De avonturen van Oliver Twist

Part 32

Chapter 324,089 wordsPublic domain

Deze achterkamer lag vlak achter het buffet en eenige treden lager dan dit, zoodat iemand, die hier thuis behoorde en een gordijntje wegtrok, dat een klein glasruitje in den muur van het buffet, zoowat vijf voet van den grond af, bedekte, niet alleen de gasten in de achterkamer kon bespieden zonder veel kans te loopen door hen opgemerkt te worden, (het ruitje bevond zich in een donkeren hoek van den muur, waar de bespieder door een dikken rechtopstaanden balk verborgen was) maar, door zijn oor tegen den tusschenmuur te leggen, vrij duidelijk het gesprek kon volgen. De waard had niet langer dan vijf minuten deze spionage-plaats verlaten en Barney had juist zijn boodschap aan Noah gebracht, toen Fagin, in den loop van zijn avondbezigheden, het buffet kwam binnenloopen om naar enkelen van zijn jonge leerlingen te vragen.

»St!« zei Barney, »vreemden in 't achterkamertje.«

»Vreemden!« herhaalde de oude man fluisterend.

»Ja! En rare ook,« voegde Barney er bij. »Van buiten, baar iets voor jou of ik heb 't bis.«

Fagin ontving deze mededeeling blijkbaar met veel belangstelling. Hij klom op een krukje en bracht voorzichtig zijn oog voor het ruitje; van deze geheime observatiepost kon hij zien, hoe Mr. Claypole koud vleesch van den schotel nam en porter uit de kruik en homoeopatische doses van beide aan Charlotte toediende, die er geduldig bij zat en at en dronk, wat hij haar geven wilde.

»Aha!« fluisterde hij tot Barney, »die kerel staat me aan. Hij kan ons van nut zijn; hij weet al hoe hij met 'n meid moet omspringen. Hou je zoo stil als een muis jongen, dan kan ik hooren wat ze zeggen.«

Weer bracht hij zijn oog vóór het ruitje, legde zijn oor tegen den tusschenwand en luisterde met alle aandacht; op zijn gezicht lag een sluwe nieuwsgierige trek, die het op 't gezicht van een ouden kobold deed gelijken.

»Dus nou word ik een heer,« zei Mr. Claypole, zijn beenen uitstrekkend, met welke woorden hij een gesprek voortzette, waarvan Fagin het begin gemist had. »Geen malle doodkisten meer, Charlotte, maar een heerenleventje voor mij; en als jij wil dan ben je 'n dame.«

»Dat wil ik graag genoeg, lieverd,« antwoordde Charlotte, »maar der zijn niet elken dag lâtafels om te leegen zonder dat ze ons bij de kladden krijgen.«

»Lâtafels kennen opvliegen!« zei Mr. Claypole; »der zijn nog andere dingen, die geleegd kennen worden.«

»Wat meen je?« vroeg zijn gezellin.

»Zakken, reticulen, huizen, diligences, banken!« zei Mr. Claypole, opgewonden door het bier.

»Maar dat kan je niet allemaal doen,« zei Charlotte.

»Ik zal zien, met anderen samen te komen, die het wel kunnen,« antwoordde Noah. »Ze zullen ons wel op een of andere manier kunnen gebruiken. Jij alleen bent vijftig vrouwen waard, want ik heb nooit zoo'n sluw, leugenachtig schepsel gezien als jij, als ik je niet onder den duim houd.«

»Gunst, wat heerlijk dat je dat zegt!« riep Charlotte uit en drukte een kus op zijn leelijke gezicht.

»Nou, 't is al mooi; je moet niet al te lief doen als ik kwaad op je ben,« zei Noah en maakte zich met groote strengheid los. »Ik zou graag de hoofdman van een bende willen zijn en ze allemaal de baas wezen en ze overal volgen zonder dat zij 't zelf wisten. Dat zou me bevallen als 't wat opleverde; konden we maar in aanraking komen met een of andere kerel van dit soort, daar zou ik het biljet van twintig pond dat jij hebt, voor over hebben, vooral omdat we toch niet goed weten hoe wij het aan den man zullen brengen.«

Nadat hij dit als zijn oordeel had uitgesproken, blikte Mr. Claypole met een air van diepe wijsheid in de bierkan; hij schudde den inhoud flink door elkaar, gaf Charlotte een genadig knikje en nam een teug, die hem bijzonder scheen te verfrisschen. Hij dacht er juist over, een tweede kan te bestellen, toen hij gestoord werd doordat de deur plotseling openging en een vreemdeling binnenkwam.

De vreemdeling was Mr. Fagin. Hij zag er zeer beminnelijk uit en maakte een diepe buiging, terwijl hij nader kwam, aan het tafeltje naast dat van Noah ging zitten en aan den grinnikenden Barney iets te drinken bestelde.

»Een mooie avond meneer, maar koel voor den tijd van 't jaar,« zei Fagin, zich in de handen wrijvend. »U komt van buiten, zie ik, mijnheer?«

»Hoe ziet u dat?« vroeg Noah Claypole.

»We hebben in Londen zooveel stof niet,« antwoordde Fagin en wees van Noah's schoenen naar die van Charlotte en toen naar de twee pakken.

»U bent 'n snuggere kerel,« zei Noah. »Ha! ha! heb je 't gehoord Charlotte?«

»Ja, mijn waarde heer, in de stad moet je uitgeslapen zijn,« antwoordde de Jood en liet zijn stem tot vertrouwelijk gefluister dalen; »dat is de waarheid.«

Fagin zette deze opmerking kracht bij, door met zijn rechter wijsvinger langs den kant van zijn neus te strijken--een gebaar, dat Noah trachtte na te volgen, ofschoon hij er niet geheel in slaagde, daar zijn neus niet groot genoeg was tot dit doel. Mr. Fagin echter scheen de poging op te vatten als de uitdrukking van volkomen eensgezindheid met zijn oordeel en liet met gul gebaar den drank, dien Barney juist binnenbracht, rondgaan.

»Beste waar, dat!« merkte Mr. Claypole op, met zijn lippen smakkend.

»Maar duur!« zei Fagin. »Als een man dit geregeld wil drinken, moet hij in de gelegenheid zijn, een lade te leegen of een zak of een reticule of een huis of een diligence of een bank.«

Nauwelijks hoorde Mr. Claypole dit uittreksel van zijn eigen opmerkingen of hij viel vol ontzetting terug in zijn stoel en keek met aschgrauw gezicht van den Jood naar Charlotte.

»Maak u niet ongerust,« zei Fagin en trok zijn stoel dichter aan de tafel. »Ha! ha! 'n geluk, dat ik 't maar was, die het toevallig hoorde. 'n Groot geluk, dat ik het maar was.«

»Ik heb niet gestolen,« stamelde Noah; hij stak zijn beenen niet meer rechtuit als een onafhankelijk heer, maar verstopte ze zoo goed mogelijk onder zijn stoel; »_zij_ heeft 't allemaal gedaan; je hebt 't nou nog, Charlotte, dat weet je.«

»'t Komt er niet op aan beste jongen, wie 't heeft of wie 't gedaan heeft!« antwoordde Fagin, maar gluurde desondanks met een haviksblik naar het meisje en de twee bundels. »Ik ben zelf in dat soort zaken en 't bevalt me in je.«

»In wat voor zaken?« vroeg Mr. Claypole, terwijl hij een beetje opleefde.

»Wel--dat soort zaakjes,« herhaalde Fagin, »en de menschen van de herberg hier hooren ook tot ons soort. Je hebt den spijker op den kop geslagen en bent hier zoo veilig als 't maar kan. Er is geen veiliger plaats in heel Londen dan »De Kreupelen;« dat wil zeggen als ik 't veilig wil maken. En jij en die vrouw staan me aan; dus heb ik het wachtwoord gegeven en je hart kan gerust zijn.«

Misschien was Noah's hart gerust na deze verzekering, maar zijn lichaam was 't zeker niet; hij schuifelde heen en weer en wrong zich in allerlei zonderlinge houdingen, terwijl hij zijn nieuwen vriend intusschen met vrees en argwaan opnam.

»Ik zal je nog meer zeggen,« zei Fagin, nadat hij het meisje door vriendelijke knikjes en gemompelde aanmoedigingen gerust gesteld had, »ik heb een vriend, die, naar ik meen, je liefste wensch kan vervullen en je den weg zal wijzen, waarop je kunt kiezen, welke branche van de zaak je denkt, dat je vooreerst het best zou lijken; langzamerhand kun je dan al het andere leeren.«

»U praat of u 't meent,« antwoordde Noah.

»Wat zou ik er aan hebben, het te zeggen als ik 't niet meende?« vroeg Fagin, zijn schouders ophalend. »Hier! Laat me buiten de kamer een woordje met u alleen spreken.«

[Illustratie: FAGIN ZETTE DEZE OPMERKING KRACHT BIJ, DOOR MET ZIJN RECHTER WIJSVINGER LANGS DEN KANT VAN ZIJN NEUS TE STRIJKEN.]

»Daarvoor hoeven we niet uit de kamer te gaan,« zei Noah, terwijl hij allengs zijn beenen weer uitstrekte. »Zij kan in die tijd de bagage boven brengen. Charlotte, zorg voor de pakken!«

Dit bevel, dat met groote majesteit werd gegeven, werd zonder de minste tegenwerping gehoorzaamd; Charlotte sjouwde de pakken weg, terwijl Noah de deur voor haar openhield.

»Ik heb haar goed onder den duim hè?« vroeg hij, op den toon van een dierentemmer, die een of ander wild dier getemd heeft, en ging weer zitten.

»Prachtig!« stemde Fagin toe, en klopte hem op den schouder. »U bent 'n geniale kerel!«

»Ja, als ik dat niet was, was ik nou niet hier,« antwoordde Noah. »Maar als u de tijd verloren laat gaan, komt ze terug.«

»Nou, wat denkt u ervan?« vroeg Fagin. »Als u 't met mijn vriend kon vinden.... zou het dan niet 't best zijn, u bij hem aan te sluiten?«

»Als hij goeie zaken doet, daar komt het opan!« antwoordde Noah met een van zijn oogjes knippend.

»Het neusje van de zalm,« zei Fagin; »hij heeft een massa handen in zijn dienst en de beste lui van 't vak om hem heen.«

»Allemaal uit de stad?« vroeg Claypole.

»Geen één buitenman en ik geloof niet, dat hij u aan zou nemen, zelfs op mijn aanbeveling, als hij niet juist gebrek had aan helpers,« hernam Fagin.

»Moet ik dokken?« vroeg Noah met de hand in zijn broekzak.

»Anders zal het moeilijk gaan,« antwoordde Fagin beslist.

»Twintig pond,--nou 't is 'n heel stuk geld!«

»Niet, als 't 'n biljet is, dat je niet kwijt kunt raken,« wierp Fagin tegen. »Nummer en datum bekend, zeker? En de bank gewaarschuwd om 't niet aan te nemen. Och nee! 't is voor hem niet veel waard. Hij zal 't weer aan anderen moeten geven en er veel op verliezen.«

»Wanneer kan ik hem spreken?« vroeg Noah weifelend.

»Morgenochtend.«

»Waar?«

»Hier.«

»Hm,« zei Noah. »Wat verdien ik er mee?«

»'n Heerenleven--kost en inwoning, pijpen en borrels vrij--de helft van alles wat je verdient en de helft van alles wat de vrouw verdient,« antwoordde Fagin.

Of Noah Claypole, die niet weinig hebzuchtig was--zelfs op dit schitterende aanbod zou zijn ingegaan, wanneer hij geheel vrij man was, is zeer twijfelachtig, doch daar hij bedacht, dat zijn nieuwe kennis 't ingeval van weigering in zijn macht had, hem onmiddellijk aan de justitie over te leveren, (zulke onwaarschijnlijke dingen zijn meer gebeurd) gaf hij langzamerhand toe en zei hoe hij wel dacht, dat 't iets voor hem zijn zou.

»Maar ziet u,« merkte Noah op, »de meid kan 't meeste werk doen, ik zou graag wat licht werk doen.«

»Zoo'n beetje »liefhebberij-werk?«« gaf Fagin aan.

»Ja! zoo iets,« antwoordde Noah. »Wat zou 't best voor me zijn, denkt u? Iets, dat niet te veel inspanning vraagt en niet erg gevaarlijk is, ziet u. Zoo iets meen ik!«

»Ik hoorde je iets noemen als 't bespionneeren van de anderen,« zei Fagin. »Mijn vriend heeft juist groote behoefte aan iemand, die dat goed doet.«

»Ja, daar heb ik wel van gesproken, en ik zou er niet tegen hebben, me daar somtijds voor te laten gebruiken,« zei Mr. Claypole langzaam, »maar 't is geen werk dat wat oplevert.«

»Dat 's waar!« gaf de Jood toe, terwijl hij nadacht of scheen na te denken. »Nee, dat gaat niet.«

»Wat denkt u dan?« vroeg Noah, en keek hem verlangend aan. »Iets sluiperigs, dat vast werk geeft en niet meer gevaar dan of je thuis bent.«

»Wat denk je van de oude dames?« vroeg Fagin. »Der is heel wat geld te maken door hun tasschen en zakken te gappen en de hoek om te hollen.«

»Gillen ze niet verschrikkelijk en krabben ze soms niet?« vroeg Noah hoofdschuddend. »Ik geloof niet, dat dat iets voor mij is. Is er niets anders te vinden?«

»Wacht!« zei Fagin met zijn hand op Noah's knie. »De kuikens!«

»Wat's dat?« vroeg Mr. Claypole.

»Dat zijn de kleine kinderen, die door hun moeders worden uitgestuurd om een boodschap te doen met sixpences en shillings; de kunst is, hun 't geld af te nemen--ze houden 't altijd klaar in hun handen--ze dan in een goot te smijten en heel langzaam weg te gaan, alsof er niets anders gebeurd is dan een kind dat valt en zich pijn doet. Ha! ha! ha!«

»Ha! ha!« brulde Mr. Claypole, van opwinding met zijn beenen trampelend, »God! dat is wat voor me!«

»Natuurlijk,« hernam Fagin, »je kan daar een goeie slag mee slaan in de buurt van Camden Town en Battle Bridge en in zulke buurten, waar altijd kinderen boodschappen gaan doen; je kan daar op elk uur van den dag zooveel kuikens omsmijten als je wil. Ha! ha! ha!«

Fagin gaf Claypole een stomp in de zijde en ze barstten beiden in een luid, langdurig gelach uit.

»'t Is in orde!« zei Noah, toen hij weer tot bedaren was gekomen en Charlotte binnen was. »Hoe laat zullen we zeggen morgen?«

»Is tien uur goed?« vroeg Fagin en voegde er, toen Claypole toestemmend knikte, bij: »Welken naam kan ik aan mijn vriend opgeven?«

»Mijnheer Bolter,« zei Noah, die op dit geval was voorbereid. »Mijnheer Morris Bolter. Dit is juffrouw Bolter.«

»Juffrouw Bolter, uw onderdanige dienaar,« zei Fagin en boog met spottende beleefdheid. »Ik hoop binnenkort nader kennis met haar te maken.«

»Hoor je wat die meneer zegt, Charlotte?« donderde Mr. Claypole.

»Jawel Noah, jawel!« antwoordde juffrouw Bolter en stak haar hand uit.

»Ze noemt me Noah; dat is een soort lief bijnaampje,« zei Mr. Morris Bolter, voorheen Claypole, terwijl hij zich tot Fagin wendde. »Begrijpt u?«

»O ja, ik begrijp 't--volkomen,« antwoordde Fagin en ditmaal sprak hij waarheid. »Goeiennacht! Goeiennacht!«

Met vele goede wenschen en groeten ging Fagin heen.

Noah Claypole vroeg de aandacht van zijn lieve vriendin en begon uit te leggen welk aandeel zij zou hebben in de schikking, zoo juist door hem getroffen; hij deed dit met al de zelfbewustheid en meerderheid, die hem niet alleen toekwam als lid van de sterkere sexe, maar ook als een heer, die wist wat het was, zich speciaal er op toe te leggen, in Londen en zijn omtrek kinderen te bestelen.

HOOFDSTUK XLIII.

Waarin wordt verteld, hoe de Slimme Vos er in vloog.

»En dus was u uw eigen vriend?« vroeg Mr. Claypole, anders genaamd Bolter, toen hij tengevolge van de overeenkomst, tusschen hen gesloten, den volgenden dag naar Fagin's woning verhuisd was. »Stommert die ik ben, maar ik dacht 't gisteravond toch al half!«

»Iedereen is zijn eigen vriend, beste jongen,« antwoordde Fagin met zijn innemendsten grijns. »Hij heeft nergens een beteren vriend dan zichzelf.«

»Soms toch niet,« hernam Morris Bolter, terwijl hij het voorkomen aannam van een man, die de wereld kent. »Sommige menschen zijn de eenige vijanden van zichzelf.«

»Geloof dat toch niet,« zei Fagin. »Als een man zijn eigen vijand is, dan is dat, omdat hij te veel zijn eigen vriend is; niet omdat hij om iedereen geeft, behalve om zichzelf. Poe! zoo iets ligt niet in de natuur van een mensch.«

»En als 't er in ligt, dan moest 't niet zoo zijn,« zei Mr. Bolter.

»Dat spreekt vanzelf,« zei Fagin. »Sommige sterrenwichelaars zeggen, dat drie het magische getal is en anderen zeggen zeven. Maar ze zijn 't geen van beiden, geen van beiden, mijn waarde. 't Is nummer één.«

»Ha! ha!« riep Mr. Bolter. »Nummer één voor eeuwig!«

»In een kleine gemeenschap als de onze, beste jongen,« zei Fagin, die het als noodzakelijk beschouwde, de wederzijdsche positie nauwkeurig aan te duiden, »hebben wij een gemeenschappelijk nummer één, dat wil zeggen, je kan jezelf niet als nommer één beschouwen, zonder mij en al de jongelui ook als nommer één te beschouwen.«

»O, duivels!« riep Mr. Bolter uit.

Fagin deed alsof hij dezen uitroep niet hoorde.

»Zie je,« ging hij voort, »wij behooren zoo bij elkaar en hebben zoozeer dezelfde belangen, dat het zoo moet zijn. Bijvoorbeeld, 't is jouw doel te zorgen voor nommer één--voor jezelf dus.«

»Natuurlijk,« antwoordde Mr. Bolter. »Daar heb je gelijk aan.«

»Nou! Je kan niet voor jezelf zorgen als nommer één of je zorgt ook voor mij, nommer één.«

»Nommer twee meen je,« zei Mr. Bolter, die rijkelijk met zelfzucht begiftigd was.

»Nee, dat zeg ik niet!« wierp Fagin tegen. »Ik ben voor jou even belangrijk als jij voor jezelf bent.«

»Nou nou,« viel Mr. Bolter in, »je bent 'n slimmerd en je staat me wel aan; maar we zijn toch nog niet zulke dikke vrienden.«

»Denk maar eens na,« zei Fagin, de schouders ophalend en zijn handen uitstekend, »beschouw de zaak eens goed. Gesteld, je hebt iets gedaan, dat heel mooi is en dat ik prachtig van je vind, maar wat tegelijk je de das aandoet, die das, die zoo makkelijk wordt toegehaald en zoo moeielijk is los te maken, in goed Engelsch: de strop!«

Mr. Bolter bracht zijn hand bij zijn halsdoek, alsof die erg knelde en mompelde iets, wat, naar den toon te oordeelen, als een instemming klonk.

»De galg,« ging Fagin voort--»de galg is een leelijke handwijzer, die wijst naar een heel korten en heel scherpen hoek, waartegen menige flinke kerel op den grooten weg is doodgeloopen. Op den veiligen weg te blijven en dien handwijzer op een afstand te houden, is doel nommer één voor je.«

»Natuurlijk,« antwoordde Mr. Bolter. »Maar waarom praat je over zulke dingen?«

»Alleen om je mijn meening duidelijk te maken,« zei de Jood en trok zijn wenkbrauwen omhoog. »Om je doel te bereiken, hang je van mij af. Om mijn zaakje aan den gang te houden, hang ik van jou af. Het eerste is jouw nommer één, het tweede mijn nommer één. Hoe meer waarde je hecht aan jouw nommer één, hoe beter je voor het mijne moet zorgen; zoo zijn wij eindelijk beland bij wat ik je het eerst zeide--dat de liefde voor nommer één ons allen te zamen houdt, en dit moet doen, of wij gaan met ons allen te gronde.«

»Dat's waar,« stemde Mr. Bolter nadenkend toe. »O, je bent 'n slimme grijskop.«

Mr. Fagin zag tot zijn groote vreugd, dat deze lofspraak op zijn bekwaamheden niet maar een complimentje was, maar dat hij werkelijk in zijn nieuwen leerling het bewustzijn had gewekt van zijn buitengewone sluwheid en dat was bij 't begin van hun kennismaking voor hem van groot belang. Om dezen nuttigen en gewenschten indruk te versterken, liet hij dezen eersten stoot volgen door Noah in bijzonderheden op de hoogte te brengen van de uitgestrektheid en macht van zijn werkzaamheden; hij mengde waarheid en fictie dooreen, zooals het best was voor zijn doel; hij deed dit zoo kunstig, dat het ontzag van Mr. Bolter zichtbaar aangroeide en tegelijk getemperd werd door eenige weldadige angst, waar Fagin bijzonder veel waarde aan hechtte.

»Het is dit wederzijdsche vertrouwen, door ons in elkander gesteld, dat mij troost onder zware verliezen,« zei Fagin. »Gistermorgen werd mijn beste helper van mij weggenomen.«

»U wilt toch niet zeggen, dat hij dood is?« riep Mr. Bolter.

»Neen, neen,« antwoordde Fagin, »zoo erg is 't niet. Zoo erg niet.«

»Dus ik denk, dat hij--«

»Vermist is,« viel Fagin in. »Ja, hij werd vermist.«

»Op een bijzondere manier?« vroeg Bolter.

»O nee,« antwoordde Fagin, »'t was niets bijzonders. Hij werd beschuldigd van pogingen tot zakkenrollerij en ze vonden een zilveren snuifdoos op hem--zijn eigen snuifdoos, want hij snoof zelf en was er dol op. Ze hielden hem vast tot vandaag, want ze dachten den eigenaar uit te zullen vinden. O! hij was vijftig snuifdoozen waard en ik zou graag het geld, dat ze waard zijn, geven, om hem terug te hebben. Je had de Vos moeten kennen, beste jongen; je had de Vos moeten kennen.«

»Ik zal hem leeren kennen, hoop ik; denkt u niet?« zei Mr. Bolter.

»Ik twijfel er aan,« antwoordde Fagin met een zucht. »Als ze geen nieuwe bewijzen tegen hem in handen krijgen wordt het een veroordeeling tot lichte straf en dan hebben we hem over een week of zes terug; maar als ze nieuwe bewijzen hebben, dan wordt 't zand kruien. Ze weten hoe slim hij is; hij wordt 't voor z'n leven. De Vos krijgt niet minder.«

»Wat bedoel je hiermee?« vroeg Mr. Bolter. »Waarom praat je zóó met me; waarom spreek je niet dat ik je kan begrijpen?«

Fagin stond op 't punt de geheimzinnige uitdrukkingen in gewone spreektaal over te brengen, waardoor Mr. Bolter zou vernemen dat die woorden beteekenden: »levenslange deportatie,« toen het gesprek gestoord werd door de komst van jongeheer Bates; hij liep met zijn handen in zijn broekzakken en op zijn gezicht lag een half komieke, half bedroefde uitdrukking.

»'t Is uit, Fagin,« zei Charley, toen hij en de nieuwe gast aan elkaar voorgesteld waren.

»Wat bedoel je?«

»Ze hebben den eigenaar van de snuifdoos uitgevonden; twee of drie zijn ook nog voor den dag gekomen om hem als den dader aan te wijzen en de Vos staat op de lijst voor de zeereis,« antwoordde Bates. »Ik moet een volledig rouwpak hebben, Fagin, en een rouwband om mijn hoed om hem op te zoeken eer hij weggaat. Te denken, dat Jack Dawkins--reuzen-Jack--de Vos--de Slimme Vos--weg zal gaan voor een gemeene snuifdoos van een paar pence! Ik had nooit gedacht, dat hij 't voor minder zou gedaan hebben dan voor een gouden horloge met ketting en cachet. O! waarom heeft hij niet een rijken ouden meneer alles van waarde afgegapt, dan ging hij tenminste weg als een gentleman en niet als een gewone zakkenroller zonder eer of glorie!«

Met deze woorden, die aantoonden hoe hij met zijn ongelukkigen vriend meevoelde, viel Mr. Bates bedroefd en verslagen op den eersten stoel den beste neer.

»Wat praat je, dat hij zonder eer en glorie weggaat?« riep Fagin, en wierp zijn leerling een woedenden blik toe. »Was hij niet altijd de eerste van jullie allen! Is er een onder jullie die ook maar in zijn schaduw kan staan? Nou?«

»Geen één,« antwoordde Bates, met een stem heesch door ontroering, »geen één.«

»Wat praat je dan?« viel Fagin nijdig uit, »en waarom grien je?«

»Omdat 't niet in 't vonnis staat,« zei Charley, die door zijn droefheid om 't lot van zijn vriend al meer en meer overstuur raakte; »omdat 't niet uitkomt in de beschuldiging; omdat niemand ook maar voor de helft zal weten wat hij was. Hoe zal hij geboekt staan in het jaarboek van Newgate? Misschien staat hij er heelemaal niet in. O! jandoppie! jandoppie! wat 'n slag!«

»Ha! ha!« riep Fagin, terwijl hij zijn rechterhand uitstak en zich zóó gichelend tot Mr. Bolter wendde, dat hij er van schudde of hij een beroerte kreeg, »kijk eens aan, hoe trotsch zij op hun vak zijn. Is dat niet mooi?«

Mr. Bolter knikte toestemmend; Fagin bleef het verdriet van Charley Bates gedurende eenige seconden met blijkbare voldoening aankijken, ging toen naar dat jongemensch toe en klopte hem op den schouder.

»Trek 't je maar niet aan, Charley,« zei Fagin troostend, »'t komt uit, 't komt zeker uit. Allemaal zullen ze weten, wat een slimme kerel hij was; hij zal 't zelf aan den dag brengen en zijn vroegere makkers en leermeester geen schande aandoen. En denk es hoe jong hij nog is. Wat een onderscheiding, Charley, om op dien leeftijd al 't land uit gestuurd te worden!«

»Ja, 't is 'n eer, dâ's waar!« zei Charley een beetje getroost.

»Hij zal alles hebben wat hij noodig heeft,« ging de Jood voort. »In de gevangenis zal hij wonen als een heer, Charley. Als een heer! Met zijn biertje elken dag en geld in zijn zak om kruis of munt mee te gooien, als hij 't niet uit kan geven.«

»Zal hij dat heusch hebben?« riep Charley Bates.

»Ja natuurlijk,« antwoordde Fagin, »en om hem te verdedigen nemen we een beroemde ouwe pruik, Charley--die den grootsten mond op kan zetten; en als hij wil, kan hij zichzelf ook nog verdedigen en we lezen het allemaal in de couranten--Slimme Vos--uitbundig gelach--het hof daverde ervan--nou Charley--hè?«

»Ha! ha!« lachte jongeheer Bates, »wat 'n stel zou dat zijn, Fagin! Wat zou de Slimme ze der tusschen nemen!«

»Zou!« riep Fagin. »Hij moèt--hij zàl!«

»Ja natuurlijk,« herhaalde Charley en wreef zich in de handen.

»Ik zie 'm al,« riep de Jood en keek zijn leerling aan.

»Ik ook!« riep Charley Bates. »Ha! ha! ha! ik ook!«

»Ik zie 't allemaal voor me, bij m'n ziel Fagin. Wat 'n mop! Wat 'n heerlijke mop! Al die pruiken die probeeren ernstig te kijken en Jack Dawkins, die ze allemaal net zoo bekend en huiselijk toespreekt of ie de eigen zoon van den rechter was, die een toast slaat na 't diner--ha! ha! ha!«