Part 37
»Juist omdat ik uw vader's oudste vriend was, omdat de wenschen en verlangens van jonge gelukkige jaren aan zijn herinnering zijn verbonden en aan dat liefelijke wezentje, zijn vleesch en bloed, die in haar jeugd door God werd opgeroepen en mij alleen achterliet als een eenzame; juist omdat hij als jongen met mij samen neerknielde bij het sterfbed van zijn eenige zuster op den morgen, die--doch de Hemel beschikte het anders--haar tot mijn jonge vrouw zou gemaakt hebben; omdat mijn verdorde hart zich van dien tijd af tot aan zijn dood aan hem verbonden voelde door al zijn beproevingen en dwalingen heen; omdat oude herinneringen en ontroeringen mijn hart vervulden en zelfs, als ik u aanzie, oude gedachten aan hem in mij opkomen; om al deze dingen ben ik ertoe geneigd, u zacht te behandelen--ja, Edward Leeford, zelfs _nu_--en ik bloos, omdat u zóó onwaardig bent, dien naam te dragen.«
»Wat heeft mijn naam daarmee te maken?« vroeg de ander, die in zwijgende verbazing de ontroering van den ouden heer had gadegeslagen. »Wat beteekent die naam voor mij?«
»Niets,« antwoordde Mr. Brownlow--»niets voor u. Maar het was _haar_ naam en zelfs nu, na dezen langen tijd, komen in mij, ouden man, de gloed en de trilling terug, die ik eenmaal voelde, wanneer die naam maar door een vreemde genoemd werd. Ik ben heel blij, dat u een anderen naam hebt aangenomen--heel, heel blij.«
»Dat is allemaal mooi en wel,« zeide Monks, (dien wij bij zijn aangenomen naam zullen blijven noemen) na een lange stilte, gedurende welke hij in nijdige koppigheid heen en weer had zitten schuifelen, terwijl de heer Brownlow de hand voor zijn gezicht hield. »Maar wat wilt u eigenlijk van mij?«
»U hebt een broer,« zeide Mr. Brownlow, weer gekalmeerd, »toen ik den naam van dien broer in uw oor fluisterde, terwijl ik achter u liep op straat, was dit bijna genoeg om u er toe te brengen, mij verwonderd en ongerust te volgen.«
»Ik heb geen broer,« antwoordde Monks. »U weet, dat ik eenig kind was. Waarom praat u van broers? Dat weet u evengoed als ik.«
»Luister naar wat ik weet en u misschien niet,« zei de heer Brownlow. »Langzamerhand zult u er wel belang in gaan stellen. Ik weet dat u de eenige onnatuurlijke spruit bent uit het ongelukkige huwelijk, waartoe uw ongelukkige vader, toen hij nauwelijks meer dan een jongen was, gedwongen werd door familietrots en door de meest bekrompen en gierige eerzucht.«
»U kunt die harde benamingen wel achterwege laten,« viel Monks met een smadelijken lach in. »U kent het feit en dat is mij genoeg.«
»Maar ik ken ook,« ging de oude heer voort, »de ellende, de langzame foltering, de voortdurende angst van die ongelukkige verbintenis. Ik weet, hoe onverschillig en moe dat ongelukkige paar den zwaren keten meesleepte, terwijl de wereld voor hen als vergiftigd was. Ik weet, hoe koude vormelijkheid gevolgd werd door openlijke verwijten, hoe onverschilligheid veranderde in weerzin, weerzin in haat en haat in walging, totdat zij eindelijk den drukkenden keten verbraken, ver van elkaar weggingen, ieder een deel van den keten torsend, waarvan alleen de dood de schakels kon verbreken en die zij in een nieuwen kring onder een vroolijk uiterlijk trachtten te verbergen. Uw moeder slaagde er in, zij vergat spoedig. Maar het knaagde en vrat jarenlang aan uw vaders hart.«
»Nou ja, ze waren gescheiden,« zei Monks, »en wat verder?«
»Toen zij eenigen tijd gescheiden waren,« hernam de heer Brownlow, »en uw moeder, die geheel opging in de vermaken van het vasteland, voor 't uiterlijk den tien jaar jongeren echtgenoot had vergeten, ontmoette hij, die, nu al zijn verwachtingen teleurgesteld waren, in zijn ouderlijk huis verbleef, nieuwe vrienden. _Deze_ omstandigheid is u ten minste bekend.«
»Ik weet er niets van,« zei Monks, terwijl hij zijn oogen afwendde en met zijn voet op den grond stampte, als een man, die besloten is, alles te ontkennen. »Niets.«
»Uw houding en niet minder wat u gedaan heeft, geeft mij de overtuiging, dat u het nooit hebt vergeten en nooit hebt opgehouden er met bitterheid aan te denken,« antwoordde de heer Brownlow. »Ik spreek van vijftien jaar geleden, toen u niet ouder was dan elf jaar en uw vader pas één en dertig--want hij was, dat herhaal ik, nog een jongen, toen _zijn_ vader hem beval te trouwen. Moet ik gebeurtenissen ophalen, die een schaduw werpen op de nagedachtenis van uw vader, of wilt u dat voorkomen en mij de waarheid onthullen?«
»Ik heb niets te onthullen,« wierp Monks tegen. »Praat u maar door, als u er lust in hebt.«
»Die nieuwe vrienden dan,« zei de heer Brownlow, »was het gezin van een zeeofficier, die zich uit den actieven dienst had teruggetrokken; zijn vrouw was een jaar te voren gestorven en liet hem twee kinderen na--er waren er meer geweest, maar van het geheele gezin waren er gelukkig maar twee in leven gebleven. Beiden waren dochters; de ééne was een mooi meisje van negentien jaar, de andere een kind van twee of drie jaar.«
»Wat gaat mij dat aan?« vroeg Monks.
»Zij woonden,« ging de heer Brownlow voort, schijnbaar zonder de opmerking te hooren, »ergens buiten, waar ook uw vader op één van zijn zwerftochten was gekomen en zich had gevestigd. Kennismaking, vertrouwelijke omgang, vriendschap, volgden elkaar ras op. Uw vader was begaafd als weinig menschen. Hij geleek innerlijk en uiterlijk op zijn zuster. Toen de oude officier hem beter leerde kennen, begon hij van hem te houden. Ik wenschte, dat het daarbij gebleven was. Zijn dochter--kreeg ook uw vader lief.«
De oude heer zweeg; Monks beet zich met neergeslagen oogen op de lippen; toen hij dit zag, ging de oude heer dadelijk voort:
»Na een jaar was hij verbonden, plechtig verbonden aan die dochter en was hij het voorwerp van de eerste, trouwe, vurige, eenige hartstocht van een onervaren meisje.«
»Uw verhaal is vrij lang,« merkte Monks op, terwijl hij onrustig op zijn stoel heen en weer schoof.
»Het is een waar verhaal van droefenis, beproevingen en leed, jonge man,« hernam de heer Brownlow, »en zulke verhalen zijn gewoonlijk lang; als het vertellen kon van onvermengde vreugde en geluk, zou het heel kort zijn. Ten laatste stierf één der rijke bloedverwanten, aan wiens belang en positie uw vader was opgeofferd, zooals zoo dikwijls gebeurt,--het is niets bijzonders. Om de ellende, die hij mede veroorzaakt had, goed te maken, liet hij aan uw vader _zijn_ heilmiddel voor alle kwalen na--_geld_. Het was noodzakelijk dat uw vader onmiddellijk naar Rome reisde, waar die bloedverwant voor zijn gezondheid heen was gegaan, en waar hij bij zijn sterven zijn zaken in groote verwarring had achtergelaten. Uw vader ging, werd daar overvallen door een doodelijke ziekte en werd op het oogenblik toen het bericht te Parijs aankwam, nagereisd door uw moeder, die u meenam; den dag na haar aankomst stierf hij zonder testament na te laten--zonder testament--zoodat de geheele bezitting aan haar en u ten deel viel.«
Bij dit gedeelte van het verhaal, hield Monks den adem in en luisterde met een uitdrukking van gespannen aandacht op zijn gezicht, ofschoon zijn oogen niet op den spreker waren gericht. Toen de heer Brownlow een oogenblik zweeg, veranderde hij van houding op de wijze van iemand, die zich plotseling verlicht voelt en veegde zijn gezicht en handen af.
»Eer hij naar het vasteland overstak en toen hij op zijn weg daarheen door Londen kwam,« zeide de heer Brownlow langzaam, met zijn oogen op het gezicht van den ander gericht, »kwam hij bij mij.«
»Daar heb ik nooit van gehoord,« viel Monks in, op een toon, die ongeloovig moest schijnen, doch waarin meer een onaangename verrastheid doorklonk.
»Hij kwam bij mij en liet met andere dingen, een schilderij achter--een portret, dat hijzelf had geschilderd--het portret van dat arme meisje--hij wilde 't niet in zijn eigen woning laten en kon het ook niet meenemen op zijn overhaaste reis. Hij was vol zelfverwijt, elke schaduw bijna joeg hem angst aan, hij sprak in wilde onsamenhangende woorden van ondergang en oneer, die hij over anderen had gebracht, en vertrouwde mij zijn voornemen toe, zijn geheele bezitting in elk geval te gelde te maken en na op zijn vrouw en u een deel van zijn nieuwverworven bezit vastgezet te hebben, het land uit te gaan--ik begreep maar al te wel, dat hij niet alleen zou gaan--en er nooit meer terug te keeren. Zelfs voor mij, zijn ouden jeugdvriend, wiens vriendschap wortelde in den grond, waarin iemand rustte, die ons beiden zoo dierbaar was geweest, zelfs mij nam hij niet in vertrouwen; hij beloofde mij alles te zullen schrijven en mij dan nog eenmaal weer te zullen zien, voor de laatste maal op aarde. Helaas! _Dit_ was de laatste maal. Ik kreeg geen brief en zag hem nooit meer.
»Toen alles voorbij was,« vervolgde de heer Brownlow na een oogenblik, »toen alles voorbij was, ging ik naar de plek van zijn--ik zal de uitdrukking gebruiken, die de wereld zeker zou gebruiken, want hij is toch buiten het bereik van de goed- of afkeuring dier wereld--zijn schuldige liefde, vastbesloten, dat, als mijn vrees bewaarheid werd, dat arme dwalende kind een huis en een hart zou vinden om haar te beschermen en te troosten. De familie was de week te voren vertrokken; zij hadden de kleine schulden in het dorp betaald en waren 's nachts heengegaan. Waarom of waarheen, kon niemand zeggen.«
Monks haalde steeds vrijer adem en keek met een triomfantelijken glimlach rond.
»Toen uw broertje«--zei de heer Brownlow, zijn stoel dichter bij dien van Monks schuivend--»toen uw broertje, een zwak, arm, verwaarloosd kind--door een hoogere macht dan het toeval op mijn weg gevoerd werd, en door mij behoed werd voor een leven van schande en misdaad--«
»Wat?« riep Monks.
»Door mij,« zei de heer Brownlow, »ik heb u immers gezegd, dat u belang zoudt gaan stellen in mijn verhaal. Door mij, zeg ik nog eens--ik zie, dat uw sluwe helper mijn naam verzwegen heeft, ofschoon die, voor zoover hij weet, u geheel vreemd in de ooren moet klinken. Toen hij dan door mij opgenomen was en in mijn huis herstelde van een ziekte, werd ik getroffen door de sprekende gelijkenis tusschen hem en het portret, waarvan ik u gesproken heb. Zelfs toen ik hem voor 't eerst zag, vuil en ellendig als hij was, lag er op zijn gezicht dikwijls een uitdrukking, die mijn aandacht trok zooals 't gezicht van een oud vriend ons soms in een flits verschijnt in een levendigen droom. Ik behoef u niet te vertellen, dat hij opgelicht werd eer ik zijn geschiedenis wist....«
»Waarom niet?« vroeg Monks haastig.
»Omdat u dat al weet.«
»Ik?«
»Het is vergeefs, dit te ontkennen,« hernam de heer Brownlow, »ik zal u laten zien, dat ik nog meer weet.«
»U--u--hebt geen bewijzen tegen mij,« stamelde Monks. »Ik tart u om ze bij te brengen.«
»We zullen zien,« antwoordde de oude heer, met een onderzoekenden blik. »Ik verloor den jongen en welke pogingen ik ook aanwendde, hij werd niet gevonden. Daar uw moeder gestorven was, begreep ik, dat u de eenige was, die het geheim zou kunnen ontsluieren en daar u, toen ik 't laatst van u hoorde, op uw eigen bezitting in West-Indië verblijf hield,--waarheen u, zooals u weet, bij uw moeders dood uitweek om de gevolgen van uw slechte leven hier te ontgaan--deed ik de reis daarheen. U was al maanden te voren vandaar vertrokken en men dacht u in Londen, maar niemand kon zeggen _waar_. Ik ging terug. Uw zaakwaarnemers waren niet op de hoogte van uw verblijfplaats. U kwam en ging, zeiden zij, even vreemd als u altijd gedaan had; soms zagen zij u eenige dagen achter elkaar, soms in maanden niet; naar alle waarschijnlijkheid leidde u hetzelfde slechte leven met dezelfde schandelijke menschen, waarmee u zich reeds had opgehouden toen u nog een wilde, ontembare jongen was. Ik viel hen steeds opnieuw met aanvragen lastig. Ik doorkruiste dag en nacht de straten, maar tot twee uur geleden bleven al mijn pogingen tevergeefs en ik kreeg niets van u te zien.«
»En nu u mij ziet,« zeide Monks, terwijl hij met een driest gebaar opstond, »wat nu? Oplichting en berooving--'t klinkt heel erg, en dat wilt u rechtvaardigen omdat u u verbeeldt gelijkenis te ontdekken tusschen een of anderen snotjongen en een kladschilderij van een gestorven man. Broeder! U weet niet eens, of er een kind bestaat van dat mooie paar; dat weet u niet eens.«
»Ik _wist_ 't niet,« hernam de heer Brownlow, terwijl hij ook opstond, »maar in de laatste veertien dagen heb ik alles gehoord. U heeft een broer; u weet 't en u kent hem. Er was een testament, dat uw moeder vernietigd heeft; dit geheim en de winst ervan vertrouwde ze u toe op haar eigen sterfbed. Het testament hield een aanduiding in, dat er waarschijnlijk een kind uit deze droeve verbintenis geboren zou worden; het kind werd geboren en u ontmoette het toevallig, waarbij uw argwaan werd opgewekt door zijn gelijkenis met uw vader. U ging naar zijn geboorteplaats. Er bestonden bewijzen--bewijzen, die lang verborgen waren gehouden--van zijn geboorte en de namen zijner bloedverwanten. Deze bewijzen werden vernietigd door u en om uw eigen woorden aan uw medeplichtige, den Jood, te herhalen: »_de eenige bewijzen voor de identiteit van den jongen liggen op den bodem der rivier en de oude heks, die ze van de moeder gekregen heeft, ligt te rotten in haar kist_.« Onwaardige zoon, lafaard, leugenaar--jij, die 's nachts in donkere holen samenkomt met dieven en moordenaars, jij, wiens schanddaden een gewelddadigen dood gebracht hebben over het hoofd van iemand, die millioen maal zooveel waard is als jij--jij, die van de wieg af niets dan bitterheid bracht in je vaders hart en in wien alle slechte hartstochten, ondeugden en verdorvenheden voortwoekerden, totdat zij een uitweg vonden in een afschuwelijke ziekte, die je gezicht tot den spiegel van je ziel heeft gemaakt--jij, Edward Leeford, durf je mij nog te trotseeren?«
»Neen, neen, neen!« antwoordde de lafaard, verslagen door dezen vloed van beschuldigingen.
»Elk woord!« riep de oude heer uit--»elk woord, dat tusschen jou en dien schurk is gesproken, weet ik. Schaduwen op den muur hebben je gefluister opgevangen en 't mij overgebracht; het bijzijn van het vervolgde kind zelf heeft de ondeugd op zijn weg tegengehouden en er den moed van de deugd aan verleend. Er is een moord gepleegd, waarin je moreel of daadwerkelijk betrokken bent.«
»Neen, neen,« viel Monks in. »Ik--ik--daar weet ik niets van; ik wou juist gaan hooren, wat er van waar was, toen u mij overviel. Ik wist niets van de zaak af. Ik dacht, dat het een gewone twist was.«
»Het was de onthulling van uw geheim,« vulde de heer Brownlow aan. »Wilt u mij nu het geheele geheim onthullen?«
»Ja.«
»Uw hand zetten onder een schriftelijke getuigenis van de waarheid en ze in 't bijzijn van getuigen herhalen?«
»Dat beloof ik.«
»Wilt u rustig hier blijven tot zulk een document is opgemaakt en met mij naar de plaats gaan, die ik het meest geschikt acht om het te onderteekenen?«
»Als u er op staat, zal ik dat ook doen,« antwoordde Monks.
»U moet nog meer doen. Schadevergoeding geven aan een onschuldig en braaf kind, want dat is hij, al is hij de spruit van een schuldige en ongelukkige liefde. U heeft de voorwaarden van het testament niet vergeten. Voer ze uit in zoover zij uw broertje betreffen en ga dan waarheen het u goeddunkt. In deze wereld zult u hem niet meer ontmoeten.«
Terwijl Monks op en neer liep en met somberen, nijdigen blik dezen eisch bepeinsde en de mogelijkheid om er aan te ontkomen, aan den éénen kant getrokken door zijn angst en aan den anderen door zijn haat, werd de deur haastig opengeworpen en een heer (Mr. Losberne) kwam in vreeselijke opgewondenheid de kamer binnenstuiven.
»De man wordt gearresteerd!« riep hij. »Vanavond wordt hij gearresteerd!«
»De moordenaar?« vroeg de heer Brownlow.
»Ja, ja! Ze hebben zijn hond om een of ander oud krot zien dwalen en 't schijnt wel zoo goed als zeker, dat de baas daar binnen is of er, als 't donker is, komen zal. In alle richtingen zijn speurders aan 't zoeken. Ik heb de mannen gesproken, die hem gevangen moeten nemen en ze zeggen, dat hij onmogelijk ontsnappen kan. Het stadsbestuur heeft vanavond een belooning van honderd pond voor zijn gevangenneming uitgeloofd.«
»Ik geef er nog vijftig bij,« zeide Mr. Brownlow, »dat zal ik met mijn eigen mond bevestigen, als ik er bij kan zijn. Waar is mijnheer Maylie?«
»Harry? Zoodra hij gezien had, dat uw vriend hier veilig en wel met u in een rijtuig zat, ging hij naar de plaats, waar hij dit laatste bericht heeft gehoord,« antwoordde de dokter, »hij is te paard gestegen en weggehold om zich op een afgesproken plaats in een der voorsteden bij de eerste afdeeling van de vervolgers aan te sluiten.«
»En Fagin?« vroeg de heer Brownlow, »hoe is 't met hem?«
»Volgens de laatste berichten was hij nog niet gearresteerd, maar dit zal gauw genoeg gebeuren of 't is al zoover. Van hem zijn ze zeker.«
»Bent u besloten?« vroeg de heer Brownlow met zachte stem aan Monks.
»Ja,« antwoordde hij. »Zult u--mijn--mijn geheim bewaren?«
»Dat zal ik. Blijf hier tot ik terugkom. 't Is uw eenige hoop op veiligheid.«
Zij gingen de kamer uit en de deur werd opnieuw gesloten.
»Wat heeft u gedaan?« vroeg de dokter fluisterend.
»Alles wat ik gehoopt had te doen en meer zelfs. Door het verhaal van het arme meisje te verbinden met wat ik zelf wist en met wat onze goede vriend ter plaatse te weten was gekomen, liet ik hem geen gaatje over om te ontsnappen en legde de geheele schurkenstreek bloot; 't werd mij alles zoo klaar als de dag. We moesten overmorgenavond om zeven uur vaststellen voor onze samenkomst. Wij komen er eenige uren eerder aan, maar moeten eerst wat uitrusten; vooral Rose, die _misschien_ meer kracht noodig zal hebben dan u of ik nu nog kunnen voorzien. Maar mijn bloed kookt van verlangen om dat arme vermoorde schepsel te wreken. Welken kant zijn zij uitgegaan?«
»Rijd rechtdoor naar het politiebureau, dan komt u nog net bijtijds,« antwoordde dokter Losberne. »Ik blijf hier.«
De heeren namen haastig afscheid van elkaar; beiden verkeerden in koortsachtige opwinding.
HOOFDSTUK L.
Vervolging en ontsnapping.
Aan dat deel van de Theems, dat in de buurt van de kerk van Rotherhithe ligt, waar de gebouwen aan de oevers het vuilst zijn en de schepen op de rivier het zwartst door het stof van de kolenschepen en den rook van de dicht op elkaar gebouwde lage huizen, ligt de smerigste, de zonderlingste, de vreemdste warwinkel van gebouwen die Londen bergt, en die de groote massa der bewoners van de groote stad zelfs niet bij naam kent.
Om hier te komen moet de bezoeker een warnet van enge, nauwe, vuile steegjes doorgaan, waar de ruwsten en armsten der oeverbewoners bij elkaar hokken en hun armoedige zaakjes drijven. In de winkeltjes liggen de goedkoopste en onsmakelijkste eetwaren opgehoopt; de grofste en gemeenste kleedingstukken bengelen aan de deur en ramen en kozijnen der uitdragers. Zich een weg banend door troepen werkelooze arbeiders van het minste soort, door sjouwerlui, kolendragers, brutale wijven, kinderen in lompen en het schuim en vuil van de rivier, komt de bezoeker slechts met moeite vooruit; in de nauwe sloppen rechts en links, ziet en ruikt hij walgelijke dingen, en zijn ooren worden verdoofd door het geratel van zware wagens, die groote voorraden koopwaar vervoeren naar en van de pakhuizen, die aan elken hoek oprijzen. Wanneer hij eindelijk in meer afgelegen, stillere straten komt, loopt hij onder overhellende huisgevels door, die zich over de straat heenbuigen, vervallen muren, die schijnen te waggelen als men er voorbij loopt, afgebrokkelde schoorsteenen, die klaar staan, geheel in elkaar te vallen, ramen beschermd door roestige ijzeren roeden, bijna vergaan door tijd en vuil, en alles wat de verbeelding uit kan denken aan teekenen van verval en verwaarloozing.
In zulk een buurt, tegenover Dockhead, in het vlek Southwark, ligt het Jacob's eiland, omgeven door een modderige gracht, bij hoog tij zes of acht voet diep en vijftien of twintig voet breed; vroeger heette deze Mill-Pond, maar in den tijd waarin ons verhaal speelt stond ze bekend als Folly Ditch. Het is een kreek of inham van de Theems en men kan hem bij vloed altijd vol laten loopen, door de sluizen te openen bij de loodpletmolens, waaraan het water zijn vroegeren naam ontleende. Op zulk een oogenblik ziet een vreemdeling, die op een der houten bruggetjes staat, die bij Mill Lane over Folly Ditch zijn geslagen, hoe de bewoners der huizen aan beide kanten uit hun achterdeuren en ramen emmers, tobbes en andere huishoudelijke gereedschappen naar beneden laten om het water op te vangen; en wanneer de vreemdeling dan tevens zijn oogen wendt naar de huizen zelf, zal, wat hij daar ziet, hem in de hoogste verwondering brengen. Bouwvallige, houten galerijen, die langs den achterkant van een half dozijn huizen loopen, met gaten er in om doorkijk te gunnen op den modderpoel beneden; gebroken en dichtgeplakte ramen, waaruit stokken naar buiten steken om linnengoed op te drogen, dat er nooit is; kamertjes zoo klein, zoo smerig, zoo eng, dat de lucht er te benauwd schijnt zelfs voor al het vuil dat zij bergen; houten gebouwtjes, die in den modder vooruitsteken en er in neer dreigen te storten--zooals met enkelen al gebeurd is; muren met vuil besmeerd en fondamenten, die in elkaar zakken; elke walgelijke trek der armoede, elk afstootend bewijs van bederf en verrotting; dit alles versiert de oevers van Folly Ditch.
Op Jacob's eiland zijn de pakhuizen dakloos en leeg, de muren vallen in elkaar, de ramen zijn geen ramen meer, de deuren liggen op straat, de schoorsteenen zijn zwart maar rooken niet. Dertig of veertig jaar geleden, eer de plaats in verval kwam door verliezen en processen, was het een drukke handelsbuurt; maar nu is het niets als een ellendig eiland. De huizen hebben geen eigenaar; wie er den moed toe hadden zijn er in getrokken en daar leven zij en daar sterven zij. Wie een wijkplaats zoekt op Jacob's eiland moet wel krachtige redenen hebben, zich te verbergen, of tot den uitersten toestand van verval zijn gekomen.
Van één der alleenstaande, vrij groote huizen, dat met den achterkant naar de sloot stond, op de wijze, zooals het hierboven reeds werd beschreven, waren deuren en ramen--hoe vervallen het ook in andere opzichten mocht zijn--zeer stevig verzekerd.
In één der bovenkamers van dit huis zaten drie mannen bij elkaar; van tijd tot tijd keken ze elkaar aan met oogen vol angst en verwachting en vervielen dan weer in diep en somber zwijgen. Eén van de drie was Toby Crackit; de tweede Mr. Chilling en de derde een misdadiger van vijftig jaar, wiens neus vroeger bij een of andere vechtpartij was ingeslagen en die een verschrikkelijk litteeken over zijn gezicht had, waarschijnlijk bij dezelfde gelegenheid opgeloopen. Deze man was een ontvluchte galeiboef en heette Kags.
»Ik wou,« zeide Toby, terwijl hij zich tot Mr. Chilling wendde, »dat jij een ander hol had opgezocht, toen de twee oude te warm werden en dat je niet hier was gekomen, kereltje.«
»Waarom heb je dat niet gedaan, stomkop?« vroeg Kags.
»Ik had gedacht, dat jullie wel een beetje blijder zou zijn als je me zag,« antwoordde Mr. Chilling op droeven toon.
»Ja, kijk eris hier, jongmensch,« zei Toby, »als een man zoo op zichzelf blijft als ik altijd gedaan heb en daardoor een aardig huis boven zijn hoofd heeft, waar geen mensch zijn neus in kan steken, dan kijk je raar op, als je de eer van een bezoek wordt aangedaan door een jongmensch, (hoe aardig en hoe geschikt dat jongemensch overigens mag zijn om kaart mee te spelen) in jouw omstandigheden.«
»Vooral als de man, die graag op zichzelf blijft, hier een vriend heeft, die een beetje eer dan verwacht werd uit verre landen is teruggekeerd en die te bescheiden is om zich bij zijn terugkomst aan de rechters voor te gaan stellen,« voegde Kags er bij.
Er was een oogenblik van stilte, waarna Toby Crackit, die blijkbaar het hopelooze inzag van verdere pogingen, zijn rol van 't kan-me-niet-schelen vol te houden, zich tot Chilling wendde met de vraag: