Part 34
Nog een ander, duisterder doel zweefde Fagin voor. Sikes wist te veel en zijn schurkachtige plagerijen hadden Fagin niet minder gekwetst, omdat de wonden verborgen bleven. Het meisje wist natuurlijk maar al te goed, dat zij, als ze zich van hem losmaakte, nooit veilig zou zijn voor zijn woede en dat deze zeker zou neerkomen--in den vorm van verminking of misschien met verlies van leven--op het voorwerp van haar laatste genegenheid. »Een beetje drang,« dacht Fagin, »en ze zal er best toe over te halen zijn, hem te vergiftigen. Vrouwen hebben wel meer zulke en erger dingen gedaan om hetzelfde doel te bereiken. Daarmee zou die gevaarlijke schurk--de man dien ik haat--uit den weg zijn geruimd; een ander in zijn plaats aan mij verbonden en mijn invloed op de meid grooter dan ooit, als ik van de misdaad weet.«
Deze dingen gingen Fagin door het hoofd in den korten tijd, dat hij alleen in Sikes' kamer zat, en met deze gedachten nog in zijn brein, had hij later de gelegenheid waargenomen om bij 't afscheid aan het meisje de onsamenhangende wenken te geven. Er was geen uitdrukking van verwondering, noch vertoon van niet begrijpen zijner bedoeling bij haar geweest. Nancy begreep hem volkomen. Dat zeiden haar oogen toen hij wegging.
Maar misschien deinsde zij ervoor terug, Sikes het leven te benemen en dit was toch één der voornaamste doeleinden die hij wenschte te bereiken. »Hoe?« dacht Fagin, terwijl hij naar huis sloop, »kan ik meer invloed op haar krijgen? Welk nieuw machtsmiddel kan ik te baat nemen?«
Een brein als dat van Fagin is vindingrijk in het uitdenken van middelen, die tot zijn doel leiden. Als hij, zonder van haarzelf een bekentenis te vragen, haar liet bespieden, ontdekte op wien zij haar zinnen had gezet en dreigde, de geheele geschiedenis aan Sikes te vertellen (voor wien zij buitengewoon bang was) tenzij zij op zijn plannen inging, kon hij haar dan niet tot zijn medeplichtige maken?
»Dat kan,« zeide Fagin bijna hardop. »Dan zal zij 't niet durven weigeren. Al ging het om haar leven, al ging het om haar leven! Ik heb 't allemaal voor mekaar! De middelen zijn klaar en kunnen aan 't werk gezet worden. Ik zal je wel krijgen!«
Hij wierp een duisteren blik achter zich en maakte een dreigende beweging met de hand in de richting van de plek, waar hij den ruweren schurk had achtergelaten; verder ging hij, met zijn beenige handen in de plooien van zijn versleten kleeren woelend en ze vast knijpend in zijn greep, alsof hij met elke beweging van zijn vingers een gehaten vijand worgde.
HOOFDSTUK XLV.
Noah Claypole wordt door Fagin voor een geheime zending gebruikt.
De oude man was den volgenden morgen bijtijds op en wachtte ongeduldig op de komst van zijn nieuwen leerling; eindelijk, na een wachttijd, die eindeloos scheen, verscheen hij en viel met woede op het ontbijt aan.
»Bolter,« zeide Fagin, trok een stoel bij de tafel en ging tegenover Morris Bolter zitten.
»Hier ben ik,« antwoordde Noah. »Wat is er? Vraag me niet om wat uit te voeren eer ik gegeten heb. Dat is een groote fout hier. Je hebt nooit tijd genoeg om te eten.«
»Je kan toch wel praten terwijl je eet?« vroeg Fagin en verwenschte de gulzigheid van zijn lieven jongen vriend uit den grond van zijn hart.
»O jawel, ik kan wel praten. 't Gaat zelfs beter onder 't praten,« zei Noah en sneed zich een reusachtige snee brood af. »Waar is Charlotte?«
»Uit,« zei Fagin. »Ik heb haar vanmorgen met de andere vrouwen uitgestuurd omdat ik jou alleen wou spreken.«
»O!« zei Noah. »Ik wou dat je haar gezegd had, eerst wat brood in boter te roosteren. Nou. Praat maar op. Je hindert me niet.«
Er scheen werkelijk niet veel vrees voor te bestaan, dat iets Noah hinderen zou, nu hij klaarblijkelijk was gaan zitten met het plan zich flink te goed te doen.
»Je hebt je gisteren best gehouden, jongen,« zeide Fagin. »Prachtig! Zes shillings en negen pence den eersten dag de beste! Je zal je fortuin nog maken met de kinderen.«
»Vergeet niet de drie pint-kruiken en de melkkan,« zei Mr. Bolter.
»Nee, nee; die kruiken waren een goed stukje, maar die melkkan was bepaald een meesterstuk.«
»Ja, ik geloof, dat dat niet kwaad was voor een beginneling,« merkte Mr. Bolter zelfvoldaan op. »De kruiken nam ik weg van een stalletje en de melkkan stond alleen buiten vóór een herberg. Ik was bang, dat ze roestig zou worden door den regen of kou zou vatten, ziet u. Hoe is ie? Ha! ha! ha!«
Fagin deed, of hij hartelijk lachte; toen Mr. Bolter uitgelachen had, nam hij achter elkaar eenige flinke happen, waarmee zijn eerste dikke boterham verdween, zoodat hij aan de tweede kon beginnen.
»Bolter,« zei Fagin, zich over de tafel buigend, »ik wou, dat je een werkje voor mij opknapte, dat groote voorzichtigheid en zorg vereischt.«
»Nou,« wierp Bolter tegen, »als je me maar niet in gevaar brengt of me weer naar één van jullie politie-bureaux stuurt. Dat bevalt me niet; dat bevalt me heelemaal niet, zeg ik je.«
»Er is niet het minste gevaar bij--niet het minste of geringste,« zei de Jood; »je hebt alleen een vrouw in 't oog te houden.«
»'n Ouwe vrouw?« vroeg Mr. Bolter.
»'n Jonge,« antwoordde Fagin.
»Dat kan ik vrij goed, geloof ik,« zei Bolter; »toen ik nog op school ging, wist ik zoo iets al op te knappen. En waarom moet ik haar in 't oog houden? Toch niet om--«
»Nergens om; alleen maar om mij te zeggen, waar ze heengaat, wie ze spreekt en zoo mogelijk, wat ze zegt; om de straat te onthouden als het een straat is of het huis als 't een huis is en mij zooveel inlichtingen te geven als je kan.«
»En wat geef je dervoor?« vroeg Noah, terwijl hij zijn kopje neerzette en zijn baas gespannen aankeek.
»Als je 't goed doet, krijg je een pond, beste jongen. Eén heel pond,« zeide Fagin, die den ander zoo happig mogelijk wilde maken. »Ik heb nog nooit zooveel betaald voor een karweitje, waar eigenlijk niets van belang bij te winnen is.«
»Wie is zij?« vroeg Noah.
»Eén van de onzen.«
»O zoo!« riep Noah en stak zijn neus in den wind. »Je vertrouwt haar niet, hé?«
»Ze heeft nieuwe vrienden gevonden, jongen, en ik moet weten wie het zijn,« antwoordde Fagin.
»Ik begrijp er alles van,« zeide Noah. »Om 't genoegen te hebben, ze ook te kennen, als het eerzame menschen zijn? Ha! ha! ha! Ik ben je man.«
»Dat wist ik wel,« viel Fagin in, verrukt nu zijn voorstel zoo insloeg.
»Natuurlijk, natuurlijk,« hernam Noah. »Waar is zij? Waar moet ik naar haar uitkijken? Waar moet ik heengaan?«
»Dat alles zal je nog van me hooren. Als 't tijd is, zal ik je haar wijzen,« zeide Fagin. »Je hebt je maar klaar te houden en laat de rest aan mij over.«
Dien avond en den volgenden en den daaropvolgenden zat de spion, gelaarsd en uitgedoscht in zijn voermanskleeren, gereed op een woord van Fagin er op uit te gaan.
Zes avonden gingen voorbij--zes lange, vervelende avonden--en telkens kwam Fagin thuis met teleurgesteld gezicht en het korte bericht, dat het nog geen tijd was. Op den zevende kwam hij vroeger terug en met een vreugde die hij nauwelijks wist te verbergen. Het was Zondag.
»Vanavond gaat zij er op uit,« zeide Fagin, »en met het rechte doel, dat weet ik wel zeker; zij is den heelen dag alleen geweest en de man, waar zij zoo bang voor is, komt niet voor het aanbreken van den dag thuis. Kom mee. Gauw.«
Zonder een woord te zeggen, sprong Noah op, want de Jood verkeerde in zulke hevige opgewondenheid, dat hij er door werd aangestoken. Tersluiks verlieten zij het huis, liepen haastig door een doolhof van stegen en kwamen eindelijk vóór een herberg, die Noah herkende als dezelfde, waar hij den nacht van zijn aankomst in Londen had geslapen. Het was over elven en de deur was gesloten. Toen Fagin zachtjes floot draaide de deur zacht op zijn hengsels. Geruchtloos gingen ze binnen en de deur werd achter hen gesloten.
Fagin en de jonge Jood, die hen binnen had gelaten, waagden het nauwelijks te fluisteren. Hun woorden door stomme gebaren aanvullend, wezen zij Noah het glasruitje en beduidden hem naar boven te klimmen en de vrouw in het kamertje ernaast op te nemen.
»Is dat de vrouw?« vroeg hij en de woorden klonken bijna niet luider dan een ademtocht.
Fagin knikte ja.
»Ik kan haar gezicht niet goed zien,« fluisterde Noah. »Ze kijkt naar beneden en de kaars staat achter haar.«
»Blijf daar,« fluisterde Fagin. Hij gaf een wenk aan Barney, die de kamer uitging. Een oogenblik later kwam de jongen het kamertje binnen; onder voorwendsel de kaars te snuiten, schoof hij ze in de gewenschte richting; toen sprak hij het meisje aan, waardoor zij het hoofd ophief.
»Nu zie ik haar,« zei de spion.
»Duidelijk?«
»Ik zou haar onder duizenden herkennen.«
Hij kwam haastig naar beneden, terwijl het kamertje openging en het meisje naar buiten kwam. Fagin trok hem achter een afgeschoten hoek, waar een gordijn voor hing en zij hielden den adem in, terwijl Nancy op een paar voet afstand van hun schuilplaats voorbij kwam en naar buiten ging door de deur, waardoor zij waren binnengekomen.
»Pst!« riep de jongen, die de deur openhield. »Dou!«
Noah wisselde een blik met Fagin en snelde naar buiten.
»Naar links,« fluisterde de jongen, »ga links af en houd de overkant van de straat.«
Noah deed het; bij het licht van de straatlantarens zag hij de gestalte van het meisje alreeds op eenigen afstand voor hem uit. Hij kwam zoo dicht achter haar als de voorzichtigheid toeliet en bleef aan den overkant van de straat om beter op haar bewegingen te kunnen letten.
Twee of driemaal keek zij zenuwachtig om zich heen en bleef eenmaal staan om twee mannen, die dicht achter haar liepen, voorbij te laten gaan. Onder het voortgaan scheen haar moed aan te groeien, want zij begon met flinker, vaster tred te loopen. De spion behield steeds denzelfden afstand tusschen hen beiden en bleef haar onder het voortgaan bespieden.
HOOFDSTUK XLVI.
Nancy houdt zich aan de afspraak.
De kerkklokken sloegen kwart vóór twaalven, toen twee gestalten op London Bridge verschenen. De ééne, die met vluchtige, snelle schreden voortliep, was een vrouw; gespannen keek zij om zich heen als verwachtte zij iets of iemand; de andere was een man, die voortsloop in de diepste schaduw die hij vinden kon, en op eenigen afstand zijn schreden regelde naar de hare--als zij bleef staan, bleef hij ook staan en als zij weer voortging, sloop hij tersluiks voort--maar hij zorgde ervoor, nooit, in den ijver van zijn vervolging, dichter bij haar te komen. Zoo gingen zij over de brug van den Middlesex--naar den Surreyoever, toen de vrouw, blijkbaar teleurgesteld in haar ijverig onderzoeken van de voorbijgangers, terugkeerde. De beweging was plotseling, maar de bespieder was op zijn hoede; snel trok hij zich terug in één der schuilhoeken boven de pijlers van de brug, boog zich over de leuning om te beter zijn gestalte te verbergen en liet haar op het trottoir aan den overkant voorbijgaan. Toen zij hem ongeveer evenveel vooruit was als te voren, gleed hij zachtjes naar beneden en volgde haar opnieuw. Toen zij bijna midden op de brug was, bleef zij staan. De man bleef ook staan.
Het was een zeer donkere nacht. Het was overdag slecht weer geweest en op dit uur en op deze plaats kwamen weinig menschen voorbij. Die er waren liepen haastig voorbij; waarschijnlijk zonder de vrouw of den man, die haar bespionneerde, te zien--in elk geval zonder acht op hen te geven. Hun uiterlijk was er niet op berekend de onbelangrijke aandacht te trekken van dat deel der arme Londensche bevolking, die toevallig dien avond over de brug kwamen om in een of andere koude portiek of deurlooze keet een schuilplaats te zoeken, waar zij hun hoofd konden neerleggen; zij stonden daar zwijgend, zonder iemand van de voorbijgangers aan te spreken of door hen aangesproken te worden.
Over de rivier hing mist, waarin de roode gloed der vuren op de vaartuigen, aan de verschillende kaden vastgemeerd, ver-dofte en de donkere gebouwen aan de oevers te donkerder werden en minder duidelijk te onderscheiden. Zwaar en somber rezen de oude zwartberookte pakhuizen boven de dichte warreling van daken en gevels aan beide oevers uit en blikten ernstig neer in het water, dat zelfs te zwart was om hunne massieve vormen te weerkaatsen. De torenspitsen van de kerk van den Heiligen Verlosser en van St. Magnus, sinds zoo lange tijden de reuzenwachters van de oude brug, waren in den nevel te onderscheiden, maar het mastbosch stroomafwaarts en de dichte massa torenspitsen stroomopwaarts waren bijna geheel verborgen voor het gezicht.
Het meisje had eenige malen de brug op en neer geloopen--altijddoor nauwkeurig waargenomen door haar verborgen achtervolger--toen de zware klok van de Sint Pauluskerk verkondigde, hoe weer een dag gestorven was. Middernacht daalde neer op de dichtbevolkte stad. Op paleizen, nachtkelders, gevangenissen en gekkenhuizen; op jonggeborenen en op stervenden, op zieken en gezonden; op de stijve gezichten van lijken en de kalme slaap der kinderen; op die allen daalde de middernacht.
De klok was nog geen twee minuten koud, toen een jonge dame, vergezeld door een heer met grijs haar, op korten afstand van de brug uit een huurrijtuig stapten en na het voertuig weggezonden te hebben, recht de brug op liepen. Ze hadden nauwelijks den voet erop gezet, toen het meisje opschrikte en onmiddellijk op hen toeliep.
Toen Nancy zich bij hen voegde, keken zij juist onder het voortloopen om zich heen als menschen die iets verwachten, maar vermoeden, dat hun verwachting niet in vervulling zal gaan. Zij bleven staan, met een uitroep van verwondering, dien zij echter terstond onderdrukten, want een man, gekleed als iemand van buiten de stad, liep op dit oogenblik dicht langs hen heen, zóó dicht, dat zijne kleeren de hunne raakten.
»Hier niet,« zeide Nancy haastig, »ik ben bang hier met u te spreken. Kom mee--weg van den publieken weg--die trap af!«
Onder het spreken wees zij met haar hand in de richting waar zij hen heen wilde hebben; de buitenman keek om zich heen, vroeg op ruwen toon, waarom zij de heele brug innamen en liep voorbij.
De trap, die Nancy bedoelde, vormde op den Surreyoever en aan denzelfden kant van de brug als de kerk van den Verlosser, een landingplaats in de rivier. De man, die er uitzag als een buitenman, sloop hier haastig heen, zonder opgemerkt te worden; nadat hij de plek in oogenschouw had genomen, begon hij de trap af te klimmen.
Deze trappen zijn een deel van de brug; ze bestaan uit drie treden. Juist bij de tweede trede, als men naar beneden gaat links, eindigt de steenen muur in een zuil die naar de Theems is gekeerd. De lagere treden worden breeder, zoodat iemand die dezen hoek van den muur omslaat, onmogelijk gezien kan worden door iemand op het trapje, die boven hem staat, al is het maar één trede. Toen hij hier was, keek de buitenman haastig om zich heen; daar hij geen betere schuilplaats zag en er met 't lage getij overvloed van ruimte was, sloop hij ter zijde, drukte zijn rug tegen de pilaar en wachtte; hij was er vrij zeker van, dat de anderen niet verder naar beneden zouden gaan en dat, zelfs al kon hij niet hooren wat zij zeiden, hij hen toch veilig weer zou kunnen volgen.
De tijd ging zoo langzaam voorbij in deze eenzame schuilplaats en de spion verlangde zoozeer de beweegredenen te leeren kennen van een samenkomst, die gansch anders was dan wat hij verwachtte, dat hij meer dan eens op 't punt stond de zaak als verloren te beschouwen en te denken, òf dat de anderen veel hooger op de trap waren blijven staan, òf dat zij naar een heel andere plaats waren gegaan voor hun geheimzinnig onderhoud. Hij was op 't punt uit zijn schuilplaats te voorschijn te komen en weer op de brug te gaan, toen hij het geluid van voetstappen hoorde en dadelijk daarop, bijna vlak aan zijn oor, het geluid van stemmen.
Hij duwde zich rechtop tegen den muur en luisterde opmerkzaam, terwijl hij nauwelijks ademhaalde.
»Dit is ver genoeg,« zeide een stem, klaarblijkelijk die van den heer. »Ik vind 't niet goed dat de jonge dame nog verder gaat. Menigeen zou je niet genoeg vertrouwd hebben om zelfs zoover te komen, maar u ziet, ik ben bereid uw zin te doen.«
»Mijn zin te doen!« riep de stem van het meisje, dat hij gevolgd had. »U bent wel goed, heusch meneer. Mijn zin te doen! Nou ja, 't komt er niet op an.«
»Waarom en met welk doel,« hernam de heer op vriendelijker toon, »kunt u ons op deze vreemde plek gebracht hebben? Waarom wilde u niet, dat ik boven met u sprak, waar het licht is en waar menschen in de buurt zijn, inplaats van ons naar dit donkere, ongelegen oord te brengen?«
»Ik heb u al gezegd,« antwoordde Nancy, »dat ik bang was om daar met u te praten. Ik weet niet hoe 't komt,« zei het meisje met een huivering, »maar ik heb vanavond zoo'n gevoel van angst over me, dat ik haast niet op m'n beenen staan kan.«
»Angst waarvoor?« vroeg de oude heer, die medelijden met haar scheen te hebben.
»Dat weet ik zelf niet,« antwoordde Nancy. »Ik wou dat ik 't wist. Ik denk aan allerlei verschrikkelijks: aan dood en aan lijkkleeden met bloed er op; den heelen dag heb ik die angst gehad; die brandt als vuur in me.«
»Verbeelding,« zei de oude heer bedarend.
»Geen verbeelding,« hernam het meisje met heesche stem. »Ik kan er een eed op doen, dat ik »doodkist« in groote zwarte letters geschreven zag op elke bladzijde van het boek--ja.... en vanavond droegen ze een doodkist vlak langs me heen.«
»Daar is niets ongewoons in,« zei de oude heer. »Ik ben er zoo dikwijls een voorbijgegaan.«
»Ja, _een werkelijke_,« viel het meisje in. »Maar dit was geen werkelijke.«
Er was zoo iets vreemds in den toon waarop zij deze woorden uitte, dat de verborgen luisteraar een koude huivering voelde en het bloed in zijn aderen verstijfde. Nooit had iets hem zoo troostend in de ooren geklonken als de zachte stem van de jonge dame, die Nancy vroeg, toch kalm te zijn en niet toe te geven aan zulke verschrikkelijke verbeeldingen.
»U moet haar vriendelijk toespreken,« zeide de jonge dame tot haar metgezel. »Arm schepsel! Zij schijnt het wel noodig te hebben.«
»Uw hoogmoedige vromen zouden uit de hoogte op me neer hebben gezien als ik was zooals vanavond en gepreekt hebben van vlammen en wraak,« riep het meisje. »O, lieve juffrouw, waarom zijn de menschen, die er op gesteld zijn, Gods uitverkorenen te heeten, niet even vriendelijk en zacht voor ons arme ellendigen als u? U, die jeugd heeft en schoonheid en zooveel, dat die vromen verloren hebben, u zoudt met recht trotsch kunnen zijn inplaats van zooveel nederiger dan zij.«
»Och!« zeide de oude heer. »Een Turk keert zijn gezicht, na het goed gewasschen te hebben, naar het Oosten als hij bidt; die goede menschen, waar u over spreekt, wrijven eerst hun gezicht zoo in tegen de wereld, dat er geen glimlach meer op overblijft en dan keeren zij zich even zeker als de Turk het naar het Oosten doet, naar den donkersten kant van den hemel. Als ik kiezen moet tusschen den Muzelman en den Pharizeeër, dan kies ik den eerste.«
Deze woorden schenen tot de jonge dame gericht te zijn en werden misschien gesproken met de bedoeling, Nancy tijd te geven, tot zichzelf te komen. Een oogenblik later wendde de heer zich tot haar.
»U bent den vorigen Zondagavond niet gekomen,« zeide hij.
»Ik kon niet,« antwoordde Nancy, »ik werd met geweld tegengehouden.«
»Door wie?«
»Door den man, waar ik de juffrouw laatst al van verteld heb.«
»Ik hoop toch, dat u niet verdacht werd in verbinding te staan met iemand met betrekking tot het onderwerp, dat ons hier brengt?« vroeg de oude heer.
»Neen,« antwoordde het meisje en schudde 't hoofd. »'t Is niet makkelijk voor me van hem weg te gaan als hij niet weet waarom; ik had de juffrouw den eersten keer ook niet kunnen spreken, als ik hem, vóór ik wegging, niet een dosis laudanum had gegeven.«
»Werd hij wakker eer je terug was?« vroeg de heer.
»Neen, en noch hij, noch een van de anderen verdenkt me.«
»Goed. En luister nu naar me.«
»Ik luister,« zei het meisje, toen hij een oogenblik zweeg.
»Deze jonge dame,« begon de oude heer, »heeft aan mij en aan enkele andere vertrouwde vrienden verteld, wat u haar veertien dagen geleden gezegd hebt. Ik erken, dat ik eerst twijfelde, of u wel volkomen betrouwbaar was, maar nu geloof ik vast in u.«
»Dat kunt u doen,« zei het meisje ernstig.
»Ik herhaal, dat ik u volkomen vertrouw. Om u dit te bewijzen, deel ik u zonder eenig voorbehoud mee, dat wij van plan zijn dien man, dien Monks, het geheim, wat het ook wezen moge, te ontrukken, door op zijn vrees te werken. Maar als--als--« hernam de heer, »als we hem niet in handen kunnen krijgen, of niet van hem te weten kunnen komen wat wij willen, dan--moet je ons den Jood overleveren.«
»Fagin!« riep het meisje, terugdeinzend.
»Die man moet aan ons door u worden overgeleverd,« zei de heer.
»Dat doe ik niet! Dat doe ik nooit!« antwoordde het meisje. »Ofschoon hij een duivel is en voor mij erger dan een duivel is geweest, dat doe ik nooit.«
»U wilt dus niet?« vroeg de oude heer, die dit antwoord scheen te verwachten.
»Nooit!« antwoordde het meisje.
»Waarom niet?«
»Om één reden,« antwoordde het meisje met vaste stem, »om één reden, die de dame weet en waarin zij aan mijn kant zal staan; ik weet, dat zij dat doen zal, want ik heb haar belofte; en dan ook om deze reden, dat, al heeft hij een slecht leven geleid, ik ook een slecht leven geleid heb; velen van ons zijn te zamen denzelfden weg gegaan en ik wil hen niet verraden, terwijl zij, zij allen, mij hadden kunnen verraden, maar het nooit deden, hoe slecht zij ook zijn mogen.«
»Welnu,« zei de oude heer snel, alsof dit het punt was, dat hij verlangd had te bereiken, »lever dan Monks in mijn handen en laat aan ons over wat wij met hem doen willen.«
»En als hij de anderen verraadt?«
»Ik beloof u, dat de zaak in dat geval, zoodra wij de waarheid uit hem hebben gekregen, verder zal blijven rusten; in Oliver's geschiedenis moeten omstandigheden wezen, die niet zonder pijnlijke onthullingen aan 't licht zijn te brengen; als de waarheid eenmaal aan den dag is, zullen de anderen vrij uitgaan.«
»En als de waarheid niet aan 't licht komt?«
»Dan,« ging de oude heer voort, »zal Fagin toch nooit zonder uw toestemming voor 't gerecht gebracht worden. In dat geval zou ik u redenen kunnen aantoonen, waarvoor u zwichten zoudt.«
»Wil de juffrouw mij daarop ook haar woord geven?« vroeg het meisje.
»Ja,« antwoordde Rose. »Mijn eerlijk woord.«
»Zal Monks nooit vernemen hoe u weet wat u weet?« vroeg Nancy na kort zwijgen.
»Nooit,« antwoordde de oude heer. »Wij zullen het zoo aanleggen, dat hij het zelfs nooit vermoeden zal.«
»Ik ben een leugenaarster geweest en heb van kindaf onder leugenaars geleefd,« zei Nancy na een nieuwe stilte, »maar ik zal u op uw woord gelooven.«
Nadat zij van beiden de verzekering had ontvangen, dit veilig te kunnen doen, sprak zij verder met zóó zachte stem, dat het den luisteraar dikwijls moeielijk viel zelfs te begrijpen, waarover zij sprak, en beschreef den naam en de ligging van de herberg, waar zij dien avond bespied was. De wijze waarop zij nu en dan ophield, wees er op, dat de oude heer enkele haastige aanteekeningen maakte van wat zij vertelde. Nadat zij nauwkeurig het uiterlijk van de herberg had beschreven, de beste plek vanwaar men er het oog op had, zonder de aandacht te trekken, en de avond en het uur waarop Monks er gewoonlijk kwam, scheen zij een oogenblik na te denken met het doel zijn gezicht en uiterlijke verschijning duidelijker in haar geheugen terug te roepen.