De baanwachter

Part 6

Chapter 6 1,986 words Public domain Markdown

"O, Jan, Jan," kreet zij, "ik geloof dat ik zinneloos word.... Laat mij weenen, laat mij snikken, of ik stik er in! Ben ik dan geene moeder? Zoo van al mijne kinderen gescheiden? Elk zal weggaan met een stuk van mijn leven. Zal ik dan niet bezwijken, niet sterven? O, God, hebt Gij ons geheel verlaten? Is er geen medelijden meer in den hemel voor rampzaligen als wij?"

De deur des kerkers werd geopend, en de sleuteldrager, die tot dan vóór het kijkgat op wacht had gestaan, trad binnen.

"Het halfuur is verloopen," zeide hij. "Vrouw, kom, volg mij zonder uitstel."

Een scheurende kreet bonsde op uit de angstige borst van Mie-Wanna.

"Hem verlaten, verlaten?" riep zij als krankzinnig. "Neen, neen! Ruk mij de armen van het lijf. Ik geef om niets meer: ik smeek om den dood als om eene opperste weldaad!"

De sleuteldrager vatte haar den arm, en terwijl hij haar poogde weg te leiden, mompelde hij aan des baanwachters oor:

"Wees redelijk, vriend, en help mij. Er is niets aan te doen: mijn bevel is zoo."

Jan Verhelst slaakte eenen doffen kreet en liet het hoofd als verpletterd op de borst zakken. Geweld plegen om zijne ongelukkige vrouw te verwijderen, ach, daartoe had hij geene kracht!

Mie-Wanna worstelde eene wijl tegen den sleuteldrager; doch op de smeekingen van haren man verzaakte zij eindelijk allen weerstand, borst in overvloedige tranen los en zuchtte:

"Leid mij weg; alles is mij onverschillig...."

Maar daar verscheen eensklaps tot aller verbaasdheid een heer in de deur des kerkers, en Mie-Wanna deinsde schrikkend terug, terwijl zij met afgrijzen in de oogen uitriep:

"Frederic! onze vervolger, onze beul!"

De jonge heer Vereecken trad nader en, zich tot den gevangene keerende, zeide hij met diepe ontroering in de stem:

"Verhelst, gij hebt recht om mij te haten; ik heb u veel kwaad gedaan, ik weet het; maar schenk mij uwe vergiffenis, want ik breng u geluk, eer en vrijheid weder!"

De baanwachter en zijne vrouw bekeken hem met ongeloof; maar zij beefden en waren bleek van angstige afwachting.

[Illustratie: Leve Sander! Leve Sander! hoera! hoera!]

"Mijn vader zal genezen," hernam Frederic. "Hij heeft gesproken en uwe onschuld verklaard. Onze koetsier had tegen mijns vaders wil de barreelen geopend. Nu is de heer substituut naar den rechter om een bevel van vrijstelling voor u te bekomen. Twijfel niet langer: heden nog verlaat gij de gevangenis!"

Dan eerst vielen de baanwachter en zijne vrouw met zinnelooze vreugd in elkanders armen, en zij mompelden zegenend den naam van God, die in Zijne goedheid zich hunner had erbarmd op het oogenblik zelf, dat alle hoop hun was ontsnapt.

"Gelieft mij nu aan te hooren," zeide de jonge heer Vereecken. "Dat gij eer en vrijheid terugbekomt, schijnt u het opperst geluk. Het is niet genoeg voor mij. Ik heb slecht jegens u gehandeld, omdat ik u schuldig waande; maar nu wil ik zooveel mogelijk het kwaad en de schade herkoopen, welke gij door mij hebt geleden. Laat uw toekomend lot u niet meer bekommeren. Ik ben reeds naar den bestuurder van den ijzeren weg geweest, om u in uwen post te Bolderhout te doen herstellen. Ongelukkiglijk was de bestuurder niet te huis; ik zal hem evenwel vandaag nog spreken. Hoe het zij, ik wil u helpen, u steunen, u beschermen, totdat gij zelf mij zegt: "Wij zijn voldaan." Voor de toekomst van uw goeden zoon Sander blijf ik verantwoordelijk, en mochten uwe andere kinderen ooit iets noodig hebben, ik zal mijn gansch leven gereed staan om aan hen mijne schuld jegens hunnen braven vader te betalen. Er woont een nieuwe bediende in uw wachthuis. Heden, zoohaast gij uwe vrijstelling hebt bekomen, breng ik u allen naar eene goede herberg in de stad, en daar zult gij blijven, totdat ik te Bolderhout eene woning voor u heb doen bereiden."

Jan Verhelst en Mie-Wanna vlogen elkander meer dan eens in de armen en mompelden woorden van vreugd en dankbaarheid.

"Ach, hoe kan het lot van een mensch zoo keeren!" zuchtte de vrouw. "Een oogenblik is het geleden: mijn hart brak, ik weende over u en over onze kinderen ... en daar zijn wij nu allen weer gelukkig als engelen in den hemel!"

"Welnu, Verhelst, schenkt gij mij uwe vergiffenis?" vroeg de jongeling.

"Maar, mijnheer Frederic, ik heb u nooit in mijn hart beschuldigd," antwoordde de baanwachter. "Integendeel, ik had medelijden met uw ijselijk verdriet. Dat mijne vrouw het getuige!"

"Het is waar, mijnheer," bevestigde Mie-Wanna. "Ik heb u beschuldigd, ik was tegen u verstoord; maar nu zie ik wel, dat ik mij heb bedrogen. O, gij zijt nog altijd even goed!"

"Dank, dank," murmelde Frederic diep getroffen. "Geeft mij de hand, goede lieden. Ik zal u een vriend zijn en blijven. Uw lot moet verbeterd worden. Zeg, Jan Verhelst, wat wenscht gij?"

"De vrijheid, de vrijheid, mijnheer."

"Natuurlijk, maar dit wil ik niet zeggen."

"O, mocht ik in mijnen post te Bolderhout hersteld worden en met mijne vrouw en kinderen terugkeeren naar mijn hoveken, naar mijn land!"

"Ik twijfel niet, of ik zal dien al te nederigen wensch kunnen vervullen. Wat uwe vrijheid betreft, die zal u straks door den substituut...."

Eenige verwarde stemmen lieten zich in den verren gang vernemen.

"Hemel, hemel, wat hoor ik?" kreet de baanwachter. "Mijne kinderen? Mijne moeder?"

Die woorden waren hem nauwelijks ontvallen, of daar stormde zijn huisgezin juichend en met de handen uitgereikt in den kerker.

"Vader, vader lief, vrij, vrij!" was alles wat hij hoorde, terwijl hij schier bezweek onder de streelingen der twee kleine jongens, die, uitgelaten van blijdschap, hem op armen en schouders klauterden. In de koortsige, woeste omhelzing vermengden en verwarden zij zich allen--de blinde moeder niet uitgesloten--tot eenen klomp, waarin de vurige liefdekussen bij honderden werden gewisseld. De substituut, die de kinderen en de blinde met zich had gebracht, toonde nu een papier en zeide:

"Jan Verhelst, ziehier uwe vrijstelling. Ik ben gelukkig, te kunnen bijdragen om de onschuld van een eerlijk en braaf werkman te doen blijken."

Mie-Wanna rukte zich los en liet zich geknield vóór den substituut nedervallen.

"Gij, mijnheer, gij zijt onze verlosser!" riep zij uit. "O, God zal u eenen zoeten, zaligen dood laten sterven; want wij allen en mijne kinderen, wij zullen voor u bidden, eiken dag, jaren en jaren!"

De grootmoeder trad vooruit en tastte in de ruimte. Met bevende stemme smeekte zij:

"O, mijnheer, ik ben blind; mijne oogen kunnen u niet zien. Laat mij toch de handen voelen van den edelen man, die ons, arme ellendige lieden, als een broeder heeft geholpen."

De substituut reikte haar de hand; zij greep ze met koortsige blijdschap en bracht ze aan hare lippen. Uit hare levenlooze oogen viel een traan, die als een parel der dankbaarheid op zijne vingeren bleef glinsteren.

"Gij zijt vrij, verlaat nu dezen kerker; niemand zal u tegenhouden," zeide de substituut. "Ik heb hier nog iets te verrichten en wensch u allen vaarwel."

Hij ging ter deur uit, als hadde hij haast om aan de dankbetuigingen dezer gelukkige lieden te ontsnappen.

"Komt nu met mij naar de herberg," zeide Frederic. "Daar wacht u een goede maaltijd en eene flesch wijn, om uwe verlossing te vieren."

Allen volgden hem.

Toen de groote poort van het gevangenhuis voor hen werd geopend, sprong Jan Verhelst er uit. Omringd van zijn juichend huisgezin, hijgde hij eenige malen bij machtige teugen, als wilde hij zijne borst met de zoete lucht der vrijheid opvullen. Dan hief hij de armen en oogen ten hemel, mompelde eene bede, liep vooruit en riep:

"Vrij, ik ben vrij! hoera! hoera!"

"Hoera, hoera! Vader is vrij!" herhaalden zijne kinderen, en zij huppelden hem achterna met kreten van blijdschap en zwaaiden jubelend hunne mutsen in de lucht.

SLOT

Des anderendaags in den morgen scheen het te Bolderhout kermis te zijn. De dorpelingen in hun zondagsgewaad wandelden opgeruimd over de markt en op den grooten steenweg. Uit de vensters veler huizen stak eene wapperende vlag, en de baan naar den barreel van den ijzeren weg was van weerszijden beplant met mastboomkens, aan elkander verbonden door festoenen van loof en bloemen.

Bij den uitgang der gemeente naar de stad verhief zich een windmolen op eenen heuvel. Daarboven stond de veldwachter met eene brandende lont in de hand, terwijl aan den voet van den molenberg de leden der muziekmaatschappij zich met hunne speeltuigen gereed hielden om een vroolijk deuntje aan te heffen.

Een man was er, die over en weder draafde, van den eenen hoop tot den anderen, en elkeen bevelen scheen te geven, als ware hij hier de overste geweest. Het was Jacob, de hovenier van den notaris. Nu liep hij, als door ongeduld gejaagd, den heuvel op, sprak in aller haast met den veldwachter en keek dan over den steenweg in het veld.

Hij had eenigen tijd reeds daar gestaan en zijn ongeduld door morren lucht gegeven, toen hij eensklaps uitriep:

"Mannen, vrienden, hoera! Opgepast, daar zijn ze!"

De veldwachter blies op zijne lont; de muzikanten brachten hunne speeltuigen aan de lippen.

Wie werd hier dan afgewacht? Een nieuwe burgemeester? De gouverneur? De koning?

In de verte kwam eene opene koets als een bankwagen, met twee paarden bespannen, op stillen draf aangereden. Voor zooveel men zien kon, zaten daarin twee mannen, twee vrouwen en eenige kinderen.

Ongetwijfeld waren dit de personen, welke men te Bolderhout plechtig wilde inhalen; want de krielende menigte begon zich bij den ingang des dorps op te hoopen en de lucht met blij geschater te vervullen.

De koets naderde.

Daar ontsnapte den verschietenden dorpelingen een angstkreet. Boven op den molenberg donderde het kanon driemaal, en de muziek begon de vroolijke aria van onzen zoeten Gretry: "Waar kan men beter zijn dan bij zijn beste vrienden?"

Rondom de koets liepen honderden menschen te zamen met de wemelende handen opgeheven of de hoeden zwaaiende, terwijl de lucht weergalmde onder de kreten:

"Leve Jan Verhelst! Welkom, hoera, hoera!"

Wat Frederic Vereecken ook poogde om den baanwachter in het rijtuig te doen blijven, deze wilde er niet in toestemmen. Hij had zijnen vriend Jacob gezien; hij had wat verder den schoolmeester bemerkt, en zijn hart snakte om hen aan den hals te vliegen en hun zijnen dank voor hunne beproefde trouw te betuigen. Zijne vrouw, zijne moeder en zijne kinderen stapten na hem uit de koets. Iedereen wilde hun de handen drukken, iedereen betuigde hun achting en vriendschap, en degenen, die het meest op hen waren verbitterd geweest, hieven de luidruchtigste gelukwenschen aan.

De kreten: "Leve Jan Verhelst! Leve Mie-Wanna!" ontstonden elke minuut opnieuw, en waar hun oudste zoontje voorbijging, riepen zijne schoolmakkers:

"Leve Sander! Leve Sander! hoera! hoera!"

De baanwachter was door de eer, die hem werd aangedaan, en door de bewijzen van vriendschap, waarmede men hem en zijn huisgezin overlaadde, zoo diep ontroerd, dat hij niet meer kon spreken en op zijne beenen wankelde.

Nu trad hij in den weg naar zijne barreelen. Dan begon eerst zijn hart met onstuimig geweld te kloppen. Frederic Vereecken had hem in de stad de blijde tijding gebracht, dat hij in zijnen post als barreelwachter was hersteld. Hij zou dus weder in den waggon wonen, in zijn lief hoveken wandelen en op zijne streep gronds arbeiden! Niets was veranderd in zijn leven, dan dat de toekomst zijner kinderen was verzekerd en hij geene slagen van het lot meer te duchten had.

De muziek speelde een trippelenden marsch, alhoewel men langzaam voortging.

Daar bulderde het kanon weder driemaal, toen Jan Verhelst, door Frederic en door den schoolmeester geleid, vóór den waggon geraakte.

Het gezicht zijner nederige woning moest het gemoed des baanwachters geweldig schokken; want terwijl de muziek weder het aria "Waar kan men beter zijn" had aangeheven en honderd en honderden monden "Hoera, hoera! Leve Jan Verhelst!" schreeuwden, meende hij den voet op de trap van den waggon te zetten, maar zonk half bezwijmd op de knieën en riep met de bevende handen ten hemel: "Dank, dank voor zooveel geluk, o genadige God!"