De beklimming van den Fuji-yama De Aarde en haar Volken, 1907

Chapter 3

Chapter 31,468 wordsPublic domain

Eindelijk hadden we een boot gehuurd, lang en smal met geheel platten bodem en vervaardigd uit dunne elastische planken. Voor 5 yen zouden ze ons dien avond naar Jokaichiba en den volgenden morgen naar Iwabuchi brengen. We zaten in de boot en dachten nu eindelijk te vertrekken na al dat gepraat en ge-onderhandel, toen de eigenaar op eens weer van voren af aan begon en beweerde, ja--wat beweerde hij eigenlijk?--hij probeerde op Japansche manier aan het contract zulk een draai te geven, dat hij ons op stuk van zaken toch meer zou laten betalen. Doch de cordate Amerikaan pakte doodeenvoudig den praatjesmaker op, zette hem aan wal, nam een bamboe en stootte de boot van land. Onder gelach en gejouw van tenminste driehonderd toeschouwers, die zelfs op een heuvel klommen om de gekke Europeanen beter te zien, voeren wij af. Het water was nu ongeveer 100 M. breed, doch de heele bedding strekte zich zeker wel een kilometer van den eenen oever tot den anderen uit en moest in den regentijd een geweldigen stroom vormen, in dien toestand trouwens onbevaarbaar om zijne woestheid. Nu bedroeg de diepte nog geen meter, op sommige plaatsen zelfs nog minder, en daarvoor hebben de hier gebruikelijke booten, zelfs wanneer ze geladen zijn met elf personen en onze bagage, een diepgang van slechts 10 à 12 cM.

Toch had het water nog een kolossaal sterken stroom, vooral in de nabijheid van en over de rapids, watervalletjes van een vier à vijf voet hoogte.

Bij het naderen van een dezer stroomversnellingen begon de boot te piepen en te kraken, alsof het volgende oogenblik de dunne planken uit elkaar zouden vallen, terwijl de bodem over de steenen heenschuurde en zichtbaar op en neer bobbelde.

In het midden van het vaarwater stak een hoop steenen boven het water uit, doch de stuurman verloor ze niet uit het oog. Met beide handen hield hij de 6 M. lange roeispaan omvat, die als roer diende, en riep den drie anderen mannen eenige voor ons onverstaanbare woorden toe. De boot dreef met eene suizende vaart nader, de bootslieden hielden met hunne stokken, die krom bogen en braken onder de spanning, haar van de steenen verwijderd; toen ging ze met eene plotselinge zwenking, door woest bruisende golven den waterval af en zou een seconde later tegen de rotsen aan den oever te pletter geslagen zijn, als niet de stuurman met bewonderenswaardige zekerheid haar een meter daar vandaan--meer plaats was er niet--deed wenden.

Daarna werd het water weer rustiger, tot we aan de volgende rapid kwamen, even woest als de vorige.

Het was reeds geheel avond, toen we in Jokaichiba aankwamen, waar we ons dadelijk naar het Japansche hôtel begaven.

Hier waren we voor het eerst op onzen tocht in staat een warm bad te nemen. Ik begrijp Stanley's uiting, die verklaarde, dat hij nooit grooter genot gesmaakt had dan na eenige maanden reizens in de woestijn, een bad te kunnen nemen en schoone kleeren aan te trekken! Wij sliepen heerlijk in het vooruitzicht den volgenden dag op zoo gemakkelijke manier de dertig mijl verder te komen.

's Morgens vóór zeven deden wij een wandeling door het dorp en bezochten een ouden tempel met de twee steriotiepe oude pijnboomen er voor. Deze Japansche tempels, waar de priesters met onbeweeglijke, vette, domme gezichten den heelen dag gebeden zitten te schrijven op lange reepjes papier, die zij aan de geloovige bevolking verkoopen, zijn heel schilderachtig, doch zij zijn alle precies gelijk en daardoor ten laatste weinig interessant.

Na een copieus ontbijt, dat ons eigenlijk veel te veel tijd kostte, begonnen wij den boottocht om acht uur.

Het ging voortdurend als den vorigen avond, nu wat meer dan wat minder woest bij de verschillende rapids, maar nu onder een schitterenden zonneschijn, die het water als bestrooide met duizenden diamanten. De oevers boden steeds afwisselende, steeds even schoone gezichten aan, de heuvelrijen volgden elkaar steeds op, nu eens hooger, dan eens lager, hier geheel begroeid, daar rotsachtig en kaal. Langs den geheelen rechteroever strekte zich de oude Tokaido, d.i. hoofdweg uit, leidende van Tokyo naar Kysto, een uitstekende weg vol oude historische herinneringen, die met groote moeilijkheden aangelegd is over het heuvelachtige terrein.

Soms ontmoetten we een boot op den terugweg, met zeilen op en getrokken door drie of vier mannen aan lange lijnen. Men vertelde ons, dat de terugreis zeven dagen duurt van Iwabuchi tot Jokaichiba, een afstand, dien wij nu in zes uren zouden afleggen.

Op eens zagen wij op den oever een man ons toewuiven. De stuurman deed de boot naderbij komen en opende, zonder er ons in het minst in te kennen, onderhandelingen met den pretendent nieuwen passagier.

Natuurlijk kwam hier niets van. Wij moesten om twee uur in Iwabuchi zijn en konden niet elk oogenblik aanleggen om onzen bootsman extraatjes te bezorgen. Onze Amerikaan vertelde een soortgelijk geval, dat hem in Japan overkomen was. Hij had eens tusschen twee dorpen het stoomtrammetje geheel voor zich afgehuurd om vlugger op de plaats van bestemming te komen en zou daarvoor een yen betalen in plaats van den gewonen prijs 4 cent. Doch niettegenstaande deze overeenkomst stopte de conducteur toch voor ieder, die mee wilde, zoodat ten laatste de geheele tram vol was. Bij aankomst was hij heel verwonderd en schold den Amerikaan uit, omdat deze het gewone tarief van 4 cent betaalde in plaats van de afgesproken (!) yen.

Halverwege, bij het dorp Nemba, legden de bootslieden aan en hier waren wij toevallig getuige van een aardig tooneel.

Juist toen wij bij Nemba kwamen, ging een soortgelijke boot als de onze daar vandaan, hebbende als voornaamste passagier een soldaat, juist opgeroepen ten strijde. De dorpelingen stonden op den hoogen

oever verzameld, met vlaggen en banieren zwaaiende en riepen den jongen krijgsman vaarwel en Banzai toe. In zijn nieuwe uniform stond deze in de boot, riep ook Banzai, doch zijn gezicht drukte geen overeenstemming uit met deze juichkreten. Het was misschien de laatste keer, dat hij zijne geboorteplaats zag...

Langzamerhand werden de rapids zeldzamer en minder woest, ten laatste waren er geene meer en onze boot gleed kalm en rustig over het gladde, meer en meer vuil wordende water.

Wij verlieten ook den hoofdstroom en kwamen in een naar het spoorwegstation leidend modderig zijtakje, waar we nauwelijks door heen konden. Het was een vervelend einde van onzen riviertocht, die zoo woest en vol emoties begonnen was, nog te meer vervelend, toen wij den trein, waar wij vermoedden mee te moeten gaan, over de lange spoorwegbrug zagen rollen, een schor gefluit uitstootende als om ons uit te lachen!

Ja, we kwamen juist bijtijds om te laat te komen. Het was half drie. Was het kwaadaardig opzet geweest van den bootsman?

Om onze ergernis te volmaken, was de trafiek voor passagiers vanwege soldatentransport zeer verminderd en konden wij dien avond niet verder dan tot Kodzu.

Overal langs de baan wemelde het van soldaten. Nieuwe 100.000 man werden weggezonden om geslacht te worden in Manchurijë, ver van hun eigen onvergelijkelijk schoon vaderland, welks heerlijke pracht dus niet in staat blijkt te zegevieren over de hebzucht en hoogmoed van dit eerzuchtige volk!

Daar we toch vijf uren te wachten hadden, besloot onze jonge vriend S. zich wat te laten adoniseeren en kwam met een schoon geschoren gezicht terug. Als curiositeit vertelde hij, dat de barbier een soort nijptangetje in zijn neus geduwd had, waarmee hij met een ruk alle haartjes er uit trok. Ook als curiositeit had S. zich dat laten welgevallen.

Voor we om half acht met den trein vertrokken, gebruikten we ons avondmaal in een Japansch restaurant, waar twintig soldaten ingekwartierd lagen voor zestien cent per dag voor elken man, vertelde de waardin. Het teere huisje van hout en papier kreeg een heel krijgshaftig aanzien, minder door de soldaten, die in hun hemd er in rondliepen en er weinig ontzagwekkend uitzagen, dan door de geweren en sabels, die zij aan het schoonmaken waren.

Wij zaten op den vloer in een keurig kamertje, belegd met weeke matten en hadden Japansch eten besteld, dat ons weldra gebracht werd, voor ieder op een afzonderlijk fijn gelakt tafeltje van ongeveer een voet hoogte. We kregen allen hetzelfde, opgediend in keurig porceleinen kommetjes en schoteltjes: rijst, een stukje geroosterde visch en wat fijngesneden rauwe visch, welk laatste gerecht voor eene groote delicatesse doorgaat.

Laat in den nacht kwamen we in Kodzu aan, waar we weer in een Japansch hôtel onzen intrek namen, op den vloer sliepen en 's morgens ons moesten wasschen met vele andere gasten te zamen bij één kraan.

Met den eersten trein vertrokken wij naar Yokohama.

Den Fuji-yama beklimmen doe ik niet weer, dat is te vermoeiend, maar de indrukken en herinneringen, die ik van onzen tocht heb bewaard, zullen mij voor het overige van mijn leven bijblijven als een interessant avontuur uit mijn verblijf in Japan.