De Belgische omwenteling

Part 11

Chapter 113,618 wordsPublic domain

Had men, vóór de stemming, met den clerus moeten onderhandelen? Maar de Broglie zou oogenblikkelijk de discussie hebben geleid naar een terrein waarop de regeering hem niet volgen kon: naar gene zijde van de artikelen van Londen, en de mislukking eener zoodanige onderhandeling was veel gevaarlijker, dan geen onderhandeling hoegenaamd. Het is een fout geweest, dat de koning de clericale richting niet wat sterker in de commissie vertegenwoordigd heeft; een ergere nog, dat hij en Hogendorp het artikel betreffende het concordaat zoo geheel aan de ongewisheid der deliberatiën hebben overgelaten: de Belgische liberalen hebben de beslissing over dat artikel in de hand gehad, zij die toch in waarheid de minderheid der bevolking vertegenwoordigden. Met eenig beleid ware het artikel voorzeker aan den koning te renvoyeeren geweest, gelijk immers ook de commissie van 1814 zijn beslissende stem nopens twee artikelen, die den godsdienst raakten, had ingeroepen. De ernstigste ongerustheid bestond nu eenmaal in 1815 bij de geloovige katholieken, en naar die zijde wilde men eenige verzekering geven. Maar nu kwam er niets van terecht dan de volgende volzin in de door Hogendorp gestelde, door de Thiennes en de Coninck goedgekeurde proclamatie aan de Belgen van 18 Juli 1815, waarin hun van de aanstaande bijeenroeping van notabelen werd kond gedaan: „Nous assurons en particulier a l'Eglise catholique son état et ses libertés, et nous ne perdrons pas de vue les exemples de sagesse et de modération que nous ont laissés à cet égard nos prédécesseurs, vos anciens souverains, dont la mémoire est si justement vénérée parmi vous”[100]. De geestelijken waren toen hun machinatiën reeds lang begonnen.

[100] Hymans I, 246; vgl. Hogendorp VI, 153.

Met welken uitslag is bekend. Willem I had, na den eersten goocheltoer, de artikelen van Londen, zich en zijn nagedachtenis het tweede hocuspocus, waarmede het getal 527 werd verklaard het getal 796 te overstemmen, kunnen besparen, indien hij verklaard had dat de grondwet door de meerderheid der gezamenlijke bevolking van het Rijk was aangenomen. Wanneer slechts een derde bij ons vóór stemt, had reeds Dotrenge in de commissie gezegd, is de meerderheid buiten kijf. Doch waar bleef dan het gemeen goedvinden, dat de artikelen van Londen hadden geeischt, en dat toch wel niet dan van de beide helften des Rijks kon worden verstaan? Om dit gemeen goedvinden in het goedvinden der Belgische commissieleden te doen bestaan, was het thans te laat. Er zat dus niets anders op, dan òf de door den spot van Belgische schrijvers berucht geworden _arithmétique néerlandaise_ toe te passen, òf te verklaren dat men geen stemming had behoeven te vragen en niettegenstaande de verwerping tot de invoering der grondwet zou overgaan. De verwerping, zeide de liberale _Observateur_, maakt de grondwet niet krachteloos, evenmin als een aanneming haar van kracht zou gemaakt hebben[101]. De waarschuwing van den gouverneur-generaal van der Capellen aan de notabelen, dat men over de artikelen betreffende den godsdienst geen uitspraak had te doen, maakte zeer weinig indruk. Men antwoordde er onmiddellijk op, dat men dan om andere artikelen de grondwet zou verwerpen[102]. De zaak was, dat de meerderheid van het Belgische volk de vereeniging niet wenschte, en dat zij de stemming als een middel aangreep, om aan dezen afkeer uiting te geven. Voor zoover de Belgen niet aan den leiband der geestelijkheid liepen, waren zij toch ten zeerste ontevreden over de vereeniging der schulden (die van Holland beliepen 589, die van België 27 millioen gulden) en over de onvoldoende vertegenwoordiging van het Zuiden in de Staten-Generaal (Holland had 55 leden voor twee millioen, België 55 leden voor drie en een derde millioen inwoners). Altemaal artikelen tot welker rechtvaardiging men, even goed als voor die over den godsdienst, den tekst der bepalingen van Londen inroepen kon. Waar bleef de „innige en volmaakte vereeniging”, zoo men de schulden niet gemeen maakte; waar het begrip der „uitbreiding van Holland”, zoo het toevoegsel het oude land overstemmen kon? De zaak is waarlijk reddeloos geweest van het begin af. De 527 stemmen zijn minder vóór de vereeniging (die reeds een feit was), dan tegen de geestelijkheid uitgebracht.

[101] Observateur 1815, II, 366.

[102] „Le comte Delafaille, président des notables de l'arrondissement de Gand, a fait imprimer une dépêche de S. E. le baron van der Capellen qui s'exprime sur ce que les notables n'ont pas à voter sur l'article de la religion, définitivement stipulé au congrès de Vienne. Dans la nuit même, une multitude de pamphlets ont été dirigés contre cette lettre; on les a donnés dans les mains des passans. Il y est dit que le Souverain ayant par la Constitution la suprématie sur le clergé par le fait qu'il avait l'inspection des hautes et basses écoles etc., on ne pourrait même pas l'accepter en omettant les articles du culte..... Après la saisie du mandement [het bekende stuk van de Broglie, Hymans I, 253], les libelles ont redoublé de fureur: ils commencent à entamer les questions les plus essentielles. L'armement général est nommé une conscription renforcée; la fusion de la dette, le nombre égal des Hollandais dans la représentation, tout cela est attaqué avec acharnement. Les femmes en parlent même dans la société” (Rapport van den directeur van policie te Gent aan de Thiennes als commissaris-generaal van justitie, 13 Aug. 1815; papieren-van Gobbelschroy, Rijksarchief, Brussel).

De stemmingslijst is merkwaardig uit een oogpunt van Belgische politieke geographie. In Namen, Luik, Limburg was de meerderheid vóór de grondwet; in Luxemburg was geen enkele stem tegen; in Zuid-Brabant en Henegouwen was een aanzienlijke minderheid vóór de grondwet; in West- en Oost-Vlaanderen en Antwerpen hadden de neenzeggers een verpletterende meerderheid[103]. De hoofdgewesten van Dietsch-België waren dus het meest wederstrevig; overeenkomst van ras en gemeenschap van taal waren volstrekt werkeloos bij deze vereeniging. Vlaanderen liet zich op sleeptouw nemen door een Franschen prelaat die zijn voorkeur voor de Bourbons geen oogenblik verheeld had[104], en in de gewesten waar de meerderheid voor de grondwet stemde geschiedde dit niet omdat men tot Holland naderen wilde, maar omdat de geest van Voltaire er was doorgedrongen. Niet dat ~deze~ vereeniging verbroken is kan ons verwonderen, maar dat zij vijftien jaar heeft geduurd. Behalve op papier, heeft de scheiding nimmer opgehouden te bestaan; ja was zij eigenlijk van het papier zelf verdwenen? De bepaling der 55 tegen 55 geeft het antwoord. Die de taak op zich nemen wilde, door de mogendheden aan den vorst van het Noorden op de willige schouders gelegd, kon òf met de „vergrooting van Holland”, òf met de „innige vereeniging” ernst maken, niet met beide tegelijk. Had hij den moed niet het nieuwe rijk als een vergroot Holland, België als een barrière te administreeren, dan moest ook aan België de vertegenwoordiging naar den maatstaf der bevolking worden toegestaan. Alleen deze kon de gemeenmaking der schulden rechtvaardigen. Men zou dan tot de Belgen hebben gezegd: wij bieden u de beschikking aan over ons volksbestaan met zijn lusten en lasten, zijn overleveringen en zijn toekomst, zijn deugden en zijn gebreken. Wilde men dit niet (wee Holland, dat het ooit zou willen!), dan had men zijn handen van België af moeten houden.

[103] Te Gent 10 ja, 70 neen; te Yperen en Antwerpen niemand ja, 50 en 59 neen; te Mechelen 5 ja, 33 neen; enz.

[104] Coremans, bl. 199.—Ook tijdens het verblijf van Lodewijk XVIII te Gent, gedurende de „honderd dagen”, had de Broglie van deze voorkeur doen blijken.

DERDE HOOFDSTUK.

De Scheiding.

De vijftien jaar der vereeniging met Holland vormen in de Belgische geschiedenis een allergewichtigst tijdvak. Om dit in te zien is het voldoende, zich rekenschap te geven van het onderscheid tusschen het programma der Belgische katholieken van 1814 en '15, en dat der Unie van 1829, waaruit de hedendaagsche Belgische constitutie haar oorsprong heeft. Het katholicisme, dat in 1814 van herstel van het _ancien régime_ droomt, aanvaardt in 1830 den liberalen staat, mits het een Belgische, en mits hij waarlijk liberaal zij; m. a. w. mits hij zich beperke tot een enger terrein dan de regeering van Willem I had bestreken.

Hoe weinig monsterachtig het verbond van katholieken en liberalen tegen Willem I is geweest, leert ons Hollanders de vergelijking met een gewichtig verschijnsel in onze eigen geschiedenis: de eenstemmigheid tusschen Thorbecke en de katholieken (en, tot op zekere hoogte, tusschen Thorbecke en Groen van Prinsterer), die de invoering der grondwet van 1848 mogelijk gemaakt heeft.

„De staatkundige partijen, die in gemeenschap van kerkelijk of godsdienstig geloof wortelen, hebben in de negentiende eeuw een keerpunt gehad. Het is het oogenblik geweest waarop zij, de onmogelijkheid inziende om het roer van den staat geheel te bemachtigen, hun steunpunt buiten den staat, in de maatschappij zijn gaan zoeken. De katholieken in België hebben dat gedaan, toen zij de Bonald hebben verlaten voor de Lamennais. Vandaar dat de geestelijkheid, na de grondwet van 1815 met fellen haat te hebben bestreden, de Belgische grondwet van 1830, die dezelfde beginselen met wat meer beslistheid huldigde, met geestdrift hielp tot stand brengen....”[105]. De katholieken, die dit deden, hadden allerminst den strijd tegen het liberalisme opgegeven; zij wonnen er juist bij, dien strijd voortaan in volle vrijheid te kunnen voeren. Zij veranderden niet van vijand, maar van gevechtsterrein. De Belgische liberalen van hun zijde offerden den steun op, dien het protestantsche Noorden en de protestantsche koning hun tegen de geestelijkheid hadden kunnen bieden: zij hadden geen vertrouwen in dien steun, en achtten hem voor verloochening der eigen politieke en nationale idealen in elk geval te duur gekocht. Ook zij kregen in 1830 de handen ruim.

[105] De Beaufort, Geschiedkundige opstellen II, 185.

Scherpe partijtegenstellingen behoeven niet noodzakelijk afbreuk te doen aan de nationale eenheid. Oneindig gevaarlijker dan scherpte, is onzuiverheid van tegenstelling. Onzuiverheid nu was het kenmerk der staatkundige verhoudingen in het koninkrijk der zeventien Nederlanden.

De Belgische vrijzinnigheid had in 1815 voor de Grondwet gestemd. Zij was toen nog heel anders gekleurd dan in 1830: meer Napoleontisch dan democratisch. Zij verschilde eigenlijk in geestesrichting zeer weinig van Willem I of van den later zoo fel bestreden van Maanen zelf. Met haar steun ware een krachtige liberale staatkunde te voeren geweest, maar—een Belgische staatkunde. Zij wenschte onderwerping van de kerk aan den staat, maar aan een staat die zich leiden liet door Belgische belangen. Zich met haar als partij te vereenzelvigen, zou den koning op het verlies van den steun van het Noorden zijn komen te staan, en dezen kon hij, in het belang der Belgische liberalen zelven, tegen de vijandschap der geestelijkheid niet missen. De Goubau's en Gobbelschroy's konden dus de vleugels niet uitslaan, en werden impopulair in hun eigen land.

Naast het hunne kwam een ander liberalisme op, dat van de moedige jongelieden, die in 1830 den Belgischen staat hebben gesticht. Zij verwierpen, in vol vertrouwen op de kracht van het eigen levensbeginsel, het kunstig stel van bepalingen waarmede tot dusver de wereldlijke overheid de kerk in haar vrijheid van beweging had beperkt. Waartoe inderdaad zouden zij nog langer den koning tegen den clerus helpen? De koning zou nimmer in dien strijd kunnen overwinnen dan door machtsmiddelen, die onmiddellijk daarna tegen de jonge liberalen zouden zijn gekeerd. Het was waarlijk niet te denken, dat Willem I, die de ministerieele verantwoordelijkheid en de directe verkiezingen weigerde terwijl hij de liberale jeugd nog eenigermate moest ontzien, ze toe zou staan als hij met haar hulp de geestelijkheid zou hebben overwonnen. En dat deze jong-liberale partij fel anti-Hollandsch was, lag mede in den aard der zaak. De 55 noordelijke stemmen vormden, zoo dikwijls het tegen de democratie ging, een vast aaneengesloten blok. Ware het in 1830 mogelijk geweest het regeeringsstelsel van Willem I ten val te brengen met hulp uit Noord-Nederland, de scheiding zou nog eenige jaren verschoven zijn geworden, tot den gewis niet ver verwijderden dag waarop het directe kiezerscorps in België den oorlog zou hebben verklaard aan elke regeering die de vertegenwoordiging naar bevolkingsgetal aan België zou willen onthouden. Maar zooals de zaken lagen was zelfs op dit uitstel geen kans. De jong-liberale partij had vooreerst in 1830 in Noord-Nederland nog zeer weinig macht, en dan nog wees zij elk bondgenootschap van de hand met lieden, waarin zij, hoe kon het anders, eer muiters dan geestverwanten zag. Niet op het oogenblik, waarop naast dien van den koning ook Hollands naam in België gevloekt werd, wenschte zij Willem I haar rekening van grieven aan te bieden.

Ziet men wel dat het niet katholicisme of liberalisme, maar nationaal verschil geweest is dat de scheiding noodzakelijk heeft gemaakt? Van welke zijde men ook in de zaak doordringt, steeds komt men op het verschil in nationaliteit terecht. Hoe konden, bij voorbeeld, met mogelijkheid de Noordnederlandsche katholieken, aanzienlijke minderheid voorwaar, met de regeering van Willem I ingenomen wezen? Echter is niemand van hen in 1830 opgestaan, zelfs in Noord-Brabant niet. Het jaar '30 bewees niet slechts dat België, het bewees evenzeer dat Holland leefde.

Noord en Zuid kunnen beide zonder wrok aan den tijd der mislukte vereeniging terugdenken. Zij heeft, ondanks de gewelddadige ontknooping, ons beiden veel meer goed dan kwaad gedaan. Aan België met name heeft de gedwongen vereeniging onschatbare diensten bewezen. Wat zou er van het land geworden zijn, indien het in 1815 niet met Holland vereenigd ware? Blijvende inlijving bij Frankrijk zou België hebben vermoord: Brussel zou thans een prefectuurstad, Antwerpen een soort noordelijk Toulon, de Vlaamschheid van Gent en Brugge aan die van Duinkerken gelijk zijn.—Onafhankelijkheid onder een Oostenrijksch prins, met meer of minder volledig herstel van den toestand vóór 1794? Binnen drie jaar zou in het land een burgeroorlog hebben gewoed, die in den toenmaligen toestand van Europa onvermijdelijk op een interventie zou zijn uitgeloopen.—Een verdeeling die Brussel aan Frankrijk, Antwerpen aan Nederland, Luik aan Pruisen zou hebben gehecht? Wij behoeven er geen woord over te verliezen, dat de vereeniging met het Noorden voor België's toekomst heilzamer was dan zulk een lot. Zij, en zij alleen, heeft België in de gelegenheid gesteld, in den strijd tegen een machtigen, niet overmachtigen vijand zichzelf terug te vinden. De vijftien jaren der vereeniging zijn voor België een kostbare leerschool geweest in nationalen trots en nationale tucht. Zij eerst hebben de Belgen inzicht doen krijgen in de voorwaarden, waaronder een onafhankelijk bestaan voortaan nog voor hen mogelijk was. In 1815 zouden zij, vrees ik, voor de proef zijn bezweken.

En wij? Ook Holland mag zich waarlijk niet over het lot beklagen, dat het in 1815 aan België klonk. Het had in 1813 een wedergeboorte beleefd, maar geen zeer hoopvolle. De Noordnederlandsche samenleving als geheel zag meer naar het verleden dan naar de toekomst. Men ~wilde~ de oude partijschappen wel begraven, maar zouden zij het zich ~laten~ doen? Zou men het krachtig eenhoofdig gezag, waaraan het land nog dringend behoefte had voor lange jaren, zich hebben laten vestigen en ontwikkelen? De Souvereine Vorst zou het met heel zijn kracht hebben beproefd; zijn persoon is daar borg voor. Maar Noord-Nederland was minder van den nieuwen tijd, dan zijn vorst. De strekking tot oligarchie en provincialisme, tot het overlaten der functiën van het openbare leven aan beperkte kringen van plaatselijke beroemdheden, was ja afgenomen, maar niet afgestorven. In de bagage van Napoleon had de vorst een sterke centrale regeeringsmacht voor het overnemen gevonden, maar de kiemen van een particularistisch, oligarchisch getint verzet daartegen waren aanwezig, en zouden onder gunstige omstandigheden tot wasdom hebben kunnen komen. Doch, dank zij in de eerste plaats de vereeniging met België, zijn de omstandigheden daarvoor zeer ongunstig geweest. Aanhoudend kwamen de belangen, dikwijls de vooroordeelen van het Noorden ~als geheel~ in botsing met die van het Zuiden, in zoo sterke mate, dat het Noorden zich bestendig als geheel bleef voelen en gedragen. Tegen de stelselmatige oppositie van het Zuiden werd aan de regeering een even stelselmatige steun van het Noorden geboden. De belangen van de ontwikkeling der staatsinstellingen in liberale richting kwamen hierdoor tijdelijk in het gedrang, maar de belangen der nationale eenheid zijn er ongetwijfeld door gebaat.—Heeft dus de ~vereeniging~ met België ons dienst gedaan door het op den achtergrond schuiven en verstikken der specifiek Noordnederlandsche dorpsgeschillen, die zulke abnormale verhoudingen plachten aan te nemen in het leven der oude Republiek, de Belgische ~opstand~ heeft, door de zeer natuurlijke tegenstrooming die zij in het Noorden opwekte, aan ons nationaal bewustzijn geen mindere weldaad bewezen. Het is meer de staatkunde van Willem I in de jaren 1830–'39 waarover de geschiedenis den staf gebroken heeft, dan de houding van het Noordnederlandsche volk. Dit verlangde met nadruk, dat bij de ook in het Noorden gewenschte scheiding noch zijn eer, noch zijn historische rechten werden aangerand, en het was bereid zijn koning de middelen te verschaffen tot handhaving van die eer en rechten. Doch de koning heeft deze bereidwilligheid van het Noordnederlandsche volk misbruikt, en de middelen, die het ter beschikking stelde, aangewend in dienst eener staatkunde wier heimelijk doel, de wederverwerving der Belgische gewesten, door ons volk werd veroordeeld. Het geluk bij dit ongeluk was, dat de volksvertegenwoordiging, eigenlijk voor het eerst sedert 1813, besef leerde krijgen van haar taak: zij verlangde nu eindelijk, een werkzame contrôle uit te oefenen op het gebruik der openbare geldmiddelen. Toen na den vrede met België eenige formeele wijzigingen in de grondwet waren noodig geworden, ging het niet meer aan dezen wensch geheel voorbij te zien: de tienjarige begrooting verdween, en er werd een minimum ministerieele verantwoordelijkheid ingevoerd. Geringe hervormingen nog, maar die bewezen dat toch ook het Noorden nieuwe banen insloeg. Acht jaar later waagde het zich daarop meer onbeschroomd, niet zonder invloed van het Belgische voorbeeld. Onze grondwet van 1848 heeft vrij wat van de Belgische van 1830 kunnen overnemen; en dat dit geschied is, heeft Noord-Nederland nimmer berouwd. Men heeft daarover toentertijd niet veel gesproken, maar het feit is, voor wie beide constitutiën naast elkander legt, onloochenbaar.

* * * * *

Aan de geschiedenis der gedwongen samenleving van Noord en Zuid is nog veel te doen. Niemand zal er ooit een bevredigende voorstelling van kunnen geven, die niet èn België èn Holland kent en liefheeft. Van Belgische zijde worden veelal de voorstellingen der Belgische oppositiebladen van het tijdvak zonder zelfstandig onderzoek herhaald, terwijl er Noordnederlandsche schrijvers gevonden worden die zich niet ontzien, zich heden ten dage nog door citadelpoëzie en dergelijke te laten inspireeren. Er zijn uitzonderingen. In Noord-Nederland is het werk van de Bosch Kemper (te waardeeren niet zoozeer om kracht van voorstelling of scherpte van critiek, als om rijkdom van informatie) nog onovertroffen; in België munt het fraaie boek uit, door Discailles aan Charles Rogier gewijd. Wat echter nog niemand verrichtte en toch boven alles noodig heeten moet, is het stelselmatig en uitgebreid ontginnen der regeeringsarchieven van het tijdvak zelf. Deze nu bevinden zich in Noord-Nederland. Krachtens een onlangs genomen koninklijk besluit worden thans de archieven van alle departementen van algemeen bestuur tot 1830 toe naar het gebouw van het Algemeen Rijksarchief overgebracht. De studie der algemeene geschiedenis van het koninkrijk is dus voortaan zeer vergemakkelijkt; moge eerlang blijken dat zij wordt ondernomen door Noord- en Zuidnederlanders beide.

De gansche overlevering omtrent de geschiedenis van Groot-Nederland van 1815 tot 1830 aan de bescheiden te toetsen, zal een reuzenwerk zijn, niet op éénmaal tot stand te brengen. Daarom doet men wel, gedurig te geven wat men heeft. Schrijver dezes viel het nog niet te beurt, meer dan oppervlakkig kennis te maken met de archieven van het Kabinet des Konings en van elk afzonderlijk departement van algemeen bestuur over bedoelde jaren, al heeft hij reeds de zekerheid verkregen, dat die van het justitiedepartement onder van Maanen voor de meer intieme kennis van het tijdvak zeer belangrijk zullen worden bevonden. Daarnevens komen de berichten der gezanten van Engeland en Frankrijk in aanmerking; eenigermate is onlangs daarvan reeds partij getrokken[106]. Nog zijn van belang de particuliere papieren van den minister van Maanen, in 1900 door het Nederlandsche Rijksarchief verworven[107]. De geschiedenis van het gansche tijdvak aan de hand van al deze bronnen opnieuw te schrijven, is voorshands nog een onbegonnen werk. Echter kan er, in het klein bestek dat wij hier hebben gekozen, toch wel iets uit worden medegedeeld, dat medehelpen kan om het inzicht in die geschiedenis te verhelderen.

[106] Poullet „Les premières années du royaume des Pays-Bas” (Revue générale 1896); dezelfde, „Relations inédites sur les débuts de la Révolution belge” (Revue générale, 1897); Alfred Stern, „Geschichte Europa's”, vierde deel (Stuttgart und Berlin, 1905).

[107] Ook reeds eenigermate, hoewel naar het kader van zijn boek meebracht weinig, door Stern gebruikt.

De staat der zeventien Nederlanden was tegen Frankrijk opgericht; Frankrijk had dus reden, dien staat scherp te doen observeeren, en de Fransche berichten zijn dan ook over zijn binnenlandsche verhoudingen zeer uitvoerig. Welwillend gestemd zijn de Fransche beoordeelaars natuurlijk niet, maar ook van onwelwillende beoordeeling kan men leeren. Onder de berichtgevers komt voor zeker geheim agent Julian, gewezen politie-ambtenaar van Fouché, die tegelijk betrekkingen onderhield met de Fransche en met de Nederlandsche regeering. Men vindt zijn brieven tusschen de officiëele dépêches in, onder den naam van „Correspondance secrète des Pays-Bas”[108].

[108] 1821–'24, en dan weder 1828–'29. Al deze berichten zijn geschreven uit Brussel. De schrijver deed zich, in den kring der liberale Fransche uitgewekenen te Brussel, als een bondgenoot voor, om achter hun plannen te kunnen komen. Om te maken dat men hem met rust liet, had hij de Nederlandsche regeering van deze zijn rol op de hoogte moeten stellen.

8 Januari 1823. Invoering van het gemaal en geslacht. Het brood en het vleesch komen onmiddellijk boven den normalen prijs. „Dans plusieurs quartiers de la ville, des caricatures peintes ou en relief, représentant le Roi, revêtu du manteau royal et la couronne sur la tête, ont été trouvées pendues, les unes par les pieds, les autres par le cou. Les recherches de la police n'ont pu découvrir encore aucun coupable, mais on peut assurer qu'il y a autant de complices que d'habitants”.