Part 16
Inderdaad was, nu de gematigde partij zich aansloot, binnen enkele dagen het grootste deel van België in opstand. De regeering immers was voor aller oogen verslagen; zij kon niemand meer tegen het geweld der omwentelingspartij beschermen. Niet ieder evenwel, die voor het oogenblik het gezag van het voorloopig bestuur erkende, beoogde voor de toekomst hetzelfde. Cartwright, die den 29{sten} September te Brussel terugkeerde, onderscheidt vier partijen: een wil de inlijving bij Frankrijk, een de republiek, een het koningschap van een Orleans, een dat van den Prins van Oranje[158]. De partij voor de republiek vormde, zoo al niet in de clubs te Brussel, dan toch in het land een zeer kleine minderheid. Machtiger was de partij die in den een of anderen vorm een nauwe aansluiting bij Frankrijk wenschte, maar Louis Philippe, door Gendebien namens het voorloopig bestuur gepolst, wees de Belgen af: hij had de welwillendheid van Europa noodig voor de bevestiging van zijn eigen onvasten troon, was reeds in overleg getreden met de Engelsche regeering, en wilde in het Belgische vraagstuk niet handelen dan gezamenlijk met Engeland. Waarvan hij echter verzekering geven kon was dat Frankrijk, zelf van eenzijdige tusschenkomst afziende, zich evenzeer tegen eenzijdige tusschenkomst van anderen zou verzetten. In het bezit van deze toezegging, riep het voorloopig bestuur den 4{den} October een nationaal congres bijeen, en verklaarde dat de Belgische provinciën een zelfstandigen staat zouden uitmaken. Tegelijkertijd werd een commissie benoemd om een grondwet te ontwerpen; deze commissie besliste, in haar eerste zitting (12 October), met acht stemmen tegen één voor den monarchalen regeeringsvorm.
[158] Cartwright 2 Oct. 1830.
Wie dan koning worden moest? De candidaat der gematigden, van Emanuel d'Hooghvorst bij voorbeeld, was de Prins van Oranje. Men dacht dat deze keus de meeste kans had van door Europa te worden goedgekeurd, en dus een gunstigen invloed hebben kon op de voorwaarden der scheiding, waarmede Europa zich ging bemoeien. Van zijn kant scheen Willem I zijn zoon in bizondere betrekking tot de Belgen te willen brengen: hij zond hem, met den titel van tijdelijk bestuurder der Zuidelijke provinciën, naar het nog getrouwe Antwerpen. Maar ondanks de pogingen van een aanzienlijk deel der aristocratie, verwierp het Belgisch volksinstinct deze keus. Men achtte de scheiding onvolkomen, zoolang men niet ook elken band met het huis van Oranje had verbroken. Het is dunkt mij aan geen twijfel onderhevig, dat het volksinstinct hierin volkomen juist heeft gezien. Een Belgisch koningschap van den oudsten zoon van den koning van Holland ware een ding vol dubbelzinnigheden geweest. Een zendeling van den Engelschen consul te Oostende, de als geschiedschrijver der Belgische omwenteling bekend geworden Charles White, had den 4{den} October een onderhoud met eenige leden van het voorloopig bestuur, waaronder Merode, en deelt als zijn indruk van het gevoerde gesprek mede, dat de houding van Louis Philippe zeker de kansen van den Prins van Oranje verbeterd heeft. „It is scarcely necessary to say”, vervolgt hij dan: „that he would be called upon to renounce Holland and become Belgian, even perhaps to religion”[159]. Dacht ook de prins er zoo over?—Andere dubbelzinnigheid: Willem I had België in zijn hart niet opgegeven, en had de zending van zijn zoon bedoeld als een laatste poging, om het onder zijn eigen gezag terug te brengen. Den 29{sten} September had de Tweede Kamer der Staten-Generaal met 55 tegen 43 stemmen de vraag, „of de betrekkingen tusschen de twee groote afdeelingen van het koninkrijk ter bevordering van het gemeenschappelijk belang in vorm of aard zouden behooren te worden veranderd”, met ja beantwoord[160]; onder de neenzeggers waren 10 Belgen[161], onder de jazeggers 14 Hollanders. Deze stemming was evenwel, na hetgeen te Brussel had plaats gehad, geheel onzuiver geweest. De scheiding was door een partij in België met de wapenen voltrokken; eigenlijk stemden de 10 Belgische neenzeggers meer tegen de democraten te Brussel dan tegen het beginsel eener administratieve scheiding van Noord en Zuid, terwijl een goed getal der 33 Hollandsche neenzeggers òf vóór men van verandering van betrekkingen sprak de Belgen tuchtigen wilde voor hetgeen men den moord te Brussel noemde, òf tegen stemde omdat men geheel van België af wilde zijn, en dus niet meer onder één dynastie en onder één grondwet met hen verkoos te leven. De geheele stemming, en de daarop gevolgde benoeming eener staatscommissie om de veranderingen in de grondwet te ontwerpen, „welke het algemeen belang en dat van elk der afdeelingen vorderen”, waren een slag in de lucht. „Nu te vragen”, zeide een der noordelijke sprekers, „zal België al dan niet met het oude Nederland vereenigd blijven? is eene daadzaak in overweging nemen, die reeds door het snoodste misdrijf is daargesteld, en die geenszins door eene uitspraak der Nederlandsche Regeering, maar alleen door het zwaard en vermoedelijk door de groote mogendheden zal beslist worden.”
[159] Charles White aan den Engelschen consul te Ostende, 6 Oct. 1830 (F. O.).
[160] Den 30{sten} de Eerste Kamer met 31 tegen 7 stemmen.
[161] 4 uit Oost-Vlaanderen, 2 uit Antwerpen, 2 uit Limburg, 1 uit Luik, 1 uit West-Vlaanderen.
Intusschen was op den onvasten grondslag der stemming van 29 September het gansche gestel der officieele positie van den Prins van Oranje te Antwerpen gebouwd. Hij zou „tijdelijk in 's Konings naam het bestuur waarnemen over alle die gedeelten der zuidelijke gewesten, waar het grondwettig gezag erkend werd”, met last om „de pogingen, die door welgezinde ingezetenen mochten worden aangewend, om die gedeelten, waar de orde gestoord was, onder het wettig gezag terug te brengen, door middelen van bevrediging zooveel mogelijk te bevorderen” (4 October). Als raadgevers had hij den hertog van Ursel, Gobbelschroy en Lacoste nevens zich, benevens de Belgische leden van den Raad van State en een aantal Belgische kamerleden. Onmiddellijk na zijn aankomst te Antwerpen vaardigde hij een proclamatie uit, waarbij hij, in afwachting van den arbeid der door den koning benoemde staatscommissie, reeds allerhande hervormingen voor België toezeide, als vrijheid van taal en van onderwijs (5 October). Dit alles moest dus, als het slaagde, op administratieve scheiding van Noord en Zuid onder één koning en één grondwet uitloopen; geheel iets anders dan de „onafhankelijkheid” die het voorloopig bestuur te Brussel den vorigen dag had geproclameerd. In den aanhef van 's konings besluit van den 4{den} October werd als eenige beweegreden tot de zending van den prins opgegeven „de belemmering, door den toestand der zuidelijke provinciën teweeggebracht in de werking van het algemeen bestuur uit de residentie 's-Gravenhage”. Het kon dus niemand verrassen, dat het voorloopig bestuur te Brussel weigerde den prins in zijn nieuwe hoedanigheid te erkennen. Zelfs de bizondere voorstanders van zijn persoon konden niet met zijn candidatuur voor den dag komen, zoolang hij gezag trachtte uit te oefenen op 's konings naam. De club in de St. Joriszaal te Brussel verklaarde zelfs alle Belgen die naar Antwerpen bij den prins zouden gaan voor verraders, en hun goederen voor verbeurd; het eenige lid dat er tegen sprak, werd lichamelijk mishandeld[162]. De Belgische kamerleden te Antwerpen beduidden den prins dan ook spoedig, dat de ingeslagen weg zeker niet tot den troon van België leiden zou. Zij sloegen hem voor, dat een bijeenkomst van zoo mogelijk alle Belgische leden der Tweede Kamer, op 18 October te Antwerpen te houden, de onafhankelijkheid van België proclameeren en tegelijk een bestuur vestigen zou waarvan hij het souvereine hoofd zou zijn. De prins was geneigd aan te nemen[163], doch niet zonder voorkennis van zijn vader, dien hij van het aanbod kennis gaf. Hij verliet zich op de tusschenkomst van de Brouckere[164] bij het voorloopig bestuur, en van Ducpétiaux (die, bij den aanval op Brussel gevangen genomen, thans werd losgelaten) bij de club in de St. Joriszaal.—Den 16{den} las de prins aan Cartwright 's konings antwoord voor; het machtigde hem de souvereiniteit, indien aangeboden, aan te nemen onder voorbehoud van de goedkeuring der mogendheden, en voorts onder beding dat Luxemburg geen deel van den Belgischen staat zou uitmaken, en dat Antwerpen en de andere plaatsen nog door 's konings troepen bezet, niet door die troepen ontruimd zouden worden dan na den definitieven afloop van alle te treffen regelingen[165]. Intusschen kon het aanbod, door de Belgische kamerleden den 10{den} gedaan, reeds niet meer door hen worden nagekomen. Dat aanbod was gedaan in een opwelling van wrevel over de juist bekend geworden bijeenroeping der Staten-Generaal van het geheele koninkrijk tegen 18 October te 's Gravenhage, terwijl volgens de grondwet thans een stad van het Zuiden aan de beurt zou geweest zijn, en men dus een vergadering te Antwerpen had verwacht. Het gansche plan had geen grond onder de voeten: het gezag van de Belgische leden der Staten-Generaal werd alleen nog in Limburg en te Antwerpen erkend. Overal elders gehoorzaamde men het voorloopig bestuur te Brussel en maakte men zich gereed tot de verkiezingen voor het Nationaal Congres. Indien de prins koning van België worden wilde, moest dáár zijn naam zegevieren. De kamerleden zelf hadden dus, toen 's konings brief aankwam, reeds van de vergadering te Antwerpen afgezien, en aangeraden liever moeite te doen voor een orangistische meerderheid in het Congres. In een ander opzicht was de toestand even onzuiver. België verwachtte dat de prins Holland opgeven zou, maar hij zelf had andere oogmerken[166].—Cartwright raadde den prins, nogmaals naar den Haag te schrijven eer hij verder ging, maar het was reeds te laat: de proclamatie, waarbij de prins de Belgen voor een onafhankelijk volk erkende en zich in de provinciën die hij bestuurde, „aan het hoofd stelde der beweging”, was geteekend. De hertog van Ursel, Gobbelschroy en Lacoste hadden den stap afgeraden en lieten hem nu alleen. De prins had zich overgegeven aan de kamerleden de Celles, de Brouckere en le Hon, die tusschen Brussel en Antwerpen af en aan gingen en volhielden dat zijn kansen goed stonden: de Brouckere kwam zelfs eenmaal vertellen, dat hij den invloedrijken _Courrier des Pays-Bas_ voor den prins gewonnen had. De feiten beantwoordden niet aan deze voorspiegelingen. De toon te Brussel bleef volmaakt dezelfde als die sedert het gevecht van September geweest was, en het voorloopig bestuur beantwoordde 's prinsen stuk met een proclamatie, waarin hij gesommeerd werd op te geven of hij zich als Belgisch onderdaan beschouwde, in welk geval hij zich had te stellen onder de bevelen van het voorloopig bestuur. Een ander gevolg van het stuk van den prins was, dat Antwerpen alle kompas verloor, en niet wist of het zich houden zou aan den prins „die zich aan het hoofd der beweging stelde”, of aan Chassé, die het gezag van den koning handhaafde. Doodelijk eindelijk was het voor den prins dat de koning, in een boodschap aan de Staten-Generaal, verklaarde dat de aanleidende oorzaken tot de proclamatie hem even onbekend waren als de gevolgen daarvan door hem konden berekend worden. „The Prince of Orange”, schrijft Cartwright den 22{sten}, „is now in a most unfortunate predicament, for I cannot name one individual about him who can give him wholesome advice. He is in fact quite alone and may be considered as placed in this embarassing position by the ill-judged advice of the Belgian deputies”. Den 24{sten} verliet de prins de stad, die vervolgens in oproer kwam en door Chassé werd beschoten.
[162] Cartwright 9 Oct. 1830.
[163] „He did not disguise his inclination to accept the sovereignty of this country from the States of Belgium, should he not succeed in his endeavours to persuade His Majesty to take the initiative himself” (Cartwright 10 Oct., na een onderhoud met den prins).
[164] De Brouckere en de Gerlache, leden van de grondwetcommissie door het voorloopig bestuur benoemd, waren van 8 tot 10 October bij den prins; de eerste zeide dat hij er in geslaagd was het voorloopig bestuur van het denkbeeld eener republiek terug te brengen; hij en de Gerlache zouden zorgen, dat de grondwetcommissie zich voor de monarchie verklaarde (gelijk zij 12 October ook deed). (Cartwright 10 Oct.).
[165] Cartwright 16 Oct.—Ziehier dus wat er wezenlijk aan is van de opteekening van van Assen: „De Koning heeft een oogenblik acte van afstand van België aan den Prins van Oranje gedaan” (Hogendorp, Br. en Ged. VII, 120).—De brief van den koning was van den 13{den}.
[166] „H. R. H. is in nowise disposed to renounce his right to the sovereignty of Holland. He even talked of leaving Prince Frederick or one of his sons in that country as Viceroy or with the title of Stadholder, in the event of the present King's death, but said it was too early to advert to such matters; that the principal point was to recover for himself the finest part of the Kingdom, which he hoped to be able to do with the full powers he had received from H. M., and which he often repeated had been far more ample and explicit than he ever hoped to have obtained” (Cartwright 16 Oct.).
De Antwerpsche episode is een diep treurig en onnoodig nastuk geweest op de gebeurtenissen van September. De prins draagt voorzeker niet de geheele schuld. Ook de koning, die hem in een zoo dubbelzinnige positie had geplaatst, gaat niet vrij uit. Zijn besluit van 4 October erkende de omwenteling niet, en liet alles voortvloeien uit de vóór de nederlaag te Brussel door hem uitgevaardigde stukken. Het was zeer de vraag of deze houding nog tot iets leiden kon, maar zij was in ieder geval volkomen correct. Met zijn brief van den 13{den} evenwel verliet de koning zelf het gebied van de legaliteit. Beschouwde hij de door hem tegen den 18{den} te 's-Gravenhage uitgeschreven vergadering der Staten-Generaal als wettig, dan was er geen sprake van dat een Belgische vergadering de souvereiniteit over het Zuiden zou kunnen wegschenken. De prins evenwel ging nog veel verder dan de koning hem in zijn brief toestond: hij wachtte het aanbod der souvereiniteit niet af, maar deed een opzienbarende poging om zulk een aanbod uit te lokken. Zijn hierop gevolgde verloochening door Willem I, de allerheftigste afkeuring van zijn daad door het Noorden, zijn onmacht tegenover Chassé, de volslagen hulpeloosheid van zijn toestand, die geen uitweg overliet dan een vertrek naar den vreemde, maakten het den Belgen duidelijk dat men, door hem te kiezen, een groote dwaasheid zou begaan. Men zou zich, voor een niet te berekenen tijd, in een hoogst onzuivere verhouding hebben gesteld tegenover hetzelfde Noorden waarvan men zoo nadrukkelijk wenschte gescheiden te zijn. Iemand die op een wenkbrauwfronsen van den koning van Holland de vlucht nam, kon geen koning van België wezen. Het Congres, dat den 10{den} November bijeenkwam, sprak den 24{sten} daaraanvolgende met 161 tegen 28 stemmen[167] de vervallenverklaring van het „huis Nassau” uit. Den 18{den} was, met algemeene stemmen, de onafhankelijkheid van België geproclameerd; den 22{sten} had de vergadering, met 174 tegen 13 stemmen, den monarchalen regeeringsvorm aangenomen.
[167] Waarvan 9 uit de provincie Antwerpen (Nothomb, 53).
Welken koning België nu kiezen zou, hing niet alleen van eigen voorkeur, maar ook van de goedkeuring van Europa af. Tegelijk met zijn besluit van 4 October had Willem I de hulp van de onderteekenaars der artikelen van Londen ingeroepen om de rust in de zuidelijke provinciën gewapenderhand te herstellen[168]. Maar het Europa van 1830 was dat van 1814 niet meer. Toen het verzoek van Willem I ontvangen werd, was Engeland reeds met Frankrijk overeengekomen, de Belgische zaak in gemeen overleg te regelen en zoo mogelijk zonder gewapende tusschenkomst. Engeland waarborgde zijn mede-onderteekenaars van 1814, dat België niet aan Frankrijk zou komen; het waarborgde Frankrijk, dat die mede-onderteekenaars niet eenzijdig in België zouden intervenieeren. Men gaf dus aan Willem I ten antwoord, dat niet de vier, maar de vijf mogendheden bereid waren de Belgische zaak te regelen langs vreedzamen weg[169]. Den 21{sten} October nam Willem I dit aanbod aan, en verzocht in de eerste plaats om de bemiddeling van een wapenstilstand[170]. Nadat de conferentie van Londen, die den 4{den} November haar werk begon, dezen wapenstilstand inderdaad bewerkt had, sprak zij 20 December het beginsel der „toekomstige onafhankelijkheid van België” uit en stelde 20 Januari 1831 de voorwaarden van scheiding tusschen België en Holland vast: herstel van Holland binnen de grenzen van 1790; de rest van het koninkrijk der Nederlanden zal, met uitzondering van het groothertogdom Luxemburg, een neutralen staat België vormen. Den 27{sten} Januari sloeg de conferentie voor, dat deze staat België met 16/31 der Nederlandsche schuld zou worden belast, en bepaalde dat geen koning van België door de vijf mogendheden zou worden erkend, die de voorwaarden van 20–27 Januari niet aannam, en ook uit anderen hoofde door de mogendheden geschikt werd geoordeeld[171]. De conferentie kwam hierdoor in strijd met het Congres, dat reeds op Luxemburg, Maastricht en Staats-Vlaanderen aanspraak had gemaakt, en den 19{den} Januari besloten had tot de koningskeuze over te gaan zonder de mogendheden om advies te vragen. Den 1{sten} Februari protesteerde dus het Congres met 163 tegen 9 stemmen tegen de voorwaarden van 20 Januari; den 3{den} Februari koos het den hertog van Nemours tot koning, niettegenstaande Louis Philippe van te voren gewaarschuwd had dat hij zijn zoon niet zou kunnen geven; evenwel was de keuze hem welkom, in zooverre zij die van concurreerenden candidaat, den hertog van Leuchtenberg, zoon van Eugène de Beauharnais, onmogelijk maakte. Den 7{den} Februari weigerde de conferentie, den nieuwgekozen koning te erkennen. België had dus alles gedaan, om de mogendheden tegen zich in te nemen; tegelijk begon de langdurige regeeringloosheid haar gevolgen te doen gevoelen in een ergerlijke wanorde binnenslands. Velen in Europa gingen twijfelen aan de mogelijkheid van een onafhankelijken Belgischen staat; belustheid op een verdeeling van België maakte bedenkelijke vorderingen. Deze omstandigheden zijn gewis niet zonder invloed geweest op de houding van Willem I, die den 18{den} Februari in de voorwaarden van 20–27 Januari gaaf toestemde. Hij erkende dus België's onafhankelijkheid (waartegen hij na de beslissing van 20 December nog had geprotesteerd), maar op het oogenblik, dat deze onafhankelijkheid twijfelachtig scheen te worden.
[168] Falck aan Aberdeen, 5 Oct. 1830 (bij de Bosch Kemper I, aantt. bl. 36).
[169] „To prevent, if possible, the disturbed state of these provinces from leading to any interruption of the general peace of Europe” (Aberdeen aan Falck, 17 Oct. 1830; plaats als voren, bl. 39).
[170] Falck aan Aberdeen, 24 Oct. 1830 (plaats als voren, bl. 40).
[171] „Il appartient aux puissances de déclarer, qu' à leurs yeux le souverain de la Belgique doit nécessairement répondre aux principes d'existence du pays lui-même, satisfaire par sa position personnelle à la sûreté des états voisins, accepter à cet effet les arrangemens consignés au présent protocole, et se trouver à même d'en assurer aux Belges la paisible jouissance” (Verstolk I, 111).
Toch is België uit de moeilijkheid gered: den 24{sten} Februari koos het zich een regent; de orangistische bewegingen, die in Februari en Maart plaats hadden, werden gemakkelijk onderdrukt, en het inzicht der bestuurders (bovenal van Joseph Lebeau) greep het eenig middel aan, om zich tegenover Europa in een betere positie te plaatsen. Tot dusver had men veel te uitsluitend heul gezocht bij Frankrijk, dat bij de vernietiging van het koninkrijk der Nederlanden een zoo duidelijk belang had; maar Frankrijk had Europa te ontzien. Een Fransche candidatuur was voor Europa onaannemelijk; die van een of ander Belgisch onderdaan zou nimmer alle Belgen vereenigd hebben. In April besloot het ministerie van den regent, de keus te bevorderen van Leopold van Saksen-Coburg, nadat men zich verzekerd had, dat deze keus België den steun van Engeland bezorgen zou tot het verkrijgen van gunstiger voorwaarden dan die van Januari. Den 4{den} Juni werd, met 152 tegen 43 stemmen, prins Leopold tot koning van België verkozen; den 26{sten} Juni werden de door België verworpen voorwaarden van Januari door andere vervangen: de „achttien artikelen”, die de mogelijkheid openlieten eener verwerving van Luxemburg en Maastricht, en aan België alleen de schuld oplegden die het vóór de vereeniging had gedragen, benevens een aandeel in de sedert 1815 door het koninkrijk der Nederlanden aangegane schuld. Den 27{sten} Juni nam Leopold de kroon van België aan, op voorwaarde dat het Congres de achttien artikelen zou aannemen, wat het den 9{den} Juli met 126 stemmen tegen 70 deed; onmiddellijk kwam Leopold over en aanvaardde de regeering. Het antwoord van Willem I was de tiendaagsche veldtocht, die tot een herziening der voorwaarden van 26 Juni leidde. Die veldtocht was een harde les, die België wel gebruiken kon: het overschatte niet weinig zijn eigen krachten. De aanneming der achttien artikelen door het Congres geschiedde op verzekering van den minister Lebeau, dat men zonder eenigen twijfel Maastricht en Luxemburg zou bekomen[172]; dat Willem I de artikelen zou afwijzen heette geen bezwaar: men had hem slechts te verslaan; Holland was „de lafste natie van Europa”[173]. De lafste natie gaf eerlang antwoord aan de... welbespraaktste. België, dat niet dan met moeite overreed was de achttien artikelen van Juni aan te nemen, moest zich nu tevreden stellen met de vier-en-twintig artikelen van 15 October, die haar slechts half Luxemburg bezorgden, en de grens in Limburg bepaalden gelijk die nu is. De kamer gehoorzaamde den 1{sten} November met 59 tegen 38 stemmen; den 15{den} November erkenden de mogendheden den Belgischen staat. Door Willem I opgehouden, die niet ophield aan een restauratie te denken, is Holland eerst acht jaar later hiertoe overgegaan.
[172] „Je dis que nous aurons la ville de Maestricht tout entière.... Etes-vous bien sûr, me dit-on, de l'opinion de la Russie, de la Prusse, de l'Autriche par rapport à Maestricht? Non; mais peu m'importe. Ce qui me suffit, c'est que, d'après les préliminaires, tout est désormais entre nous et la Hollande. Les puissances l'ont déclaré, elles ont renoncé à toute intervention sur ce point. C'est donc entre la Hollande et nous, et certes nous ne sommes pas disposés à céder Maestricht a la Hollande.... Le prince [Léopold] veut et il aura le Luxembourg. Il l'a déclaré, il fera la guerre, s'il le faut, pour obtenir le Luxembourg et Maestricht” (Verstolk I, 232–236).
[173] De afgevaardigde Alexander Rodenbach in de zitting van 4 Juli.
VIERDE HOOFDSTUK.
Besluit.
De scheiding heeft thans vijf-en-zeventig jaren geduurd; bevredigt zij?
Oogenschijnlijk in België ten volle. Elke gelegenheid wordt aangegrepen, om haar aandenken feestelijk te vieren. Wij Hollanders, die tijdens de vereeniging zooveel prijs bleken te stellen op het behoud der rechten van het eigen volksbestaan, moeten de laatsten zijn hun die vreugde te misgunnen. Hoe natuurlijk is zij inderdaad! In 1830 kreeg België rang in de wereld; een rang dien het nu driekwart eeuw eervol opgehouden heeft. Europa heeft zich over haar beslissing niet te beklagen gehad; het bestaan van het onafhankelijke België is voor de belangen harer groote gemeenschap een voordeel gebleken.