Part 2
Het was tegelijk de mogelijkheid eener zelfstandige Belgische beschaving, die bij Kortrijk werd gered. Het universeel karakter, dat België van den Karolingischen tijd af eigen was, had zich, verzwakt, toch nog altijd gehandhaafd, en bij de groote Europeesche onderneming der middeneeuwen, de kruistochten, had het land van zijn nut voor Europa een schitterende proef kunnen afleggen. Het is voorzeker geen toeval, dat Lotharingische edelen bij de tochten naar het Heilige Land zulk een groote rol gespeeld hebben. Godfried van Bouillon, de tijdgenoot vermeldt het uitdrukkelijk, werd aan het hoofd van den eersten kruistocht gesteld, omdat hij opgevoed was aan de grens der Romaansche en der Duitsche volken, en beider talen sprak. Onder bisschop Notker (972–1008) en nog lang daarna was Luik het middelpunt der Europeesche geleerdheid. Beroemde bisschoppen van Salzburg, van Verdun, van Utrecht hebben daar hun vorming gehad; vermaarde onderwijskrachten der Luiksche school hebben college gegeven te Mainz, te Brescia, te Parijs. Een van de eerste schrijvers en wellicht de beste geschiedschrijver der 11{de} eeuw is een Belg: Sigebert van Gembloux. De kloosterhervorming van Cluny, en de _treuga Dei_, zijn door België heen aan Duitschland bekend geworden. In omgekeerde richting drong de stijl der groote Romaansche bouwwerken aan den Rijn door Lotharingen, waar Sint-Servaas en Onze Lieve Vrouw van Maastricht, Onze Lieve Vrouw van Roermond, drie Luiksche kerken tot deze periode behooren, tot Doornik door, en werd daar onder plaatselijke en zuidelijke invloeden tot een gewijzigd Rijnsch-Romaanschen stijl, die weder een groote verbreiding in Noord-Frankrijk heeft gehad.
Deze bedrijvigheid echter van Lotharingen hing ten nauwste samen met den bloei en de kracht van het Oostfrankische, Duitsche, Rijk, waarin zich de Karolingische traditie veel zuiverder scheen te handhaven dan in het aan de feodaliteit vervallen Westfrankische. Het waren met name de bisschoppen die in Lotharingen het keizerlijk gezag en tevens het daarbij behoorend ideaal van op het universeele gerichte beschaving vertegenwoordigden. Doch de toekomst behoorde niet aan dit nieuwe, op oud-Rome geïnspireerde universalisme, zij behoorde aan de nationaliteiten, die thans bezig waren zich, in haar ware karakter nog weinig opgemerkt, uit de wereld der feodaliteit te kristalliseeren. Ook in Lotharingen was, als in Duitschland over het geheel, ten leste de feodaliteit meester geworden, en in den strijd tegen haar en tegen de Kerk ging het oude keizerlijk gezags- en beschavingsideaal nagenoeg geheel te gronde. De bisschoppen worden, in stede van keizerlijke ministers, feodale heeren, uit den omliggenden adel voortgekomen en van gelijke beweging als hij;—de hertogstitel van de wereldlijke vertegenwoordigers der keizerlijke macht in Neder-Lotharingen wordt een twistappel tusschen twee inheemsche gravenhuizen, en verliest ten slotte elke beteekenis dan die van ornament. Daarentegen komt in Frankrijk de eerste modern-Europeesche natie op, en in het Fransche koningschap de eerste moderne centralisatie van staatkundige macht. De 12{de} eeuw reeds ziet den overwegend Duitschen invloed in België door een overwegend Franschen vervangen; in de 13{de} eeuw heerscht de Fransche invloed schier onbeperkt. De Lotharingische feodale heeren vergeten dat zij tot het Rijk behooren; de Keizer is hun een legende, de nabijzijnde koning van Frankrijk een geduchte werkelijkheid. De staatkundige grenslijn die België van Noord naar Zuid deelde had geen beteekenis meer. Of de andere grens, die van West naar Oost, de taalgrens, zich zou kunnen handhaven? Het Vlaamsche hof van Philips van den Elzas en van de Dampierre's is geheel verfranscht, Fransch is de taal van de ridderlijke beschaving die uit het Zuiden doordringt en de Belgische aristocratie geheel aan zich onderwerpt. Sint-Omaars ging in de 13{de} eeuw voor het Dietsche taalgebied verloren, tijdelijk zelfs Yperen. Onder het patriciaat van Gent en Brugge nam het Fransch over de hand toe, eveneens aan het hertogelijk hof van Brabant. Nieuwe monniksorden, uit het Zuiden gekomen, werken aan de verbreiding van het Fransch mede. De rol van Luik als wetenschappelijk centrum is uitgespeeld. Het licht komt van Parijs. België zou geheel gefranciseerd zijn geworden, indien niet de gunstige geographische ligging intusschen ook de Dietsche bevolking tot grooter activiteit gewekt en daarmede haar weerstandsvermogen verhoogd had.
Na de invallen der Noormannen, die, met Dorestat, Witlam en Sluis, den oud-Nederlandschen handel verwoestten, was aanvankelijk de landbouw het eenig middel van bestaan geweest. Doch het kon niet anders, of een land gelegen als België moest den Europeeschen handel, zoodra hij weder ontstond, tot zich trekken. Voor de opkomst van Brugge in het bijzonder werd de verovering van Engeland door de Normandiërs van veel gewicht, die door een groote emigratie van het vasteland naar het eiland gevolgd werd. Brugge, door zijn ligging daartoe aangewezen, werd de plaats vanwaar de wijnen, de Schelde af uit Frankrijk, den Rijn af uit Duitschland gekomen, naar Engeland werden overgescheept. Uitvoer van producten des lands, als Doorniksche gehouwen steen, Vlaamsch linnen en laken, was spoedig het gevolg. Het laken vooral, waarvan de bereiding sedert de dagen der Morini in het wolrijke Vlaanderen inheemsch was, werd spoedig weder een artikel voor de Europeesche markt, zoozeer, dat men aan den voorraad eigen wol niet genoeg had, en deze uit naburige landen, ook over zee, moest worden aangevuld. Naast de klasse der kooplieden scheidde zich uit de massa der bevolking een afzonderlijke klasse van wolwevers af, die zich ophoopten op zoodanige plaatsen waar zij hun product het snelst en voordeeligst van de hand konden zetten. Ook andere locale industrieën, als de metaalbewerking van Hoei en Dinant, werden door de gunstige voorwaarden, welke de nabijheid der groote handelscentra aanbood, tot ontwikkeling gebracht. Langer heeft het geduurd, eer ook het tusschen de waterwegen in gelegen Brabant in deze beweging werd opgenomen; het bleef tot in de 12{de} eeuw bij uitsluiting een land van akkerbouw. Toen echter eenmaal het verkeer van den Rijn naar Brugge zulk een omvang had aangenomen dat het aan den waterweg niet meer genoeg had, maar zich bovendien van den overlandweg (Keulen–Maastricht–Leuven–Brussel–Aalst–Gent) begon te bedienen, brak ook voor Brabant een nieuwe tijd aan. Het verkeer van Keulen naar Brugge overland ging weldra het verkeer langs den waterweg verre te boven, een feit dat gelijkelijk den snellen aanwas der Brabantsche steden en van Gent, en het verval van Tiel en het achterblijven van Holland verklaart.
De groote vlucht die de lakennijverheid nam, bepaalde zich aanvankelijk volstrekt niet tot het Dietsche gedeelte van Vlaanderen. De lakens van Atrecht, van Rijsel, van Douai waren even beroemd als die van Yperen of Gent, en behalve naar Brugge, werden de producten der nijverheid ook in groote hoeveelheden naar de jaarmarkten van de Champagne uitgevoerd, voor welken handel de zuidelijke fabriekssteden het gunstigst lagen. Doch gaandeweg verliepen deze jaarmarkten en kwamen de vreemde kooplieden uitsluitend te Brugge zich van lakens voorzien. Er had zich namelijk een directe scheepvaart zoowel van Noord- als van Zuid-Europa naar de Brugsche haven ontwikkeld, die meer en meer het karakter verkreeg van een wereld-entrepôt. De oorspronkelijke eigen scheepvaart verviel, maar daarentegen werden de handelsoperatiën zoozeer te Brugge geconcentreerd, dat de naastbijgelegen fabriekssteden de verder afgelegene overvleugelden. Eindelijk werd, door de inlijving van Waalsch-Vlaanderen bij Frankrijk, de nijverheid der Waalsche steden zoowel van haar uitvoerhaven als van haar grondstof, de Engelsche wol, verstoken. In het Dietsche Noorden bloeide zij voortaan des te meer.
Natuurlijk is deze toenemende bloei van Dietsch-Vlaanderen van invloed geweest op het behoud en de ontwikkeling der Dietsche taal. De kleine klasse der „ledichgangers” mocht verfranschen, de groote massa der nijvere bevolking bleef Dietsch. Hoe zou het anders? Het was geen ingevoerde, het was een overoude, ter plaatse zelf ontstane nijverheid waarmede zij haar brood verdiende. De taal, met de maatschappelijke ontwikkeling medegegroeid, voldeed aan de eischen van leven en bedrijf; er was geen tijd, geen noodzaak om een vreemde cultuur aan te nemen. Een geheel burgerlijk, geheel wereldlijk beschavingsideaal nam het hart in. Het vervult den eersten dichter dien deze maatschappij voortgebracht heeft.
Al heeft een sot op thoeft gescoren Ene breede crune toten oren Hines te vroeder niet een saet.
En elders, in den _Eersten Martijn_, het thema:
Edelheit begint noch heden.
Na zijn overwinning van 1302 neemt de Vlaamsche burgerman de geheele breedte van het tooneel in, of tracht het althans te doen. De Gentsche republiek verduistert het graafschap, Artevelde den landsheer. Maar het zijn slechts gemeentebelangen, die hem bewegen. Zoodra zijn dictatuur gevestigd en hij voor het landsbestuur aansprakelijk geworden is, heeft hij niets dringenders te verrichten dan ten bate van Gent de lakenweverij van Dendermonde te vernietigen. Onder den kreet van „heer ende wet” staan die van Oudenaarde tegen hem op. Niet eenmaal in de eigen stad weet hij zijn gezag te handhaven: de wevers, met wier hulp hij machtig geworden is, bezorgen hem, in de persoon van hun deken, een mededinger. Met Eduard III meent hij te handelen als met een gelijke, maar Gent is oneindig meer afhankelijk van den invoer der Engelsche wol, dan Engeland van den vrijen afzet van slechts één van haar producten. De val van Artevelde bewijst, dat het Vlaamsch-burgerlijk belang zichzelven in de wereld niet voldoende kon beschermen. De toekomst was aan de eenige waarlijk representatieve macht: aan den landsheer.
Is voor de nieuwere historische kritiek de heldenfiguur, die de romantiek van Artevelde gemaakt heeft, niet bestaanbaar gebleken, zeer heeft zij den roem verhoogd van den veelgesmaden Lodewijk van Male. Geen held doopt zij hem, maar een zeer helderziend en zeer bekwaam vorst, voorlooper der Bourgondiërs. De economische belangen van het land vinden in hem een zoo goed verdediger, dat hij de stedelijke aristocratie, vroeger de grootste vijandin der grafelijke macht, voor zich wint; in ruil verzekert hij haar bewind tegen de aanslagen van den arbeidenden stand. De naijver der steden tegen elkander neemt, althans bij de regeerende klasse, sterk af. Tegenover de gedurig zwaarder wordende mededinging der Engelsche nijverheid hebben de Vlaamsche steden behoefte aan den steun der landsheerlijke macht. Onder 's vorsten bescherming wordt de lakenindustrie ook in een aantal dorpen gevestigd; de wol- en lakenhandelaars, die voor een goed deel de stedelijke aristocratie uitmaken, ondervinden daar geen nadeel van, wel de arbeidende klasse in de groote steden. Naast de „drie leden van Vlaanderen”, Gent, Brugge, en Yperen, doet Lodewijk van Male als vierde vertegenwoordigend lid het zuiver landbouwende Vrije van Brugge opnemen. In zijn „audiencie” schept hij een centraal orgaan voor regeering en rechtspraak, gelijk later de Bourgondiërs zouden doen in andere provinciën. En al is deze instelling van Franschen oorsprong, zij werkt er in de toepassing niet minder nationaal om. De leden van het college zijn landskinderen; van de 690 acten, in het eerste deel van het _Cartulaire de Louis de Male_ gedrukt, zijn er 9 in het Latijn, 264 in het Fransch en 417 in het Vlaamsch. Gelijkelijk steun zoekend bij de gegoede burgers, den adel en den landbouwenden stand, is zijn staatkunde vooral op het bedwingen der arbeidersklasse gericht, wier politieke invloed gebleken was de maatschappij als geheel niet te kunnen leiden. Een laatste geweldige opstand beslist tusschen de monarchie en het stands- en stadsparticularisme; de algemeene deelneming van Europa bewijst, hoe groot gewicht ook voor anderen de afloop van dezen strijd werd geacht te zullen hebben. Het is minder een stad dan wel een enkele klasse van haar bevolking die den strijd voert. Te Brugge vereenigen zich allen tegen het eene weversambacht, dat daar bij lange na zoo talrijk niet is als te Gent, en brengen de stad onder de gehoorzaamheid van den graaf terug. Nu wordt het gansch Vlaanderen tegen de Gentsche wevers. Zij houden Gent twee jaar lang en verrassen zelfs weder Brugge, waar op de gegoede burgers een bloedige wraak genomen wordt. Op Dendermonde en Oudenaarde na, maakt Gent zich meester van het geheele graafschap; de landsheer moet een Fransch leger te hulp roepen, om zijn stad te kunnen overwinnen. Bij Roosebeke ontmoeten de legers elkander, maar de geest van Kortrijk was niet vaardig meer over de Vlamingen. Een groot deel van hun gepreste krijgsmacht diende de Gentenaars onwillig, en verliet hen bij het aangaan van den slag, die in een nederlaag der witte kaproenen eindigde. Maar de stad zelf hield zich overeind, nog drie jaar lang, en Lodewijk van Male stierf eer hij haar ten onder gebracht had. Zijn schoonzoon en opvolger, Philips de Stoute van Bourgondië, zag zich tot onderhandelen genoopt, wilde hij niet met zijn graafschap een oorlog beërven. Tot den prijs eener volledige amnestie en van bevestiging der stadsprivilegiën onderwierp zich Gent op den 18{den} December 1385. Met dien datum eindigen voor Vlaanderen de middeleeuwen, die voor gansch België ten einde spoedden.
* * * * *
Lodewijk van Male was, behalve op bevestiging van zijn gezag in het graafschap, ten zeerste op versterking zijner huismacht uit geweest, doch hij had geen zoons, en werkte dus voor anderen. Hij had, ten nadeele van de zuster zijner vrouw, de hertogin van Brabant, zijn gebied met Mechelen en Antwerpen vergroot, en beheerschte dus den geheelen loop der Schelde. Voorts was zijn doel om Artois, door Philips August, en Waalsch-Vlaanderen, door Philips den Schoone aan Vlaanderen ontrukt, weder met zijn graafschap te vereenigen. Het eerste middel dat hij hiertoe bij de hand greep, was de verloving van zijn eenige dochter Margaretha met Philips van Rouvre, hertog en graaf van Bourgondië, graaf van Artois. Een huwelijk dat twee van de drie groote dynastieën, die in Frankrijk nog nevens de koninklijke bestonden: die van Vlaanderen, Bourgondië en Bretagne, vereenigen moest, en wel juist de twee wier landen zich het best er toe leenden om de basis uit te maken van een geduchte, tusschen Frankrijk en Duitschland ingeschoven territoriale macht. Maar vijf jaar na de verloving stierf Philips van Rouvre. Artois en het graafschap Bourgondië vielen aan diens moei, de moeder van Lodewijk van Male ten deel; het hertogdom Bourgondië kwam aan de Fransche kroon. Koning Jan beleende er zijn derden zoon mede, Philips den Stoute. Diens broeder, koning Karel V, bevorderde, om Vlaanderen buiten verbond met zijn Engelschen vijand te houden, zelf het huwelijk van Philips met de dochter van Lodewijk van Male, en gaf zelfs bij deze gelegenheid Rijsel, Douai en Orchies aan Vlaanderen terug (1369). In 1384, bij den dood van Lodewijk van Male, zag dus Philips Vlaanderen met Mechelen en Antwerpen, Artois, Nevers, Réthel, Bourgondië en het graafschap Bourgondië in zijn bezit vereenigd. Oom van Karel VI van Frankrijk en diens invloedrijkste raadsman, kon hij over de gansche hulpmiddelen van het koninkrijk ter bevordering zijner bizondere oogmerken beschikken. Hij had daarmede een reusachtigen voorsprong op de beide andere huizen die hem het bezit der Nederlanden wellicht zouden kunnen betwisten: het Beiersche en het Luxemburgsche.
Ongetwijfeld heeft Karel V, toen hij den jongeren tak van zijn huis den weg naar het Noorden wees, gemeend zoodoende het „Vlaamsche gevaar” het best te zullen bezweren. Philips de Stoute heeft zich dan ook nog wel degelijk Franschman gevoeld, maar sedert de Bourgondiërs in de Nederlanden grooter gezag verkregen, konden zij bezwaarlijk Franschman blijven: daartoe waren de Nederlanden te zeer een wereld op zich zelf. Al dadelijk was Philips, door zijn bezit van Rijks-Vlaanderen en van Franche Comté, leenman van het Rijk zoo goed als van de Fransche kroon; hij was ook erfgenaam van al de betrekkingen en belangen van het Vlaamsche graafschap, die voor een groot deel over de Henegouwsche, Brabantsche, Hollandsche grens wezen. Nauwelijks een jaar na den dood van Lodewijk van Male gelukte hem een meesterlijke zet, waarbij de belangen der Fransche kroon weder evenzeer schenen te zijn gebaat, als de persoonlijke belangen van Philips zelf. Engeland bereidde, om in Holland een vergoeding te vinden voor wat het in Vlaanderen op het vasteland verloren had, een huwelijk voor van den zoon van hertog Albrecht van Beieren met de dochter van den hertog van Lancaster. Het gold nu, het huis Wittelsbach, door aanbieding van grooter voordeelen, aan de Fransche zijde te trekken. Hiertoe werden drie huwelijken tegelijk voorgeslagen: van Jan (zonder Vrees), zoon van Philips den Stoute, met Margaretha, dochter van Albrecht; van Margaretha, dochter van Philips, met Albrechts zoon Willem; eindelijk van Elisabeth (Isabeau) van Beieren met den jongen koning van Frankrijk, Karel VI, zelf. Deze huwelijken kwamen alle drie in 1385 tot stand. Zij bezorgden het huis Bourgondië een overwegenden invloed in de Beiersche bezittingen en in de gansche Nederlanden. In 1390 stond de oude hertogin van Brabant, Johanna (met verscheuring van een vroeger verdrag, dat de opvolging toegezegd had aan het geslacht van haar thans overleden Luxemburgschen gemaal) haar hertogdom, onder beding van vruchtgebruik en uitoefening der heerschappij tot haar dood voor zichzelve, aan Philips, echtgenoot van hare nicht Margaretha van Vlaanderen, af. Hiermede werd niet slechts de val van het Luxemburgsche huis in de Nederlanden bezegeld, maar ook de feitelijk sinds lang bestaande vervreemding der oud-Lotharingische Nederlanden van het Duitsche Rijk. Johanna toch had over haar hertogdom beschikt als over allodiaal goed. Deze beschikking werd genomen met goedvinden van de Staten van Brabant, tegenover welke Philips dezelfde tegemoetkomende houding aannam als in 1385 tegenover de stad Gent. Had hij toen alle privilegiën bevestigd en toegezegd dat de Fransche kanselarij zich in brieven aan de stad van de Vlaamsche taal zou bedienen, thans had hij de hereeniging van Antwerpen en Mechelen met Brabant beloofd, en tevens dat Brabant zijn bijzonderen vorst zou behouden. Zijn tweede zoon Antonie zou in Brabant en Limburg regeeren. Deze is Johanna van Brabant opgevolgd bij haar dood in 1406.
Niettegenstaande den schijn, die hem als den bewusten grondlegger eener Nederlandsche macht kan doen voorkomen, is Philips de Stoute echter bovenal Fransch prins van den bloede geweest. Zijn hoofddoel was, zich en zijn nakomelingen het overwicht te verschaffen over de factie van zijn neef, den hertog van Orleans, en zijn vergrooting in de Nederlanden was hem een middel om dit doel te bereiken. Gewoonlijk verbleef hij òf aan het Fransche koningshof, òf in het verre Bourgondië. Vlaamsch heeft hij niet gekend. Maar zijn werk, het moge aaneenhangen van huwelijken en onderhandelingen tusschen vorsten, was niet ondernomen zonder rekening te houden met de neigingen der bevolking zelve. Geen oogenblik heeft, na Johanna's dood, Brabant er over gedacht, aan de reclamatiën van Ruprecht van de Palts, die het hertogdom aan het Rijk vervallen verklaarde, gehoor te verleenen. En meer dan reclameeren kon de Duitsche Keizer niet.
Philips' groote tegenstander, de hertog van Orleans, trachtte hem na te volgen en ook in de Nederlanden vasten voet te verkrijgen. Hij sloeg het oog op Luxemburg en op Gelder; pogingen, die mede Jan zonder Vrees er toe zullen gedreven hebben hem te doen vermoorden (1407). Twee jaar later sneed het huwelijk van Antonie van Bourgondië met Elisabeth van Görlitz, hertogin van Luxemburg, aan hernieuwing van dergelijke pogingen den pas af. Gelijk deze echt de Luxemburgsche, moest die van Antonie's zoon Jan met Jacoba van Beieren (1418) de Beiersche erfenis in de Nederlanden aan het Bourgondische huis verzekeren. Een jaar na dit laatste huwelijk had een gebeurtenis plaats, die in de positie van het huis van Bourgondië een groote verandering te weeg bracht: de moord van Jan zonder Vrees op de brug bij Montereau.
De misdaad, waaraan Jan zich in 1407 had schuldig gemaakt, had hem het gouvernement van het koninkrijk niet in handen geleverd. In 1411 was de hevige burgeroorlog der Bourguignons en Armagnacs uitgebroken, waarin beide partijen Engeland op hun hand zochten te krijgen, en waarin de dauphijn, zoon van Karel VI, de zijde der Armagnacs hield. Het was na een mondgesprek met den dauphijn, dat Jan zonder Vrees werd vermoord. Voortaan is de Bourgondische macht zonder terughouding aan de koninklijk-Fransche vijandig; de dubbelzinnige verhouding, waartoe Philips de Stoute den grond gelegd had, heeft tot een geweldige ontknooping geleid, die geen verzoening meer toelaat. Aanstonds verbindt zich Jans opvolger openlijk met den landsvijand; bij het verdrag van Troyes erkent hij Hendrik V van Engeland als koning van Frankrijk. Hij breekt met de houding van vazal; weldra zal hij voor zijn gezanten rang eischen onmiddellijk na dien der koningen.
De Fransche geschiedschrijving stelt in den regel het gansche gedrag van Philips den Goede als een gevolg van wraakzucht over den moord zijns vaders voor. De moord was evenwel niet meer dan de laatste aanleiding tot een beslissing, die toch niet uit zou hebben kunnen blijven. De jonge Philips was reeds meer te Gent dan te Parijs opgevoed; aanhoudend meer vorderden de Nederlandsche zaken, waarmede de Bourgondiërs zich zoo diep hadden ingelaten, de aandacht van een geheelen mensch. Bij den dood van Hendrik V weigert Philips de waardigheid van regent van Frankrijk, die hij aan den hertog van Bedford overlaat (1422). Terwijl Engelschen en Franschen hun zaak uitvechten, verwerft Philips zich Henegouwen, Holland en Zeeland (regeering in 1428, titel in 1433), Brabant en Limburg (1430, dood van Philips van St. Pol, tweeden en laatsten zoon van Antonie van Bourgondië). In 1421 had hij de opvolging in Namen gekocht, dat hem acht jaar later dan ook toeviel; te Utrecht was zijn invloed overwegend; in Gelder had hij een partij; over de bisdommen Kamerijk en Doornik beschikte hij naar welgevallen. In Luxemburg nam de oude hertogin Elisabeth hem voor momber aan (1441); na haar dood in 1451 volgt hijzelf op. Buiten het Bourgondisch gezag blijven voorshands nog alleen de noordoostelijkste Nederlanden. De grondslag voor een nieuwen Europeeschen staat, met Brussel tot hoofdstad, schijnt gelegd. In 1435 sluit Philips vrede met Karel VII, maar als met een buitenlandsche macht. Hij zal den koning voor de Fransche leenen die hij bezit of bij het verdrag verkrijgt, geen hulde behoeven te doen, en de door den koning uitgeschreven belastingen zullen niet geheven worden in de landen van Philips. Deze afval van het verdrag van Troyes berokkent hem een oorlog met Engeland, dat wel Calais tegen hem behoudt, maar geen vasten voet in Philips' eigen bezittingen weet te verkrijgen. In 1439 wordt de vrede gesloten. In 1440 eindelijk begint de regeering van een Keizer, die, anders dan de Luxemburger Sigismund, tegen de usurpatie der Nederlandsche rijksleenen door Bourgondië zich niet langer met machtelooze protesten verzet. Europa heeft, uitdrukkelijk of feitelijk, de nieuwe macht erkend. In 1447 onderhandelt Philips met Frederik III over de oprichting van een koninkrijk. De zaak gelukt niet, maar ieder weet dat de hertog van Bourgondië in aanzien menig koning der Christenheid overtreft.