Part 6
Hier was niet de minste verbetering in den toestand gekomen. Sowerberry was nog niet thuis en Oliver schopte met onverminderde woede tegen de deur van het kolenhok. De verhalen van zijn razernij, verteld door juffrouw Sowerberry en Charlotte, waren zoo verbijsterend, dat Mr. Bumble het voorzichtig oordeelde, te onderhandelen, eer hij de deur opendeed. Met dit doel gaf hij bij wijze van inleiding een schop tegen den buitenkant, toen bracht hij zijn mond voor het sleutelgat en zeide op lagen, indrukwekkenden toon:
»Oliver!«
»Toe, laat mij er uit!« antwoordde Oliver aan den binnenkant.
»Ken je deze stem, Oliver?« vroeg Mr. Bumble.
»Ja,« antwoordde Oliver.
»Ben je er niet bang voor? Beef je niet, terwijl ik spreek?« vroeg Mr. Bumble.
»Nee!« antwoordde Oliver driest.
Dit antwoord, zoo verschillend van wat hij verwacht had te zullen uitlokken en gewend was te hooren, deed Mr. Bumble niet weinig versteld staan. Hij deed een stap terug van het sleutelgat, richtte zich in zijn volle lengte op en keek in stomme verbazing van den één der drie toehoorders naar den ander.
»Ziet u, meneer Bumble, hij moet gek zijn,« zei juffrouw Sowerberry. »Een jongen, die maar half zijn verstand bij elkaar had, zou zoo niet tegen u durven spreken.«
»'t Is geen waanzin, juffrouw,« hernam Mr. Bumble na een oogenblik van diep nadenken. »'t Is het vleesch.«
»Wat?« riep juffrouw Sowerberry.
»Het vleesch, juffrouw, het vleesch,« herhaalde Bumble met ernstigen nadruk. »U heeft hem overvoerd, juffrouw. U heeft kunstmatig de ziel en den geest in hem wakker geroepen, en dat past niet voor een mensch in zijn omstandigheden; de Regenten, die philosofen van het praktische leven zijn, zullen u dat wel verklaren. Wat hebben armen met ziel of geest te maken? 't Is meer dan genoeg, dat wij hun lichamen in het leven houden. Als u die jongen bij de pap had gehouden, zou dit nooit gebeurd zijn.«
»Och lieve hemel!« riep juffrouw Sowerberry uit en hief met vroom gebaar haar oogen naar de keukenzoldering, »dat komt er van als je royaal bent!«
De royaliteit van juffrouw Sowerberry jegens Oliver had daarin bestaan, dat alle kliekjes en afval, die niemand anders wilde eten, hem met milde hand toegestopt werden; dus lag er heel wat deemoed en zelf-vernedering in, dat zij zich vrijwillig boog onder Bumble's zware beschuldiging, waaraan zij, om haar recht te doen, geheel onschuldig was in gedachte, woord of daad.
»Ja!« zei Mr. Bumble, toen de dame haar oogen weer naar de aarde wendde, »het eenige wat naar mijn idee gedaan kan worden, is hem een dagje in dat hok te laten, tot de honger hem een beetje kalmer heeft gemaakt en hem er dan uit te halen en hem gedurende zijn leertijd niets anders dan waterpap te geven. Hij komt uit een slechte familie. De baker en de dokter zeiden allebei, dat die moeder van hem op den weg naar het huis pijn en narigheid had uitgestaan, waar elke fatsoenlijke vrouw al weken te voren aan gestorven zou zijn.«
Toen Mr. Bumble zoover gekomen was, begon Oliver, die juist genoeg verstond om te weten, dat er weer een of andere toespeling op zijn moeder werd gemaakt, opnieuw tegen de deur te schoppen met een woede, die elk ander geluid onhoorbaar maakte. Op dit oogenblik kwam Sowerberry thuis. Toen Oliver's misdaad hem verteld was, met zooveel overdrijving als de vrouwen noodig oordeelden om zijn gramschap op te wekken, deed hij met een ruk de deur van het hok open en sleepte zijn opstandigen leerjongen bij zijn kraag er uit.
Oliver's kleeren waren gescheurd bij de kloppartij, zijn gezicht was vol krabben en striemen en zijn haar hing over zijn voorhoofd. Doch de woede-uitdrukking was niet verdwenen en terwijl hij uit zijn gevangenis werd gehaald, keek hij Noah driest en donker aan en toonde niet den minsten angst.
»Nou, jij bent 'n mooie jongen, dat moet ik zeggen,« zei Sowerberry, schudde Oliver door elkaar en gaf hem een oorvijg.
»Hij schold mijn moeder uit,« zei Oliver.
»Nou, en al deed hij dat, kleine ondankbare rekel,« zei juffrouw Sowerberry. »Zij verdiende 't en meer nog.«
»Dat is niet waar!« zei Oliver.
»'t Is wel waar!« zei juffrouw Sowerberry.
»'t Is een leugen!« zei Oliver.
Juffrouw Sowerberry barstte in een vloed van tranen uit. Deze tranenvloed liet Mr. Sowerberry geen keus. Als hij nog één oogenblik geaarzeld had om Oliver ten strengste te straffen, zou hij--dit moet elken lezer met eenige ervaring, in verband met alle voorafgaande huiselijke twisten duidelijk zijn--een onmensch wezen, een onnatuurlijke echtgenoot, een kwelgeest, een laaghartige man en verschillende andere liefelijke dingen meer, te veel om in dit hoofdstuk op te noemen. Om hem recht te doen, moeten wij erkennen, dat hij, zoover als zijn macht ging--en dat was niet heel ver--den jongen goed gezind was, misschien omdat dit in zijn eigen belang was, misschien omdat zijn vrouw een hekel aan Oliver had. Doch de tranenvloed liet hem geen uitweg; dus gaf hij den jongen maar dadelijk een rammeling, waardoor zelfs juffrouw Sowerberry tevredengesteld was en die het eigenlijk onnoodig maakte, dat Mr. Bumble daarna zijn stok nog in werking stelde. Den verderen dag werd Oliver in de achterkeuken opgesloten in gezelschap van een pomp en een snee brood. 's Avonds maakte juffrouw Sowerberry eerst buiten de deur verschillende opmerkingen, die allesbehalve vriendelijk waren jegens de nagedachtenis van Oliver's moeder; toen keek zij naar binnen en beval hem, onder scheldwoorden en plagerijen van Noah en Charlotte, zijn armzalige slaapplaats op te zoeken.
Eerst toen Oliver alleen was gelaten in de stille, sombere werkplaats van den doodkistenmaker, gaf hij zich over aan de gevoelens, die, zooals te begrijpen is, door de behandeling van dien dag in hem--kind als hij nog was--waren opgewekt. Hij had hun hoon aangehoord met een minachtenden blik; hij had de slagen ondergaan zonder een schreeuw te geven, want in zijn hart groeide de trots, die, al hadden ze hem levend geroosterd, elken kreet--ook den laatste--terugdrong. Maar nu, nu niemand hem kon hooren of zien, nu viel hij op zijn knieën op den grond en terwijl hij 't gezicht in de handen verborg, schreide hij; mogen zeer weinigen van ons zóó jong reeds zulke tranen schreien voor het oog van God! dit verhoede Hij tot eer van het menschelijk geslacht! Een lange poos bleef Oliver onbewegelijk in deze houding. Toen hij oprees, brandde de kaars laag in den kandelaar. Nadat hij aandachtig om zich heen had gekeken en scherp geluisterd, schoof hij zachtjes de grendels van de deur en keek naar buiten.
Het was een koude, donkere nacht. De sterren schenen, in Oliver's oogen, verder van de aarde af te zijn, dan hij ze ooit gezien had; er was geen wind en de sombere schaduwen, door de boomen op den grond geworpen, schenen doodsch en griezelig in hun roerloosheid. Zachtjes sloot hij de deur weer. Van het doovende kaarslicht maakte hij gebruik om de enkele kleedingstukken, die hij had, in een zakdoek te pakken; toen ging hij op een schaafbank zitten om den morgen af te wachten.
Bij den eersten lichtstraal, die door de openingen in de luiken binnenviel, stond Oliver op en ontgrendelde opnieuw de deur. Nog één schuchteren blik in 't rond--één oogenblik van aarzeling--toen had hij de deur achter zich gesloten en stond op straat.
Hij keek naar rechts en links, onzeker waarheen te vluchten. Hij herinnerde zich, dat de wagens, als zij de stad uitgingen, den heuvel opreden. Hij nam denzelfden weg en toen hij bij een voetpad kwam, dat zooals hij wist eerst door de akkers voerde en dan verder weer op den grooten weg uitkwam, sloeg hij dit in en stapte flink door.
Oliver herinnerde zich, hoe hij langs datzelfde pad naast Mr. Bumble had geloopen, toen deze hem 't eerst van het Buitenhuis naar het armhuis bracht. Zijn weg leidde recht op het Buitenhuis aan. Zijn hart bonsde toen hij dit bedacht en hij was al half besloten, terug te keeren. Maar hij had al een heel eind afgelegd en zou veel tijd verliezen als hij 't deed. Bovendien was het nog zoo vroeg, dat hij weinig gevaar liep gezien te worden en liep dus door.
Nu was hij bij het Huis. Niemand van de bewoners scheen nog op te zijn. Oliver bleef staan en keek in den tuin. Een jongen was bezig één van de perkjes te wieden; toen Oliver stilstond, keek de andere jongen op en Oliver herkende één van zijn vroegere kameraadjes. Oliver was blij hem te zien vóór hij wegging, want ofschoon de ander jonger was, was hij toch zijn vriendje en speelmakkertje geweest. Ze hadden samen slaag gehad en honger geleden en waren samen opgesloten, vele, vele malen.
»Pst, Dick!« zei Oliver, toen de jongen naar het hek holde en zijn arm door de tralies stak om hem te begroeten. »Is er al iemand op?«
»Niemand als ik,« antwoordde het kind.
»Je moet niet vertellen, dat je me gezien hebt, Dick,« zei Oliver. »Ik loop weg. Ze slaan me en mishandelen me, Dick, en ik ga mijn fortuin zoeken, ergens ver weg. Ik weet niet waar. Wat zie je bleek!«
»Ik heb den dokter hooren zeggen, dat ik gauw dood ga,« antwoordde het kind met een flauwen glimlach. »Ik ben blij, dat ik je zie, maar blijf hier niet staan!«
»Jawel, ik wil je even goedendag zeggen,« hernam Oliver. »Ik zie je weer Dick, dat weet ik zeker. Je zult gezond zijn en gelukkig!«
»Dat hoop ik,« antwoordde het kind. »Als ik dood ben, eerder niet. Ik weet, dat de dokter gelijk heeft, Oliver, want ik droom zoo dikwijls van den hemel en van engelen en van lieve gezichten, die ik nooit zie als ik wakker ben. Geef me een zoen.« De jongen klom op het hekje en sloeg zijn armpjes om Oliver's hals. »Dag! God zegen je!«
De zegenwensch kwam van de lippen van een kind, doch het was de eerste, dien Oliver ooit over zijn hoofd had hooren uitspreken; en hij vergat die nooit, in al den strijd en de smart en de moeiten en lotswisselingen van zijn volgend leven.
HOOFDSTUK VIII.
Oliver loopt naar Londen--hij ontmoet onderweg een zonderling jongmensch.
Oliver kwam bij den slagboom, waar het zijpad eindigde en was opnieuw op den straatweg. Het was nu acht uur. Ofschoon hij bijna vijf mijlen van de stad verwijderd was, kroop hij nu eens weg achter de boschjes en holde dan weer voort, uit angst dat hij vervolgd en ingehaald zou worden. Tegen twaalf uur ging hij eindelijk bij een mijlpaal zitten om uit te rusten en begon er voor 't eerst over te denken, waar hij heen zou gaan en waarvan hij zou leven.
Op de paal, waarbij hij zat, stond in groote letters aangeduid, dat Londen juist zeventig mijlen ver aflag.
De naam riep een nieuwe reeks denkbeelden in den jongen wakker. Londen!--die groote stad! Daar zou niemand--zelfs Mr. Bumble niet--hem vinden! Hij had de oude mannetjes in het armhuis ook dikwijls hooren zeggen, dat geen flinke jongen in Londen gebrek hoefde te lijden en dat er in die groote stad middelen bestonden om aan den kost te komen, waar de menschen, die buiten opgegroeid waren, geen denkbeeld van hadden. Dat was juist de meest geschikte plek voor een dakloozen jongen, die zou sterven op straat, als niemand hem voorthielp. Toen deze dingen hem door het hoofd gingen, sprong hij op en liep weer voort.
Hij had den afstand tusschen hem en Londen nog met volle vier mijlen verminderd, eer hij bedacht, hoeveel hij nog moest afleggen vóór hij kon hopen, de plaats van zijn bestemming te bereiken. Terwijl deze overweging zich aan hem opdrong, hield hij zijn stap een weinig in en dacht na over de middelen om er te komen. Hij had een korst brood, een grof hemd en twee paar kousen in zijn bundeltje. Ook had hij een penny in zijn zak, een geschenk van Sowerberry, toen hij zich bij een of andere begrafenis bijzonder goed van zijn taak gekweten had. »Een schoon hemd,« dacht Oliver, »is wel heel prettig en twee paar gestopte kousen ook, en een penny ook; maar ze geven niet veel als je vijf en zestig mijl af moet leggen in den winter.« Doch ofschoon Oliver's gedachten heel vlug en juist waren in het wijzen op moeielijkheden, waren zij--evenals die van de meeste menschen--volkomen buiten staat eenig uitvoerbaar middel aan te geven om de moeilijkheden te boven te komen; dus nadat hij geruimen tijd gedacht had zonder tot een besluit te komen, hing hij zijn bundeltje over den anderen schouder en sjokte verder.
Oliver liep dien dag twintig mijlen en kreeg in dien tijd niets over zijn lippen als de korst brood en een paar teugen water, die hij aan de huizen vroeg langs den weg. Toen het avond werd, liep hij een weiland op, kroop onder een hooischelf en besloot daar tot den morgen te blijven liggen. Eerst was hij angstig, want de wind huilde akelig over de verlaten velden en hij was koud en hongerig en eenzamer dan ooit te voren. Doch daar hij doodmoe was van zijn tocht, viel hij spoedig in slaap en vergat zijn verdriet.
Toen hij den volgenden morgen opstond, was hij koud en stijf en zóó hongerig, dat hij genoodzaakt was in het eerste dorp, waar hij door kwam, zijn penny in te ruilen voor een broodje. Hij had niet meer dan twaalf mijlen afgelegd, toen opnieuw de avond viel. Zijn voeten waren doorgeloopen en zijn beenen zóó zwak, dat zij onder hem trilden. Een tweede nacht, in de ijzige vochtige buitenlucht verergerde het gevoel van moeheid; toen hij den morgen daarna verder wilde gaan, moest hij zich voortsleepen.
Hij wachtte beneden aan een steilen heuvel tot de postwagen aankwam en bedelde toen bij de reizigers die buitenop zaten, doch er waren er maar enkelen, die op hem letten en deze zeiden hem nog, te wachten tot ze op den heuvel waren en eerst eens te laten zien hoe ver hij hard kon loopen voor een halve penny. De arme Oliver trachtte den postwagen een eindje bij te houden, doch door zijn moeheid en doorgeloopen voeten gelukte het niet. Toen de passagiers dat zagen, staken zij hun halve penny weer in hun zak en verklaarden dat hij een luie rekel was en niets verdiende; de postwagen ratelde weg en liet niets als een stofwolk achter.
In enkele dorpen stonden groote borden met de waarschuwing, dat iedereen die bedelde in deze gemeente, in de gevangenis gezet zou worden. Oliver keek hier verschrikt naar en was blij, zoo gauw mogelijk dergelijke dorpen weer uit te zijn. In andere dorpen stond hij bij de herbergen en keek iederen voorbijganger treurig aan; een handelwijze, die gewoonlijk daarmee eindigde, dat de waardin aan één van de rondslenterende postjongens beval, dien vreemden jongen weg te jagen, want ze wist zeker, dat hij een of ander weg kwam kapen. Als hij aan een boerderij bedelde, was het tien tegen één, dat de boer dreigde den hond op hem los te laten, en als hij zijn neus in een winkel stak, praatten ze over den veldwachter--dit deed Oliver het hart in de keel kloppen; gedurende vele uren was dit dikwijls het eenige wat hij in de keel kreeg.
Wanneer een goedhartige tolbaas en een wandelende oude dame er niet geweest waren, zou aan Oliver's lijden een eind zijn gekomen op dezelfde wijze, waarop dat van zijn moeder eindigde; met andere woorden, hij zou stellig en zeker dood zijn neergevallen op den koninklijken straatweg. Maar de tolbaas gaf hem een maal brood met kaas en de oude vrouw, die een verongelukten kleinzoon zwervende had in een of ander ver oord van de wereld, had medelijden met het arme weesje en gaf hem het weinige dat ze missen kon--en meer nog--met zulke teedere, hartelijke woorden en zooveel tranen van deernis en mededoogen, dat zij dieper indruk maakten op Oliver's hart, dan al het lijden dat hij had ondergaan.
Vroeg in den zevenden morgen, nadat hij zijn geboorteplaats verlaten had, strompelde Oliver langzaam het stadje Barnet binnen. De luiken waren nog overal voor de ramen, de straat was verlaten, geen ziel was nog wakker voor het dagwerk. De zon verrees in al haar stralende schoonheid, doch het licht diende alleen om den jongen, die met bloedende voeten en overdekt met stof op een stoep zat, zijn eigen hopeloozen toestand en verlatenheid kenbaar te maken.
Langzamerhand gingen de luiken open, de gordijnen werden opgetrokken en er begonnen menschen voorbij te komen. Enkelen bleven staan om Oliver een oogenblik aan te kijken, of keerden zich om, om onder het voorthaasten naar hem te zien, maar niemand hielp hem of nam de moeite, te vragen hoe hij hier kwam. Hij had den moed niet te bedelen. Dus bleef hij zitten.
Een tijdlang bleef hij op de stoep gehurkt zitten, zich verwonderend over het groot aantal herbergen, (in Barnet was om het andere huis een herberg, groot of klein); lusteloos keek hij naar de postwagens, die voorbijkwamen en dacht er over, hoe vreemd het was, dat die wagens in enkele uren met gemak hetzelfde konden doen, waarvoor hij zich een week lang had ingespannen met een moed en vastberadenheid, die boven zijn leeftijd uitgingen. Plotseling werd zijn aandacht getrokken door een jongen, die na hem een oogenblik te voren onverschillig voorbij te zijn geloopen, omgekeerd was en hem nu aan den overkant van de straat aandachtig stond op te nemen. Eerst schonk hij er weinig aandacht aan, maar de jongen bleef hem zoo lang strak aankijken, dat Oliver het hoofd ophief en hem zijn strakken blik teruggaf. Hierop stak de jongen de straat over, ging naar Oliver toe en zei:
»Hallo, kuikentje, wat scheelt der an?«
De jongen, die deze vraag tot den zwerveling richtte, was ongeveer van denzelfden leeftijd, maar hij zag er zoo zonderling uit als Oliver nog nooit een jongen gezien had. Hij had een gewoon jongensgezicht, met een stompen neus en een terugwijkend voorhoofd, hij was zoo vuil als men maar wenschen kan en hij had de manieren en gebaren van een volwassen man. Hij was klein voor zijn leeftijd, had kromme beenen en kleine, stekende, leelijke oogjes. Zijn hoed stond op 't topje van zijn hoofd, alsof hij er ieder oogenblik dreigde af te vallen--en dit zou ook zeker gebeurd zijn, wanneer de eigenaar niet met een zekere handigheid nu en dan den hoed een ruk had gegeven, die hem weer op zijn plaats bracht. Hij had een mannejas aan die hem op de hielen hing. De mouwen had hij tot halfweg zijn armen opgeslagen, om zijn handen vrij te krijgen, klaarblijkelijk met geen ander doel dan ze in de zakken van zijn bombazijnen broek te steken, want daar hield hij ze. Alles met elkaar zag hij er uit als het meest zwetsende, pocherige heertje van vier voet zes of nog minder, dat ooit in laarzen stond.
»Hallo kuikentje, wat scheelt der an?« vroeg dit zonderlinge jongmensch aan Oliver.
»Ik ben zoo moe en ik heb zoo'n honger,« antwoordde Oliver, terwijl onder het spreken de tranen hem in de oogen kwamen. »Ik heb een heel eind geloopen. Ik heb zeven dagen geloopen.«
»Zeven dagen geloopen!« herhaalde het jongmensch. »O, ik snap 't al. Je moest voor de steekneus, niet? Maar,« voegde hij er bij, terwijl hij Olivers verwonderden blik opmerkte, »ik denk, dat je niet eens weet wat 'n steekneus is, slimmerd, die je bent!«
Oliver antwoordde schuchter, dat hij wel eens met dat woord over een vogel had hooren spreken.
»Nee maar, wat 'n groene ben jij!« riep de ander uit. »'n Steekneus, dat is 'n rechter, en als je voor de steekneus loopt, dan kom je niet vooruit, maar je gaat altijd na de hoogte en nooit niet na benejen. Ben je al eens in de molen[1] geweest?«
[1] De tredmolen. Vert.
»Welke molen?« vroeg Oliver.
»Welke molen? Wel de molen--_de_ molen, die zoo weinig plaats inneemt, dat ie in 'n steenen huisje werkt en die altijd 't best draait als het de menschen niet voor den wind gaat; als de wind draait krijgt de molen geen werklui. Maar kom,« zei 't jongmensch, »je moet wat te bikken hebben en je zal 't hebben. Ik zit zelf op zwart zaad, niet meer as een paar spie, maar, ik zal es putten. Hup! sta op je stelten! Vooruit dan! Voorwaarts!«
Het jongmensch hielp Oliver opstaan en nam hem mee naar een winkel in de buurt, waar hij een flink stuk ham en een broodje kocht; de ham werd voor stof en vuil bewaard door de vernuftige uitvinding, een holte in het broodje te maken en daar de ham in te stoppen. Met het brood onder den arm ging het jongmensch een klein kroegje binnen en liep vooruit naar een vertrekje achter de gelagkamer. Hier werd op verlangen van het geheimzinnige jongmensch een pot bier gebracht. Uitgenoodigd door zijn nieuwen vriend, tastte Oliver toe en deed zich een heelen tijd te goed aan het maal, terwijl de vreemde jongen hem van tijd tot tijd opmerkzaam aankeek.
»Op weg naar Londen?« vroeg de vreemde jongen, toen Oliver eindelijk klaar was.
»Ja.«
»Ben je daar thuis?«
»Nee.«
»Geld?«
»Nee.«
De vreemde jongen floot en stopte zijn armen zoo ver in zijn zakken als de wijde jasmouwen toelieten.
»Woon jij in Londen?« vroeg Oliver.
»Ja. Als ik thuis ben,« antwoordde de jongen. »Je moet vannacht zeker een slaapplaats hebben, niet?«
»Ja,« antwoordde Oliver. »Ik heb niet onder een dak geslapen, sinds ik op weg ben.«
»Maak je daar maar niet ongerust over,« zei het jongmensch. »Ik mot vanavond in Londen zijn, en ik weet 'n knappe ouwe meneer die daar woont, daar ken je voor niks slapen; die meneer zal je nooit 'n cent vragen--ten minste als je bij hem wordt gebracht door iemand die hij kent. En kent hij mij niet? O nee! Heelemaal niet! Volstrekt niet! Wel nee!«
Het jongemensch glimlachte, als om aan te duiden, dat de laatste zinnen lichtelijk ironisch bedoeld waren en dronk ondertusschen zijn pot bier leeg.
Het onverwachte aanbod van een slaapgelegenheid was te verleidelijk om afgeslagen te worden, vooral toen het onmiddellijk gevolgd werd door de mededeeling, dat de bewuste oude heer ongetwijfeld in minder dan geen tijd Oliver aan een betrekking zou helpen. Dit leidde tot een meer vriendschappelijk en vertrouwelijk gesprek, waarbij Oliver te weten kwam, dat zijn vriend Jack Dawkins heette en dat hij de bijzondere lieveling en protégé was van den ouden heer voornoemd.
Het uiterlijk van jongeheer Dawkins legde niet juist een gunstige getuigenis af omtrent de voordeelen, die de belangstelling van zijn beschermer opleverde voor hen die hij onder zijn bescherming nam, doch daar hij er een loszinnige en liederlijke manier van spreken op nahield en verder bekende hoe hij onder zijn vrienden bekend stond met den bijnaam van »de Slimme Vos,« kwam Oliver tot het besluit, dat de jongen een onverschillig en slecht karakter had, zoodat de zedelijke voorschriften van zijn weldoener tot nu toe aan hem verspild waren. Onder dezen indruk besloot hij in stilte, te trachten zich zoo spoedig mogelijk de tevredenheid van den ouden heer te verwerven, en als hij bevond, dat de Vos onverbeterlijk was, wat hij half en half vermoedde, voor de eer van zijn verderen omgang te bedanken.