Part 33
Mr. Fagin had werkelijk den buitengewonen toestand, waarin zijn jonge vriend verkeerde, in zulk een gunstig licht gesteld, dat Bates, die eerst geneigd was geweest, den Vos eenigszins als slachtoffer te beschouwen, hem nu beschouwde als den voornaamsten speler in een tooneel vol ongewonen en fijnen humor; hij was bepaald verlangend naar het tijdstip, waarop zijn vroegere kameraad zoo'n gunstige gelegenheid zou vinden, zijn gaven te ontplooien.
»We moeten door een of ander middel te weten zien te komen hoe hij voor den dag komt,« zei Fagin. »Laat me eens nadenken.«
»Zal ik gaan?« vroeg Charley.
»Voor niets ter wereld,« antwoordde Fagin. »Ben je zot, jongen, stapelzot, om naar de plek te willen gaan, waar--Nee, Charley, nee. Eén tegelijk te verliezen is genoeg.«
»Je wil toch niet zelf gaan?« vroeg Charley met een spottend lachje.
»Dat zou niet best kunnen,« zei Fagin hoofdschuddend.
»Waarom stuur je dezen nieuwen jongen niet?« vroeg Bates en legde zijn hand op Noah's arm. »Niemand kent hem.«
»Nou, als hij er niet op tegen heeft--« merkte Fagin op.
»Op tegen heeft,« viel Charley in. »Wat zou hij er op tegen kunnen hebben?«
»Niks, je hebt gelijk,« zei Fagin, terwijl hij zich tot Mr. Bolter wendde, »niets.«
»O nee, wat dat betreft, zie je....« merkte Noah op, terwijl hij achterwaarts naar de deur schoof en als een uiting van lichte ontsteltenis zijn hoofd schudde. »Nee nee--dat niet. 't Is mijn afdeeling niet.«
»Wat voor afdeeling heeft hij, Fagin?« vroeg jongeheer Bates en bekeek Noah's slappe figuur met onverholen afkeer. »Der vandoor gaan als er iets verkeerds is en alles mee opeten en drinken als alles goed gaat; is dat zijn vak?«
»'t Gaat jou niet an,« gaf Mr. Bolter terug, »jij kan wel een beetje minder brutaal zijn tegen je superieuren, jongetje, of 't zal je slecht vergaan.«
Deze prachtige bedreiging deed Charley zoo geweldig lachen, dat het een poos duurde, eer Fagin tusschenbeiden kon komen, om aan Mr. Bolter uit te leggen, hoe hij hoegenaamd geen gevaar liep door naar het politie-bureau te gaan; daar, nu er geen gewag was gemaakt van het zaakje waarin hij betrokken was en geen beschrijving van zijn persoon naar de hoofdstad was gezonden, hij hoogstwaarschijnlijk zelfs niet in verdenking stond, in Londen een schuilplaats te hebben gezocht, en dat, als hij zich voldoende vermomde, hij daar even veilig heen kon gaan als naar welke plek ook in Londen, in zoover het juist de laatste plaats was waar men veronderstellen kon, dat hij er uit vrijen wil heen zou gaan.
Ten deele overreed door deze voorstelling van de zaak, maar in veel grootere mate gedreven door zijn angst voor Fagin, stemde Mr. Bolter er ten slotte, hoewel met grooten tegenzin in toe, den tocht te ondernemen. Op Fagin's aanwijzingen verwisselde hij dadelijk zijn eigen kleeding voor een voermanskiel, een fluweelen broek en leeren slobkousen, wat de Jood allemaal bij de hand had. Verder werd hij voorzien van een vilten hoed, rijkelijk gegarneerd met tol-quitanties, en een voermanszweep. Zoo uitgedost moest hij het politiebureau binnenslenteren, als een boer, die op de markt was in Covent Garden, uit nieuwsgierigheid doen kon; en daar hij een onhandige, plompe, ruwe kerel was, zooals voor de rol paste, twijfelde Fagin er niet aan, of hij zou 't er uitstekend afbrengen. Toen deze schikkingen gemaakt waren, werd hij ingelicht omtrent de kenteekenen, waaraan hij den Slimmen Vos kon herkennen en werd door Charley Bates langs donkere kronkelsteegjes tot heel dichtbij Bow Street gebracht. Nadat Charley hem precies had uitgelegd waar het bureau lag en er vele instructies aan toe had gevoegd, hoe hij rechtdoor de gang in moest loopen en als hij op de binnenplaats kwam, de deur ingaan, die naar de trap rechts voerde en dat hij zijn hoed af moest zetten als hij in de kamer kwam, zeide hij hem, verder alleen te gaan en beloofde zijn terugkomst af te wachten op de plaats, waar zij van elkaar waren gegaan.
Noah Claypole of Morris Bolter, naar de lezer wil, volgde stipt de ontvangen aanwijzingen, die, daar Bates de lokaliteit heel goed kende--zoo nauwkeurig waren, dat hij in staat was tot in de tegenwoordigheid van den rechter door te dringen, zonder één enkele vraag te doen of eenigen hinderpaal op zijn weg te ontmoeten. Hij zag zich gestooten en geduwd tusschen een hoop volk, meest vrouwen, die te zamen waren gedrongen in een vuil vuns vertrek; met aan het boveneinde een verhooging, van de overige ruimte afgesloten; links tegen den muur een kooi voor de gevangenen; een hokje voor de getuigen in het midden en een lessenaar voor de overheidspersonen aan den rechterkant; deze laatste ontzagwekkende ruimte was door een beschot aan de oogen van het publiek onttrokken; het was dus aan de verbeeldingskracht van het publiek overgelaten, zich (wanneer men er toe in staat was) de gerechtigheid in haar volle majesteit voor te stellen. In de kooi waren alleen een paar vrouwen, die hun bewonderende vriendinnen toeknikten, terwijl de griffier eenige getuigenissen voorlas aan twee politieagenten en een eenvoudig gekleed man, die over de tafel leunde. Tegen de kooi leunde een gevangenbewaarder, die onophoudelijk met een grooten sleutel tegen zijn neus tikte, behalve wanneer hij een ongepaste neiging tot gesprekvoeren had te onderdrukken bij de toekijkenden, wat hij deed door: »stilte!« te roepen of wanneer hij op strengen toon aan de een of andere vrouw gebood: »Breng dat kind weg!« Dit op een oogenblik als de ernst der gerechtigheid verstoord werd door zwakke kreten, half gesmoord in moeder's omslagdoek, van een of ander mager kind. De kamer rook benauwd en ongezond; de muren waren kleurloos door 't vuil en de zoldering zwart. Op den schoorsteenmantel stond een oud zwartberookt borstbeeld en boven de kooi hing een stoffige klok--het eenige wat hier te loopen scheen zooals het moest; want verdorvenheid of armoede of de voortdurende aanraking met beide had zijn stempel gedrukt op al wat hier leefde, waardoor dit levende er bijna even terugstootend uitzag als de levenlooze voorwerpen, die onder een dikke laag schimmel begraven waren.
Noah keek ingespannen om zich heen naar de Vos; maar ofschoon er verscheidene vrouwen waren, die heel goed voor de moeder of de zuster van die bijzondere persoonlijkheid konden doorgaan, en meer dan één man, die heel sterk op zijn vader kon gelijken, was er niemand te zien, die aan de beschrijving beantwoordde, hem van Mr. Dawkins gegeven. Hij wachtte in een toestand van argwaan en onzekerheid, tot de vrouwen, die tot tewerkstelling veroordeeld waren, vol trots heengestapt waren; toen werd zijn aandacht getrokken door de verschijning van een nieuwen gevangene, die--hij voelde het dadelijk--niemand anders kon zijn dan het doel van zijn bezoek.
Het was werkelijk Mr. Dawkins, die het bureau kwam binnensloffen, de lange jasmouwen als gewoonlijk opgeslagen, zijn linkerhand in zijn zak en zijn hoed in zijn rechterhand; hij liep met niet te beschrijven draaienden tred voor den gevangenbewaarder uit, nam zijn plaats in in het hok en vroeg met luider stem of hij mocht weten, waarom hij hier op zoo'n schandelijke manier werd binnengebracht.
»Hou je mond!« zei de bewaarder.
»Ik ben een Engelschman, nietwaar,« hernam de Vos. »Waar zijn mijn privilegiën?«
»Je zult gauw genoeg privilegiën krijgen,« viel de bewaarder in, »en gepeperde er bij.«
»We zullen zien, wat de Secretaris van Staat voor Binnenlandsche Zaken aan de rechters te zeggen zal hebben, als ik mijn recht niet krijg,« hernam Mr. Dawkins. »Nou! Wat moet er gebeuren? Ik zal dankbaar zijn als de heeren dit zaakje achter elkaar afdoen en me niet ophouden, terwijl zij de krant lezen; ik heb 'n afspraak met 'n meneer in de stad en daar ik een man van m'n woord ben en erg gesteld op preciesheid in zaken, gaat ie weg als ik er niet op tijd ben en 't is best mogelijk, dat ik later geen eisch tot schadevergoeding in kan stellen, omdat ze me te lang hier gehouden hebben. O nee, dat zal niet gaan!«
Toen hij zoo ver gekomen was, eischte de Vos, veinzend bijzonder veel belang te hebben bij zaken die hierna afgedaan moesten worden, van den gevangenbewaarder, dat hij hem de namen »van die twee schobbejakken die op den rechterstoel zaten«, zou noemen; dit vermaakte de toeschouwers zoozeer, dat zij bijna even hartelijk lachten als Charley Bates gedaan zou hebben, wanneer hij de vraag had gehoord.
»Stilte daar!« riep de bewaarder.
»Wat is dat?« vroeg een van de rechters.
»Een zaak van zakkenrollerij, Edelachtbare.«
»Is de jongen hier al meer geweest?«
»Hij had hier al dikwijls moeten zijn,« antwoordde de cipier. »Hij is zoowat overal al geweest. Ik ken hem goed, Edelachtbare.«
»O, ken je me? heusch?« riep de Slimme, terwijl hij de getuigenis opteekende. »Heel goed. Dat's een geval van lasterlijke aantijging.«
Hier volgde een nieuwe lachuitbarsting en een ander bevel van stilte.
»Nu, waar zijn de getuigen?« vroeg de griffier.
»Dat 's in orde,« viel de Vos in. »Waar zijn ze? Ik zou ze wel eens willen zien.«
Deze wensch werd onmiddellijk vervuld, want een politieagent kwam naar voren, die gezien had hoe de gevangene bij een opstootje een aanval deed op den zak van een onbekenden heer en er een zakdoek uit haalde; daar dit een heel oude was, had hij hem er voorzichtig weer ingestoken, na hem op zijn eigen gezicht geprobeerd te hebben. Om deze reden arresteerde hij den Vos, zoodra hij hem bereiken kon en gezegde Vos bleek bij fouilleering een zilveren snuifdoos op zich te hebben met den naam van den eigenaar in het deksel gegraveerd. Met behulp van het adresboek was die eigenaar gevonden en had, daar en daar tegenwoordig, gezworen dat de snuifdoos van hem was en dat hij ze den vorigen dag gemist had, op het oogenblik toen hij zich uit het opstootje, te voren genoemd, had losgemaakt. Hij had ook een jongen gezien in de menigte, die erg zijn best deed weg te komen en die jongen was de gevangene vóór hem.
»Heb je dezen getuige iets te vragen, jongen?« zei de rechter.
»Ik zou mij niet willen verwaardigen met zoo één een woord te wisselen,« antwoordde de Vos.
»Heb je over het geheel iets te zeggen?«
»Hoor je niet dat Zijn Edelachtbare vraagt of je iets te zeggen hebt?« vroeg de cipier en stootte den zwijgenden Vos met zijn elboog aan.
»Neem me niet kwalijk,« zei de Vos met afgetrokken voorkomen opkijkend. »Vroeg u mij iets, beste vriend?«
»Ik heb nog nooit zoo'n doortrapten vagebond gezien, Edelachtbare,« merkte de agent met een grijns op. »Zal je iets zeggen, snotjongen?«
»Neen,« antwoordde de Vos, »hier niet, want dit is niet de winkel waar men gerechtigheid koopt; bovendien luncht mijn gemachtigde vanmorgen bij den vice-president van het Lagerhuis; maar op een andere plaats zullen ik en mijn gemachtigde en een groote en eerbiedwaardige kring van kennissen zooveel te zeggen hebben, dat die schobbejakken dáár zullen wenschen nooit geboren te zijn of zich eer door hun lakeien te hebben laten ophangen aan hun eigen kapstok, dan mij vanochtend veroordeeld te hebben. Ik zal--«
»Genoeg! hij is tot de hoogste straf veroordeeld,« viel de griffier in. »Breng hem weg!«
»Kom,« zei de cipier.
»Bedaar! Ik kom wel,« antwoordde de Vos, terwijl hij zijn hoed met den palm van zijn hand afveegde. »O,« tot de rechters, »'t helpt niet of u angstige oogen opzet; ik zal u geen genade bewijzen, voor geen halve cent. _Jullie_ zult er voor boeten, mooie kereltjes. Ik zou, voor ik weet niet wat, niet in jullie plaats willen zijn! Ik zou niet vrij willen zijn, al vroegen jullie 't mij op je knieën. Hier! breng me naar de gevangenis! Breng me weg!«
Bij deze laatste woorden liet de Vos toe, dat hij bij zijn kraag gepakt en weggebracht werd; tot hij op de binnenplaats was, dreigde hij nog de zaak in het Parlement te zullen brengen; ten slotte lachte hij vroolijk en zelfvoldaan den agent in zijn gezicht uit.
Toen Noah gezien had, hoe de Vos alleen in een kleine cel werd opgesloten, zocht hij zoo gauw mogelijk den weg terug, tot waar hij Charley Bates verlaten had. Na eenigen tijd voegde dit jongemensch zich bij hem; voorzichtigheidshalve had hij zich niet vertoond eer hij vanuit een verborgen schuilplaats de kat uit den boom had gekeken en er zich van overtuigd, dat zijn nieuwe makker niet door een of anderen nieuwsgierige gevolgd werd.
Het tweetal ging haastig naar huis om aan Mr. Fagin het verblijdende nieuws te brengen, dat de Vos zijn opvoeding alle eer had aangedaan en zichzelf een roemrijke reputatie verzekerd.
HOOFDSTUK XLIV.
De tijd breekt voor Nancy aan, om haar belofte aan Rose Maylie te vervullen--het mislukt.
Hoezeer zij ook vertrouwd was met alle kunsten van sluwheid en huichelarij, kon Nancy toch niet geheel en al den indruk verbergen, waarmede het bewustzijn van den gedanen stap haar geest vervulde. Zij bedacht, hoe zoowel de sluwe Jood als de ruwe Sikes haar plannen hadden toevertrouwd, die zij voor alle anderen verborgen hielden en dat in volle overtuiging dat zij te vertrouwen was en buiten alle verdenking. Die plannen waren gemeen, de uitdenkers ervan ellendelingen en haar gevoelens tegenover Fagin vol bitterheid; hij toch had haar van stap tot stap al dieper in een afgrond van misdaad en schande gevoerd, tot geen ontsnapping meer mogelijk was; toch waren er oogenblikken waarin zij zelfs tegenover hem iets als berouw voelde, als het gebeuren mocht dat haar onthullingen hem binnen den ijzeren greep zouden voeren, waaraan hij zoo lang was ontkomen en hij ten laatste door haar hand zou vallen, hoezeer hij zulk een lot ook verdiend had.
Doch dit waren niets dan vluchtige gedachten, die telkens in haar opkwamen, omdat zij niet in staat was zich geheel van oude metgezellen en oude toestanden los te maken, hoezeer zij ook haar denken op één doel richtte en vastbesloten was zich door geen enkele overweging op een dwaalspoor te laten leiden. Haar angst voor het lot van Sikes zou krachtiger aansporing voor haar zijn, terug te gaan nu het nog tijd was; maar zij had bedongen, dat haar geheim stipt bewaard zou blijven, ze had geen enkele leiddraad in handen gegeven, die tot zijn ontdekking kon voeren, zij had zelfs ter wille van hem geweigerd uit alle schuld en ellende, die haar omringde, gered te worden--wat kon zij meer doen! Haar besluit stond vast.
Ofschoon haar innerlijke strijd altijd weer eindigde met dit besluit, kwam die strijd toch telkens terug en liet zijn sporen achter. In enkele dagen werd zij bleek en mager. Dikwijls merkte zij niet op, wat om haar heen gebeurde, of nam geen deel aan gesprekken, waarbij zij vroeger de luidruchtigste zou geweest zijn. Op andere oogenblikken lachte zij zonder vroolijkheid en was druk zonder eenige reden. Dan weer--dikwijls vlak daarop--zat zij stil en neerslachtig met 't hoofd in de handen te peinzen, en de moeite, waarmee zij zich dwong, anders te zijn, getuigde duidelijker dan al de overige teekens van haar innerlijke onrust en hoezeer haar gedachten zich bezig hielden met dingen, geheel verschillend en veraf van die, waar haar metgezellen over spraken.
Het was Zondagavond en de klok van de naastbijzijnde kerk sloeg het uur. Sikes en de Jood spraken samen, maar zwegen een oogenblik om te luisteren. Het meisje keek op van den lagen stoel, waarop zij ineengehurkt zat, en luisterde ook. Elf uur.
»Over 'n uur is 't middernacht,« zei Sikes; hij schoof het luik een eindje op om naar buiten te kijken en ging toen weer naar zijn stoel terug. »Donker en betrokken lucht. 'n Goede nacht voor 't werk.«
»Ja!« antwoordde Fagin. »Wat jammer Bill, beste jongen, dat we niets aan de hand hebben.«
»Voor deze keer heb je gelijk,« zei Bill norsch. »'t Is jammer, want ik heb net goeie zin.«
Fagin zuchtte en schudde treurig 't hoofd.
»We moeten onzen verloren tijd inhalen als wij de zaak weer op gang hebben. Dat 's alles wat ik ervan zeggen kan,« zei Sikes.
»Juist,« viel Fagin in en waagde het, Sikes op den schouder te kloppen. »'t Doet me goed, je dat te hooren zeggen.«
»Zoo.... doet 't jou goed?« riep Sikes. »Nou, laat 't dan gebeuren.«
»Ha! ha! ha!« lachte Fagin, als verlicht door deze belofte. »Vanavond ben je weer de oude, Bill! Heelemaal de oude.«
»Ik voel me niet de oude als je die magere oude klauw op mijn schouder legt; neem die weg,« zei Sikes, de hand van den Jood weggooiend.
»'t Maakt je zenuwachtig. Bill--'t geeft je 'n gevoel of je gesnapt wordt hè?« zei Fagin, die besloten was, niets kwalijk te nemen.
»Ja, of de duivel me te pakken heeft,« bromde Sikes. »Der heeft nog nooit een man bestaan met zoo'n gezicht als jij, of 't moest je vader zijn geweest en ik denk, dat hij zijn grijs-roode baard nu wel schroeit bij 't hellevuur; maar misschien stam je recht van den duivel af zonder vader als tusschenpersoon: dat zou me niets verwonderen.«
Fagin beantwoordde dit compliment niet; hij trok Sikes bij zijn mouw en wees naar Nancy, die gebruik maakte van dit gesprek om haar muts op te zetten en juist de kamer wilde uitgaan.
»Hallo!« riep Sikes. »Nance, waar gaat de tocht heen op dit uur van den nacht.«
»Niet ver.«
»Wat is dat voor een antwoord?« viel Sikes uit. »Waar ga je naar toe?«
»Ik zeg toch niet ver.«
»En ik zeg waar naar toe?« wierp Sikes tegen. »Hoor je niet?«
»Ik weet niet waar naar toe,« antwoordde het meisje.
»Dan weet ik 't,« zei Sikes, meer uit koppigheid dan omdat hij er werkelijk iets op tegen had, dat het meisje gaan zou waarheen ze lust had. »Jij gaat nergens heen. Ga zitten.«
»Ik voel me niet lekker. Dat heb ik je al gezegd,« zei het meisje. »Ik moet een luchtje scheppen.«
»Steek je hoofd uit 't raam,« zei Sikes.
»Dat geeft niet. Ik moet op straat een luchtje scheppen.«
»Dat zal je niet,« antwoordde Sikes. Bij deze woorden stond hij op, sloot de deur, nam den sleutel er uit, trok de muts van haar hoofd en gooide ze boven op een oude kast.
»Daar,« zei de roover. »En blijf nou stilletjes waar je bent, hoor!«
»Een muts zal mij niet tegenhouden,« zei het meisje, bleek wordend. »Wat wil je, Bill? Weet je wat je doet?«
»Weten wat ik--O!« riep Sikes, terwijl hij zich tot Fagin wendde, »ze is gek geworden, anders zou ze dat niet durven zeggen.«
»Je drijft me tot iets wanhopigs,« mompelde het meisje; zij drukte beide handen tegen haar borst als om haar bange ontroering te bedwingen. »Laat me gaan--dadelijk!«
»Nee!« zei Sikes.
»Zeg, dat hij me moet laten gaan, Fagin. Hij moet 't doen. 't Is beter voor hem. Versta je me niet?« riep Nancy en stampte met haar voet op den grond.
»Je verstaan!« herhaalde Sikes en keerde zich in zijn stoel om, om haar aan te kijken. »Jawel! En als ik je nog een halve minuut verstaan moet, zal de hond die schreeuwstem wel uit je keel halen. Wat mankeert je, slet? Wat is er?«
»Laat me gaan,« zei Nancy met diepen ernst; ze ging op den grond voor de deur zitten en zeide: »Bill, laat me gaan; je weet niet, wat je doet. Heusch, je weet 't niet. Eén uurtje maar--toe!«
»Je mag m'n beenen één voor één breken,« riep Sikes, haar ruw bij den arm grijpend, »als ik niet geloof, dat de meid stapelgek is geworden. Sta op!«
»Niet vóór je mij gaan laat--niet vóór je mij gaan laat; nooit--nooit!« schreeuwde het meisje. Sikes bleef een minuut lang naar haar kijken; toen hij zijn kans schoon zag, greep hij haar handen vast als in boeien en sleepte haar al worstelend en wringend naar een klein kamertje er naast; hier ging hij op een bank zitten, drukte haar in een stoel en hield haar met kracht neer. Zij worstelde en smeekte om beurten, tot de klok twaalf had geslagen; toen, moe en uitgeput, roerde zij het punt niet meer aan. Met een vermaning, gesteund door vele vloeken, niet meer te probeeren dien nacht uit te gaan, liet Sikes haar alleen om tot zichzelf te komen en ging weer naar Fagin.
»Ph!« zei de inbreker, terwijl hij zich 't zweet van het gezicht wischte. »Wat 'n gekke meid is dat!«
»Dat zeg jij Bill,« zei Fagin peinzend. »Dat zeg jij.«
»Waarom haalde ze 't in haar hoofd, vanavond uit te willen gaan?« vroeg Sikes. »Kom, jij moet haar beter kennen dan ik. Wat beteekent dat?«
»Koppigheid, de koppigheid van een vrouw, denk ik.«
»Ja, dat denk ik ook,« gromde Sikes. »Ik dacht, dat ik haar getemd had, maar ze is even erg als vroeger.«
»Erger,« zeide Fagin peinzend. »Ik heb haar nooit om zoo'n kleinigheid zóó gezien.«
»Ik ook niet,« zei Sikes. »Ik denk, dat ze nog een tikje van die koorts in haar bloed hêt, die niet naar buiten wil komen?«
»Dat kan.«
»Ik zal haar een beetje bloed aftappen, zonder er een dokter bij te halen, als ze weer zulke kunsten begint,« zei Sikes.
Fagin knikte bij wijze van volkomen goedkeuring voor deze behandeling.
»Toen ik op mijn rug lag, hing ze dag en nacht om me heen, en jij, wolf met je zwarte ziel, bleef weg,« zei Sikes. »We leden armoe ook al dien tijd en ik denk, dat 't haar op een of andere manier moe en kregel heeft gemaakt; ze is onrustig na zoo lang opgesloten gezeten te hebben--nou?«
»Dat zal 't zijn,« zei de Jood fluisterend. »St!«
Terwijl hij sprak, kwam Nancy binnen en nam haar vorige plaats weer in. Haar oogen waren gezwollen en rood; ze schoof heen en weer, schudde haar hoofd en barstte na een oogenblik in lachen uit.
»Daar! nou hebben we dàt weer!« riep Sikes en wisselde een blik vol verwondering met zijn metgezel.
Fagin wenkte hem, nu niet verder op haar te letten; na een paar minuten verviel het meisje in haar gewone doen. Fagin fluisterde Sikes in, hoe hij niet bang hoefde te zijn, dat zij ontsnappen zou, nam zijn hoed en wenschte hem goedennacht. Bij de kamerdeur bleef hij even staan, keek rond en vroeg of iemand hem de trap af kon bijlichten.
»Licht hem bij,« zei Sikes, die bezig was zijn pijp te stoppen. »'t Zou jammer zijn, als hijzelf zijn nek brak zonder toeschouwers om 't aan te zien. Licht hem bij.«
Nancy volgde met een kaars den ouden man naar beneden. Toen zij in de gang waren, legde hij den vinger op de lippen, schoof dicht naar het meisje toe en fluisterde:
»Wat is er Nancy, meidlief?«
»Wat bedoel je?« vroeg Nancy op denzelfden toon.
»Hoe dat allemaal komt?« antwoordde Fagin. »Als _hij_«--zijn skeletachtige wijsvinger wees naar boven boven--»je zoo hard behandelt, (hij is een verschrikkelijke kerel Nance, een ruw beest) waarom--?«
»Nou?« vroeg Nancy, toen Fagin zweeg met zijn mond bijna tegen haar oor en zijn oogen in de hare.
»'t Doet er niet toe,« zei Fagin. »We zullen er nog wel eens over praten. Ik ben je vriend, Nance, je trouwe vriend. Ik heb de middelen bij de hand, stil en zonder dat iemand 't merkt. Als je wraak wil nemen op wie je dreigen of je 'n hond bent--'n hond! nee erger dan zijn hond, want voor die is hij soms vriendelijk--kom dan bij mij. Kom bij mij. Je kent hem pas kort, maar mij ken je van ouds, Nance.«
»Ik ken je door en door,« antwoordde het meisje, zonder eenige ontroering te doen blijken. »Goeiennacht.«
Zij schrikte terug, toen Fagin zijn hand naar de hare uitstak, maar wenschte nogmaals met vaste stem goedennacht; zijn afscheidsblik beantwoordde zij met een blik van verstandhouding en sloot de deur.
Fagin ging terug naar zijn eigen huis, geheel verdiept in de gedachten, die in zijn hersens werkten.
Hij was op het denkbeeld gekomen--niet door wat zooeven gebeurd was, ofschoon dit zijn overtuiging versterkt had, maar langzamerhand--dat Nancy, de ruwheid van den inbreker moe, zich een of anderen nieuwen vriend had gekozen. Haar veranderde manier van doen, haar herhaald alleen uitgaan, de onverschilligheid, die zij toonde voor de belangen van de bende, waar zij vroeger zoo ijverig aan deelnam, en daarbij gevoegd haar wanhopig verlangen, dien avond op een bepaald uur uit huis te gaan, alles sprak voor de onderstelling en maakte deze, ten minste voor hem, bijna tot zekerheid.
Het voorwerp van deze nieuwe genegenheid behoorde niet tot zijn bende. Met zulk een hulp als Nancy zou die man een waardevol deelgenoot kunnen zijn en Fagin moest zich onverwijld van hem verzekeren.