Part 31
Mr. Brownlow knikte. Mr. Grimwig, die van zijn stoel was opgestaan en een uiterst stijve buiging had gemaakt, maakte opnieuw een uiterst stijve buiging en liet zich weer in zijn stoel vallen.
»U zult heel verwonderd zijn, denk ik,« zei Rose met natuurlijke verlegenheid, »maar u hebt vroeger eens groote goedheid en vriendelijkheid bewezen aan een vriendje van me en zeker zal 't u interesseeren, weer iets van hem te hooren.«
»Werkelijk?« vroeg de heer Brownlow.
»U kende hem als Oliver Twist,« hernam Rose.
Nauwelijks waren de woorden haar van de lippen, of de heer Grimwig, die bezig was, in een groot boek, dat op tafel lag te bladeren, sloeg het met een luiden slag dicht en viel terug in zijn stoel; met onverholen verbazing op zijn gezicht bleef hij Rose aanstaren; toen, als beschaamd omdat hij zooveel ontroering getoond had, deed hij een heldhaftige poging zijn vorige houding weer aan te nemen en strak voor zich uit kijkend, stiet hij een hard en lang gefluit uit, dat zich echter niet in de ledige lucht scheen op te lossen, doch in den diepsten schuilhoek van zijn maag scheen weg te sterven.
De heer Brownlow was niet minder verbaasd, ofschoon zijn verwondering zich niet op dezelfde excentrieke manier uitte. Hij trok zijn stoel dichter bij die van Miss Maylie en zeide:
»Doe mij het genoegen, juffrouw, en laat de goedheid en vriendelijkheid waarvan u spreekt en waar niemand anders van weet, geheel buiten kwestie; als u het in uw macht heeft, eenige feiten aan 't licht te brengen die verandering kunnen brengen in het ongunstige oordeel, dat ik eens gedwongen was over dat arme kind te koesteren, zeg ze mij dan om 's Hemels wil.«
»Een slechte jongen! Ik wil mijn hoofd opeten als 't geen slechte jongen is!« gromde mijnheer Grimwig, als een buikspreker geluid voortbrengend zonder een spier van zijn gezicht te vertrekken.
»Hij is een kind met een nobelen aard en een warm hart,« zei Rose blozend; »de Macht, die het noodig heeft gevonden, hem boven zijn jaren te beproeven, heeft in zijn hart gevoelens en teederheden gelegd waar zelfs iemand, die zesmaal zoo oud was als hij, zich niet over zou behoeven te schamen.«
»Ik ben maar één en zestig,« zei de heer Grimwig met hetzelfde onbewegelijke gezicht. »En de drommel mag me halen als die Oliver niet minstens twaalf jaar oud is, dus ik zie 't nut van deze opmerking niet in.«
»Let maar niet op mijn vriend, Miss Maylie,« zei de heer Brownlow, »hij meent niet wat hij zegt.«
»Dat doet hij wel,« gromde Mr. Grimwig.
»Dat doet hij niet,« zei Mr. Brownlow en werd blijkbaar driftig onder het spreken.
»Hij zal zijn hoofd opeten als 't niet waar is,« gromde Mr. Grimwig.
»Hij verdiende, dat 't afgeslagen werd, als het waar was,« zei Mr. Brownlow.
»En hij zou wel eens willen zien, wie dat doen wou,« antwoordde Mr. Grimwig, met zijn stok op den vloer stampend.
Toen zij zoo ver gekomen waren, namen beide oude heeren met ernstige gezichten een snuifje en schudden toen elkaar de hand, volgens hun onveranderlijke gewoonte.
»Nu, Miss Maylie,« zei de heer Brownlow, »om op het onderwerp terug te komen, waarin uw menschlievendheid zooveel belang stelt. Wilt u mij vertellen, wat u van den armen jongen afweet? U wilt mij wel toestaan eerst te verklaren, dat ik alle middelen, hem te ontdekken, heb uitgeput, en dat, sedert ik buitenlands was, mijn eerste indruk van hem--dat hij mij had voorgelogen en door zijn vroegere kameraden overgehaald was, mij te bestelen, een grooten schok heeft gekregen.«
Rose had intusschen tijd gehad, haar gedachten te verzamelen en vertelde nu in weinige welgekozen woorden, alles wat er met Oliver gebeurd was, sinds hij het huis van den heer Brownlow verliet; Nancy's mededeeling bewaarde zij voor een onderhoud met hem alleen, doch besloot met de verzekering, dat Oliver's eenige verdriet in de afgeloopen maanden daarin had bestaan, dat hij zijn vroegeren weldoener en vriend niet kon spreken.
»Goddank!« zei de oude heer. »Dit maakt me heel gelukkig--heel gelukkig. Maar u hebt me nog niet verteld, waar hij nu is, Miss Maylie.--Vergeef me, dat ik 't ronduit zeg, maar waarom heeft u hem niet meegebracht?«
»Hij wacht in 't rijtuig voor de deur,« antwoordde Rose.
»Voor deze deur!« riep de oude heer uit. Zonder een woord meer te zeggen holde hij de kamer uit, de trap af, de tree van de koets op en in de koets.
Toen de kamerdeur achter hem dicht ging, lichtte Mr. Grimwig zijn hoofd op, gebruikte één van de achterpooten van zijn stoel als spil en beschreef zoo, in den stoel zittende, met behulp van zijn stok en de tafel, drie cirkels. Nadat dit kunststuk volbracht was, stond hij op en hinkte zoo vlug hij kon, ten minste twaalf keer de kamer op en neer; toen bleef hij vóór Rose staan en gaf haar zonder eenige plichtpleging een kus.
»St!« zei hij, toen 't meisje bij deze ongewone handelwijze een beetje verschrikt opsprong, »Wees niet bang. Ik ben oud genoeg om je grootvader te zijn. Je bent 'n lief meisje. Ik houd van je. Daar zijn ze!«
Terwijl hij zich met een handigen zwaai weer in zijn stoel wierp, kwam werkelijk Mr. Brownlow terug met Oliver, die door Mr. Grimwig zeer genadig ontvangen werd; als 't geluk van dit oogenblik de eenige belooning was geweest voor al haar angst en zorg ter wille van Oliver, zou Rose Maylie zich goed beloond rekenen.
»Er is nog iemand, die we ondertusschen niet mogen vergeten,« zei de heer Brownlow en schelde. »Laat juffrouw Bedwin boven komen.«
De oude huishoudster gaf dadelijk aan den oproep gehoor; ze maakte een buiging bij de deur en wachtte op verdere bevelen.
»Jij wordt elken dag blinder, Bedwin,« zei Mr. Brownlow, ietwat knorrig.
»Dat is zoo mijnheer,« antwoordde de oude dame. »De oogen van de meeste menschen worden er niet beter op mijnheer, als ze zoo oud zijn als ik.«
»Dat kan ik je ook wel zeggen,« viel Mr. Brownlow in, »maar zet je bril op en kijk eens of je niet ontdekken kunt, waarom wij je hier lieten komen.«
De oude dame begon in haar zak te rommelen naar haar bril. Maar Oliver's geduld hield 't niet langer uit; gehoor gevend aan zijn verlangen, sprong hij in haar armen.
»God moge me zegenen!« riep de oude dame, hem omhelzend, »'t is mijn onschuldige jongen!«
»Mijn lieve verpleegster!« riep Oliver.
»Ik wist wel, dat hij terug zou komen--ik wist 't wel,« zei de oude dame met haar armen om hem heen. »Wat ziet hij er goed uit en gekleed als de zoon van een heer! Waar ben je al dien tijd geweest? Hè! 't zelfde lieve gezicht, maar niet zoo bleek; dezelfde lieve oogen, maar niet zoo droevig. Ik heb ze nooit vergeten en ook niet zijn stille glimlach; elken dag heb ik ze voor me gezien, met de gezichten van mijn eigen lieve kinderen; zooals die waren, toen ik nog een vroolijk, jong ding was. Nu zijn ze dood of weg.«
Zoo vertelde de goede ziel voort, hield nu eens Oliver op een afstand om te zien hoe hij gegroeid was, en trok hem dan weer tegen zich aan, streek liefkoozend met haar vingers door zijn haar en lachte en schreide bij beurten.
De heer Brownlow liet haar en Oliver alleen om op hun gemak verder te praten en bracht Rose in een andere kamer; hier kreeg hij van Rose een volledig verslag van haar onderhoud met Nancy, hetgeen hem niet weinig verbaasde en in de war bracht. Rose legde ook uit, waarom zij liever haar vriend Dr. Losberne niet terstond in vertrouwen had genomen. De oude heer vond, dat zij voorzichtig gehandeld had en bood bereidwillig aan, zelf met den waardigen dokter te beraadslagen. Om hem in staat te stellen, zoo spoedig mogelijk aan dit voornemen gevolg te geven, werd besloten, dat hij om acht uur dien avond aan het hôtel zou komen en dat mevrouw Maylie in dien tijd op de hoogte zou worden gebracht van alles, wat was voorgevallen. Toen deze voorbereidingen getroffen waren, keerden Rose en Oliver naar huis terug.
Rose had zich volstrekt geen te groot denkbeeld gemaakt van des dokters woede. Nauwelijks had hij Nancy's geschiedenis gehoord of hij stootte een stortvloed van bedreigingen en verwenschingen uit; dreigde dat Nancy het eerst door Blathers en Duff ingerekend zou worden en zette zelfs zijn hoed op om dadelijk de hulp van die beide waardige heeren in te gaan roepen. Ongetwijfeld zou hij, in zijn eersten drift, zonder een oogenblik over de gevolgen na te denken, zijn plan ten uitvoer hebben gebracht, indien hij niet teruggehouden was, ten deele door een even groote heftigheid van den heer Brownlow, die zelf van een driftig temperament was, en ten deele door overredingen en voorstellingen, die wel in staat waren, hem van zijn heetgebakerd voornemen af te brengen.
»Wat moet er dan gebeuren, voor den duivel?« zei de driftige dokter, toen zij weer bij de twee dames waren.
»Moeten wij een adres van dankbaarheid opstellen aan al die vagebonden, mannen en vrouwen, en hun verzoeken een honderd pond te willen aannemen of zoo, als een nederig blijk van onze hoogachting en een klein bewijs van erkentelijkheid voor hun vriendelijkheid tegenover Oliver?«
»Dat nu juist niet,« zei de heer Brownlow lachend, »maar we moeten zachtjes en heel voorzichtig te werk gaan.«
»Zachtheid en voorzichtigheid,« riep de dokter. »Ik zal ze allemaal naar--«
»'t Komt er niet op aan, waar u ze naar toe wilt sturen,« viel Mr. Brownlow in. »Maar de vraag waar ze heen gestuurd zullen worden, heeft weinig te maken met het doel, dat wij voor oogen hebben.«
»Wat voor doel?« vroeg de dokter.
»Eenvoudig, Oliver's familie uit te vinden en voor hem de hand te leggen op de erfenis, waarvan hij--als het verhaal waar is--wederrechtelijk werd beroofd.«
»Ha!« zei de heer Losberne en wuifde zich koelte toe met zijn zakdoek, »dat vergat ik haast.«
»U ziet,« ging de heer Brownlow voort, »al laten we dat arme meisje heelemaal buiten kwestie en al zou het mogelijk zijn, die schurken aan de justitie over te leveren zonder haar veiligheid in gevaar te brengen--wat voor goeds zouden we daarmee uitrichten?«
»We zouden er tenminste een stuk of wat aan de galg krijgen en de rest gedeporteerd,« zei de dokter.
»Wel mogelijk,« hernam de heer Brownlow met een glimlach, »maar naar alle waarschijnlijkheid zullen zij dat na verloop van tijd wel zelf over zich brengen en 't komt mij voor, dat als wij stappen doen op dien tijd vooruit te loopen, wij iets heel zots doen, en iets, dat recht tegen ons eigen belang ingaat--of ten minste tegen Oliver's belang, wat hetzelfde is.«
»Hoedat?« vroeg de dokter.
»Wel--'t is duidelijk, dat wij groote moeite zullen hebben, tot dit geheim door te dringen, tenzij wij dien man, dien Monks, op zijn knieën kunnen brengen. Dat kan alleen door een krijgslist gebeuren en door hem te vangen als hij die andere schurken niet om hem heen heeft. Want, gesteld hij werd gearresteerd, dan hebben we geen bewijzen tegen hem. Hij is zelfs niet, (voor zoover wij weten en naar de feiten te oordeelen) betrokken bij één van de diefstallen. Als hij niet vrijgesproken werd, zou hij toch waarschijnlijk geen andere straf kunnen krijgen, dan als vagebond en heler, en dan zou natuurlijk zijn mond voor altijd zoo volkomen gesloten zijn, dat hij wat ons betreft, evengoed doofstom, blind en idioot kon zijn.«
»Dan,« zei de dokter driftig, »dan moet u eens zeggen, of u het verstandig vindt, dat wij de belofte aan dat meisje gedaan, als bindend beschouwen; een belofte, die met de beste en vriendelijkste bedoeling werd gegeven, maar die toch werkelijk....«
»Begin niet over dit punt te discussiëeren, meisjelief,« zeide Mr. Brownlow, terwijl hij Rose, die op het punt was te spreken, in de rede viel. »De belofte zal gehouden worden; ik denk, dat dit in 't minst geen bezwaar bij onze werkzaamheden op zal leveren. Maar, eer wij onze gedragslijn precies vaststellen, zal het noodig zijn, die vrouw te spreken, en ons ervan te verzekeren dat zij ons dien Monks aan wil wijzen, met dien verstande, dat hij alleen met ons te doen zal krijgen en niet met de wet; of wanneer zij dit niet kan of wil doen, zoodanige aanwijzing omtrent zijn verblijf en beschrijving van zijn persoon te verkrijgen, dat deze ons in staat zullen stellen hem te vinden. We kunnen haar pas zondagavond ontmoeten; 't is nu dinsdag. Ik stel voor, dat wij in dien tusschentijd volkomen zwijgen en deze zaken geheim houden, zelfs voor Oliver.«
Ofschoon Dr. Losberne allerlei scheeve gezichten trok bij een voorstel, dat een uitstel van vijf heele dagen meebracht, was hij gedwongen toe te stemmen, voor 't oogenblik niets beters te weten; en daar Rose en mevrouw Maylie beiden met allen ijver den kant van den heer Brownlow kozen, werd het voorstel van dezen heer met algemeene stemmen aangenomen.
»Ik zou graag,« zeide hij, »de hulp van mijn vriend Grimwig inroepen. Hij is een beetje vreemd, maar zeer scherpzinnig en kan ons van werkelijk nut zijn; ik kon hier vertellen dat hij advocaat is geweest en de rechtbank verliet uit teleurstelling, omdat hij in twintig jaar maar één zaak kreeg en dat nog een heel onbelangrijke, maar of dit een aanbeveling is of niet, moet u maar voor u zelf uitmaken.«
»Ik heb er niet op tegen, dat u uw vriend er in haalt, als ik den mijne er in mag halen,« zei de dokter.
»We moeten er over stemmen,« antwoordde Mr. Brownlow, »wie is het?«
»De zoon van die dame, en de.... jeugdvriend van deze jonge dame,« zei de dokter, met een knikje naar mevrouw Maylie en een welsprekenden blik naar haar nichtje.
Rose kleurde hevig, maar zij maakte geen hoorbare tegenwerping tegen dit voorstel, (misschien voelde zij, dat ze hopeloos in de minderheid was) en dus werden Harry Maylie en de heer Grimwig aan het comité toegevoegd.
»Wij blijven natuurlijk in de stad,« zei Mevrouw Maylie, »zoolang er maar eenig uitzicht is het onderzoek met kans op succes te kunnen voeren. Ik zal moeite noch kosten sparen ten behoeve van de zaak, waarin wij allen zooveel belang stellen, en zoo lang u mij verzekert, dat er eenige hoop overblijft, wil ik met pleizier hier blijven, al duurt het twaalf maanden.«
»Goed!« stemde de heer Brownlow toe. »Ik lees op de gezichten om mij heen de neiging, te vragen, hoe het kwam, dat ik er niet was om Oliver's verhaal te bevestigen en waarom ik zoo plotseling buitenslands was gegaan, doch laat mij het beding maken, dat mij geen vragen gedaan zullen worden, eer het tijdstip is gekomen, waarop 't mij goed zal dunken alle vragen te voorkomen door mijn eigen geschiedenis te vertellen. Geloof mij, ik heb goede redenen voor dat verzoek, want anders zou ik misschien verwachtingen opwekken, die nooit verwezenlijkt zullen worden en de moeielijkheden en teleurstellingen, die er al genoeg zijn, nog vermeerderen. Kom! Het souper is opgediend en Oliver, die alleen is in de kamer hiernaast, zal wel beginnen te denken, dat wij genoeg van zijn gezelschap hebben en een of andere duistere samenzwering smeden om hem de wijde wereld in te jagen.«
Bij deze woorden reikte de oude heer zijn hand aan mevrouw Maylie en bracht haar in de kamer, waar het avondeten klaar stond. Dokter Losberne volgde met Rose en zoo was de vergadering voor het oogenblik opgeheven.
HOOFDSTUK XLII.
Een oude kennis van Oliver legt besliste bewijzen van genie aan den dag en wordt een publiek persoon in de hoofdstad.
Op den avond, toen Nancy, nadat zij Mr. Sikes in slaap gesust had, naar Rose Maylie op weg was om daar haar vrijwillige zending te volbrengen, liepen op den Great North Road, in de richting van Londen, twee personen, aan wie ons verhaal eenige aandacht dient te schenken.
Het waren een man en een vrouw, of misschien is het juister te zeggen een mannelijk en een vrouwelijk wezen; want de eerste was een van die waggelende, beenige figuren met lange ledematen en doorzakkende knieën, wier juiste leeftijd heel moeielijk te bepalen is--terwijl zij nog jongens zijn zien zij er uit als slecht uitgegroeide mannen en als ze bijna man zijn als uit hun kracht gegroeide jongens. De vrouw was jong, maar sterk en forsch gebouwd, wat zij noodig had om in staat te zijn het gewicht van den zwaren bundel te torschen, die op haar rug gesnoerd was. Haar metgezel had zich niet met bagage overlast; het eenige was een klein pakje in een zakdoek geknoopt, dat aan een stok over zijn schouder bengelde en er licht genoeg uitzag. Deze omstandigheid, gevoegd bij de buitengewone lengte van zijn beenen, deed hem gemakkelijk een zestal passen voor zijn gezellin uit loopen; nu en dan keerde hij zich tot haar met een ongeduldig hoofdschudden, als om haar haar traagheid te verwijten en tot grooter inspanning aan te sporen.
Zoo zwoegden zij voort langs den stoffigen weg, zonder veel notitie te nemen van eenig voorwerp, dat hun voor oogen kwam, behalve als zij op zij gingen om de postwagens, die uit de stad aan kwamen ratelen, voorbij te laten gaan. Toen zij de bogengang van Highgate door waren, bleef de voorste voetganger staan en riep zijn tochtgenoote ongeduldig toe:
»Kom nou, kan je niet meer? Wat ben jij 'n luiwammes, Charlotte.«
»'t Is een heele vracht, dat verzeker ik je,« zei de vrouw en kwam, hijgend van vermoeienis, bij hem aan.
»'n Vracht! Waar heb je 't over? Waar ben je dan voor gemaakt?« zei de mannelijke reiziger en gooide onder het spreken zijn kleine bundeltje over den anderen schouder. »O, daar moet ze alweer rusten! Als jij iemands geduld niet uitput, weet ik niet, wat 't dan wel doen kan!«
»Is 't nog ver?« vroeg de vrouw; zij leunde tegen een aarden wal en keek naar hem op, terwijl het zweet haar over het gezicht gudste.
»Nog ver! We zijn zoo goed als aan 't eind,« zei de langbeenige wandelaar, terwijl hij vóór zich uit wees. »Kijk! Dat zijn de lichten van Londen.«
»'t Is minstens nog 'n goede twee mijl,« zei de vrouw neerslachtig.
»'t Doet er niet toe, of 't twee mijlen of twintig ver is,« zei Noah Claypole, want hij was het; »maar sta op, of ik zal je beenen leeren maken.«
Noah's roode neus werd nog rooder van boosheid en hij stak den weg over alsof hij aanstalten maakte, zijn bedreiging ten uitvoer te brengen; de vrouw stond zonder eenige verdere opmerking op en zwoegde weer naast hem voort.
»Waar denk je vannacht te blijven, Noah?« vroeg ze, nadat zij een paar honderd yards voort waren geloopen.
»Hoe weet ik dat?« antwoordde Noah, wiens stemming er door de wandeling niet beter op was geworden.
»Dichtbij, hoop ik?« zei Charlotte.
»Nee, niet dichtbij,« antwoordde Mr. Claypole. »Daar! Niet dichtbij; denk dat maar niet.«
»Waarom niet?«
»Als ik je zeg, dat ik iets doe, dan is dat genoeg, zonder waaroms of daaroms,« antwoordde Mr. Claypole waardig.
»Nou, je hoeft niet zoo te snauwen,« zei Charlotte.
»'t Zou prachtig zijn, hè, om bij de eerste de beste herberg buiten de stad halt te houden, zoodat Sowerberry, als hij ons achterna komt, dadelijk zijn neus naar binnen kan steken en ons in een kar terug kan laten brengen met de handboeien aan,« zei Mr. Claypole op smalenden toon. »Nee! ik ga door de nauwste steegjes dwalen, die ik vinden kan en sta niet stil eer wij bij de afgelegenste herberg zijn gekomen, waar m'n oog op valt. Je mag je gesternte wel danken dat ik ten minste hersens heb, want als we eerst niet expres den verkeerden weg waren ingeslagen en door de velden weer teruggekomen, zou je zoo zeker als twee maal twee vier is een week geleden al opgesloten zijn. En dan had je je verdiende loon, omdat je een zottin bent.«
»Ik weet wel, dat ik niet zoo snugger ben als jij,« hernam Charlotte, »maar je hoeft mij niet van alles de schuld te geven en te zeggen, dat _ik_ opgesloten zou zijn. Als ik opgesloten was, zou jij in elk geval mee zijn gegaan.«
»Jij heb 't geld uit de lâ genomen, dat weet je ook wel,« zei Mr. Claypole.
»Ik heb 't voor jou genomen, Noah, lieverd,« wierp Charlotte tegen.
»Heb ik 't gehouden?« vroeg Mr. Claypole.
»Neen, je vertrouwde op me en laat 't mij dragen, omdat je een lieverd bent,« zei Charlotte, terwijl zij hem om de kin streelde en haar arm door den zijne stak.
Dit was inderdaad het geval; doch daar het niet Mr. Claypole's gewoonte was, een blind en dwaas vertrouwen te stellen in wie ook, moeten wij, om hem recht te doen, opmerken, dat hij Charlotte hierin zijn vertrouwen had geschonken, opdat het geld, wanneer ze vervolgd werden, op haar gevonden zou worden; dit zou hem de gelegenheid schenken, zijn onschuld aan elken diefstal te bewijzen en zijn kansen om te ontsnappen zeer vergemakkelijken. Natuurlijk trad hij onder de gegeven omstandigheden niet in een verklaring van zijn beweegredenen, en zij liepen zeer eendrachtig voort.
Tengevolge van zijn omzichtig plan, liep Mr. Claypole voort zonder stil te staan, tot zij bij »de Engel« in Islington kwamen, waar de massa voorbijgangers en het groote aantal voertuigen hem terecht op het denkbeeld brachten, dat hier Londen in ernst begon. Een oogenblik stilstaande om te zien, wat de drukke straten waren, die hij dus vermijden moest, ging hij St. John's Road in en verloor zich spoedig in het duistere warnet van vuile straten, die tusschen Gray's Inn Lane en Smithfield liggen en dit stadsgedeelte maken tot een van de slechtste en gemeenste, dat niettegenstaande alle verbeteringen midden in Londen is blijven bestaan.
Door deze straten liep Noah Claypole, Charlotte achter zich aan zeulend; nu eens stapte hij in de goot langs de straat om met één blik het uiterlijk voorkomen van de een of andere herberg op te nemen; dan sjokte hij weer voort, omdat iets in het uiterlijk van 't huis hem deed denken, dat het te druk bezocht was om hem dienstig te zijn. Eindelijk bleef hij staan vóór een herberg, de onaanzienlijkste en smerigste die hij nog gezien had; nadat hij naar den overkant van de straat was gegaan en het huis vandaar af had opgenomen, gaf hij genadig zijn voornemen te kennen, hier nachtverblijf te zoeken.
»Geef mij het pak,« zei Noah, terwijl hij het Charlotte afnam en 't over zijn eigen schouders wierp, »en pas op, dat je niet praat, behalve als ze tegen jou praten. Hoe heet de herberg--de--de drie--wat?«
»Kreupelen,« zei Charlotte.
»Drie Kreupelen,« herhaalde Noah, »'n best uithangbord, dat moet ik zeggen. Nou! Blijf vlak achter me; kom.«
Met deze vermaningen duwde hij de krassende deur met zijn schouder open en ging, gevolgd door zijn gezellin, de herberg binnen.
Er stond niemand bij het buffet als een jonge Jood, die, met zijn ellebogen op de toonbank, een vuile courant stond te lezen. Hij keek Noah strak aan en Noah keek hem strak aan.
Als Noah zijn liefdadigheidskleeren aan had gehad, zou er eenige reden voor den Jood zijn geweest zijn oogen zoo wijd open te sperren; doch daar hij de jas met de opslagen had uitgelaten en een korten kiel boven zijn leeren broek droeg, scheen er geen bijzondere reden te zijn waarom zijn verschijning in een herberg zoozeer de aandacht zou trekken.
»Is dit »De drie Kreupelen?«« vroeg Noah.
»Dat is de daam van dit 'uis,« antwoordde de Jood.
»We komen van buiten en een meneer dien wij onderweg tegenkwamen, heeft ons deze herberg genoemd,« zei Noah, Charlotte aanstootend, misschien om haar aandacht te vragen voor dezen vernuftige manier, zich een houding te geven, misschien om haar te waarschuwen geen verwondering te verraden. »We willen hier vannacht slapen.«
»'k Weet diet zeker of 't khan,« zei Barney--want hij was de gedienstige geest, »maar 'k zal 't vragen.«
»Wijs ons de gelagkamer en geef ons wat koud vleesch en een kruik bier, terwijl je 't gaat vragen,« zei Noah.
Barney voldeed aan dit verzoek door hen naar een klein achtervertrekje te brengen, waar hij het bestelde voor hen neerzette; daarna bracht hij de boodschap, dat de reizigers daar dien nacht konden logeeren en liet het beminnelijke paar aan hun maaltijd.