De Belgische omwenteling

Part 3

Chapter 33,510 wordsPublic domain

Terwijl Bourgondië zich aldus zelfstandig maakt, wordt de staatkunde der Fransche kroon in de eerste plaats anti-Bourgondisch. Doch zij wordt verlamd door de oneenigheid tusschen Karel VII en zijn zoon Lodewijk, die de vlucht neemt naar zijn Bourgondischen verwant, en daar 's konings dood verbeidt. Het schijnt een oogenblik of de vroegere dubbelzinnige toestand nog eenmaal zal kunnen intreden, wanneer met Lodewijk XI een creatuur van den hertog van Bourgondië den Franschen troon bestijgen zal. Doch Lodewijk, eenmaal koning, heeft dergelijke verwachtingen te schande gemaakt. Valois en Bourgondië vertegenwoordigden voortaan onherroepelijk verschillende landen met verschillende belangen.

De Bourgondische bezittingen waren rijk genoeg, om Karel den Stoute in staat te stellen zich tegenover Frankrijk te handhaven, en zelfs om naar de Rijkszijde zijn gebied verder uit te breiden. Het gedeelte zijner rustelooze werkzaamheid, dat, als de bemoeiingen in Luik en in Gelder, als de uitvoering van het program zijns vaders kan worden beschouwd, heeft dan ook zeker zijn val niet veroorzaakt. Maar Karel ging, in dolzinnige haast, de grenzen eener aan een opkomende dynastie geoorloofde eerzucht ver te buiten. De Bourgondiërs konden twee dingen doen. Zij konden hun Nederlandsche bezittingen afronden; zij konden ook, door het toe te leggen op de verwerving van Lotharingen, Bourgondië met de Nederlanden in onmiddellijke verbinding zoeken te brengen. Het eerste doel was volkomen bereikbaar, het tweede reeds uitermate moeilijk, en het was zeer de vraag, of op die wijze een levensvatbare staat kon ontstaan: Frankrijk drong, met Ile de France en de Champagne, provinciën die het onmogelijk was ooit aan de Fransche kroon te ontnemen, te ver naar het Oosten in. Een dergelijke groot-Bourgondische staat, gezwegen er van, dat hij bezwaarlijk ooit de belichaming eener nationaliteit zou zijn geworden, zou naar te veel zijden tegelijk defensief hebben moeten optreden, en in zijn smalle verbindingslid steeds een zeer kwetsbare plek hebben gehouden. Om dit verbindingslid een behoorlijke breedte te geven, bleef niets over dan het veroveren der Rijngrens van Bazel tot Kleef, een pogen dat half Duitschland tegen den Bourgondiër in de wapenen zou brengen, zooals de geschiedenis van het beleg van Nuis kwam bewijzen. De plannen echter van Karel den Stoute gingen echter nog boven dit groot-Bourgondisch program uit. Beurtelings stelde hij zich voor de Fransche monarchie in zes of zeven kleine staten op te lossen, de Habsburgers tot zijne cliënten en zichzelf tot Keizer te maken, zijn nog niet eenmaal bestaand rijk uit te breiden tot de Middellandsche Zee, ja zelfs voet te vatten in Italië. Op zijn dood is een geweldige reactie gevolgd, die te nauwernood de voornaamste resultaten van het werk van zijn vader in wezen liet.

Wèl moest een schepping aan wezenlijke behoeften beantwoorden, die zich staande hield onder zoo ongunstige omstandigheden als de regeering van Maria en Maximiliaan opleverde. In één opzicht werd zij zelfs zeer versterkt: het terugvallen van het hertogdom Bourgondië aan de Fransche kroon, nekslag aan de groot-Bourgondische gedachte, bepaalde de krachten van het huis, voor eenigen tijd althans, tot zijn taak in de Nederlanden, die scherp belijnd, en die uitvoerbaar was.

Philips de Goede reeds, de _conditor Belgii_, had verwonderlijk veel bereikt. Eigenlijk niet verwonderlijk, als men bedenkt hoe reeds de veertiende eeuw op Nederlandschen bodem de leer van Philips van Leyden, en de practijk van Lodewijk van Male had voortgebracht. Het gemeene recht won veld op de privilegiën, die opgehouden hadden noodzakelijk en dus aangevangen hadden schadelijk te zijn. De gesloten klassen der middeleeuwsche maatschappij houden zich niet meer in stand. De geleerdheid is niet meer het deel der geestelijkheid alleen, de adel is niet meer de militaire kaste bij uitnemendheid, de voorrechten, aan steden en corporatiën verleend, zijn niet meer de eenige waarborgen der vreedzame verrichting van bepaalde maatschappelijke functiën. De vorst wordt de natuurlijke toevlucht van allen die geen deel hebben aan de privilegiën, en evenzeer van allen die er deel aan hebben, want geen geprivilegieerde of hij wordt door eens anders privilegie in zijn belangen geschaad en in zijn vrijheid beperkt. De betrekkingen van allen met allen zijn te levendig geworden, dan dat de oude scheidsmuren overeind kunnen blijven staan, en de vorst is de eenige die de bouwvallen kan opruimen.

Zeer duidelijk is nu, in elk der gewesten die in het bezit der Bourgondiërs geraken, een versnelde ontwikkeling in de reeds overal ingeslagen richting naar egalisatie, centralisatie, monarchie. Daarnevens worden de eerste grondslagen gelegd eener algemeen-Nederlandsche regeering en vertegenwoordiging.

Van de hervorming der instellingen eener bepaalde provincie levert Vlaanderen een sprekend beeld. De „audiencie” van Lodewijk van Male hield zes of zeven zittingen per jaar, en was een omgaand hof. De raad die Philips de Stoute in 1386 te Rijsel instelt (voor Vlaanderen met Antwerpen en Mechelen inbegrepen, Rijsel, Douai en Orchies, Artois, Nevers en Réthel) zit elken dag en is gebonden aan een bepaalde plaats. De leden moeten afzien van elke andere betrekking of bezigheid, leven uitsluitend van hun wedde, mogen niet het burgerrecht behouden eener bizondere stad of het lidmaatschap eener bepaalde corporatie: zij vormen het eerste volkomen uit de maatschappij geïsoleerde ambtenaren-college dat de Nederlanden gekend hebben. De raad is behalve regeeringsraad en gerechtshof tevens rekenkamer; hij waakt over de rechten en bezittingen van den heer, die inderdaad zijn, en met elk jaar meer worden, de rechten en bezittingen van het publiek. De raad sprak Fransch. Hiertegen, en tegen de omstandigheid dat het graafschap geen afzonderlijk ressort meer vormde, maar met andere gewesten aan eenzelfde college onderworpen was geworden, brachten de Vlamingen aanhoudend klachten in. Jan zonder Vrees splitste daarom het college in een rekenkamer, die te Rijsel bleef, en in een gerechtshof, dat te Oudenaarde gevestigd werd (1405) en twee jaar later te Gent, waar het, met korte tusschenpoozen in de 15{de} eeuw[4], tot de Fransche omwenteling toe is gebleven (de Raad van Vlaanderen). Onderwijl werd het gebied der rekenkamer te Rijsel nog met Namen en Henegouwen vergroot. Zij bleef zich bij uitsluiting van het Fransch bedienen. Voor den Raad van Vlaanderen werd aanstonds in 1405 ten aanzien der taal een andere regeling getroffen, waarbij werd voortgebouwd op de regelen bij de Audiencie van Lodewijk van Male in gebruik, waar de rechters gewoon waren geweest hun vonnissen te vellen in de taal die partijen gebruikt hadden. „Toutes enquestes quy se feront par lesdicts conseillers ou autres commis de par eulx, où les escriptures des parties sont en flameng, se feront en flameng.” Voorts werd bepaald „qu' à l'huys ouvert chascune des parties et poursuyvans puyssent parler à tel langage qu'ilz veuillent, et qu'on leur responde en langage flameng. Et s'ilz sont en débatz, le Flameng aura l'option de playder en flameng s'il luy plaist”[5]. Dit taalbesluit van Jan zonder Vrees is van kracht geweest zoolang de Raad van Vlaanderen gestaan heeft: tot de Fransche omwenteling toe. Het is dan ook zeer verkeerd, in de Bourgondische vorsten voorvechters te zien van het gebruik der Fransche taal. Zij eerbiedigden te dezen aanzien de bestaande toestanden. In België gold de taalgrens voor het lagere volk, maar waren de hoogere standen feitelijk tweetalig geworden, lang voor de komst van den eersten Bourgondiër in de Nederlanden. Benoorden den Moerdijk, waar het Fransch niet doorgedrongen was, hebben zij ook niet de geringste poging gedaan om het in te voeren. Nauwelijks minder verbreid dan de kennis van het Fransch in Vlaamsch-, was die van het Vlaamsch in Waalsch-België. Philips de Goede en Karel de Stoute konden Vlaamsch spreken; zij wisten te goed, zegt de kroniekschrijver Molinet, „que leur puissance estoit trop plus flamande que wallonne.” Froissart kende Vlaamsch. Een groote menigte Fransche uitdrukkingen drongen in het Vlaamsch, een niet minder groote menigte Vlaamsche woorden drongen in het Luikerwaalsch door. Sedert het verval van de jaarmarkten in de Champagne was het gebruik van het Vlaamsch in den handel zeer toegenomen, en dank zij de verbetering van het onderwijs nam in de 15{de} eeuw het officieel gebruik der landstaal in het binnenlandsch bestuur der Dietsche streken geheel en al de overhand op Latijn en Fransch beide. Van weerszijden der taalgrens noodigde men elkander uit tot het vogelschieten en tot de landjuweelen. Het onderscheid in taal verdeelde België in geenen deele in twee vijandige kampen. Waar echter het Vlaamsch zich bedreigd voelde, wist het zich te verdedigen, als in 1477 tegenover Vrouw Maria, na het drijven van Karel den Stoute, den eenigen vorst die de wijze gematigdheid van zijn huis ten opzichte der taalkwestie niet volkomen gehandhaafd, en in Vlaamsch land ambtenaren aangesteld heeft, die de taal der bevolking niet verstonden, volstrekt niet uit stelselmatige vijandschap tegen het Vlaamsch evenwel, maar als een gevolg zijner ook in andere opzichten niets ontziende willekeur.

[4] In 1439 voor een jaar te Kortrijk; van 1447 tot 1451 te Dendermonde, van 1451 tot 1463 te Yperen.

[5] Placcaerten van Vlaenderen, I, 241, 242.

De voor Vlaanderen ontworpen binnenlandsche bestuursinrichting werd, naar 's lands gelegenheid verbrabantscht of verhollandscht, elders nagevolgd. In 1406 werden te Vilvoorde een Rekenkamer en een Raad van Brabant opgericht. Het eerste lichaam is blijven bestaan en zag later Luxemburg aan zijn gebied toegevoegd[6], tegen den Raad evenwel kwam het land in verzet, en in 1422 kwam een geheel ander college tot stand, dat niet uit vorstelijke ambtenaren, maar uit gedelegeerden van adel en steden bestond. Eerst Philips de Goede heeft na 1430 het plan van zijn oom Antonie weer kunnen opnemen, en een Hof van Brabant ingesteld naar het model van den Raad van Vlaanderen. In Holland dagteekent het Hof uit denzelfden tijd. In de economisch en staatkundig minder ontwikkelde gewesten, als Henegouwen en Luxemburg, werd met eenvoudiger, minder kostbare inrichtingen volstaan, die evenwel dezelfde strekking tot egalisatie en centralisatie hadden.

[6] Van 1463 tot 1477 ook Holland en Zeeland. De Haagsche Rekenkamer, in 1446 opgericht, werd bij art. 22 van het Groot-Privilegie hersteld.

Al deze inrichtingen, de meer samengestelde en de meer eenvoudige, hebben zich spoedig geacclimatiseerd, en den storm van 1477 zeer wel doorstaan. Zij hebben aan de administratie der afzonderlijke gewesten een strenger monarchaal karakter gegeven, zonder evenwel ergens de organen der volksvertegenwoordiging te vernietigen of te verminken. Alom hebben de Staten des lands het recht behouden de bede te bewilligen, en haar rol is in beteekenis toegenomen naarmate de vorsten vaker in de gelegenheid kwamen die bewilliging in te roepen.

Veel langzamer en behoedzamer dan de hervorming van het provinciaal bestuur, is de schepping van een algemeen landsbestuur in zijn werk gegaan. De Bourgondiërs konden hierbij niet voortbouwen op reeds gelegde grondslagen: van eene bovengewestelijke bestuursinrichting kon eerst sprake wezen, nadat de veelheid der dynastieën voor een eenheid had plaats gemaakt. Gelijk het vorstenhuis zelf, komen de instellingen der centrale regeering uit den vreemde. Zij kunnen niet aan Nederlanders in handen gegeven worden, omdat er in dezen zuiver staatkundigen zin nog geen Nederlanders zijn, doch slechts Vlamingen of Brabanders. Bourgondiërs en Picardiërs leverden het personeel, en het Fransch was bij uitsluiting de taal der bovengewestelijke regeering.

Toen Philips de Stoute Vlaanderen en Artois erfde, was hij sedert twintig jaren hertog van Bourgondië geweest, en had als alle vorsten, zijn raad gehad, waarvan de leden hem omringden en bijstonden in de regeering. Maar Philips, toentertijd een man van groot gezag bij zijn neef koning Karel VI, bepaalde zijn aandacht niet tot het hertogdom. Hij verbleef meest te Parijs, en zoo veranderde de oorspronkelijk locaal-Bourgondische raad van karakter en werd een orgaan der uitgebreider staatkundige werkzaamheid van zijn heer. De eerste in rang behoudt den titel van kanselier van Bourgondië, maar onder hem staan lieden van uitgelezen bekwaamheid en van velerhande herkomst, edelen, geestelijken, leden van den derden stand. Een nieuwe vassaliteit, waarbij de wedde in de plaats gekomen is van het leen, en staatkundige diensten in de plaats van den krijgsdienst[7]: de Croy's, Lalaing's, Hugonet's, Humbercourt's, Hagenbach's komen uit hun rijen voort. De meester weet hun trouw koninklijk te beloonen en straft hun ontrouw zonder genade. Sommigen van hen houden zich gestadig in zijn nabijheid, anderen gaan in zending uit, besturen een provincie, bevelen in een vesting. De gansche regeering, voor zoover zij buiten het terrein ligt dat door de bezworen privilegiën wordt bestreken, gaat door hun handen: buitenlandsche zaken, gewestelijk opperbestuur, rechtszaken aan den vorst voorbehouden, gratiën en remissiën, domeinbestuur, zorg voor leger en vloot. In al deze zaken geldt het souverein bevel van den vorst, „ainsi nous plaist-il et voulons estre faict”. Tot midden onder de regeering van Philips den Goede heeft deze „Groote Raad” geen vaststaand ledental en geen vaste residentie gehad. Een ordonnantie van 1446 bracht hierin verandering, en bepaalde tevens dat alle beslissingen van den vorst genomen zouden worden na advies en beraadslaging van den Grooten Raad, en dat alle requesten, mondelinge en schriftelijke, aan den Raad zouden worden gerenvoyeerd. Rechterlijke en bestuursfunctiën bleven echter nog in één lichaam vereenigd; in 1454 evenwel werd een afzonderlijke justitiekamer bij den Raad ingericht. Karel de Stoute splitste den Raad in tweeën: een politiek en een rechterlijk lichaam, welk laatste te Mechelen werd gevestigd en tevens beroepshof werd voor alle Nederlanden (1473). Dit was meer dan het particularisme der gewesten voorshands kon verdragen: in 1477 kwam de Groote Raad van Mechelen te vervallen, en werd eerst in 1504 door Philips den Schoone weder opgericht. Een andere hervorming van Karel den Stoute, de vervanging der rekenkamers van Rijsel en Brussel door één enkele kamer te Mechelen, werd eveneens in 1477 ongedaan gemaakt. Rijsel, Brussel en den Haag kregen hunne bizondere kamers terug.

[7] Pirenne II, 362.

De strenge administratie der financiën, door deze rekenkamers gewaarborgd, toonde waartoe bij eenheid in beheer de hulpmiddelen der Nederlanden reeds in staat waren. De inkomsten van Philips den Goede beliepen in 1455 het vierdubbele van die van de republiek Florence, het driedubbele van die van Napels, het dubbele van die van den Paus en van den hertog van Milaan, en bijna zooveel als die van de republiek Venetië. En deze inkomsten werden verkregen zonder de hulpmiddelen zelve ook maar eenigszins uit te putten.

Evenwel is het algemeen bestuur niet populair geweest: het was te zeer het bestuur van den vorst, te weinig dat van het land. Doch hierin bracht de vorstelijke staatkunde zelf een begin, of liever een mogelijkheid, van verandering. Als een middel om het particularisme der provinciën te gemakkelijker te breken, riep Philips de Staten zijner landen in gezamenlijke vergadering bijeen. Zesmaal zijn zij tusschen 1463 en 1477 zoo vergaderd geweest. De provinciën zagen aanvankelijk zulk een bijeenroeping zeer ongaarne: zij werden liever aangesproken „in den haren”, zooals tal van oude privilegiën het geboden. Doch gaandeweg kwamen zij tot het inzicht, dat de gezamenlijke vergadering hen ook sterken kon tegenover den landsheer. De laatste vergadering die onder Karel den Stoute gehouden is, die van Gent in 1476, verwierp de bede, en bij het Groot-Privilegie werd het recht bedongen dat de Staten-Generaal zouden mogen bijeenkomen zoo dikwijls zij zelf het verkozen, en dat geen oorlog zou worden ondernomen zonder hun bewilliging. Een recht dat niet constitutioneel geworden is, maar toch bewijst hoe grooten voortgang de eenheidsidee in de provinciën zelve had gemaakt, juist ten gevolge van het strenge absolutisme van Karel den Stoute, dat hen niet als afzonderlijke landen, maar als massa aan zijn wil had zoeken te onderwerpen. Het feit van 1477 bleef in de geschiedenis staan als een voorspook en waarschuwing. Zoodra het absolutisme antinationaal van strekking wordt, herleeft de unie-idee der afzonderlijke provinciën: zoo in 1558 bij gelegenheid der novennale bede, zoo in 1576 na Requesens' dood.

* * * * *

Is, in het Bourgondische tijdvak, Nederland als staat nog slechts in de eerste wording, Nederland als beschavingseenheid manifesteert zich reeds in onmiskenbare uitingen. Het karakter van tusschenland tusschen de Romaansche en de Germaansche wereld handhaaft zich hierbij en teekent zich gedurig weder in nieuwe lijnen af. Doch het is een tusschenland geworden in hoogere beteekenis dan vroeger, geen doorvoerstation als bij het overbrengen van den Rijnschen bouwstijl naar Doornik of van den Franschen ridderroman naar Duitschland, maar een land van zelfstandige voortbrenging. Op dezen gunstig gelegen bodem, reeds eeuwen lang in onmiddellijk verkeer met onderscheiden landen en beschavingen der Christenheid, is een volk ontstaan van buitengewone begaafdheid, dat elementen van Germaansche en van Romaansche kultuur weet te versmelten tot een eenheid die tegelijk voor gansch Europa verstaanbaar en onmiskenbaar Nederlandsch is. De Nederlandsche nationaliteit (in den ruimen zin genomen die Zuid en Noord omvat) ontsnapt aan alle annexatie, van Frankrijk of Duitschland uit ondernomen, aan de staatkundige niet alleen, maar ook en zelfs vooral aan de geestelijke. Vandaar dat de Duitsche geschiedschrijving, zoo dikwijls zij Noord-Nederland als Duitsch, de Fransche, zoo dikwijls zij België als Fransch beschavingsgebied opvat, van onze geschiedenis niet meer dan een karikatuur weten te leveren. Nederland is zichzelf, en tegelijkertijd bij uitnemendheid het land der open deur: geen bespottelijker en misdadiger, dan een Nederlandsch jingoïsme zou zijn. Wij nemen gaarne op, maar verwerken zelfstandig, en Europa is er te rijker om. Onze beschaving is ons eigenste bezit, onze staat slechts de noodschuur, die is opgericht om haar te kunnen behouden.

* * * * *

Opmerkelijk is, bij het beschouwen van de oorsprongen der Nederlandsche samenleving van den nieuweren tijd, de afwisselende rol, die aan de enkele gewesten in haar geschiedenis is toegevallen. Overweegt in de gansche oude en middeleeuwsche geschiedenis het belang van het Zuiden, dit belang is in de onderscheiden tijdperken niet gelijkelijk over de verschillende streken verdeeld geweest. In de Romeinsche periode is kennelijk de provincie _Germania inferior_, die onmiddellijk den invloed van het groote centrum Keulen ondergaat, de draagster der beschaving, en dit Oosten handhaaft zijn overwicht in de dagen van Karel den Groote en nog daarna, in den tijd van den grooten wetenschappelijken bloei van Luik. Vervolgens evenwel neemt merkbaar Vlaanderen de overhand, zoowel door de ontwikkeling van het handelsverkeer en van de nijverheid, als door zijn nauwere betrekking tot de nieuwe leidende beschavingsmacht, Frankrijk.

Op het hooge standpunt nu waarop wij Vlaanderen in de 13{de} en nog in de 14{de} eeuw aantreffen, heeft het zich als Bourgondische provincie niet kunnen handhaven. Zoodra de gewichtigste Nederlanden in één hand kwamen, maakte Vlaanderen's ligging het voor zetel van het algemeen bestuur minder geschikt. Afgezien nog van het zeer bizonder karakter van de ontwikkeling der Vlaamsche steden, was Brussel reeds om aardrijkskundige redenen de aangewezen residentie. Doch er waren nog veel krachtiger werkende oorzaken dan de verplaatsing van het hof, die Vlaanderens beteekenis deden afnemen. Zijn handel en nijverheid handhaafden zich niet op de oude hoogte.

Sedert Eduard III van de Vlaamsche troebelen van het midden der 14{de} eeuw gebruik had gemaakt, om een aanzienlijk aantal Vlaamsche wevers naar Engeland te lokken, was in het wolland zelf de lakennijverheid tot grooter volmaking gebracht, ja tegen het einde der eeuw reeds werd de Engelsche mededinging zoo scherp, dat men in Vlaanderen om bescherming riep. Het Zwin werd ontzegd aan schepen met Engelsche lakens aan boord, maar de maatregel had een niet bedoeld gevolg: de Hanze verliet Brugge voor Dordrecht, en om haar kantoor terug te bekomen moest men het verbod intrekken. De Engelsche wol werd zoo zeldzaam in Vlaanderen dat men er toe over moest gaan, de minder in tel zijnde Spaansche te gebruiken. Weldra kwam de Engelsche wol hooger in prijs, dan de gefabriceerde Engelsche lakens. Een der hoofdsteden van de Vlaamsche draperie, die namelijk welke buiten dit eene geen noemenswaardige middelen van bestaan had, Yperen, verviel in den loop der 15{de} eeuw geheel en al. Het werd een stad van bouwvallen en bedelaars. De lakennijverheid trok zich op het platteland terug, waar de loonen lager en het ambacht vrijer waren, en waar men zich toelegde op het vervaardigen van een goedkoop artikel voor den minderen man. Daarnevens ontstond, mede hoofdzakelijk op het platteland, een belangrijke linnennijverheid. In de 16{de} eeuw is het Vlaamsche linnen een voornaam uitvoerartikel voor de Europeesche markt geworden. Eveneens begon de tapijtweverij tot grooten bloei te komen. Maar dit alles vergoedde het verlies van de oude hoofdindustrie toch niet geheel; ook deelde Vlaanderen de linnenfabricage met Holland, de tapijtweverij met Brabant.

Ook in den handel nam men opkomst waar naast verval, maar het verval was dat van de Vlaamsche, de opkomst die van een buiten-Vlaamsche haven. Brugge spreidde in den Bourgondischen tijd een ongekende weelde ten toon, maar zijn beteekenis in het handelsverkeer nam af. Niet op eenmaal echter; zelfs waren er betrekkingen, als die met Spanje en Portugal, die in den loop der 15{de} eeuw drukker onderhouden werden dan ooit te voren. Doch Brugge had zijn opkomst te danken aan den daar gepleegden ruilhandel tusschen Noord- en Zuid-Europa, en de Hanze, die er Noord-Europa vertegenwoordigde, werd in de 15{de} eeuw door de Hollanders en de Engelschen overvleugeld. En evenals de Hanze zelf, was Brugge in den handel aartsconservatief; de jongere natiën, door de verouderde handelsgebruiken afgeschrikt, verlieten de stad voor het concurreerende Antwerpen. Sedert 1407 hebben de _Merchant Adventurers_ daar een huis, in 1442 vestigen zij er zich in massa. Nog eenigen tijd houdt Brugge beteekenis door de daar gevestigde agenturen der groote Italiaansche geldkantoren, maar eindelijk komt de genadeslag: de hopelooze verzanding van het Zwin. In 1494 staan er vier, vijfduizend huizen leeg; in het begin der 16{de} eeuw reeds is het verval der stad bijna zoo groot als dat van Yperen.