De Belgische omwenteling

Part 4

Chapter 43,681 wordsPublic domain

Doch wat Nederland in Brugge verloor, vond het in Antwerpen met winst terug. Deze haven was spoedig na de opneming van Brabant in het middeleeuwsche wereldverkeer[8] van eenige beteekenis geworden: zij was vooreerst de locale uitvoerhaven van een eigen Brabantsch achterland, maar trok ook alras een gedeelte van den handelsstroom tot zich, die zich overland van Keulen naar Brugge richtte. De tyrannie, die Dordrecht met zijn stapel- en Maasrecht op de Hollandsche rivieren oefende, belette het wereldverkeer op den natuurlijken uitweg van Duitschland naar zee zich recht te ontwikkelen: de functiën van het oude Dorestat waren door het middeleeuwsche Holland slechts voor een klein deel overgenomen. Zoo lag dus Antwerpen buitengemeen gunstig voor het Duitsche verkeer. De Duitsche kolonie was er van den aanvang af zeer aanzienlijk. Na een tijdelijk verval onder de heerschappij van Lodewijk van Male, die Antwerpen opofferde aan Brugge, bloeide de stad onder de Bourgondiërs weder zeer snel op. Tegelijkertijd had in de gesteldheid der Zeeuwsche vaarwaters een verandering plaats, welke de Westerschelde tot dien uitnemenden weg naar zee maakte, die zij tot heden is gebleven[9]. En Antwerpen wist, door moderne inrichtingen, den handel te lokken, terwijl Brugge, waar het gansche bedrijf van privilegiën aan elkander hing, dien afstootte. Dáár moest alle koop en verkoop geschieden door tusschenkomst van Brugsche makelaars; Antwerpen daarentegen huldigt de vrijheid. Het makelaarsbedrijf is geheel vrij, het burgerrecht wordt met groot gemak verkregen, de vreemdelingen zijn niet onderworpen aan allerlei dwingende en ondoeltreffende bepalingen, de waren behoeven niet in een bepaalde hal te worden opgeslagen. Te Antwerpen wordt, in 1460, de eerste koopmansbeurs geopend. Eindelijk komen alle vreemdelingen van Brugge naar haar over. De stad groeit aan van 3440 haardsteden in 1435, tot 6801 in 1494 en 8785 in 1526. Haar bloei verzekert aan Oost-Vlaanderen, dat door de Schelde gemeenschap met haar heeft, nog altijd zeker aandeel aan het wereldverkeer: het Vlaamsche linnen en het koren van Vlaanderen, Artois en Henegouwen nemen hun weg naar Gent en vandaar op Antwerpen. West-Vlaanderen daarentegen wordt een achterhoek.

[8] Zie bl. 17.

[9] Vroeger was de directe weg onbruikbaar, en moesten de schepen Walcheren om.

Met Brussel en Antwerpen, de vorstelijke residentie en de handelsmetropool, is Brabant het hart van den wordenden staat. Door Antwerpen bepaaldelijk staat het Zuiden ook met het Noorden in verkeer, met de nieuwe wereld die voorbestemd was in het leven der gezamenlijke Nederlanden zulk een belangrijke en geheel eigenaardige rol te vervullen.

Het Noorden vormde in dezen tijd nog minder een eenheid dan het Zuiden. Eigenlijk waren er drie verschillende werelden in op te merken: een Hollandsche, een Geldersche, en een Friesch-Groningsche, in het verre Noordoosten. Verreweg de belangrijkste was de Hollandsche wereld, maar dit was niet altijd zoo geweest.

De Karolingische beschaving had hier haar zetel gehad meer landwaarts in, niet in de onherbergzame moerassen aan de zeekust. Te Utrecht, ongeveer in het midden der noordelijke Nederlanden, en in de onmiddellijke nabijheid van de grootste handelsplaats, werd de bisschopszetel gevestigd, en na de Noreninvallen op zijn ruïnen hersteld. Omstreeks het jaar 1000 was Utrecht, op bescheidener schaal, een brandpunt van beschaving als Luik. En haar diocees was de eenige die zuiver Dietsch was; bij gunstige omstandigheden had de stad een groot middelpunt voor het gansche Noorden kunnen blijven. Doch zij had zeer te lijden gehad van de nederlaag der Duitsch-koninklijke politiek, wier agent de bisschop van Utrecht in dit afgelegenst deel van het afgelegen Neder-Lotharingen was geweest. Het bisdom Utrecht als groote wereldlijke macht kon zich evenmin staande houden als die andere kunstmatige schepping: het hertogdom Neder-Lotharingen zelf. De feodaliteit won den strijd aan alle kanten. De bisschop verloor het gezag over den benedenloop der groote rivieren; hij werd een binnenlandsch potentaat, wiens landen niet eenmaal aan één stuk lagen. Van de territoriale machten in opkomst die Utrecht omringden, wist gaandeweg Holland, dat daartoe het gunstigst lag, zich den overwegenden invloed in het bisdom te verwerven. Althans in zijn voornaamste stuk, het Nedersticht. Het land over den IJsel werd een nagenoeg aan zichzelf overgelaten uithoek, waar kleine economische machten zich aanmerkelijke staatkundige zelfstandigheid wisten te verwerven, als de drie IJselsteden en vooral de stad Groningen. Het platteland bleef in die streken in ontwikkeling zeer ten achter. In Friesland eindelijk had de bisschoppelijke autoriteit weinig meer dan in naam bestaan. Dit gewest, waar zich noch een landsheerlijke macht, noch een politiek machtige stad ontwikkelde, vormde in het middeleeuwsche Noord-Nederland een wereld op zichzelf, ingeschrompeld overblijfsel van het vermaarde Friesland uit den Karolingischen tijd, dat in zijn werkelijke beteekenis veeleer in Holland, dan in het gewest Friesland der latere middeleeuwen voortleeft.

De Friesche volksstam, oudtijds niet verder dan tot den Rijnmond wonend, had zich, naarmate de Salische Franken zuidwaarts drongen, over de landen langs de zeekust sterk uitgebreid, tot aan het Zwin en zelfs nog daarover. De naam „Fresia” duidde in den vroeg-middeleeuwschen tijd een gebied aan van het Zwin tot de Wezer. Willebrord arbeidt zoowel op Walcheren als te Vlaardingen of Heiloo „onder de Friezen”: Utrecht ligt „op de grens der Friezen”. Zij zijn het zeevarende volk van den Karolingischen tijd. In en bezuiden Kennemerland hebben zij voorzeker de kuststreek niet geheel verlaten gevonden, maar er zich met een achtergebleven Frankische bevolking vermengd: de taal van Holland is Frisofrankisch. Geheel Holland als geschiedkundig verschijnsel is alleen uit deze menging te verklaren. Holland is een door zuidelijken invloed getemperd en beschaafd Friesland. In taal en ingevoerde instellingen overweegt het Frankisch karakter, maar de Hollandsche mentaliteit is grootendeels Friesch. Aan Hollanders en Friezen is gemeen de trek naar de zee, die bij de Salische Vlamingen nagenoeg geheel ontbreekt;—Hollanders en Friezen zijn gelijkelijk toegankelijk gebleken voor het Calvinisme, dat onder de Frankische Nederlanders nergens goed wortel heeft kunnen schieten.

Het Hollandsche gravenhuis komt uit Kennemerland, op de grens der zuivere en der gemengde Friezen. Van groote historische beteekenis nu is het feit, dat het aan dit huis, dat eenerzijds met zijn aanspraken weldra tot in hedendaagsch Friesland zou reiken, gelukt is zich tevens aan de Merwede en in Zeeland vast te zetten. Holland werd meester van de groote rivieren, en tevens van de brug naar Vlaanderen; over Zeeland bewester Schelde oefende het zelfs geruimen tijd met Vlaanderen condominium uit, zoodat de aanraking met dit meest beschaafde van alle Nederlanden een zeer levendige was. Het kan niet verwonderen dat een zoo gelegen en onder zulke invloeden zich ontwikkelende macht de beteekenis van Utrecht weldra geheel overtrof. Holland en Utrecht behooren, in de kern hunner historische verschijning, tot twee verschillende tijdperken: Utrecht tot dat van het overwicht van het Lotharingische, Holland tot dat van het overwicht van het Vlaamsche deel der Nederlanden. Utrechts beteekenis hangt samen met den Duitschen invloed in de vroege middeleeuwen; Holland daarentegen is het gewest dat, door bemiddeling van Vlaanderen, in de latere middeleeuwen Fransche beschavingselementen in het Noorden invoert en tot den voor het Noorden passenden vorm verwerkt. Deze functie van Holland komt voor het eerst duidelijk aan het licht in de dertiende eeuw, om zich gedurig scherper af te teekenen. Sedert de dertiende eeuw kan men zeggen dat er een Hollandsche bizonderheid bestaat, die niet alleen noch Duitsch noch Fransch, maar evenzeer noch Vlaamsch noch Friesch is. De Henegouwsche graven eerbiedigen dat bizonder karakter ten volle; zij hebben uitmuntende Hollanders weten te zijn. De Beiersche vorsten raken in Holland zeer spoedig ontduitscht, en geheel onder zuidelijken, Vlaamsch-Bourgondischen invloed. De taal van hun hof is Fransch, als die van het Henegouwsche dat zij opvolgen. Het is de dwaasheid zelve, om in den strijd van Jacoba tegen Philips den doodsstrijd van het „Duitsche” Holland tegen de Waalsche overheersching te zien, zooals von Löher gedaan heeft. Jacoba, dochter van een Bourgondische moeder en volslagen gefranciseerden vader (die in Parijs zijn _hôtel de Hollande_ had zoo goed als Jan zonder Vrees zijn _hôtel d'Artois_), weduwe van een dauphijn, vrouw van een Bourgondiër, is juist gelijk aan Philips van Bourgondië zelven, minus het talent, de sekse, en het politiek overwicht die hem in staat stelden een beter vorst van Holland te wezen dan zij ooit zou zijn geworden. Hoe weinig Waalsch de overheersching van Philips van Bourgondië was, hebben wij reeds bij Vlaanderen gezien. Ten opzichte der taal veranderde in 1428 eenvoudig niets hoegenaamd: Holland had sinds 1299 Franschsprekende vorsten gehad, zonder dat, bij deze zuiver Dietsche bevolking, de landstaal hierdoor ook maar eenigermate bedreigd was geworden. En wat het „Duitsche” Holland betreft: Holland was in 1428 sinds lang niet meer Duitsch. Zijn schrijf- en spreektaal hadden zich gevormd en waren ten opzichte van het Duitsch wat zij nu nog zijn: een verwante, doch andere taal. „Die seind all de partibus inferioribus Rheni und de Brabancia und Flemming, der deutsch wir nicht versten muegen,” heet het in een Bazelschen tekst van 1435. Van de geheele voorstelling, dat wij hier een stuk Fransch-Duitsche worsteling bijwonen, blijft al zeer weinig over.

Terwijl Holland zichzelf bleef, trad het toch in 1428 tot de Zuidelijke Nederlanden in een nog nauwer betrekking dan te voren. Zijn historische rol van beschaver van het Noorden begon nu eerst recht. De Bourgondische invloed uit zich, in het nog niet onderworpen Noorden, als een Hollandsche invloed. Aan gene zijde van de oostelijke grens van Nederland bevindt zich geen zoodanig aantrekkingspunt als Holland: de landen die, in een halven cirkel, van Geertruidenberg tot het Vlie, Holland omringen, komen noodzakelijk met Holland in veel nauwer aanraking dan met welk ander van de Nederlandsche hoofdgewesten ook. Deze aantrekkingskracht van Holland, reeds vóór 1428 duidelijk waar te nemen, werd natuurlijk slechts te grooter sedert Holland als de vertegenwoordiger van een zoo reusachtige macht als de Bourgondische verscheen.

Het minst door bevolking en ligging voorbeschikt om in Hollands kielzog te moeten varen was het hertogdom Gelderland. Het naderde veel meer tot het normale type van den Nederduitschen territorialen staat dan Holland ooit gedaan had. Tot in de veertiende eeuw, ja eigenlijk tot het uitsterven van het Guliksche huis, is Gelderland meer naar Brabant, Limburg, Gulik, Kleef, Berg georienteerd, dan naar Holland. In 1423 komt hierin verandering. Een werktuig der Bourgondische politiek wordt hertog, „en schijnt zijn regeering als een Hollandsch stadhouderschap op te vatten”[10]. Zijn zoon ontworstelt zich aan dezen invloed, die evenwel onvermijdelijk op den duur overwinnen moet, daar er geen tegenwicht van genoegzame zwaarte tegen de Bourgondische macht bestaat. Eerst de gevolgen van den vroegen dood van Karel den Stoute, daarna de steun van Frankrijk en de omstandigheid dat Karel V door ander werk een tijdlang overstelpt is, rekken het zelfstandig bestaan van Gelderland tot 1543, maar bij de eerste gelegenheid de beste dat Karel zijn volle kracht aan dit onderdeel van zijn historische taak besteden kan, is het met deze ten doode opgeschreven zelfstandigheid gedaan. Toch blijft Gelderland nog zeer merkbaar het meest Duitsche van de Noordnederlandsche gewesten. Het Hollandsch is er in de zestiende eeuw nog niet als schrijftaal in gebruik. De toetreding van het gewest tot de Unie van Utrecht werd niet dan met moeite verkregen.

[10] P. L. Muller in Gids 1885, Octobernummer („Middeleeuwsch Nederland”; het beste wat over deze aangelegenheden geschreven is).

Gemakkelijker dan Gelderland, vielen de noordoostelijke gewesten aan de Bourgondiërs ten deel. Hier vonden zij geen groote territoriale eenheden, als Gelderland er een was. De steden aan den IJsel hadden aan den bloei der Hanze deel gehad, en moesten, nu deze verviel, het economisch overwicht van Holland gevoelen, dat zich tot een machtig centrum van handel en scheepvaart opwerkte tegen de Hanze in. De merkwaardige oorlog van 1437 bezegelde den val der Hanze en maakte Holland tot de overwegende maritieme macht in de Noordzee. In Friesland was, bij ontstentenis van het orgaan dat elders de maatschappelijke ontwikkeling leidde, een hopelooze verwarring en verwildering ingetreden, die de Bourgondische macht aanleiding gaf er de oude Hollandsche aanspraken met kracht te doen gelden. Het op zich zelf staande Groningen was reeds door het Bourtanger moeras voorbeschikt het lot van Nederland, niet dat van Noordduitschland te deelen.

Als verreweg het belangrijkste Noordnederlandsche gewest leerden wij dus Holland kennen. Het vertoonde reeds veel van de karaktertrekken, die de tachtigjarige oorlog heeft verscherpt en die het toen in meerdere of mindere mate aan de gansche Unie heeft weten in te drukken. Wanneer wij in dit verband van Holland spreken, bedoelen wij steeds Holland, Zeeland en West-Friesland te zamen, die reeds vroeg zoo nauw vereenigd zijn geweest en het ook in den opstand te midden der grootste gevaren altijd zijn gebleven. Zij vormen eenigermate de mikrokosmos van Noordnederland, en nemen een zelfstandig aandeel in het cultuurleven van de gezamenlijke Bourgondische landen. Economisch vervullen zij een eigen rol, die van zeevaarders, en zijn dus een gewichtige aanvulling op het Zuiden dat geen zeevaart heeft. Ook in de geestelijke kultuur hebben zij een onmiskenbare eigen individualiteit, die, in de vijftiende evenzeer als in de zeventiende of in de negentiende eeuw, minder sterk tot uitdrukking komt in de letterkunde dan in de beeldende kunsten.

Wij schrijven daar een stelling neer, die, voor zoover het de vijftiende eeuw geldt, velen misschien paradoxaal zal lijken.

Toch is het alleen aan de betreurenswaardige zeldzaamheid van Hollandsche primitieven in de Hollandsche musea, en aan de daarmede samenhangende verwaarloozing onzer vroegste kunstgeschiedenis toe te schrijven, dat deze stelling ook voor de vijftiende eeuw niet sinds lang is erkend.

De Hollandsche schilderschool der vijftiende eeuw is minder aanzienlijk en van jonger oorsprong dan de Vlaamsche, zij is zelfs in haar oorsprong afhankelijk van de Vlaamsche. Het verschil tusschen de beide scholen is, zoo kort na beider ontstaan, natuurlijk voor den oppervlakkigen beschouwer gering. Doch dezelfde oppervlakkige beschouwer zal misschien zeer weinig verschil zien tusschen een oud-Keulsch, een oud-Fransch en een oud-Vlaamsch schilderij. Waar het op aankomt is niet, of het den ongeoefende even gemakkelijk valt te onderscheiden tusschen Geertgen tot St. Jans en Memling als tusschen Rembrandt en Rubens, maar of de verschillen, die het geoefend oog tusschen Geertgen en Memling opmerkt, al of niet mede zijn te verklaren als uitvloeisel van eenzelfde verschil in nationaliteit, als tusschen Rembrandt en Rubens bestaan heeft. Het verschil mag dan veel geringer zijn in graad, maar kan daarom met het latere toch overeenkomst hebben in wezen. Ware dit het geval, dan is daarmede voor de bepaling der onderlinge verhouding van Noord- tot Zuidnederlandsche nationaliteit een gewichtig vast punt gewonnen. De vrijheidsoorlog, die naar veler oordeel de Noordnederlandsche nationaliteit eerst heeft geschapen, zou dan eenvoudig een reeds vroeger bestaand verschil hebben verscherpt.

Ik geloof nu zeer zeker dat dit laatste het geval is geweest, en wil daarom het nog weinig behandeld punt van het onderscheid tusschen Vlaamsche en Hollandsche primitieven hier kortelings bespreken[11].

[11] Ik dank de bevestiging mijner eigen schroomvallig gevormde zienswijze in dezen aan de met uitnemende bereidwilligheid verstrekte voorlichting van mijn vriend Dr. Wilhelm Valentiner, die voornemens is het punt eerlang opzettelijk te behandelen.

Wij zeiden boven dat (Groot-)Nederland, als beschavingseenheid, zich in het Bourgondische tijdvak in onmiskenbare uitingen manifesteert. Geen van die uitingen is beroemder, dan de kunst van Huibert en Jan van Eyck.

Zelden is, boven het door een vorig geslacht bereikte, een beeldende kunst in één werk zoo hoog uitgeheven als in het Gentsche altaar. Hoe natuurlijk, dat men is gaan spreken van „het raadsel der van Eyck's”. Raadsel is het aandeel van elk der gebroeders aan het werk dat hun roem verbreidt, raadsel is de plotselinge verschijning hunner kunst zelve. Doch ook in deze raadselen, al zijn zij ver van opgelost, is wel eenig licht gaan schijnen. Hoe ver inderdaad zijn wij reeds gevorderd sedert den tijd, dat men als voorlooper der van Eyck's nog slechts den enkelen Broederlam wist te noemen. Broederlam is een kunstenaar uit Yperen, van wien eenig omstreeks 1390 voor Philips den Stoute uitgevoerd schilderwerk bewaard is te Dijon. Maar juist dit werk staat zeer ver van de kunst der van Eyck's af, en schijnt het raadsel grooter te maken in plaats van het op te lossen. Er zijn echter, indien men van schilderijen afziet, een vrij groot aantal werken die nader aan de van Eyck's staan, dan de luiken van Broederlam. De Vlaamsche kunst, die wij in het Gentsche altaar als op eenmaal ten troon zien stijgen, heeft inderdaad een lange ontwikkeling gehad.

De gansche 14{de} eeuw door hebben Zuidnederlanders een groot aandeel gehad in de kunstproductie van Noord-Europa, maar zij hebben meest gewerkt voor Fransche bestelling. De Fransche kunst zelf scheen in die eeuw op een dood punt geraakt. In de 13{de} eeuw daarentegen had zij heerlijk uitgeblonken. Gelijk in zooveel anders, was Frankrijk ook in de kunst in de 13{de} eeuw de eerste kultuurmacht van Europa. De zegetocht zijner gothiek is bekend, zijn verluchtingskunst stond op hoogeren trap dan die van elders, zijn sculptuur nog meer, met name die van Noord-Frankrijk, een land waar de bevolking veel Frankisch bloed, en met de Belgische veel aanraking heeft. De sculpturen van den dom te Reims zijn voor een deel van een zoo treffend realisme, dat men ze zou wanen gisteren gehouwen te zijn. Maar de beelden, die ons het meest op de komst van Sluter en de van Eyck's voorbereiden, zijn die van de Fransche koningen te St. Denis, uit het eerste begin der 14{de} eeuw. Wellicht de allerfraaiste van de tomben, welke die beroemde abdij uit deze periode bewaart, is werk van een Zuidnederlander, Jehan Pepin van Hoei, „imaigier” van de gravin van Artois; het stelt haar zoon, Robert het Kind, voor (±1330). Na dien tijd wemelt het van Zuidnederlandsche kunstenaars in Frankrijk. André Beauneveu van Valenciennes, Jean Hennequin van Luik, Jan Bandol van Brugge, zijn in dienst van koning Karel V; dezelfde Beauneveu, Jacquemart van Hesdin, Paul van Limburg in dienst van hertog Jan van Berry; de Brabander Henri Bellechose, en Melchior Broederlam van Yperen, in dienst van Philips den Stoute van Bourgondië. Onder deze kunstenaars zijn er, die meer als de wegbereiders der gebroeders van Eyck zijn te beschouwen dan Melchior Broederlam: wij bedoelen Beauneveu en Paul van Limburg. Beauneveu genoot reeds in zijn eigen land een zeer grooten roem, eer hij zich in Frankrijk vestigde. Hij was toen al beeldhouwer in dienst van Lodewijk van Male geweest. Zijn tomben van Philips VI, Jan den Goede en Karel V te St. Denis laten in de richting naar het realisme van Sluter en de van Eyck's al het voorafgegane ver achter zich. Nog duidelijker voorboden van de Vlaamsche kunst der 15{de} eeuw zijn de miniaturen van Paul van Limburg in de „Très riches heures” van den hertog van Berry (te Chantilly), waar op enkele bladen, als dat waarop het bezaaien van den akker is voorgesteld, het weergeven der ruimte, dat aan de middeleeuwsche kunst onbekend is, doch daarentegen naar algemeene toestemming een der zegepralen is van de kunst der 15{de} eeuw, zoo goed gelukt schijnt als nog nimmer te voren. Toch ligt er tusschen den zaaier van Paul van Limburg en het Gentsche altaar nog een groote afstand, op het midden waarvan wij eerst het werk van Sluter, en vervolgens de Turijnsche getijden aantreffen.

Sluter en zijn neef Claes van de Werve sluiten de rij der vreemde kunstenaars, die door Philips den Stoute naar zijn Bourgondische hoofdplaats Dijon zijn geroepen, waar hij, in het Karthuizerklooster van Champmol, een gedenkteeken wilde oprichten voor zich en zijn huis. In 1383 had de eerste-steenlegging van het gebouw plaats; het volgende jaar werd met de beeldhouwwerken begonnen, onder leiding van 's hertogs „imaigier”, Jean de Marville, ook een Zuidnederlander. Onder hem arbeidde Claes[12] Sluter, die in een der teksten voorkomt met den bijnaam „de Orlandes”. Onder Jean de Marville, die in 1389 stierf, schijnt men zich hoofdzakelijk te hebben bepaald tot den aankoop van materiaal; de roem der vinding en uitvoering van de kunstwerken die vervolgens ontstonden wordt in de bescheiden uitsluitend aan Sluter gegeven, die in 1389 de leiding van het geheel verkreeg. In 1393 was het portaal der kerk gereed. Daarvan bestaan nog de beelden van den hertog en zijn gemalin, een Heilige Maagd, een Sint Jan en een Sinte Catharina. Maar boven alles stelden de tijdgenooten den grooten Calvariënberg, waaraan Sluter van 1392 tot 1405 gearbeid heeft, en waarvan alleen het voetstuk, op een in een put gefundeerde zuil rustend, is overgebleven. De groep die door het voetstuk werd gedragen: een Christus aan het kruis tusschen de Maagd, Sint Jan en Magdalena, is in den tijd van vrijheid, gelijkheid en broederschap vernield. De spraakmakende gemeente noemde het geheel den Mozesput, naar een der figuren van het voetstuk, dat, vijf meters hoog, zich boven den rand der put verheft, en waarin zes vlakke nissen zijn uitgehouwen, waartegen de levensgroote beelden van Mozes, David, Jesaja, Jeremia, Zacharia en Daniël zijn aangebracht. Gevleugelde engelenbeelden in voorover gebogen houding, wier voeten op de kapiteelen der kolommen rusten welke de zes nissen vaneenscheiden, dragen een vooruitspringenden bovenrand, die eenmaal glooiend opliep tot een heuvel, waaruit het kruis rees. Het geheel moet, te oordeelen naar het gedeelte dat bewaard is, even gelukkig van vorm geweest zijn als vernuftig van vinding. De zes profetenbeelden zijn niet minder dan een mijlpaal in de geschiedenis der Noord-Europeesche kunst. Zij zijn als de hoogste ontwikkeling der middeleeuwsche sculptuur te beschouwen, en reiken tegelijk reeds in den nieuwen tijd. De taal der vormen, zooals die in de houding der figuren, in de behandeling van het gewaad, in het bijwerk spreekt, is nog gothisch, maar in de overweldigende realiteit der koppen, (der handen ook!) komt de kracht eener voor driekwart zelfstandig geworden kunstenaarsindividualiteit tot uiting. Zeker even hoog staan de beelden van het kerkportaal, waaronder de stichtersfiguur en de grijsaard, die Sint Jan voorstelt, uitmunten. Al deze beelden moeten niet slechts ontworpen, maar ook uitgevoerd zijn door Sluters eigen hand; van de tombe echter van Philips den Stoute, lang te voren begonnen maar eerst in 1412 voltooid, schijnt de detailuitvoering aan Claes van de Werve te zijn overgelaten. Ook bij dit beeld treft het traditioneele in de behandeling van het gewaad, het individueele in die van hoofd en handen.

[12] Of men van Claes of van Klaus Sluter moet spreken, hangt af van het antwoord op de m. i. nog open vraag, of men in hem een Noordnederlander of een Rijnduitscher te zien heeft, waarover nader.