zuiver staatkundig particularisme nog leefde, zou, na 1555, nimmer bereikt hebben, waartoe het in 1477 onmachtig was gebleken. Andere krachten moesten ontketend worden, eer het werk der Bourgondiërs, arbeid niet ondernomen, maar goedgekeurd door de natie, kon worden gesloopt.
Het is de hervorming en niets anders dan deze, die Noord en Zuid heeft vaneengereten. De opstand zelf is zeker niet alleen door godsdienstige motieven bepaald; wèl is aan het godsdienstverschil het mislukken der centrale regeering na 1576, en de eindelijke splitsing der Nederlanden in twee helften toe te schrijven. Dieper opgehaald, is het godsdienstverschil een verschijningsvorm van het verschil in geestelijken aanleg tusschen Noord en Zuid, verschil dat sinds lang bestond, maar eerst doodelijk voor de staatkundige eenheid werd in een tijd die de individualiteit tot oppersten rechter stelde over alle menschelijke instelling, over alle banden van overlevering en van dwingend recht. De staat der Zeventien Nederlanden kon alleen nog bestand hebben in een religievrede, die onmogelijk was omdat hij een wapenstilstand beduidde tusschen twee richtingen die beide nog in volle groeikracht waren, het neo-katholicisme niet minder dan het calvinisme, en die op verovering uitgaan ~moesten~, op straffe van ondergang. Geen staat in Europa of hetzij het eene, hetzij het tegenovergestelde levensbeginsel heeft er gezegevierd en het andere òf vernietigd, òf als streng bewaakte uitzondering een kommerlijk bestaan doen leiden. De „pariteit” is eerst een begrip der 18{de} eeuw, het eerst verwezenlijkt in het Pruisen van Frederik den Groote. Doch een reeks van oorzaken maakten in het Nederland der Gentsche Bevrediging het calvinisme te sterk, om door het neo-katholicisme, het neo-katholicisme te sterk, om door het calvinisme te kunnen worden onderdrukt. Nadat vreedzaam samenwonen was beproefd en mislukt, werd scheiding de eenig mogelijke oplossing.
De gang der hervorming in Nederland is zeer merkwaardig, en een nieuw bewijs hoezeer deze landen van het Duitsche Rijk waren vervreemd. De hervorming in haar bizonder-Duitschen vorm, het lutheranisme, sloeg hier weinig in. Ten tijde harer grootste uitbreiding heeft het er nooit naar uitgezien, of de lutherij Nederland mede zou sleepen. Ook ditmaal zou, gelijk zoo dikwijls, de bevruchting uit het Zuiden komen. Het calvinisme, uit Frankrijk ingevoerd, tastte het eerst de Waalsche steden aan: Valenciennes, Doornik. Het verbreidde zich snel, haast als een Fransche mode, over het Zuiden; niet zoo snel over het Noorden, maar de zielen die het daar won, hield het vast. De hagepreek en de beeldenstorm van 1566 zijn in hoofdzaak Zuidnederlandsche verschijnselen, de _Biencorf_ een Zuidnederlandsch boek. Het is weer een geschiedenis van Vlaamsche ontvlambaarheid en actie, van Hollandsche stugheid en rust. Het ondiepe water wordt het felst bewogen, maar de hooge golven die er gaan breken ook het eerst.
Weinig geleerden hebben den geest der beweging van 1566 zoo gelukkig getroffen, als, in zijn onopzettelijkheid, de romanschrijver Charles de Coster in zijn _Tijl Uilenspiegel_, en dat hij dit gedaan heeft, is door niemand zoo goed gevat en zoo fraai uitgedrukt als door den Noordnederlandschen criticus Busken Huet.
„Als mengsel van goed en kwaad is Tijl een merkwaardige type. Hij heeft het diep gevoel van regt, hetwelk een volk op den duur het despotisme haten doet. Hij lijdt mede met den kleinen burger, tot wiens stand hij behoort. Hij is dapper, vindingrijk, en edelmoedig; een poorter met de gevoelens van een ridder. Zijne ligtzinnigheid zelve heeft iets elegants......” Maar de keerzijde! „Wanneer Tijl de guitestreken zijner vlegeljaren achter den rug heeft, dan zweert hij wel, bij het lijk zijns vaders, een ernstig man te zullen worden, een echte Geus; doch hij doet zijn eed niet gestand. Alleen bij tusschenpoozen ontwaakt in hem de volksheld. Zijne doorgaande levenswijze blijft die van den zigeuner, den onverbeterlijken pretmaker, den man naar het hart van Jan Steen. Er is in zijne vrijheidsliefde, hoe vurig ook, iets negatiefs. Hij wil den koning weghebben, de priesters, de inquisitie, de regters die met de geestelijkheid heulen, de landvoogden die door belastingen het volk uitzuigen. Maar met welk doel? Dit begrijpt men niet, of te weinig. Wij gevoelen alleen dat Uilenspiegel in zijn regt is, wanneer het instinkt van zijn landaard hem zegt dat het leven de moeite niet loonen zou, zoo elke kermisvreugde er uit gebannen werd.....” De Hollanders, die volhielden, „hebben zich moeten onderwerpen aan de noodzakelijkheid, een vreugdeloos kalvinistisch leven te leiden. Het bestaan der hoogere standen werd in Noord-Nederland zoo saai dat de schilders, tenzij in konventionele schuttersmaaltijden, in sombere regente- en regentessestukken, geen kans zagen het op doek te brengen. Het afbeelden van gemeene drinkgelagen, in gemeene herbergen, moest als veiligheidsklep der onderdrukte vrolijkheid dienst doen; gelijk aan de bruiloftsmaaltijden door schuinsche liedjes het puritanisme zich schadeloos stelde, of in de schouwburgen voor een keer het hart ophaalde aan eene uit de goot afkomstige klucht. Maar onderwijl werd in Europa de strijd tegen Spanje krachtig en glansrijk voortgezet; werd in Indië een groot overzeesch rijk gesticht; werden Amsterdam de schatten verzekerd, die Antwerpen derven moest, en verrezen er, tot eer der wetenschap, beroemde hoogescholen.—België heeft voor zijn meerderen levenslust, zijn krachtiger artistieken zin, gedurende meer dan twee honderd jaren met het verlies zijner onafhankelijkheid geboet. Dit is een harde straf geweest. Maar ook Holland is niet vrijgeloopen. Om zich te kunnen handhaven heeft het zich moeten afzonderen, in zichzelf moeten opsluiten. Het is buiten de algemeene beschaving geraakt; is in de achttiende eeuw allengs eene europesche kuriositeit geworden. En eene wormstekige kuriositeit bovendien! Toen de kalvinistische republiek tweehonderd jaren bestaan had, is zij op een kouden winterochtend van het jaar 1795 roemloos ineengezonken. In het begin der negentiende eeuw hadden Holland en België elkander niets te verwijten, niets te misgunnen. Beiden waren van de kaart van Europa geschrapt, en fransche wingewesten geworden.... Het is niet alles deugd geweest, wat in den strijd tegen Spanje de Hollanders heeft doen zegevieren; niet alles ondeugd, wat de Belgen heeft doen bezwijken. Aan de eene zijde zijn niet enkel voordeelen behaald, aan de andere zijde is niet enkel schade geleden. De Belgen hebben integendeel iets overgehouden wat de Hollanders zich nog eigen moeten maken: ik weet niet welken zin om het leven te verfraaijen, de alledaagsche zorgen voor een keer van zich af te schudden, onbekrompen in de beurs te tasten...... Ongetwijfeld zouden de Belgen zeer verkeerd gehandeld hebben, zoo zij in de 16{de} eeuw, ter wille van het kalvinisme, dien natuurlijken aanleg hadden onderdrukt. En nog verkeerder zouden zij heden ten dage handelen, zoo zij, ter wille van hun fatsoen of uit menschevrees, er te weinig van lieten blijken”[23].
[23] Litt. Fantasiën, vierde reeks, vijfde deel, bl. 137–139.
Er zijn op deze geestige bladzijde eenige aanteekeningen te maken. Ongetwijfeld zouden ook de Hollanders zeer verkeerd gehandeld hebben, zoo zij, ter wille van de kermisvreugde, tegen de uiterste consequenties van den strijd hadden opgezien. Zij hadden meer dan een staatkundige, zij hadden een geestelijke zelfstandigheid te verdedigen, en het verstrekt hun een adelbrief, dat zij zich aan die gewetenstaak niet hebben onttrokken. De Zuidnederlanders van 1576 stonden op om de staatkunde, niet langer om den godsdienst: zoodra hun, onder Parma, zekere staatkundige waarborgen werden geboden, konden zij zonder hun karakter te verloochenen den strijd opgeven. Niet aldus de Noordnederlanders, die intusschen op het calvinisme hun eigen stempel hadden gedrukt, en het als tot hun eigenste bezit gemaakt.
„België heeft met het verlies zijner onafhankelijkheid geboet”. Is deze voorstelling juist? Niet ten volle. Wij bezien, zoo sprekende, het lot van België door een Noordnederlandschen bril. Om een onafhankelijkheid te verliezen, moet men haar bezeten hebben, en wanneer is dit, in den hier blijkbaar bedoelden zin, vóór den tachtigjarigen oorlog het geval geweest? Immers nooit. „Onafhankelijkheid” in den zin van 1830 was geen ideaal der Belgische beweging van 1576. Men kwam in opstand tegen vreemde krijgsknechten en voor het behoud van nationale instellingen en voorrechten, die door Parma bij de reductie van het Zuiden gewaarborgd zijn. De voorstelling, als zou België sedert den val van Antwerpen in een toestand van slavernij hebben verkeerd, is onhistorisch. De regeering van Albertus en Isabella bij voorbeeld was langen tijd populair, en ontzag 's lands gerechtigheden evenzeer of meer als die van Karel V ooit gedaan had. Nog aan den vooravond der Fransche omwenteling vloog het volk in de wapenen voor het behoud der overgeleverde instellingen, die het sedert Parma onverkort had bezeten. Waar blijven bij deze feiten de „eeuwen van verdrukking”, waarvan het volkslied van 1830 spreekt? De Belgen zijn over het geheel in de zeventiende en achttiende eeuw geregeerd zooals zij het verlangden. Ook is het niet waar dat zij, zooals hetzelfde volkslied zegt, in 1830 „hun vaandel” heroverd hebben. Een vaandel, symbool eener internationaal erkende zelfstandigheid als die van de Vereenigde Nederlanden na 1648, hebben de Belgen voor 1830 nooit bezeten, en konden zij dus ook niet heroveren. Een zoodanige voorstelling, bestemd om den roem der mannen 1830 te verhoogen, verkleint dien inderdaad. Zij hebben niet hersteld, maar geschapen.
En toch, hoe begrijpelijk in haar ontstaan is de in haar algemeenheid ongetwijfeld onjuiste voorstelling die wij gispten. De slavernij, die men te vergeefs zoeken zal in het binnenlandsch bestuur, bestond in de verhouding tot het buitenland, tot Noord-Nederland in het bizonder. Een Noordnederlandsch staatsman[24] heeft eenmaal gezegd, dat in 1648 de koning van Spanje „het land redimeerde voor de zee, die hij cedeerde aan de Republiek.” Liever dan alle krachten in te spannen tot de verovering van het Zuiden, dat men, als Roomsch land, toch kwalijk zou kunnen regeeren, liet men het aan Spanje „met een bezwaarden eigendom.” België was tot de rol van bolwerk voor Noord-Nederland vernederd, tevens afzetgebied voor den Noordnederlandschen handel. De grootheid van de Republiek der Vereenigde Nederlanden was op den ondergang van Antwerpen gebouwd. Zoodra de Zeven Provinciën bevrijd en door de verovering van eenige buitenwerken bezuiden de groote rivieren versterkt waren, liet men België gaarne aan zijn lot over. Wat zoude men er ook mede hebben uitgericht? De ervaring van 1632, toen men zonder gevolg het Zuiden tot afval van Spanje had opgeroepen, was leerzaam; niet minder teekenend was, jaren na dien, de impopulariteit van het Nederlandsch tusschenbewind tijdens den Spaanschen successie-oorlog[25]. De voorwaarden zelf van den voorbeeldeloozen bloei der Republiek verhinderden, dat zij zich voor het ideaal van een Groot-Nederland verdienstelijk zou hebben kunnen maken. Zonder de vernedering van België was die bloei niet denkbaar.
[24] Van de Spiegel (zie zijn papieren door Vreede II, 394).
[25] Gachard, Le Conseil d'Etat belge et la Conférence anglo-batave, 1706–1713 (Bull. Acad. Royale, 1876).
Het Noorden dankte intusschen aan het Zuiden onnoemelijk veel. Om dit te erkennen, is het voldoende de lange lijst na te gaan der in Zuid-Nederland geboren personen, die de kerk, de wetenschap, de letteren en den handel der Republiek geïllustreerd hebben. Opmerkelijk is hierbij weder de veel grooter zelfstandigheid van het Noorden in de beeldende kunst dan in de letteren. De taal van den Statenbijbel en die van Vondel is vol bewijzen van Zuidnederlandschen invloed; Vondels verbeelding zelf is geheel Zuidnederlandsch. Daarentegen komt het gansche verschil tusschen Noord en Zuid, behalve in het godsdienstig en burgerlijk leven, in onmiskenbare trekken in de schilderkunst uit. Gelijk vroeger Brugge, beleefde thans Antwerpen nog een tijd van grooten kunstbloei na den ondergang van zijn handel. Wel mag België de gedachtenis eeren van Rubens en van Dyck: zij zijn de laatste standaarddragers eener beschaving, wier reddeloos verval een gevoelig verlies werd voor Europa. In hen neemt het oude, groote België, dat in een arbeid van eeuwen was opgebouwd, afscheid van de wereld. Voortaan zal slechts een geheel ander België mogelijk zijn, dat zich niet onmiddellijk aan de traditiën van het oude vastknoopen kan. Na den vrede van Munster geraakt België buiten den stroom der Europeesche geschiedenis; de Fransche omwenteling is noodig om het daar weder in te stooten.
Doch is het lot Noord-Nederland veel gunstiger geweest? Immers neen. Het rijst, in de eerste twintig, dertig jaren na den val van Antwerpen, met een verbazingwekkende snelheid omhoog. Dan volgen een zestig, zeventig jaren van majestueuze grootheid, maar die toch geen stevigen grondslag had. Het land dankte te veel aan voorbijgaande omstandigheden. Ligging en volksaard verzekerden Noord-Nederland een aandeel in den wereldhandel, zij verzekerden het geen handelsmonopolie. Als zeemogendheid kon het zijn rang niet ophouden, zoodra Engeland zich er toe zette van zijn rijker natuurlijke hulpmiddelen ten volle partij te trekken. Daarbij was, te land, de jonge mogendheid zeer kwalijk bevestigd. In 1672 kwam de waarschuwing, aan welke gevaren een geïsoleerd Noord-Nederland in de wereld blootstond. De Republiek moest, om bondgenooten te vinden, haar fabelachtigen rijkdom dienstbaar maken aan belangen die haar slechts van terzijde aangingen. In stede van in een veroverende, stond zij voortaan ten opzichte van de buitenwereld in een verdedigende positie. Alle uitbreiding was haar ontzegd, te land als over zee. Den schijn te redden werd voortaan haar steeds moeilijker wordende taak. Tegelijk verschrompelde haar geestelijk bestaan, dat gedurende korten tijd een licht der wereld was geweest. De val van Rubens tot de Belgische achttiende eeuw is niet grooter dan die van Rembrandt tot.... ja tot wien? Men is zelfs verlegen een naam te noemen.