De Belgische omwenteling

Part 10

Chapter 103,522 wordsPublic domain

De mogendheden hadden den Souvereinen Vorst om advies gevraagd omtrent de vervulling hunner aan de Belgen gedane belofte. Hij was daarop den 20{sten} Mei naar Parijs vertrokken met eenige artikelen die van hemzelven afkomstig waren, en bij welker vaststelling hij, behalve met het antwoord aan de deputatie te Chaumont, rekening gehouden had met bezwaren, die van Belgische zijde aan zijn gezant bij het voorloopig bestuur te Brussel, van der Capellen, waren opgegeven[80]. Men had daar, behalve van de reeds vroeger opgegeven punten van godsdienst, handel, schulden en vertegenwoordiging, ook van de residentie van den vorst en van het onderhoud der Hollandsche dijken gesproken, 't welk men, van plaatselijke Hollandsche toestanden blijkbaar volstrekt onkundig, vreesde dat aan de Belgen een zwaren last zou opleggen. Op dit punt was de geruststelling gemakkelijk: de dijken werden in Holland niet uit de kas van het gemeene land onderhouden. Wat het punt van den godsdienst betreft, verwees men de Belgen naar de artikelen der Hollandsche constitutie, die de gelijkstelling der gezindten uitspraken voor de wet, en de gelijke benoembaarheid van alle ingezetenen tot staatsambten. Verder verklaarde de vorst zich voor een volkomen gemeenmaking van lusten en lasten: vrije Scheldevaart dus en vrije vaart op de Hollandsche koloniën; amalgama van schulden. De beide helften zouden in de Staten-Generaal vertegenwoordigd kunnen zijn tot een gelijk getal[81]. De vorst zou een gedeelte van elk jaar te Brussel doorbrengen, en de vergaderingen der Staten-Generaal zouden afwisselend gehouden worden in een stad van het Noorden en in een stad van het Zuiden[82]. De vereeniging zou dus zoo innig mogelijk zijn; de Hollandsche grondwet zou voor het geheele rijk gelden, „modifiée d'un commun accord d'après les nouvelles circonstances”.

[80] Er bestaan van de bekende „acht artikelen van Londen” vier staten. Zij zijn in alle hoofdpunten ontworpen door den Souvereinen Vorst zelf, in een brief aan van Nagell van 16 Mei, vervolgens door van Nagell in diplomatieken vorm gebracht 20 Mei; met behulp van dit stuk is een nota opgemaakt, welke Lord Clancarty 25 Mei te Parijs aan de goedkeuring van de Souvereinen Vorst onderwierp, welk stuk deze op 30 Mei beantwoordde met de toezending der acht artikelen in den definitieven vorm, zooals zij, naar de aanwijzingen van den vorst, door Falck geredigeerd waren. Deze acht artikelen werden 31 Mei door Lord Clancarty voorgelegd aan Metternich, Nesselrode en Hardenberg; zij zijn, zonder eenige verandering, 20 Juni 1814 te Londen gearresteerd, en daarop 21 Juli door hun auteur, den Souvereinen Vorst, officiëel aangenomen.

[81] Zoo in het stuk van 20 Mei; in de acht artikelen: „les provinces belges seront convenablement représentées”.

[82] Het stuk van 20 Mei bepaalt, dat de beide helften ieder een afzonderlijken Raad van State zullen hebben.—Niet in de acht artikelen overgenomen.

Het aanvankelijk denkbeeld der mogendheden was geweest, dat de voorslagen van den Souvereinen Vorst aan een kleine vergadering van Belgische aanzienlijken zouden worden voorgelegd, om hunne bedenkingen te vernemen. Een voorstel in dezen geest was nog 16 Mei namens de verbondenen door Lord Castlereagh naar den Haag afgezonden[83]. De Souvereine Vorst had er dadelijk zooveel gevaar in gezien, dat hij spoorslags naar Parijs was vertrokken om de zaak te verhinderen[84]. De Belgische aanzienlijken waren te Chaumont gehoord, meende hij; dit moest genoeg zijn. Welk nut zou het hebben, het resultaat van het onderzoek der daar vernomen bedenkingen nog eens aan de goedkeuring van eenige notabelen te onderwerpen, die er toch geen wettigheid aan zouden kunnen verleenen? Baron Vincent meende er voor te kunnen instaan, dat de notabelen, zoo hij ze kiezen mocht, ja zouden zeggen; het nut dat men bij mogelijkheid van dit „ja” zou kunnen trekken kwam echter niet in vergelijking bij het nadeel dat een altijd mogelijk „neen” zou toebrengen aan de zaak die de bondgenooten wenschten. „Les Belges, loin d'avoir à se plaindre, se féliciteront de voir enfin le terme de la pénible incertitude où ils sont déjà restés trop longtems, et d'apprendre que le soin d'assurer et d'améliorer leur sort et de hâter la réunion sur des bases justes et libérales est définitivement et exclusivement confié au nouveau Souverain, dont ils savent bien que les intentions et le caractère[85] seront à la longue une garantie de leur bonheur bien préférable à des stipulations convenues dans un moment comme celui-ci entre le Souverain et quelques-uns de leurs compatriotes”[86].

[83] „It appears to the allied Ministers highly desirable to institute a commission without loss of time to prepare for the approbation of the Sovereigns a project for the reunion of the Belgian Provinces with Holland. You will call the Prince of Orange's attention to this important object. This Commission may be assembled according to mutual convenience either at Brussels or the Hague, and should consist of an equal number of Dutch and Belgian members; possibly three of each might be sufficient.... Their duty will be to consider how Belgium can best be incorporated with Holland, preserving to the former a just share of authority in the States General, and also guarding their interest in matters of religion, finance, and commerce” (Castlereagh aan Clancarty, 16 Mei 1814; afschrift in de verzameling-van Nagell, Rijksarchief, den Haag).

[84] Clancarty aan Castlereagh, 20 Mei 1814 (F. O.).

[85] „Hopende verder eenig personeel vertrouwen te verdienen, en kennis te hebben hoe ver eenen Protestantschen vorst gaan kan, door mijn oponthoud in Fulda alwaar alles zoo te zeggen de Roomsche godsdienst toegedaan was, en nooit de minste aanstoot of zwarigheid ontstaan is....” (De Souvereine Vorst aan van Nagell, 16 Mei 1814: Rijksarchief, den Haag).

[86] Paper delivered by H. R. H. to the Earl of Clancarty, May 30, 1814 (F. O.).

De landsvader! Zóó moest men tot de ministers der restauratie spreken! Intusschen is het voor de Noordnederlandsche geschiedschrijving meer dan tijd, te erkennen dat de Belgen, als zij later de artikelen van Londen artikelen van den Haag noemden, geen woord te veel hebben gezegd. Nothomb's befaamde uitdrukking van den „coup d'état permament”, die dagteekenen zou van 1814, is historisch gerechtvaardigd.

Monsterachtig groot zien wij hier het misverstand, dat den nieuwen staat der zeventien provinciën heeft gedood. Noch het Noordnederlandsche volk, noch de Noordnederlandsche souverein hebben de Belgen voor vol aangezien. Waren hun bezwaren ik zeg niet weerlegd, doch zelfs maar gevat? Wat beteekende het hun te verzekeren, dat de katholieken tot iedere landsbetrekking benoembaar waren?[87] Een dergelijke verzekering, gegeven aan een natie die voor 99% uit katholieken bestond, was alleen reeds een beleediging aan het gezond verstand. Met hun religiebezwaar hadden de Belgen voorzeker niet gemeend te vragen, of de katholieken in België wel tot landsbetrekkingen benoembaar zouden zijn. De moeilijkheden werden niet opgelost, zij werden genegeerd. De bondgenooten onderteekenden alles, in meer of minder goed vertrouwen op de uitkomst. Eigenlijk kwam een Belgische notabelenvergadering hun toch zeer ongelegen. Zonder twijfel zou zij verzocht hebben dat de Belgische landen over de Maas niet van het nieuwe rijk werden gescheiden, en de regeling der grenzen tusschen Maas, Rijn en Moezel was een der moeilijkste onderwerpen van alle en bleef nog zeer lang onbeslist. Voorloopig maakten zij zich van België af door tegelijk met de onderteekening der acht artikelen te verklaren, dat zij over het land beschikten in het belang van het evenwicht van Europa en krachtens het recht van verovering, en er, tot de feitelijke voltrekking der vereeniging toe, het bestuur over opdroegen aan den Souvereinen Vorst[88]. Deze aanvaardde het den 1{sten} Augustus met een niet ongeschikte proclamatie, van Falck afkomstig, waarin getracht was ieder het zijne te geven[89]. De moeilijkheid van de taak echter, die Willem I en Noord-Nederland te wachten stond, werd ook door Falck weggegoocheld. Dezelfde gebeurtenis, die het vredestractaat van Parijs had aangekondigd met de woorden: „La Hollande recevra un accroissement de territoire”, wordt in deze proclamatie „l'agrandissement de la Belgique” genoemd. Werd Holland uitgebreid, of België? In den gedachtengang van die de zaak uitgevonden hadden, Holland. Maar het was een veeg teeken, dat men hiervoor tegenover de nieuwe onderdanen niet uit durfde komen. Welk een fraaie „vergrooting van België” inderdaad, waarbij het, volgens Falck's eigen bekentenis aan een vriend, „te langdradig zoude geweest zijn, de Belgen te raadplegen”![90]—En was Holland geraadpleegd? Evenmin. De vereeniging is door beide volken bedacht noch goedgekeurd; zij is door hen ondergaan.

[87] „Les Belges jouiront de toute la tolérance religieuse que la constitution des Provinces-Unies établit. Les Catholiques sont par là même éligibles à tous les postes....” (van Nagell's stuk van 20 Mei).

[88] Protocol van 24 Juni 1814.

[89] Hymans, bl. 88.

[90] Aan D. J. van Lennep, 16 Aug. 1814 (Falck's Brieven, bl. 213).

* * * * *

De grenzen van het nieuwe koninkrijk werden bij tractaat van 31 Mei 1815 bepaald. De Souvereine Vorst verkreeg daarbij het geheele over de Maas gelegen gebied der Fransche departementen van de Sambre en Maas, van de Ourthe en van de Beneden-Maas (provinciën Namen, Luik en Limburg); voorts van Venlo tot Mook een smalle strook, die Pruisen verhinderde tot aan de Maas te reiken. Onder bizondere bepalingen werd aan dit gebied Luxemburg toegevoegd, als een vergoeding voor het verlies der Nassausche erflanden. De verknipping van België was dus voorkomen, maar Holland won geen duimbreed aan den Rijn. De mogendheden hadden zich genoodzaakt gezien, aan Pruisen het koninkrijk Saksen te onthouden, doch hadden in ruil aan Pruisens aanspraken op het land tusschen Maas, Rijn en Moezel in ruimer mate toegegeven dan de vrede van Parijs had kunnen doen verwachten. In het oorspronkelijk plan, om aan den Souvereinen Vorst den linker Rijnoever toe te deelen van Emmerik tot Keulen, benevens den linker Maasoever van Maastricht tot de Fransche grens, was het denkbeeld eener „uitbreiding van Holland” duidelijker uitgedrukt dan in de nieuwe regeling, die geheel op een vereeniging van Holland en België nederkwam.

De Souvereine Vorst had het tractaat van 31 Mei 1815 niet afgewacht, om den koningstitel aan te nemen. Met goedvinden der mogendheden had hij dit reeds gedaan na de landing van Napoleon. Het nieuwe koninkrijk had nu, in zijn zelfstandige deelneming aan den nieuwen Europeeschen oorlog, een proef af te leggen, waarin het niet al te ongelukkig slaagde. België steunde zijn nieuwen vorst tegen den inval; 's konings zoon vergoot zijn bloed voor een zaak die Zuid en Noord gelijkelijk aanging. Onder den indruk van het gemeenschappelijk gevaar werd, in Mei en Juni 1815, door een Hollandsch-Belgische commissie de grondwet van het Noorden herzien, die volgens de artikelen van Londen toepasselijk zou worden verklaard voor het geheele koninkrijk, na wijziging „met gemeen goedvinden”. Falck had de Belgische leden bijeengezocht, en daarbij zorg gedragen het clericale element in de minderheid te laten. Als zuivere clericalen konden slechts gelden Raepsaet en Dubois. Het sterkst was de adel vertegenwoordigd: de Thiennes, de Mérode, de Méan, van Aerschot; de beide laatsten tegelijk liberalen. Uit de balie waren genomen Leclercq en Dotrenge; uit de Napoleontische bureaucratie Holvoet en de Coninck; nevens den clericaal Raepsaet, vertegenwoordigen de liberaal Gendebien (oud-pensionaris van den derden stand in Henegouwen) het burgerlijk element uit de oude regeering van vóór 1795. Voor de leiding der Belgen rekende de koning op graaf de Thiennes, die tot dusver, onder den Hollandschen gouverneur-generaal van der Capellen, het departement van justitie in België waargenomen had, en die het vertrouwen scheen te bezitten van een goed deel zijner adellijke standgenooten.

Van daadwerkelijk verzet tegen de regeering van den Souvereinen Vorst was sedert 1814 geen spoor gebleken, maar daarom was men er niet mede verzoend. Vooral niet de machtige clericale partij. Juist in de dagen dat te Londen de acht artikelen van Willem I door de mogendheden bekrachtigd werden, had deze, bij monde van den oud-bisschop van Roermond, baron van de Velde de Melroy, opgave gedaan van haar eigen wenschen. De Roomsche godsdienst, zeide deze, kon in België tot de heerschende worden verklaard, zonder het beginsel der verdraagzaamheid prijs te geven. In België geen protestantsche ambtenaren; een eenvoudige eed van trouw aan den Souverein; aanmoediging van het katholiek onderwijs; herstel van de Jezuieten en van eenige kloosterorden; geen burgerlijk huwelijk; over de wijze van vervulling der bisschopszetels onderhandeling met den Paus. Een afzonderlijke constitutie voor België, goed te keuren door een vergadering van geestelijken en leeken, en zoo al geen wettelijk voorgeschreven, dan toch wezenlijk toegepaste uitsluiting der „acquéreurs de biens nationaux” en oud-keizerlijke ambtenaren uit het bewind[91]. Eischen die niet slechts met de artikelen van Londen onvereenigbaar waren, maar wier doorzetting een burgeroorlog zou hebben doen ontstaan in België zelf.

[91] „Réflexions confidentielles sur des objets majeurs concernant l'intérêt des Pays-Bas catholiques”, 8 Juni 1814 (F. O.).

Een nieuwe poging werd door den bisschop van Gent, de Broglie, gedaan bij het Congres van Weenen. Het was onmogelijk, zeide deze, een katholiek volk onder een protestantsch vorst te stellen zonder het eenige waarborgen te geven. Hij vroeg derhalve verbod van den protestantschen eeredienst elders dan in 's konings paleis; twee bisschoppen in den (Belgischen) Raad van State, die uit enkel katholieken moest worden samengesteld, en aan wien uitsluitend het recht van onderhandeling met den pauselijken nuntius zou toekomen; een concordaat; herstel van de geestelijke tiend; herstel en volledige vrijheid van de Jezuieten en kloosterorden[92].

Het Congres dacht er te minder aan zich met dit alles in te laten, daar kardinaal Consalvi, die te Weenen den Paus vertegenwoordigde, zich met deze eischen niet solidair verklaarde. De latere minister van katholieken eeredienst, baron Goubau, een Belgisch Jozefist die te Weenen woonde, sprak Consalvi over het stuk van den Gentschen bisschop aan. De kardinaal bepaalde zich tot een aanbeveling van het herstel van eenige orden en corporatiën, die werken van barmhartigheid ten doel hadden, en tot een waarschuwing dat men het concordaat van 1801 onmogelijk met een protestantsch vorst hernieuwen kon; de koning zou hoogstens bisschoppen kunnen recommandeeren[93].

[92] Hymans I, 103 (8 Oct. 1814).

[93] Goubau aan van Spaen, 19 Dec. 1814 (F. O.).

Elk souverein, die in 1815 de regeering van België op zich nam, zou, zoo hij niet de eenvoudige uitvoerder had willen zijn van geestelijke bevelen, een strijd te voeren hebben gehad tegen de katholieke reactie, welk zich voorstelde de gansche Revolutie ongedaan te kunnen maken. In het geval van Willem I echter werd de strijd door bijkomstige omstandigheden verscherpt. Hij zou verstandig hebben gedaan, de wezenlijk in het volk bestaande onrust door eenige constitutioneele bepalingen te temperen. Thans werd van die onrust door de geestelijkheid gebruik gemaakt, om het Belgische volk voor een zuiver clericaal program te spannen.

In den Haag onderschatte men de kracht dezer beweging. Hoe weinig kwam er inderdaad in de zittingen der gemengde commissie van voor den dag! De Belgen spraken veel en druk, maar hadden geen tezamen overlegd plan. Zij vereenigden zich alleen om de vermelding van Amsterdam als rijkshoofdstad, en de bepaling dat de koning hervormd moest zijn, te schrappen; op twee na[94] verwierpen zij de gelijkheid van het aantal afgevaardigden voor Noord en Zuid in de Staten-Generaal, die dus aangenomen werd. Noord was Zuid ter wille in de instelling eener Eerste Kamer; in de uitbreiding van het begrootingsrecht der Staten-Generaal; in het voorschrijven van de openbaarheid der zittingen van de Tweede Kamer. Met het artikel, dat in den vorst de belijdenis van den hervormden godsdienst eischte, trachtte de voorzitter der commissie, Hogendorp, ruilhandel te drijven. Het was in de grondwet van 1814 opgenomen geworden na veel strijd, en niet zonder gedachte aan de vereeniging met België; het weg te laten zou, meende de voorzitter, de Noordnederlandsche protestanten in een gevaarlijke mate bezwaren. Hij zocht het daarom te redden door er een artikel tot zekerheid voor de katholieken nevens te stellen, en beide artikelen tegelijk in stemming te brengen. Het gezag des konings en dat van den Paus in zaken de katholieke Kerk betreffende zouden geregeld blijven op den in België van ouds bestaanden voet („par les anciens usages et libertés de la Belgique”), behoudens de wijzigingen, daarin te brengen bij concordaat („sauf les changemens, que S. M. pourra y apporter de concert avec Sa Sainteté”). Het was om het openen van uitzicht op een concordaat, en de vermelding van 's Pausen naam, te doen, waarop de Merode en de Thiennes steeds hadden aangedrongen[95]. De zaak mislukte: de katholieken bleven zich als één man verzetten tegen het artikel dat de belijdenis van een bepaalden godsdienst in den vorst eischte, terwijl de „flauwe Kristenen”[96] onder hen geen prijs stelden op het artikel over de rechten van den Paus. Beide artikelen, tezamen in stemming gebracht, kregen niet meer dan vijf (noordelijke) stemmen. Tegen stemden, behalve de liberalen van weerszijden, die het over de verwerpelijkheid van beide artikelen eens waren, de conservatieven van het Zuiden, die in ieder geval het artikel over den hervormden godsdienst van den vorst geschrapt wilden hebben.

[94] Méan en Mérode.

[95] Hogendorp V, 119; VI, 122, 146, 227, 241–'43; van Maanen, Aanteekeningen, bl. 211; Raepsaet VI, 167 v.v.

[96] Uitdrukking van van Hogendorp (V, 119).

Merkwaardig was hierbij, dat in de vergadering, waarin deze gewichtige stemming plaats hebben moest, van de beide clericalen Raepsaet door afwezigheid schitterde en Dubois geen woord sprak. Toen nu later de Thiennes en de Mérode nog een zwakke poging waagden, om een artikel tot geruststelling der katholieken in de grondwet te brengen („onze geloovigen”, zeide de Mérode, „moeten zien, dat wij voor hen gezorgd hebben”[97]), ging van al de katholieke commissieleden niemand dan Dubois mede. Raepsaet was bij al deze beraadslagingen afwezig. Zijn zeer dubbelzinnig gedrag laat geen andere verklaring toe, dan dat hij reeds met het Belgisch episcopaat maatregelen tot verwerping der grondwet beraamde. Hoe duidelijk is het bij dit alles, dat zoowel Belgische clericalen en Belgische liberalen zich bij deze gelegenheid meer als partijmannen dan als Belgen gedroegen. De clericalen trachtten, door het verspreiden van de dolzinnigste schrikbeelden, den bestaanden weerzin tegen de vereeniging met Holland te exploiteeren ten eigen bate. Zij trachtten geensdeels, onder de bestaande omstandigheden het beste te verkrijgen wat te verkrijgen was. De liberalen waren ook matig met de vereeniging ingenomen, maar als zij dan toch geschieden moest, diende van deze gelegenheid gebruik gemaakt om de positie der clericalen in België zelf zooveel mogelijk te verzwakken. Deze lieden hadden nog vijftien jaar politieke opvoeding noodig, eer zij een toonbare natie waren geworden.

[97] Van Maanen, bl. 277.

Over de wijze van aanneming der grondwet had een eigenaardige, de stemming in België kenschetsende beraadslaging plaats. De Thiennes, van de Belgische edelen aan de regeering van Willem I het best gezind, en met wien Hogendorp zich zeer wel verstond, ontraadde de onderwerping aan notabelen ten stelligste: „ik houde het voor zeer gevaarlijk”, zeide hij, „daar men intrigues zal zien geboren worden en wellicht de geheele zaak op losse schroeven stelt”[98]. Mérode viel hem bij: in België zeide hij, moest het volk de constitutie van boven ontvangen; het zou een andere handelwijs niet begrijpen. „Hoedanig men het ook inrichten wil met betrekking tot de acceptatie van de constitutie, altijd zal men bij ons gelooven, dat er _tours de passe_ onder loopen, en waartoe zal men dit wagen”? Ook de Coninck scheen van dit gevoelen, en van de Noordelijken sprak Mollerus in gelijken geest: het eerste der acht artikelen van Londen had aan de Belgen een constitutie _gegeven_; van verwerping kon dus geen sprake zijn. Wel gewaagde het artikel van wijzigingen, aan te brengen bij gemeen overleg, maar dit overleg had reeds plaats in de commissie zelve. De voorzitter evenwel, en met hem de groote meerderheid, was van een andere meening. Men zou niet de grondwet kunnen verwerpen, maar wel de daarin voorgestelde wijzigingen; in het Noorden zouden die wijzigingen niet kunnen worden ingevoerd buiten medewerking der Staten-Generaal, en er zou dus een groote ongelijkheid in de behandeling der beide helften ontstaan, wanneer men de wijzigingen aan België kortweg oplegde. Alsof de ongelijkheid in behandeling nog ontstaan moest! De oppervlakkige Dotrenge drong ook sterk op een stemming in het Zuiden aan, dat zich anders als veroverd land zou blijven beschouwen. Alsof het daartoe niet door de mogendheden met zooveel woorden was verklaard! Slechts zes leden hebben in de commissie tegen het oproepen van notabelen gestemd, waaronder drie Belgen (de Thiennes, Dubois, de Mérode). Als de koning gewild, en de voorzitter het naar dien wil gestuurd had, ware ongetwijfeld een andere beslissing te verkrijgen geweest[99]. Inderdaad, wat had een stemming te beteekenen, nu noch België, noch Holland, noch de koning meer vrij waren? Krachtens het eerste artikel van Londen _had_ België een grondwet; het was die der Vereenigde Nederlanden. In de commissie werd dan ook erkend, dat, hoe de stemming ook uitviel, de koning niet anders doen kon dan de grondwet afkondigen. De Staten-Generaal van het Noorden, ja, konden over modificatiën stemmen, maar aan een groep ingezetenen uit het Zuiden zou men niet kunnen beduiden dat zij enkel over wijzigingen stemden en niet over de zaak ten principale. Zonder of met de stemming door notabelen bleef de vereeniging een gedwongene, de grondwet een opgelegde.

[98] Van Maanen bl. 130, bevestigd door brieven van de Thiennes aan den koning (papieren-van Gobbelschroy, Rijksarchief, Brussel).

[99] Van Maanen zeide het, „naar zijn verstandelijke overtuiging”, met Mollerus eens te zijn, maar stemde „uit billijkheid” met den voorzitter; eveneens verklaarde zich van der Duyn. Hierop veranderde de Coninck, die eerst tegen gesproken had, maar vóór stemde.