De avonturen van Oliver Twist

Part 5

Chapter 53,967 wordsPublic domain

De open deur, waarvoor Oliver en zijn meester stil stonden, had klopper noch bel; de lijkbezorger liep voorzichtig op den tast door de donkere gang; hij zei aan Oliver, dicht achter hem te blijven en niet bang te zijn en klom zoo de eerste trap op. Toen hij op het portaal tegen een deur aanliep, klopte hij er met zijn knokkels tegen. Een meisje van dertien of veertien jaar deed open. De lijkbezorger zag onmiddellijk genoeg van de kamer om te weten, dat dit de woning was, waarheen men hem gezonden had. Hij ging naar binnen, Oliver volgde. Er brandde geen vuur in de kamer, doch een man zat als uit gewoonte vlak bij de uitgedoofde kachel. Ook een oude vrouw had een laag stoeltje bij den kouden haard getrokken en zat naast hem. In een anderen hoek zaten eenige kinderen in lompen en in een kleine alkoof tegenover de deur lag op den grond iets met een oude deken bedekt. Oliver huiverde, toen hij zijn oogen naar die plek wendde en kroop onwillekeurig dichter tegen zijn meester aan; want ofschoon er een deken overheen lag, voelde de jongen, dat het een lijk was.

Het gezicht van den man was mager en heel bleek; zijn haar en baard waren grijsachtig, zijn oogen met bloed doorloopen. Het gezicht van de oude vrouw was gerimpeld; haar twee eenig overgebleven tanden staken vooruit over haar onderlip en haar oogen waren glanzend en scherp van blik. Oliver werd angstig als hij haar of den man aankeek. Ze deden hem denken aan de ratten, die hij buiten had gezien.

»Niemand zal bij haar komen,« zei de man, terwijl hij woest opsprong, toen de lijkbezorger naar de alkoof ging. »Terug! verdomd! terug! als je leven je lief is!«

»Nonsens, goeie vriend,« zei de lijkbezorger, die vrijwel gewend was aan 't zien van ellende in allerlei vormen. »Nonsens!«

»Ik zeg je,« zei de man handenwringend en woedend op den grond stampend, »ik zeg je, dat ik haar niet in den grond gestopt wil hebben. Ze zou er geen rust vinden. De wormen zouden haar alleen pijn doen--ze kunnen haar niet opeten--ze is te veel uitgeteerd!«

De lijkbezorger antwoordde niet op deze wanhoopswoorden; hij haalde een touw uit zijn zak en knielde een oogenblik bij het lijk neer.

»O!« kreet de man, in tranen uitbarstend en op de knieën vallend aan de voeten van de doode, »kniel neer, kniel neer, kniel om haar neer, jullie allemaal en luister naar wat ik zeg! Zij is doodgehongerd. Ik wist niet hoe slecht zij er aan toe was vóór zij de koorts kreeg en toen staken haar beenderen door haar vel heen. Er was geen vuur en geen licht, zij stierf in donker, in donker! Zij kon niet eens de gezichten van haar kinderen zien, ofschoon wij hoorden, dat ze hun namen stamelde. Ik heb voor haar gebedeld op straat en ze stuurden me naar de gevangenis. Toen ik terugkwam, was zij stervend en al het bloed in mijn aderen is verdroogd, want ze lieten haar verhongeren. Dat zweer ik voor God, die het zag! Ze lieten haar verhongeren!« Hij woelde met de handen door zijn haar, gaf een luiden kreet en rolde zich om en om op den grond met starende oogen en schuim op den mond.

De verschrikte kinderen begonnen bitter te schreien, doch de oude vrouw, die tot nu toe zoo onbewegelijk had gezeten, alsof zij niet hoorde wat er voorviel, maakte een dreigend gebaar, tot zij ophielden. Zij maakte de das los van den man, die nog op den grond lag en kwam met wankele stappen naar den lijkbezorger toe.

»Zij was mijn dochter,« zei de oude vrouw met een knik in de richting van het lijk; op haar gezicht lag een idiote grijns, vreeselijker zelfs dan de tegenwoordigheid van den dood op zulk een plaats. »Heere God! Is 't geen wonder, dat ik haar ter wereld bracht en toen al een vrouw was, dat ik nou leef en vroolijk kan zijn en zij daar ligt, koud en stijf! Heere God!--dat te denken; 't lijkt wel een comedie--'t lijkt wel een comedie!«

Terwijl het ongelukkige schepsel in haar griezelige vroolijkheid mummelde en grinnikte, maakte de lijkbezorger zich gereed om heen te gaan.

»Wacht! wacht!« zei de oude vrouw, scherp fluisterend. »Wordt ze morgen begraven of overmorgen of vanavond? Ik heb haar afgelegd en ik wil meeloopen, zie je. Stuur me een wijden mantel--een goede warme, want 't is leelijk koud. En vóór we gaan, moeten we koeken hebben en wijn! Of dat hoeft niet; stuur maar wat brood--één broodje maar en een kopje water. Krijgen we brood, goeie man?« vroeg zij onstuimig en hield den lijkbezorger bij zijn jas vast, toen hij opnieuw naar de deur ging.

»Ja, ja,« zei de lijkbezorger, »natuurlijk. Alles wat je maar wilt!« Hij maakte zich los uit haar handen, trok Oliver mee en ging haastig weg.

Den volgenden dag (de familie was intusschen onthaald op een broodje en een stuk kaas, door meneer Bumble in eigen persoon gebracht) gingen Oliver en zijn meester opnieuw naar de ellendige woning; Mr. Bumble was er reeds, vergezeld door vier mannen uit het armhuis, die als dragers dienst moesten doen. De oude vrouw en de man hadden elk een oude zwarte jas gekregen om hun lompen te bedekken; de ruwhouten kist werd dichtgeschroefd, op de schouders van de dragers geheschen en naar buiten gebracht.

»Nou oudje, nou je beste beentje voor,« fluisterde Sowerberry de oude vrouw in het oor, »we zijn een beetje laat en 't zou geen pas geven, dominee te laten wachten. Vooruit mannen--zoo gauw als je wilt!«

Aldus aangemoedigd stapten de dragers met hun lichten last voort en de beide rouwdragenden bleven zoo dicht bij hen als zij konden. Mr. Bumble en Sowerberry liepen een knap eindje vooruit en Oliver, die niet zulke lange beenen had als zijn meester, draafde naast hen.

Het was echter niet zoo noodzakelijk haast te maken, als meneer Sowerberry had beweerd, want toen zij op het sombere kerkhofhoekje met de brandnetels, waar de graven der armen gegraven werden, waren aangekomen, was de dominé er nog niet; en de koster, die in de sacristy bij het vuur zat, dacht dat het best nog een uurtje kon duren eer hij kwam. Dus zetten zij de lijkbaar aan den rand van het graf en de twee rouwdragenden zaten geduldig in den neerdruilenden kouden motregen op den vochtigen grond te wachten, terwijl eenige in lompen gekleede jongens, door het schouwspel naar het kerkhof gelokt, tusschen de grafsteenen luidruchtig verstoppertje speelden of voor afwisseling over de doodkist heen en weer sprongen. Sowerberry en Bumble, die persoonlijk met den koster bevriend waren, zaten met hem bij het vuur de courant te lezen.

Eindelijk, na een tijdsverloop van meer dan een uur, kon men Sowerberry en Bumble en den koster naar het graf zien hollen. Dadelijk daarna verscheen de geestelijke, onder het loopen zijn ambtskleed aanschietend. Voor zijn fatsoen gaf Mr. Bumble één of twee jongens een paar klappen; de geestelijke heer las zooveel van den lijkdienst als in vier minuten afgeraffeld kon worden, gaf zijn opperkleed aan den koster en ging zijns weegs.

»Nou Bill,« zei Sowerberry tot den doodgraver, »gooi 't maar dicht!«

Dat was geen moeielijk werk, want het graf was zoo vol, dat de bovenste doodkist slechts enkele voeten onder de oppervlakte lag. De doodgraver schepte de aarde er in, stampte ze losweg aan met zijn voeten, nam zijn spade op den schouder en ging heen, gevolgd door de jongens, die hardop mopperden omdat de pret zoo gauw voorbij was.

»Kom vriend,« zei Bumble en klopte den man op zijn rug, »'t kerkhof wordt gesloten.«

De man, die zich niet bewogen had vanaf het oogenblik, dat hij zijn plaats bij het graf had ingenomen, schrikte op, hief zijn hoofd op, staarde den man, die hem had toegesproken aan, deed een paar stappen en viel bewusteloos neer. De krankzinnige oude vrouw was te zeer verdiept in het schreien over 't verlies van haar mantel (dien de lijkbezorger haar weer had afgenomen) om op hem te letten, dus gooiden ze een kan koud water over zijn hoofd; toen hij bijkwam, wachtten ze tot hij veilig buiten het kerkhof was, sloten het hek en gingen ieder hun eigen weg.

»Wel Oliver,« zeide Sowerberry, terwijl zij naar huis liepen, »hoe bevalt 't je?«

»'t Gaat nogal meneer« antwoordde Oliver, met een merkbare aarzeling. »Niet erg best, meneer.«

»Je zult er gauw genoeg aan wennen, Oliver,« zeide Sowerberry. »'t Is niks als je er eenmaal aan gewend bent, mijn jongen.«

Oliver dacht er in stilte over of het erg lang geduurd zou hebben eer meneer Sowerberry er aan gewend was. Doch 't scheen hem beter er niet naar te vragen en hij liep terug naar de werkplaats in gepeins over al wat hij gezien en gehoord had.

HOOFDSTUK VI.

Oliver, getergd door Noah's plagerijen, valt hem aan en doet hem versteld staan.

Toen de proeftijd van een maand om was, werd Oliver formeel als leerjongen aangenomen. De tijd van het jaar was toen juist flink ongezond. Doodkisten stegen in prijs, om een handelsterm te gebruiken, en in den loop van enkele weken deed Oliver heel wat ondervinding op. De uitslag van meneer Sowerberry's vernuftig uitgedachte nieuwigheid overtrof zelfs diens stoutste verwachtingen. De oudste inwoners herinnerden zich geen tijd, waarin de mazelen zooveel en met een zoo noodlottig gevolg heerschten, en talrijk waren de rouwstoeten, waarbij kleine Oliver vooruitliep, met een krippen rouwlamfer tot zijn knieën, tot onbeschrijfelijke bewondering en ontroering van alle moeders in de stad. Daar Oliver zijn meester ook bij de meeste van zijn andere begrafenissen vergezelde, opdat hij zich die gelijkmoedigheid van geest en macht over zijn zenuwen zou eigen maken, welke onontbeerlijk zijn voor een goeden lijkbezorger, kreeg hij overvloedig gelegenheid op te merken, met welke prachtige berusting en geestkracht sommige sterke persoonlijkheden hunne smarten en verliezen dragen. Bijvoorbeeld als Sowerberry de opdracht had voor de begrafenis van een of anderen rijken heer of rijke dame, omringd van een groot aantal neven en nichten. Deze waren gansch ontroostbaar geweest gedurende de voorafgaande ziekte en konden zelfs tegenover vreemden hun verdriet niet onderdrukken, doch onder elkaar plachten zij zoo vroolijk te zijn als 't maar kon--heel opgewekt en tevreden--en praatten zoo vrij en vroolijk met elkaar, alsof er niets gebeurd was dat hen bedroeven kon. Er waren ook mannen die het verlies van hun vrouw met heldhaftige kalmte droegen. En de vrouwen, die in de rouw gingen voor hun overleden mannen, wel verre van te treuren in het smartgewaad, schenen zich voorgenomen te hebben, dit zoo mooi en bekoorlijk mogelijk te maken. Het was tevens opmerkelijk, dat dames en heeren, die bij de begrafenisplechtigheid buiten zichzelf van verdriet waren, zoo gauw ze thuis kwamen, weer opleefden en eer het thee drinken was afgeloopen geheel zichzelf waren. Dit alles was heel genoegelijk en leerrijk om te zien en Oliver nam het met groote bewondering waar.

Ofschoon ik Olivers biograaf ben, durf ik niet met zekerheid beweren, dat hij door het voorbeeld van deze brave menschen tot berusting gebracht werd, maar ik kan zeer bepaald zeggen, dat hij gedurende vele maanden zich onderwierp aan het gezag en de mishandelingen van Noah Claypole, die hem veel slechter behandelde dan vroeger, nu zijn jaloerschheid was opgewekt, omdat de nieuwe jongen tot het dragen van den zwarten staf en de lamfer bevorderd was, terwijl hij, de oudere, zich steeds met de bonten muts en leeren broek moest vergenoegen.

Charlotte behandelde hem slecht omdat Noah het deed, en juffrouw Sowerberry was zijn verklaarde vijandin omdat meneer Sowerberry hem vriendelijk behandelde; tusschen dit drietal aan den éénen en al de begrafenissen aan den anderen kant, voelde Oliver zich niet zoo op zijn gemak als het hongerige varkentje, dat bij vergissing op den graanzolder van een brouwerij werd opgesloten.

En nu kom ik tot een heel gewichtig hoofdstuk van Oliver's geschiedenis; ik heb een daad te vermelden, die--oogenschijnlijk misschien onbeduidend en zonder beteekenis--indirect een beslissende verandering bracht in al zijn toekomstige omstandigheden en vooruitzichten.

Op een dag waren Oliver en Noah op het gewone etensuur naar de keuken afgedaald om te smullen aan een stukje schapenvleesch--anderhalf pond van het slechtste stuk van den hals; daar Charlotte werd weggeroepen moesten ze een oogenblik wachten en Noah Claypole, die honger had en uit zijn humeur was, wist dat tijdsverloop niet beter aan te vullen dan door Oliver Twist te plagen en te treiteren.

Geheel in beslag genomen door dit onschuldig vermaak, legde Noah zijn voeten op het tafellaken en trok Oliver bij zijn haar en zijn ooren, gaf als zijn meening te kennen, dat Oliver een kruiper was, maakte verder gewag van zijn plan te komen kijken als Oliver opgehangen werd en meer dergelijke liefelijke plagerijen, want Noah was een kwaadaardige, ongemanierde jongen, door de publieke liefdadigheid opgevoed.

Daar geen dezer plagerijen de gewenschte uitwerking had, Oliver aan het schreien te brengen, spande Noah zich in om nog grappiger te zijn, en met dat doel deed hij wat vele domkoppen met veel grooter naam dan Noah dezer dagen nog wel doen als zij geestig willen zijn: hij werd persoonlijk.

»Weesjongen,« zei Noah, »hoe is 't met je moeder?«

»Zij is dood,« antwoordde Oliver, »zeg niets van haar!«

Oliver's kleur werd donkerder, terwijl hij dit zeide; hij haalde snel adem, zijn mond en neusvleugels trilden verdacht, wat mr. Claypole aanzag als de voorteekenen van een hevige huiluitbarsting.

Onder dezen indruk hernieuwde hij den aanval.

»Waar is ze an gestorven, weesjongen?«

»Aan een gebroken hart, hebben een paar van onze oude vrouwtjes me verteld,« antwoordde Oliver, meer alsof hij tot zichzelf sprak dan als antwoord aan Noah. »Ik geloof dat ik weet wat 't is, daaraan te sterven!«

»Tra-la-la weesjongen,« zei Noah, toen een traan langs Oliver's wangen rolde. »Waarom begin je nou te snotteren?«

»Niet om _jou_,« antwoordde Oliver, haastig den traan wegvegend. »Dat moet je niet denken.«

»Nee, niet om mij hè?« smaalde Noah.

»Nee, niet om jou,« antwoordde Oliver vinnig. »En nou is 't genoeg. Praat nou niet meer over mijn moeder; ik waarschuw je!«

»Waarschuw je!« riep Noah. »Zoo, zoo! Waarschuw je me? Weesjongen, word niet brutaal. _Jouw_ moeder, pf! Ze was nogal 'n mooie! Och lieve God!« Noah schudde veelbeteekenend het hoofd en stak zijn rood neusje zoo ver in de lucht als hij met mogelijkheid kon.

»Och ja, weesjongen,« ging Noah, aangemoedigd door Oliver's stilzwijgen, voort; hij sprak nu op een spottenden toon van gehuicheld medelijden--de meest ondragelijke toon, die er bestaat. »Och ja, weesjongen, daar is nou niks meer an te doen; en natuurlijk kon jij 't toen ook niet helpen; en 't spijt me voor je; en 't spijt ons allemaal en we hebben met je te doen. Maar je moet weten, weesjongen, je moeder was een gemeen straatwijf.«

»Wat zeg je?« vroeg Oliver, den ander scherp aanziende.

»'n Gemeen straatwijf, weesjongen,« antwoordde Noah koeltjes. »En 't is maar goed, weesjongen, dat ze op z'n tijd doodging, anders zou ze in Bridewell te werk gesteld zijn of uit 't land gejaagd of opgehangen; dit is nog 't waarschijnlijkst van alles, denk je niet?«

Bloedrood van woede sprong Oliver op, gooide tafel en stoel om, greep Noah bij den strot, schudde hem in razernij door elkaar tot zijn tanden klapperden in zijn mond, en al zijn kracht tezamentrekkend in één hevigen slag, smeet hij hem op den grond.

Een minuut tevoren had de jongen daar gezeten als het stille, zachte, onderworpen wezen, waartoe de harde behandeling hem gemaakt had. Doch de geest van verzet die in hem sluimerde was eindelijk naar buiten gebroken; de schandelijke beleediging, zijn doode moeder aangedaan, had zijn bloed aan het koken gebracht. Zijn borst scheen zich uit te zetten; hij stond rechtop; zijn oogen schitterden; heel zijn uiterlijk was veranderd, terwijl hij als stralend neerkeek op zijn laffen kwelgeest, die nu aan zijn voeten lag te kruipen; met een durf zooals hij nooit te voren gekend had, daagde Oliver hem uit.

»Hij zal me vermoorden!« kreet Noah. »Charlotte! Juffrouw! De nieuwe jongen vermoordt me! Help! help! Oliver is gek geworden! Char-lotte!«

Noah's kreten werden beantwoord door een luiden schreeuw van Charlotte en een nog luideren van juffrouw Sowerberry; de eerste vloog door een zijdeur de keuken in, terwijl de laatste op de trap bleef staan, tot zij er zeker van was zonder levensgevaar naar beneden te kunnen komen.

»Kleine schavuit!« schreeuwde Charlotte, en greep Oliver beet met al haar kracht, die ongeveer gelijk stond met de kracht van een matig sterk man in bijzonder goede vechtconditie. »O jij kleine, ondankbare, leelijke gemeene schobbejak!« Tusschen elke lettergreep gaf Charlotte Oliver uit alle macht een klap en een gil ten algemeenen nutte.

Charlotte's vuist was niet van de kleinste, maar alsof deze vuist nog niet voldoende in staat was Oliver's razernij tot kalmte te brengen, stormde juffrouw Sowerberry de keuken binnen en hield hem met één hand vast, terwijl zij met de andere zijn gezicht bewerkte. Bij dezen gunstigen stand van zaken stond Noah op van den grond en begon hem van achteren te stompen.

De inspanning bij dit alles was te hevig om lang te kunnen duren. Toen zij allen uitgeput waren en niet langer slaan en rukken konden, sleepten zij Oliver, die schreeuwde en zich verzette, maar in geenen deele verslagen was, naar het kolenhok en sloten hem daar op. Hierna zakte juffrouw Sowerberry neer in een stoel en barstte in tranen uit.

[Illustratie: CHARLOTTE'S VUIST WAS NIET VAN DE KLEINSTE.]

»Lieve hemel, ze valt flauw!« zei Charlotte. »Een glas water, toe Noah! Gauw!«

»O Charlotte!« zeide juffrouw Sowerberry, zoo duidelijk sprekend als mogelijk was door gebrek aan adem en overvloed van koud water, dat Noah over haar hoofd en schouders had uitgegoten. »O Charlotte, wat een zegen, dat wij niet allemaal vermoord zijn in ons bed!«

»Ja juffrouw, dat is zeker een zegen!« was het antwoord. »Ik hoop nou maar, dat dit den baas een les zal zijn, om niet meer van die verschrikkelijke schepsels in huis te halen, die van de wieg af geboren moordenaars en roovers zijn! Die arme Noah! 't Scheelde maar weinig of hij was vermoord, toen ik binnenkwam.«

»Arme jongen!« zei juffrouw Sowerberry en keek Noah medelijdend aan.

Toen hij zoo beklaagd werd, wreef Noah, wiens bovenste vestknoop ongeveer even hoog was als de kruin van Oliver's hoofd, met den binnenkant van zijn knuisten over zijn oogen, tot het hem gelukte eenige tranen en snikken te voorschijn te brengen.

»Wat moeten we doen!« riep juffrouw Sowerberry uit. »De baas is niet thuis; er is geen man in huis en die deur trapt hij binnen tien minuten in.« Oliver's woedende schoppen tegen het bewuste dunne houten deurtje maakte het zeer waarschijnlijk, dat dit vermoeden bewaarheid zou worden.

»Goeie hemel! ik weet niet juffrouw,« zei Charlotte, »of we moesten om de politie sturen.«

»Of om militairen,« opperde Noah.

»Nee, nee,« zei juffrouw Sowerberry, die zich nu Oliver's ouden vriend herinnerde. »Loop gauw naar meneer Bumble, Noah, en vraag hem dadelijk hier te komen; er is geen minuut te verliezen. Ga maar zonder muts! Gauw! Houd onder het loopen maar een mes tegen dat blauwe oog van je. Dan zwelt 't niet op.«

Noah gunde zich geen tijd te antwoorden, maar holde weg zoo hard hij kon; de menschen op straat keken verwonderd naar dien jongen in liefdadigheidskleeren, die de straten doorrende zonder muts op zijn hoofd en een pennemes tegen zijn oog gedrukt.

HOOFDSTUK VII.

Oliver blijft weerbarstig.

Noah Claypole holde zoo hard hij kon door de straten, hij bleef geen oogenblik staan om adem te scheppen, eer hij bij de poort van het armhuis was. Nadat hij hier een paar minuten rust had genomen om zich voor te bereiden tot een indrukwekkende vertooning van tranen en snikken en ontdaanheid, klopte hij hard op de poort; de oude verpleegde, die opendeed, zag zulk een ongelukkig gezicht vóór zich, dat zelfs hij, die ten allen tijde ongelukkige gezichten om zich heen zag, verwonderd opkeek.

»Wat is er met den jongen?« vroeg de oude man.

»Meneer Bumble! Meneer Bumble!« riep Noah, met goedgespeelde ontroering en op zoo luiden, angstigen toon, dat deze niet alleen het oor van Mr. Bumble, die toevallig in de buurt was, bereikte, doch den man zóó deed ontstellen, dat hij den tuin inliep zonder zijn steek.--Dit buitengewone, opmerkelijke voorval toont aan, dat zelfs een bode, voortgedreven door een plotselingen, machtigen impuls, overvallen kan worden door een tijdelijk verlies van zelfbeheersching en het vergeten van zijn persoonlijke waardigheid.

»O meneer Bumble, o meneer!« zei Noah. »Oliver.... meneer.... Oliver is....«

»Wat? Wat?« viel Mr. Bumble in, met een glans van genoegen in zijn koude oogen. »Hij is toch niet weggeloopen, hij is toch niet weggeloopen, Noah?«

»Nee meneer, nee. Niet weggeloopen, maar hij is gek geworden,« antwoordde Noah. »Hij wou me vermoorden, meneer; en toen wou hij Charlotte vermoorden en toen de juffrouw. O, wat doet 't 'n pijn! Om van dood te gaan, meneer!«

Hier wrong en draaide Noah zijn lichaam in uitgezochte, aalachtige bewegingen, waarmee hij Mr. Bumble te verstaan wilde geven, dat hij uit Oliver's hevigen, ontzettenden aanval verschillende inwendige kneuzingen en verwondingen had behouden, die hem op dit oogenblik de verschrikkelijkste folteringen deden uitstaan.

Toen Noah zag, dat zijn mededeeling Mr. Bumble met stomheid sloeg, trachtte hij de uitwerking te versterken door nog tienmaal luider dan te voren te klagen over zijn verwondingen, en toen hij een heer met een wit vest over de plaats zag loopen, werden zijn klaagliederen droever dan ooit; hij begreep instinctmatig, dat het zeer doeltreffend zou zijn, de aandacht te trekken van genoemden heer en zijn verontwaardiging op te wekken.

De opmerkzaamheid van den heer met het witte vest was spoedig opgewekt, want hij had nog geen drie passen gedaan of hij keerde zich geërgerd om en vroeg waarom die jongen daar zoo stond te janken, en waarom Mr. Bumble hem niet iets toediende, dat zijn vrijwillige noodkreten in onvrijwillige zou veranderen.

»'t Is een arme jongen van de armenschool, meneer,« antwoordde Mr. Bumble, »die bijna vermoord is--heusch, meneer, bijna vermoord--door Oliver Twist.«

»Wel heb ik ooit!« riep de heer met het witte vest uit, terwijl hij staan bleef. »Dat heb ik wel gedacht! Ik had van 't begin af een duister voorgevoel, dat die onbeschaamde jonge woesteling nog eens aan de galg zou komen!«

»En hij heeft ook geprobeerd de dienstbode te vermoorden,« zei Mr. Bumble met aschgrauw gelaat.

»En zijn juffrouw,« viel Claypole in.

»En zijn baas ook; zei je dat niet, Noah?« vroeg Mr. Bumble.

»Nee, die is uit, anders zou hij hem vermoord hebben,« antwoordde Noah. »Hij zei dat hij 't zou doen.«

»Wat? Zei hij, dat hij 't doen zou?« vroeg de heer met het witte vest.

»Ja meneer,« antwoordde Noah. »En meneer, de juffrouw vraagt, of meneer Bumble dadelijk mee zou kunnen gaan om hem een pak slaag te geven. Want de baas is uit.«

»Zeker, beste jongen, zeker,« zei de heer met het witte vest; hij glimlachte genadig en streelde Noah over zijn hoofd, dat zoowat drie duim boven het zijne uitstak.

»Je bent een goede jongen, een heel goede jongen. Hier heb je een penny. Bumble, ga naar Sowerberry en neem je stok mee en kijk wat er gedaan kan worden. Ontzie hem niet, Bumble.«

»Dat zal ik zeker niet, meneer,« antwoordde de bode, en maakte het pikdraad los, dat om het ondereind van zijn stok was gewonden om bij openlijke strafoefeningen gebruikt te worden.

»Zeg aan Sowerberry, dat hij hem ook niet ontzien moet. Zonder ranselen maken ze nooit iets van hem,« zei de heer met het witte vest.

»Ik zal er voor zorgen, meneer,« antwoordde de bode.

Daar steek en wandelstok nu naar den zin van hun eigenaar waren uitgerust, begaven Mr. Bumble en Noah Claypole zich met allen spoed naar de werkplaats van den lijkbezorger.