Part 4
Kleine Oliver werd vóór »de heeren« gebracht, waar hem gezegd werd, dat hij nog dienzelfden avond als huisjongen bij een doodkistenmaker zou komen, en dat men hem, als hij ooit klaagde over zijn betrekking of ooit weer ten laste van de Gemeente kwam, naar zee zou zenden om verdronken te worden of doodgeranseld, al naar het uitkwam. Hij toonde zóó weinig ontroering, dat de heeren hem met algemeene stemmen een verstokten jongen rakker noemden en aan Mr. Bumble opdroegen, hem onmiddellijk weg te brengen.
Ofschoon het een heel natuurlijke zaak was, dat de Regenten van het armhuis groote, deugdzame verwondering en ontsteltenis toonden bij het minste teeken, dat bij anderen op gebrek aan gevoel duidde, vergisten zij zich in dit geval toch ten zeerste. Het geval was eenvoudig, dat Oliver, inplaats van te weinig, eer te veel gevoel had en hard op weg was, tengevolge van de slechte behandeling, die hij had ondergaan, voor zijn leven lang in een toestand van dierlijke verstomping en versuffing te vervallen. Hij hoorde het besluit over zijn lot in volkomen stilzwijgen aan. Toen zijn bagage hem in de hand gegeven werd--ze was niet heel moeielijk te torsen, daar alles begrepen was in een bruin papieren pakje van ongeveer een voet in 't vierkant en drie duim dik--trok hij zijn muts over zijn oogen en terwijl hij weer de mouw van Mr. Bumble vasthield, werd hij door dezen waardigheidsbekleder naar een nieuw lijdensoord gebracht.
Een tijdlang trok Mr. Bumble Oliver voort, zonder op hem te letten of zonder eenige opmerking te maken, want de bode droeg zijn hoofd altijd rechtop, zooals een gemeentebode behoort te doen. Daar het een winderige dag was, werd kleine Oliver gansch omwikkeld door Mr. Bumble's jaspanden, die bij het openwaaien tevens diens vest met lapellen en zijn grof fluweelen hozen op 't voordeeligst deden uitkomen.
Toen zij hunne bestemming naderden, vond Mr. Bumble het gepast, naar beneden te kijken en te onderzoeken, of de jongen er wel goed genoeg uitzag om voor zijn nieuwen meester te verschijnen. Zooals vanzelf spreekt, deed hij dit met de noodige en gepaste vertooning van vriendelijke bescherming.
»Oliver,« zei Mr. Bumble.
»Ja, meneer,« antwoordde Oliver met zachte, bevende stem.
»Zet je muts uit je oogen en houd je hoofd recht.«
Ofschoon Oliver terstond deed wat van hem verlangd werd en vlug met den bovenkant van zijn vrije hand over zijn oogen wreef, bleef er een traan in, toen hij naar zijn geleider opzag. Daar Mr. Bumble hem streng aankeek, rolde de traan langs zijn wang en werd door nòg een en nòg een gevolgd. Het kind trachtte zich te bedwingen, maar 't lukte niet. Hij trok zijn andere hand uit die van Mr. Bumble, bedekte zijn gezicht met beide handen en schreide tot de tranen langs zijn kin en tusschen zijn magere vingers door druppelden.
»Kom!« riep Mr. Bumble uit, terwijl hij plotseling bleef staan en zijn kleinen beschermeling een innig kwaadaardigen blik toewierp: »Komaan! Van alle ondankbare en slechte jongens, die ik ooit gekend heb, Oliver, ben jij de--«
»Nee, nee, meneer,« snikte Oliver, en klemde zich vast aan de hand, die den welbekenden wandelstok vasthield, »nee, nee meneer, heusch! Ik ben nog maar een kleine jongen, meneer, en ik ben zoo zoo--«
»Zoo wat?« vroeg Mr. Bumble verbaasd.
»Zoo alleen, meneer! Zoo verschrikkelijk alleen!« riep het kind. »Iedereen heeft een hekel aan me. Toe meneer, toe meneer, wees asjeblieft niet boos op me!« Het kind sloeg met de hand op zijn borst en keek zijn geleider aan met tranen van echte smart in de oogen.
Gedurende eenige seconden staarde Mr. Bumble met eenige verwondering naar Oliver's beklagenswaardig, hulpeloos gezichtje, kuchte twee of drie maal met schor geluid en na iets gemompeld te hebben over »die vervelende hoest,« beval hij Oliver, zijn oogen af te vegen en een flinke jongen te zijn. Toen nam hij hem weer bij de hand en liep zwijgend met hem voort.
De lijkbezorger, die juist de luiken voor zijn winkel had gedaan, maakte bij het licht van een ongelukkig stukje kaars eenige aanteekeningen in zijn boek, toen Mr. Bumble binnenkwam.
»Zoo!« zei de lijkbezorger, opkijkend van zijn boek, waar hij midden in een woord was blijven steken, »bent u daar mijnheer Bumble?«
»Niemand anders, Mr. Sowerberry,« antwoordde de bode. »Hier! Ik heb den jongen meegebracht.«
Oliver maakte een buiging.
»O, is dat de jongen?« zei de lijkbezorger, en tilde de kaars boven zijn hoofd om Oliver beter te kunnen bekijken. »Juffrouw Sowerberry! zou je zoo vriendelijk willen zijn even hier te komen?«
Juffrouw Sowerberry kwam te voorschijn uit een klein kamertje achter den winkel; ze was een klein, tenger, verschrompeld vrouwtje, met een vinnig gezicht.
»Vrouwlief,« zei Mr. Sowerberry eerbiedig, »hier is de jongen uit het armhuis, waar ik je van gesproken heb.«
Oliver boog opnieuw.
»Goeie hemel!« zei de vrouw van den lijkbezorger, »wat is hij klein!«
»Ja, hij is nogal klein,« antwoordde Mr. Bumble en keek Oliver aan alsof het _zijn_ schuld was, dat hij niet grooter was, »hij is klein. Ik kan 't niet tegenspreken. Maar hij zal wel groeien, juffrouw Sowerberry--hij zal wel groeien.«
»Dat zal hij zeker,« viel de dame norsch in, »van ons eten en drinken. Ik voor mij zie geen heil in kinderen uit het armhuis, want ze kosten altijd meer aan onderhoud dan ze waard zijn. Maar mannen denken altijd, dat ze alles beter weten. Hier! Ga naar beneden, klein scharminkel!« Met deze woorden deed de vrouw een zijdeur open en duwde Oliver een steil trapje af naar een vochtig, koud hok, dat het voorportaal naar het kolenhok vormde en met den naam van »keuken« bestempeld werd; hier zat een slonzige dienstbode met afgetrapte schoenen en blauw wollen kousen, waar geen stoppen meer aan was.
»Hier Charlotte,« zei juffrouw Sowerberry, die Oliver naar beneden gevolgd was, »geef die jongen wat van de koude kliekjes, die voor Trip bewaard waren. Nu hij den heelen dag niet thuis is gekomen, moet hij 't maar zonder doen. Ik denk, dat de jongen ze wel lusten zal.... zoo kieskeurig is hij niet--is 't wel jongen?«
Oliver, wiens oogen glinsterden toen er van eten gesproken werd, en die brandde van verlangen om er op aan te vallen, antwoordde ontkennend, waarop hem een bord met etensafval en kliekjes werd voorgezet.
Ik wou, dat een of andere wel-doorvoede filosoof, voor wien spijs en drank in gal verkeeren, wiens bloed van ijs is en wiens hart van ijzer, had kunnen zien, hoe Oliver Twist aanviel op het lekkere vleeschhapje, dat de hond versmaad had. Ik wou, dat hij had kunnen zien, met welke uitbundige gulzigheid, gevolg van zijn woesten honger, Oliver de brokken van elkaar trok. Er is maar één ding, dat ik nog liever wou, en dat is: den wijsgeer zelf zulk een maal met denzelfden eetlust te zien verorberen.
»Ben je klaar?« vroeg de vrouw, toen Oliver zijn avondeten op had--zij had hem waargenomen met stille ontsteltenis en met angstige vermoedens omtrent zijn toekomstigen eetlust.
Daar er niets eetbaars meer binnen zijn bereik was, antwoordde Oliver bevestigend.
»Ga dan maar mee,« zei juffrouw Sowerberry, terwijl zij een flauw brandend, smerig lampje in de hand nam en vooruitging naar boven; »je bed is onder de toonbank. 't Kan je zeker niet schelen, tusschen de doodkisten te slapen? Trouwens, 't doet er niet veel toe of het je schelen kan, want je kunt nergens anders slapen. Vooruit! ik heb geen zin hier den heelen nacht te blijven.«
Oliver aarzelde niet langer, maar volgde gedwee zijn nieuwe meesteres.
HOOFDSTUK V.
Oliver leert nieuwe levensgezellen kennen.--Hij gaat voor 't eerst naar een begrafenis en vat een ongunstige meening op omtrent het vak van zijn meester.
Toen Oliver alleen was gelaten in de werkplaats van den lijkbezorger, zette hij de lamp op één van de schaafbanken en keek schuw om zich heen met een gevoel van huivering en angst, dat zeker door heel wat oudere menschen dan hij ten volle begrepen zal worden. Een half afgemaakte doodkist, op een zwarte schraag, die midden in de werkplaats stond, zag er zoo somber en doodsch uit, dat hem een koude huivering bekroop, zoo dikwijls zijn oogen in de richting van dit vreeselijke ding dwaalden; telkens verwachtte hij, het hoofd van een of andere ontzettende gedaante er langzaam uit te voorschijn te zien komen, welke verwachting hem gek maakte van angst. Tegen den muur stonden, in slagorde geschaard, een lange rij houten planken, allen van denzelfden vorm; in het schemerige licht geleken zij spoken met opgetrokken schouders en de handen in de broekzakken. Op den vloer lagen metalen doodkist-plaatjes, houtspaanders, spijkers met dikke koppen en stukjes zwart laken verspreid en de muur achter de toonbank was versierd met de goedgelijkende voorstelling van twee aansprekers met stijve stropdassen om, op wacht in de deur van een voornaam huis, terwijl in de verte een lijkkoets, met vier paarden bespannen, naderde. De werkplaats was warm en benauwd en als doortrokken van de lucht, die de lijkkisten uitwademden. Het hoekje onder de toonbank, waar zijn kapok matras was gespreid, zag er uit als een graf.
Dit waren niet de eenige verdrietige gevoelens, waardoor Oliver gedrukt werd. Hij was alleen in een vreemd huis en wij weten allen, hoe verlaten en neerslachtig zelfs de moedigsten van ons zich onder zulke omstandigheden soms voelen. De jongen had geen vrienden, waar hij om gaf, of die om hem gaven. In zijn hart heerschte geen droefheid om een scheiding, nog versch in 't geheugen; geen gedachte aan het afzijn van een lief gelaat bezwaarde zijn borst. Maar toch was zijn hart beklemd, en toen hij in zijn smalle legerstêe kroop, wenschte hij, dat 't zijn doodkist ware en dat hij in een rustigen slaap voor altoos op het kerkhof zou worden gelegd, waar het hooge gras vriendelijk golfde boven zijn hoofd en de klank van de oude torenklok hem toezong in zijn slaap.
Den volgenden morgen werd Oliver gewekt doordat er hard tegen de buitendeur van de werkplaats werd geschopt; eer hij zijn kleeren aan kon schieten, werd het driftige, brutale geschop meer dan vijf en twintig maal herhaald. Terwijl hij de ketting van de deur deed, hielden de voeten op en liet een stem zich hooren.
»Doe je haast open?« schreeuwde de stem, die bij de beenen behoorde, die tegen de deur hadden geschopt.
»Dadelijk, meneer,« antwoordde Oliver, terwijl hij de ketting losmaakte en den sleutel omdraaide.
»Jij bent zeker de nieuwe jongen?« vroeg de stem door het sleutelgat.
»Ja, meneer,« antwoordde Oliver.
»Hoe oud ben je?« vroeg de stem verder.
»Tien, meneer,« antwoordde Oliver.
»Dan krijg je een pak slaag als ik binnen ben,« zei de stem, »dat zal je eens zien, rekel uit het armhuis!«
Toen ze deze aangename belofte had gedaan, begon de stem te fluiten.
Oliver had te dikwijls de kunstbewerking ondergaan, waarop de bovengenoemde woorden doelden, om niet overtuigd te zijn, dat de eigenaar van de stem, wie hij ook zijn mocht, zijn belofte op de meest eervolle wijze zou vervullen. Met bevende hand schoof hij de grendels terug en deed de deur open.
Gedurende een paar seconden keek Oliver aan weerskanten de straat langs en naar den overkant; hij meende, dat de onbekende, die hem door het sleutelgat had toegesproken, een eindje op was geloopen om zich te warmen, want hij zag niemand als een dikke jongen, die op een paaltje vóór het huis een boterham zat te eten; met een knipmes sneed hij er stukken af zoo groot als zijn mond en at die dan vlug op.
»Neem me niet kwalijk, meneer,« zei Oliver eindelijk, toen hij geen anderen bezoeker zag verschijnen, »hebt u geklopt?«
»Ik heb geschopt,« antwoordde de jongen.
»Hebt u een doodkist noodig?« vroeg Oliver onschuldig.
Hierop keek de jongen woest-nijdig en zei, dat Oliver er zelf wel gauw een noodig zou hebben, als hij op die manier zijn meerderen voor den gek hield.
»Jij weet zeker niet wie ik ben, weesjongen?« ging hij voort, terwijl hij met voorbeeldige waardigheid van het paaltje af kwam.
»Nee, meneer,« stemde Oliver toe.
»Ik ben meneer Noah Claypole,« zei de jongen, »en jij staat onder mij. Neem de luiken af, luie rekel!«
Met deze woorden gaf meneer Claypole Oliver een schop en stapte den winkel binnen met een deftigheid, die hem werkelijk als verdienste aangerekend kon worden. Voor een lummelige jongen met een groot hoofd, een dom gezicht en kleine oogjes, is het onder alle omstandigheden een kunst er deftig uit te zien, maar 't is nog grooter kunst, wanneer deze persoonlijke aantrekkelijkheden vermeerderd worden door een rooden neus en gele pokvlekken.
Oliver had de luiken afgenomen en bij zijn pogingen om het eerste zware luik naar een binnenplaatsje naast het huis te sjouwen, waar zij overdag bewaard werden, een ruit gebroken; verder werd hij vriendelijk geholpen door Noah, die, na hem getroost te hebben met de verzekering, dat hij »er van langs zou krijgen,« zich wel verwaardigde hem bij te staan.
Spoedig daarop kwam Mr. Sowerberry beneden. Een oogenblik later verscheen juffrouw Sowerberry en nadat Noah's voorspelling, dat Oliver »er van langs zou krijgen« in vervulling was gegaan, volgde deze het bedoelde jongmensch naar beneden om te ontbijten.
»Kom bij 't vuur zitten, Noah,« zei Charlotte, »ik heb een lekker stukje spek van 't ontbijt van den baas voor je achter gehouden. Oliver, doe de deur dicht achter meneer Noah en eet op, wat ik voor je op die pannedeksel heb gelegd. Hier is je thee, drink die op op die kist daar en haast je wat, want ze hebben je boven noodig om op de winkel te letten.«
»Hoor je, weesjongen?« zei Noah Claypole.
»Hè, Noah,« zei Charlotte, »wat ben jij een ondeugd! Waarom laat je die jongen niet met rust?«
»Met rust laten!« zei Noah, »nou, wat dat betreft, ze laten 'm genoeg met rust. Z'n vader of z'n moeder zullen 't 'm nooit moeielijk maken. En z'n familie laat 'm net doen wat-ie wil. Nou Charlotte? Ha! ha! ha!«
»Gekke vent!« zei Charlotte en barstte in een hartelijken lach uit, waarmee Noah instemde; daarna keken zij beiden minachtend naar Oliver Twist, die rillend op de kist zat in het koudste hoekje van de kamer en zich te goed deed aan de overgeschoten brokken, met opzet voor hem bij elkaar gezocht.
Noah was wel door de liefdadigheid opgevoed, maar geen weesjongen uit het armhuis. Hij was geen vondeling, want hij kon zijn geslachtslijst tot aan zijne ouders nagaan. Zij woonden in de buurt; zijn moeder was waschvrouw en zijn vader een dronken soldaat, die uit den dienst ontslagen was met een houten been en een pensioen van twee en een halve penny per dag plus een toeslag, zóó klein, dat ik er geen naam voor weet. De leerjongens uit de buurt plachten langen tijd Noah op straat te brandmerken met de smadelijke namen van »Leerbroek!« »Bedeelde!« en dergelijke, en Noah verdroeg ze zonder tegenspraak. Maar nu het lot hem in aanraking bracht met een weesjongen zonder naam, dien de minste met den vinger kon nawijzen, nu droeg hij de ondergane vernedering met woekerwinst op deze over. Hierin ligt prachtige stof voor overdenking. Het toont aan, wat een mooi ding de menschelijke natuur kan worden en hoe onpartijdig dezelfde beminnelijke eigenschappen zich vertoonen in den voornaamsten edelman en den vuilsten straatjongen.
Oliver was ongeveer drie weken of een maand bij den lijkbezorger. De winkel was gesloten--meneer en juffrouw Sowerberry zaten in de kleine achterkamer aan het avondeten, toen de baas, na eenige schuchtere blikken in de richting van zijn vrouw gezonden te hebben, begon:
»Vrouwtje«--Hij wou meer zeggen, doch daar juffrouw Sowerberry met een bijzonder weinig toeschietelijk gezicht opkeek, bleef hij steken.
»Nou?« vroeg juffrouw Sowerberry scherp.
»Niets, vrouwtje, niets,« zei Sowerberry.
»Je bent 'n lomperd!« zei juffrouw Sowerberry.
»Toch niet vrouwtje,« zei Sowerberry nederig. »Ik dacht, dat je 't liever niet zou hooren. Ik wou alleen maar zeggen--«
»O, begin maar niet over wat je zeggen wou,« viel juffrouw Sowerberry in. »Ik tel niet mee; je hoeft mij nergens in te halen. Ik wil me niet in je geheimen dringen.«
Terwijl juffrouw Sowerberry dit zeide, liet zij een hysterisch lachje hooren, dat op verschrikkelijke gevolgen wees.
»Maar vrouwtje,« zei Mr. Sowerberry, »ik wou juist je raad vragen.«
»Nee, nee, laat dat maar,« antwoordde juffrouw Sowerberry met een gemaakte stem; »vraag aan iemand anders raad.«
Hier volgde een tweede hysterische lachuitbarsting, die Mr. Sowerberry ten zeerste verontrustte. Dit is bij de vrouwen een zeer algemeene en zeer gewaardeerde manier van handelen, die zelden haar uitwerking mist. Mr. Sowerberry werd er plotseling door genoopt als een speciale gunst te verzoeken, aan juffrouw Sowerberry datgene te mogen vertellen, waarnaar zij brandde van nieuwsgierigheid. Na een korte woordenwisseling van zoowat drie kwartier werd het verlof op de meest welwillende wijze verleend.
»'t Is maar over Twist, vrouwtje,« zei Mr. Sowerberry. »Hij ziet er heel goed uit.«
»Geen wonder, want hij eet genoeg,« merkte de vrouw des huizes op.
»Zijn gezicht heeft een merkwaardige uitdrukking van melancholie, vrouwtje,« hernam Mr. Sowerberry, »Hij zou prachtig zijn voor doodbidder, schat.«
Juffrouw Sowerberry keek op met een uitdrukking van groote verwondering. Sowerberry merkte 't op en zonder zijn vrouw tijd te laten, een opmerking te maken, ging hij voort:
»Ik bedoel niet een gewone doodbidder, om dienst te doen bij groote menschen, maar alleen bij kinderen. 't Zou iets heel nieuws zijn, vrouwtje, een doodbidder te hebben in evenredigheid met het lijk. Je kan der van op an, 't zou opgang maken.«
Juffrouw Sowerberry, die veel oog had voor het lijkbezorgers-vak, was zeer getroffen door het nieuwe van dit denkbeeld, doch daar het in de gegeven omstandigheden beneden haar waardigheid zou zijn, dit te erkennen, vroeg zij alleen op scherpen toon, waarom zulk een voor de hand liggend idee niet eerder in het hoofd van haar man was opgekomen. Mr. Sowerberry nam dit niet ten onrechte op als instemming met zijn voorstel; daarom werd er terstond toe besloten, dat Oliver onmiddellijk in de geheimen van het vak zou ingewijd worden en dat hij tot dit doel zijn meester zou vergezellen bij de eerste de beste gelegenheid, dat zijn diensten gevraagd werden.
Die gelegenheid liet niet lang op zich wachten. Den volgenden morgen, een half uur na het ontbijt, kwam Mr. Bumble de werkplaats binnen; hij zette zijn wandelstok tegen de toonbank en haalde zijn groote, leeren zakportefeuille te voorschijn; hier nam hij een reepje papier uit en stelde het Sowerberry ter hand.
»Aha!« zeide de lijkbezorger, terwijl hij het met een vroolijk gezicht doorlas »een bestelling voor een doodkist, zie ik.«
»Ten eerste voor een doodkist en dan voor een begrafenis van de Gemeente,« antwoordde Mr. Bumble, terwijl hij den riem van de portefeuille, die evenals hij zelf zeer zwaarlijvig was, toegespte.
»Bayton,« zei de lijkbezorger, terwijl hij van het reepje papier naar Mr. Bumble keek, »die naam heb ik nooit gehoord.«
Bumble schudde het hoofd en hernam: »Koppige lui meneer Sowerberry, heel koppig. En trotsch er bij, vrees ik.«
»Trotsch? wat u zegt!« riep Sowerberry uit met een grijns. »Nee maar, dat is te veel.«
»O, 't is om misselijk van te worden,« antwoordde de bode. »Je zou er je gal bij uitspuwen, meneer Sowerberry!«
»Zeg u dat wel,« stemde de lijkbezorger toe.
»We hebben eergisterenavond pas van dat gezin gehoord,« zei de bode, »en we zouden nog niets van ze geweten hebben, maar een vrouw, die in hetzelfde huis woont, vroeg aan het armbestuur om den armendokter te sturen bij een vrouw, die erg slecht lag. De dokter was uit eten, maar zijn leerling (een heele knappe jongen) stuurde dadelijk een drankje in een schoensmeerfleschje.«
»Nou, dat noem ik een vlugge bediening,« zei de lijkbezorger.
»Ja, vlug was 't wel!« hernam de bode. »Maar wat is het gevolg? wat doet dat ondankbare gespuis? De man stuurt een boodschap terug, dat het drankje niet was wat zijn vrouw noodig heeft en dat zij het dus niet in zou nemen--ze zou het niet innemen, mijnheer! Een lekker, krachtig, gezond drankje, dat nog geen week geleden met het beste gevolg werd ingenomen door twee Iersche werklui en een kolendrager--ze kregen 't ook voor niets in een schoensmeerfleschje--en hij stuurt de boodschap, dat zij 't niet in zal nemen!«
Terwijl de onbeschaamdheid zich voor Mr. Bumble's verbeelding in volle kracht vertoonde, sloeg hij hard met zijn stok tegen de toonbank en werd vuurrood van verontwaardiging.
»Nee,« zei de lijkbezorger, »zoo iets heb ik nog nooit gehoord.«
»Nooit, meneer!« riep de bode uit. »Niemand heeft zoo iets ooit gedaan; maar nou is ze dood en we hebben haar te begraven gekregen; hier is het briefje, en hoe eer het gebeurt, hoe beter.«
Dit zeggende zette Mr. Bumble in hevige opgewondenheid zijn steek achterste voren op zijn hoofd en stoof de werkplaats uit.
»Kijk, hij was zoo kwaad, Oliver, dat hij heelemaal vergat naar jou te vragen,« zei Sowerberry, terwijl hij den bode nakeek, die de straat uitstapte.
»Ja, meneer,« zei Oliver, die gedurende het gesprek zorgvuldig uit het gezicht was gebleven; hij beefde van het hoofd tot de voeten, wanneer hij maar aan het geluid van Mr. Bumble's stem dacht. Hij had echter niet voor Mr. Bumble's oogen behoeven weg te kruipen, want die waardige beambte, op wien de voorspelling van den heer met het witte vest grooten indruk had gemaakt, dacht het, nu de lijkbezorger Oliver op proef had, maar 't best, dit onderwerp te vermijden, totdat de jongen voor zeven jaar vast verbonden en alle gevaar, dat hij ooit weer ten laste van de Gemeente zou komen, van de baan was.
»Kom,« zei Sowerberry, terwijl hij zijn hoed nam, »hoe eer dat karweitje gedaan is, hoe beter. Noah, let op de winkel. Oliver, zet je muts op en ga mee.«
Oliver gehoorzaamde en volgde zijn baas op zijn ambtelijken tocht. Ze liepen een tijdlang voort, door het drukste en dichtst bewoonde deel van de stad; eindelijk sloegen zij een steegje in, vuiler en armoediger dan zij nog doorgegaan waren en stonden stil om het huis te zoeken, dat het doel was van hun tocht. De huizen aan beide kanten waren hoog en groot, maar heel oud en bewoond door menschen uit de armste volksklasse; dit bleek reeds uit den verwaarloosden toestand, waarin die huizen verkeerden, zonder dat hier de getuigenis aan toegevoegd behoefde te worden, uitgesproken door het verslonste uiterlijk van de enkele mannen en vrouwen, die met over elkaar geslagen armen en gebogen lichamen voorbijslopen. Verscheidene van de gebouwen waren winkelhuizen, doch de winkels waren gesloten en in verval; alleen de bovenkamers werden bewoond. Sommige huizen, die in elkaar dreigden te vallen door ouderdom en verwaarloozing, werden gestut door groote houten palen, waarvan het ééne eind tegen den muur en het andere stevig in de straat geplant was; doch zelfs deze bouwvallige holen schenen eenige ellendige dakloozen tot nachtverblijf te dienen, want verscheidene van de ruwe planken, die deuren en ramen vervingen, waren van hun plaats getrokken, om een opening vrij te laten, wijd genoeg om doorgang te gunnen aan een menschelijk lichaam. De goot was verstopt en smerig. Zelfs de ratten, die er hier en daar in lagen, schenen te verhongeren.