De beklimming van den Fuji-yama De Aarde en haar Volken, 1907
Chapter 2
Toen wij om de rekening vroegen, kwam een Europeesch gekleede Japanner, priester of welke waardigheid hij anders mocht bekleeden, glimlachende en buigende naar ons toe en vertelde, dat hier niet betaald kon worden, want dat gastvrijheid de eenige drijfveer was, maar dat hij eene kleine gave voor de instandhouding van den tempel niet zou versmaden. We gaven drie yen = f 3.75.
Doch op het oogenblik, dat we zouden vertrekken, werd ons toch door een anderen glimlachenden gentleman een niet bescheiden rekening gepresenteerd voor een flesch bier en rijst voor de koelies!
Alweer beetgenomen door die leugenachtige sluwe menschen, voor wier streken men altijd op zijn hoede moet zijn.
Als de rekening eerst gepresenteerd was, zou zeker ons offer op het altaar der gastvrijheid aanmerkelijk minder geweest zijn.
Door het korte slaapje geheel uitgerust van de vermoeienissen der laatste 33 uren, begonnen wij onze wandeling half den krater om. Overal hetzelfde steenige landschap. Hier en daar kwam tusschen een hoop lavablokken rook en damp te voorschijn en het gruis was gloeiend heet. De vulkanische krachten waren dus nog niet geheel en al verdwenen.
Zeer merkwaardig echter vindt men ergens op den top ook een bron van ijskoud helder water, die den naam gekregen heeft van "Zilverbron".
Aan de Noordzijde vonden wij ons pad ter nederdaling.
Het eerste gedeelte ging weer bijna loodrecht omlaag, als langs een ongelijke trap van rotsblokken, gebouwd voor een reuzengeslacht, dat niet meer is.
Toen moesten we een breede kloof over, waar de lava indertijd was naar beneden gevloeid. Een pad bestond er niet, het was een gevaarlijk gedeelte. Elk plekje, waar we onzen voet zouden neerzetten, moest eerst met den stok geprobeerd worden. Soms liet een steen los en rolde met duizelingwekkende vaart in de diepte, alles meesleepende, wat op zijn weg lag. Het scheen alsof de geheele vlakte naar beneden gleed. Daarna hadden wij eene uitgestrekte steile helling voor ons van lavagruis met steenen vermengd, waarin onze voeten zich met elken stap diep begroeven. Wij begonnen heel kalm neer te dalen, maar kregen langzamerhand zulk een geweldige vaart, dat wij ten laatste met stappen van eenige meters lengte naar beneden stoven, slechts nu en dan gestuit door een rotsblok, dat voor ons lag.
Het ging heerlijk, als vlogen we naar omlaag en het was niet zoo vermoeiend als de opstijging, maar de beenspieren werden zoo sterk uitgerekt en gespannen, dat we den volgenden dag geheel stijf waren.
De zon begon onder te gaan en Fuji wierp zijne reusachtige schaduw over het landschap rechts beneden ons.
Langzamerhand begon zich weer plantengroei te vertoonen, eerst slechts distels met grijsgroene bladen en violette geurige bloempjes, wier lieflijkheid eene vreemde tegenstelling vormde met den ruwen steenachtigen grond; toen kwamen verschillende soorten kruidgewas, daarna hoogere struiken en eindelijk een oerwoud, waar het niet gemakkelijk was doorheen te komen in het halfdonker, dat begon te heerschen. Dit woud moet, volgens de gidsen, vol beren en groote apen zijn, doch wij zagen er geen.
Omstreeks 7 uur kwamen wij bij een ouden tempel, bewaakt en bewoond door een priester met vrouw en kind. Hier besloten wij te overnachten.
Het was eene heele gebeurtenis voor de eenvoudige familie in het stille bosch, bezoek te krijgen van drie Europeanen.
Weldra zaten we rondom een groot houtvuur en de jongste van onze koelies maakte zich verdienstelijk door onze bussen met conserven op te warmen, onze laarzen en slobkousen af te stoffen enz. We waren in dien langen dag van geduld, lijden en genot heele vrienden geworden; zij strekten zelfs zoo ver hunne intimiteit uit, om mij medelijdend langs mijne beenen te wrijven, vragende: "Taksan itai diska?" Doen zij erg pijn?
Het waren twee heel verschillende typen: de eene heette Kaizu Matu Sonokichi, een jonge man van ongeveer vijf en twintig jaar, altijd gedienstig, altijd galant. Hij sprak steeds op een vleiend vragenden toon, zelfs als hij iets positiefs antwoordde, zeker een beleefde voorzorgsmaatregel om, als het noodig was, zijne woorden terug te trekken.
De andere, Yama-saki-Yosogi, was van middelbaren leeftijd. Hij hield zich niet op met gedienstigheid of galanterie, deed zijn werk als een paard, als een machine, zonder te spreken en liet ook ieder voor zich zelf zorgen.
Weldra hadden zij een kom dampende rijst met in olie gekookte groente verorberd, waarop geluiden volgden, die wij onder den naam boeren onzen kinderen verbieden, maar die integendeel bij de Japanners voor heel "comme il faut" doorgaan, zoo iets als eene betuiging, dat het eten hun goed gesmaakt heeft. Onze oude vriend had het zeer ver gebracht in deze soort van beleefdheid, zoo niet in andere, en werd klaarblijkelijk om dat talent gerespecteerd, misschien benijd. Elken keer, als hij met een soort trots zoo'n "driedekker" liet ontsnappen, konden wij niet nalaten te lachen, wat de Japanners, die onze reden van vroolijkheid niet begrepen, slechts versterkte in hunne meening, dat alle Europeanen gek zijn.
Vroeg legden wij ons ter ruste tusschen de fetongs op den vloer, onder den beschermenden blik der Godin Amaterasu, wier verguld houten beeld glansde tusschen een onnoemlijk aantal papieren kakemono's, die als vaandeltjes van den zolder afhingen en waarop in oneindige herhaling de Fuji-yama gestiliseerd afgebeeld stond.
Het was een heerlijke morgen, toen wij om vijf uur onze oogen openden en de zon over het woud zagen opkomen. De tempel was gebouwd op een soort opengekapt terras, van waar we een prachtig uitzicht hadden over het uitgestrekte bosch, welks boomtoppen, zoover het oog reikte, in de diepte verdwenen.
Witte wolken zeilden ver beneden ons over dezen oceaan van wiegelend groen.
Om zeven uur zouden wij onze nederdaling hervatten.
Hier in dit rustige, weinig bezochte bosch, waar nog geen globetrotters de eenvoudige bewoners hadden kunnen bederven, hadden wij niet verwacht weer onaangenaamheden te zullen hebben. Doch het zou toch absurd geweest zijn, dezen inhaligen priester zijn eisch van 5 yen te betalen voor niets dan een ligplaatsje in zijn huis!
De wandeling door het bosch in dezen vroegen morgen was verrukkelijk. Wij volgden de uitgedroogde bedding van een bergstroompje, dat in den regentijd zich hier moet neerstorten tusschen de steenen, voortdurend watervallen vormende. Meer dan eens moesten we over ontwortelde boomen heenklimmen of er onderdoor kruipen. Overal zag men sporen, dat hier dikwijls verschrikkelijke onweren moeten razen; regen en wind de boomen uit den grond rukken, als zij te oud geworden zijn om aan den storm weerstand te bieden. Slanke pijnboomen, die hunnen kameraden ontgroeid zijn en hunne toppen te hoog boven de anderen verheven hebben, worden door den bliksem getroffen en versplinterd. Het is niet enkel voordeel voor een bosch, Fuji's domineerenden en reusachtigen top tot nabuur te hebben! Maar in dezen weelderigen plantengroei, voortdurend frisch en vochtig gehouden door de wolken, die als eene koele streeling door de bladeren strijken, is geen plaats voor iets doodsch. Weldra zijn de doode stammen bedekt met het molligste fijne mos, en varens en andere planten groeien uit alle gaten en spleten. Het was een genot door dit bosch te gaan.
Ten laatste eindigde het. Wij kwamen weer voorbij een tempel, waar een uit steen gehouwen aap in biddende houding de voornaamste godheid scheen te zijn... "Honni soit, qui mal y pense!"
Toen strekte zich eene hellende vlakte voor ons uit, bedekt met de heerlijkste bloemen; anjeliers, hortensia's, oleanders, leeuwenbekjes, spirea's en honderden andere soorten groeiden hier in het wild en vervulden de frissche lucht met hare fijne geuren. Spinnewebben, nog overdekt met dauwdruppels, schitterden in het zonlicht en vormden als een diamanten lichtkrans om groote, veelkleurige spinnekoppen.
Ook deze bloementuin eindigde en nu begonnen de menschen zich den grond weer ten nutte te maken. Uitgestrekte velden met moerbeiplanten, dienende tot voedsel voor zijdewormen, liggen overal om Fuji's voet. Hier is de voornaamste zijde-industrie van Japan.
Het was nu bijna twaalf uur 's middags; het dorp Yoshida lag een mijl vóór ons uit, en achter ons de Fuji, zoo schitterend mooi als wij hem nog niet gezien hadden. Van dezen kant is de leelijke bult Hoeizan geheel onzichtbaar en Fuji rijst in zijn slanken, onberispelijken kegelvorm statig omhoog uit de omliggende vlakten, als een koning neerziende op zijne onderdanen.
In Yoshida wekte onze komst groote nieuwsgierigheid; uit alle huizen kwamen menschen te voorschijn en spoedig hadden wij een groot gevolg van jongens, die ons tot aan het Japansche hôtel vergezelden. Doch wij waren niet minder nieuwsgierig dan de brave Yoshida-bewoners en keken ongegeneerd alle huizen binnen, hetgeen trouwens met Japansche huizen al heel gemakkelijk gaat. Er was misschien geen enkel huis, waar men zich niet met zijde-industrie bezig hield. Groote, uit bamboe gevlochten bakken, waar nog levende zijdewormen tusschen moerbeibladen rondkropen of zich begonnen in te spinnen, en bakken met sneeuwwitte cocons, zag men overal. Hier was men bezig de cocons af te winden, na ze eerst in kokend water gehouden te hebben om de poppen te dooden, daar spon men de zijde tot garen, of weefde de bekende habutai. Deze wandeling door het dorp was werkelijk interessant en vermakelijk.
Na een uurtje in het hôtel uitgerust te hebben, begaven we ons weer op weg door een bijna vlakke, goed bebouwde streek.
Het was eene warme, weinig belangrijke wandeling van ongeveer vijf mijl, die ons bij het bergmeer Kawaguchi bracht. Hier huurden wij een bootje en zeilden naar den anderen oever.
Dat was heerlijk, zoo snel vooruit te komen en toch kalm te zitten, met de vermoeide bloote voeten bengelende in het koele water; het was bijna eene profanatie voor dat prachtige groen-blauwe water, zoo helder en doorschijnend dat we, zelfs bij aanmerkelijke diepte, den bodem konden zien. Omringd door het bekoorlijkste berglandschap, kon men zich verbeelden op een der Alpenmeeren te zeilen. Deze overvaart duurde ruim een uur.
Helaas werd onze prettige stemming eenigszins bedorven door de ontvangst, die ons aan den anderen oever ten deel viel. Een heele schare half volwassen meisjes stond op ons te wachten, en nauwelijks waren wij aan land en hadden afgehandeld met den bootsman, die natuurlijk weer probeerde ons dubbel tarief te laten betalen, of al die meisjes omringden ons met stuitend brutale manieren en bedelden met uitgestrekte handen om geld. Er was heelemaal geene aanleiding om dezen kinderen aalmoezen te geven; zij waren allen goed gekleed en behoorden klaarblijkelijk niet tot de armste klasse.
Toen ze zagen, dat ze geen succes zouden hebben, gingen ze ons jouwende vooruit om de dorpsbewoners tot den strijd op te wekken.
Zoo kregen wij daar een heele bende om en achter ons, die ons met de verschrikkelijkste Japansche scheldwoorden achtervolgden.
Als we ons nu hadden laten overhalen om dit twintigtal meisjes geld te geven, zouden wij dan ook genoodzaakt geweest zijn, deze heele bende voor eenige dagen te onderhouden?
Nu voerde onze weg over een bergrug, van welks top we een verrukkelijk uitzicht hadden over het pas verlaten meer. Het land was hier en daar bebouwd, doch zeer boschrijk en langs den weg groeiden struiken, geheel overdekt met witte, sterk riekende bloemen, die veel geleken op oranjebloesem.
Zoo kwamen we bij het volgende meer Nemba. Hier herhaalde zich hetzelfde weerzinwekkende tooneel als in het vorige dorp.
Zelden zag ik leelijker en meer dierlijke tronies dan van deze menschen. We waren bijna genoodzaakt onze stokken te gebruiken, om ons deze geldzieke half-wilden van het lijf te houden.
Ook hier huurden wij een bootje om ons te laten overzetten, en eenmaal weer op het water, waren we in staat weer kalm te genieten van het heerlijke landschap.
Onwillekeurig dacht men: hoe is het mogelijk, dat zulk een schoon vruchtbaar land bewoond is door zulke walgelijke onbemiddelde menschen, met aapachtige, karakterlooze trekken, kleine, onontwikkelde, bijna dwergachtige lichamen en een gevoelsleven, waarin genegenheid, trouw, waarheidsliefde bijna onbekend zijn. En als nobeler gevoelens zich soms uiten, zooals op het oogenblik in hun patriotisme, dan is het meer een soort epidemie, een kunstmatig aangekweekt enthousiasme, versterkt en veroorzaakt door de hoop het opgeofferde tienvoudig terug te zullen krijgen.
Na een klein uur bereikten we den overkant van het Nemba-meer. De zon begon onder te gaan en het werd tamelijk frisch. Doch wij hadden nog een zes mijl te gaan om het Shogi-meer te bereiken, waar wij zouden overnachten in een hôtel.
Wij volgden een smal rotsig voetpad, dat, zich door de dalen slingerende, ons diep in een bosch bracht. Hier stond op eene eenzame plek een groote "toriï", vervaardigd van ruwe boomstammen, met zekere sterke lianen aan elkaar verbonden. Heeft een kluizenaar misschien eens dit primitieve symbool van het oude Shinto-geloof hier achtergelaten, nu in de eenzaamheid vergeten, zooals ook dit oude geloof eenmaal vergeten zal worden en eenzaam zal staan in de geschiedenis der menschelijke ontwikkeling?
Zoo kwamen we over eene boomlooze vlakte, waar groote brokken vreemde vulkanische stof bijna allen plantengroei had gedood. Slechts waren de lavaklompen overdekt met een droog grijs mos, dat dezen chaos een fantastisch somber voorkomen gaf.
De wandeling duurde langer dan wij verwachtten; het bosch werd steeds dichter, terwijl de zon al lang niet meer zichtbaar was in het enge dal. Op eenmaal waren de koelies en de heer S. verdwenen.
Wij riepen en kregen geen antwoord. Zij moesten dus wel ver van ons weg zijn en het pad was nauwelijks te vinden in het lage struikgewas. Wij riepen weer, en nog eens en nog eens. Geen antwoord. Had het pad zich misschien ergens gesplitst en hadden wij het verkeerde genomen, ons steeds meer verwijderende van de anderen? Het was geen prettige gewaarwording, de gedachte hier verdwaald te zijn in dit bosch, zoo vermoeid als wij reeds waren.
Doch eindelijk hoorden wij stemmen en vonden elkaar terug. Nu ging het soms voetje voor voetje, steile hellingen af en ravijnen langs. Het was geheel donker geworden om ons en ook in ons, want wij begonnen de koelies, die voor gidsen doorgingen, te verdenken, dat zij den weg niet wisten. En spoedig genoeg konden we hier ook onbehaaglijke bewijzen van ondervinden.
Ten laatste kwamen wij bij een meer, dat dan het Thogi-meer moest zijn. Nu, meenden wij, was ons lijden spoedig voorbij. Men had ons verteld, dat aan den overkant een goed hôtel lag, welks boot op ons geroep zou komen om ons over te zetten. Wij tuurden en tuurden, doch er was nergens eenig licht te ontdekken. Het pad volgde steeds den oever, die steil in het water afdaalde en begroeid was met hooge pijnboomen of lang wuivend gras. Het was een gevaarlijke tocht, hoewel het hier door de open watervlakte niet meer zoo donker was.
Doch wij genoten bij het gezicht van het met sombere pijnbosschen omzoomde meer, dat daar zoo stil en geheimzinnig neerlag in den mistigen avond. Plotseling verscheen de maan boven het geboomte, groot en glanzend tusschen donkere wolken en wierp haar zilveren schijnsel over het roerlooze water, dat levend scheen te worden en duizenden vonken schoot, daar, waar de zwarte slagschaduwen van het bosch het niet als gevangen hield. Doch als een coquette, die zich slechts even vertoonde in al haar schoonheid, verschool de maan zich nukkig dadelijk weer achter de wolken, en liet ons smachten en verlangen naar haar terugkomst.
Toen ontdekten wij aan den anderen oever licht, dat van het hôtel moest zijn, en haastten ons zooveel mogelijk om daar tegenover te komen. We hallo-den op zeemansmanier, en weldra hoorden wij in de stilte het geluid van een boot, die te water gelaten werd. De oever, waar wij stonden, was zeer hoog en steil en slechts met gras begroeid, doch in het donker konden wij niet zien, dat het halsbrekend was hier naar beneden te kruipen. Den volgenden morgen zagen we, dat wij het bij daglicht nooit gewaagd zouden hebben. Mijn man ging vooruit en riep ons opeens toe, niet verder te gaan, daar het laatste gedeelte als een afgrond loodrecht in het water neerdaalde.
Hier zaten we en wisten niet goed wat te doen. Volgens berekening had de boot ons al lang kunnen bereiken. De landingsplaats was dus zeker ergens anders, hetgeen ook om de moeilijke nederdaling zeer waarschijnlijk was.
Wij verzamelden wat droog gras en maakten een vuurtje, om den bootsman te kennen te geven waar wij waren. Na een tien minuten kwam de sloep ook naderbij en onze jonge koelie, de galante, begon met Japanschen omhaal van woorden te vertellen, dat wij van Gotemba kwamen en was zeker van plan te verhalen tot welke nationaliteit wij behoorden, waar wij woonden, hoe wij den Fuji beklommen hadden enz., toen wij hem onderbraken en te weten kwamen, dat wij de landingsplaats ver voorbij gegaan waren.
Wij vroegen onze zoogenaamde gidsen verklaring hierover en nu bleek, dat deze twee vrienden hier nooit van hun leven geweest waren. Tot Yoshida kenden zij den weg, maar verder niet. Als een op dat oogenblik voor ons heel troostvol excuus voegden zij er bij, dat zij nu alles goed wisten.
Dus moesten wij de ongeveer 100 voet hooge helling weer op en nog een kwartier lang denzelfden weg terug wandelen.
Naar de landingsplaats leidde een gemakkelijke trap en daar kwamen we in de sloep en roeiden naar het hôtel. Dit ligt op eene aanmerkelijke hoogte uit het water opgebouwd, en na deze laatste krachtsinspanning gingen we het huis binnen, half bezwijkende van vermoeidheid, en vuil en bestoven in ons niet elegant bergbeklimmers-costuum. Een twaalftal gasten in "dinnerdress", juist van tafel opgestaan, wachtten ons op en staarden ons nieuwsgierig aan. Deze "gentlemen" in rok en hooge boord en zelfs de eenige aanwezige "dame", ontzagen zich niet in ons bijzijn zich vroolijk over ons te maken, hetgeen in onzen overprikkelden, vermoeiden toestand tamelijk hinderlijk was. Ons bezoek aan dit hôtel met zijne rekening van 15 yen = f 18.75, die wij daar moesten betalen voor een niet al te comfortabel nachtverblijf (de heer S. moest op een matras op den vloer in de eetkamer slapen) is het eenige van den heelen toer, dat ik ongedaan wenschte.
Den volgenden morgen, zeven uur, begon onze wandeling opnieuw. Onze koelies hadden informaties ingewonnen, de hôtelhouder liet ons het begin van den weg wijzen en wij klauterden opgeruimd een 2000 voet hoogen bergrug op, langs de bedding van eene bijna uitgedroogde beek, blijde op dezen frisschen morgen weer in de rustige natuur te zijn.
De vroege zonnestralen deden een zacht groen licht door de bladeren schijnen, het ijskoude, heldere water murmelde ons voortdurend zoo hoorend tegemoet, en onze galante Kaizu Matu Sonokichi kwam zoo deemoedig naar me toe met een bloem, die hij in het bosch gevonden had. Al het lijden van den vorigen avond was vergeten en vergeven.
Toen wij een poosje uitrustten, kwam een andere reiziger met zijn koelie denzelfden weg op. Wij begonnen een praatje en besloten samen verder te gaan. Op den top van den bergrug gekomen, hadden wij misschien het mooiste, het meest stralende uitzicht, dat we gedurende de geheele reis gehad hadden.
Het panorama, van Fuji's top gezien, was grootscher, doch dit dichterbij, meer reëel, meer onder ons bereik. Het Matozu-meer lag voor ons uitgestrekt, diep-blauw onder den reinen morgenhemel, omgeven door bekoorlijke, welig begroeide heuvels.
Wij gingen eene heele zijde van het meer langs, daalden van den bergrug steil naar beneden en kwamen daarna van het eene lieflijke dal in het ander. Steeds volgden we een bruisenden bergstroom, welks water hier gebruikt werd om een eenzamen primitieven stampmolen in beweging te houden, daar om eenige rijstvelden te bevloeien. Doch de bevolking is hier schaarsch en ziet er armoedig en ellendig uit. Welk een contrast met het heerlijke lachende land, dat zij bewonen!
Maar het volk voert nu oorlog, laat zijne beste, krachtigste zonen dooden om zoogenaamd plaats te krijgen voor zijne millioenen, en laat weelderig vruchtbare dalen in zijn eigen land onbebouwd en ongebruikt!
Om twaalf uur kwamen wij bij een idyllisch plekje. Een lommerrijke boom boog zijn bladerdak beschuttend over den stroom, waar groote steenen tot uitrusten lokten. Hier besloten wij ons middagmaal te houden.
Een vuurtje werd aangelegd, het heerlijke heldere water, dat tusschen onze zitplaatsen doorvloeide, in een conserve-bus gekookt, en we hadden een lekker kopje thee. Daarbij vormden brood, boter en fijne Australische schapetongen met de spreekwoordelijke beste saus een middagmaal, dat een koning ons kon benijden. Een klein kikvorschje, groen als smaragd met verstandige, schitterende oogjes, sprong op een der steenen in onze nabijheid en gluurde ons nieuwsgierig aan. Als een kostbaar kleinood zat het daar op het grijs van een reusachtigen steen, dacht er niet aan schuw te zijn, maar keek heel oplettend naar die groote wezens, die een bezoek kwamen brengen in zijn verblijf.
Veel langer dan noodzakelijk was bleven we op dit lieflijke plekje, hoewel we nog eene lange wandeling voor den boeg hadden.
Tegen 3 uur, hoe mooi het landschap ook was en hoe gemakkelijk de weg, begonnen wij te verlangen naar het einde van onze dagtaak. We hadden besloten tot Jokaichiba te gaan, een dorp aan de Fuji-kawa (Fuji-stroom) waar wij den volgenden dag een boot zouden huren, om de rivier af te zakken tot Iwabuchi.
Bij een huisje aan den weg vroegen we, hoe ver we nog van de Fuji-kawa af waren. Twee ri, d.w.z. ongeveer vijf mijl. Dat was voor ons bergbeklimmers kinderspel, zelfs na al die vermoeiende dagen, en vol moed togen we verder.
Hoe meer we in bewoonde streken kwamen, hoe vaker de weg zich splitste, en daar we reden hadden onze gidsen niet al te zeer te vertrouwen, trachtten wij van de bevolking de noodige inlichtingen in te winnen. Dan waren we in minder dan geen tijd omringd door een tiental mannen en vrouwen, die heel beleefd en vriendelijk ons gaarne wilden helpen, maar het lastige geval deed zich telkens voor, dat zelden twee van hen dezelfde opinie hadden. Zoo sukkelden wij verder, in de hoop de goede richting gekozen te hebben, eenmaal een langen weg teruggaande, omdat men ons verzekerde dat wij verkeerd waren. En steeds bleven we twee ri van Jokaichiba!
Het werd half zes en weer splitste zich de weg in tweeën. Alweer vragen: "Jokaichiba? U bent heelemaal niet op den weg naar Jokaichiba." We hadden eene veel noordelijker richting. Maar de Fuji-kawa dan, hoe ver waren we daar vandaan? Eenig nadenken... twee ri!!
Sedert drie uur hadden wij getracht die behekste twee ri af te leggen, en nu waren wij nog even ver van ons doel af!
Om half zeven echter kwamen wij bij een dorp, welks naam ik vergeten ben, gelegen aan de Fuji-kawa, vijf mijl ten Noorden van Jokaichiba. Hier konden wij niet overnachten; dus besloten wij een boot te huren om ons naar Jokaichiba te brengen.
Natuurlijk liep het heele dorp uit om de vreemdelingen te bekijken. Honderden menschen omringden en volgden ons, terwijl wij, met een bootsman onderhandelende, ons naar den waterkant begaven. Als de drom ons te na kwam, hief de lange Amerikaan, onze nieuwe reisgenoot, met rollende oogen zijne lange armen en zijn bergstok dreigend op, en de geheele schaar gekimono-de nieuwsgierigen stoof weg als een vlok bonte vlinders met de wijde mouwen als vleugels zwaaiende, om een oogenblik later terug te komen.