De avonturen van Oliver Twist

Part 3

Chapter 33,999 wordsPublic domain

Baas Gamfield stootte een woeste verwensching uit tegen den ezel in 't algemeen, doch meer in 't bijzonder tegen zijn oogen; hij liep hem na en gaf hem een slag op zijn kop, die elken anderen schedel dan dien van een ezel verbrijzeld zou hebben. Toen, den teugel grijpend, gaf hij een geweldigen ruk aan den bek van den ezel, bij wijze van vriendelijke herinnering, dat het dier zijn eigen meester niet was en keerde hem op deze wijze om. Toen gaf hij hem nog een slag op zijn kop, genoeg om het dier te versuffen tot hij terugkwam. Nadat hij deze maatregelen getroffen had, liep hij naar de poort om het biljet te lezen. De heer met het witte vest had zich juist in de vergaderkamer van eenige zijner diepste gevoelens ontlast en stond nu, met zijn handen op den rug, in de poort. Nadat hij de kleine oneenigheid tusschen baas Gamfield en zijn ezel had waargenomen, glimlachte hij verheugd toen de man terugkwam om het biljet te lezen; hij zag dadelijk, dat baas Gamfield juist de meester was, dien Oliver Twist noodig had. Baas Gamfield glimlachte ook, terwijl hij het papier doorlas, want vijf pond was precies de som die hij noodig had, en wat den jongen betreft, die aan het geld vastzat, baas Gamfield, die de regels van het armhuis kende, wist wel, dat 't een aardig tenger exemplaartje zou zijn, juist geschikt voor de nieuwsoortige schoorsteenen. Dus spelde hij het biljet nog eens van begin tot eind, tikte toen bij wijze van eerbiedbetuiging tegen zijn bonten muts en wendde zich tot den heer met het witte vest.

»Die jongen meneer, die de gemeente 'n ambacht wil laten leeren....?« zeide baas Gamfield.

»Ja....« zeide de heer met het witte vest met een minzaam glimlachje. »Wat wil je zeggen?«

»Als de gemeente hem 'n gemakkelijk, prettig vak wil laten leeren in een goed bekend staande schoorsteenvegerszaak,« zei baas Gamfield,.... »ik heb 'n leerjongen noodig en dan wil ik hem wel hebben.«

»Kom binnen,« zei de heer met het witte vest.

Baas Gamfield bleef nog even achter om den ezel een tweeden slag op zijn kop te geven en nog een ruk aan zijn bek, als een vermaning niet weg te loopen terwijl hij er niet was, en volgde toen den heer met het witte vest naar de kamer, waar Oliver deze het eerst gezien had.

»Het is een smerig vak,« zeide mijnheer Limbkins, toen Gamfield opnieuw zijn wensch te kennen had gegeven.

»'t Is wel gebeurd, dat kleine jongens gestikt zijn in een schoorsteen,« zeide een andere heer.

»Dat komt omdat ze het stroo nat maken eer ze het aansteken in de schoorsteen als de jongen weer na beneden mot kommen,« zei Gamfield, »dan is 't niks as rook en geen vuur, en die rook helpt niks om 'n jongen na beneden te laten kommen, ze vallen dervan in slaap en dat willen ze net. Jongens zijn erg koppig en erg lui, heeren, en niks helpt zoo as 'n flinke heete vlam om ze as de wind na beneden te laten kommen. En 't is menschelijk ook, heeren, want as der één steken blijft in de schoorsteen en z'n voeten brandt, dan spartelt hij net zoo lang tot hij der uit is.«

De heer met het witte vest scheen bijzonder veel schik te hebben in dit verhaal, maar zijn vroolijkheid werd spoedig gedempt door een wenk van mijnheer Limbkins. Gedurende eenige minuten overlegden de Regenten met elkaar, doch op zóó zachten toon, dat alleen de woorden »besparing van onkosten,« »maakt 'n goed figuur in de boeken,« »een gedrukt rapport uitgeven« te hooren waren. En dit alleen omdat ze zoo dikwijls met grooten nadruk herhaald werden.

Eindelijk zweeg het gefluister, en toen de leden van het bestuur hunne plaatsen weer ingenomen en hun plechtig voorkomen weer aangenomen hadden, zeide mijnheer Limbkins:

»We hebben uw voorstel overwogen, en wij gaan er niet accoord mee.«

»Volstrekt niet,« zeide de heer met het witte vest.

»In geen geval,« voegden de andere leden er bij.

Daar baas Gamfield toevallig onder de lichte verdenking stond, reeds twee of drie jongens doodgeranseld te hebben, kwam de gedachte in hem op, dat de Regenten het misschien wel uit een of andere onverklaarbare gril in hun hoofd hadden gekregen, dat deze buitengewone omstandigheid hen van verdere onderhandelingen behoorde te doen afzien. Wel zou dit, als het zoo was, geheel buiten hun gewone manier van zaken doen liggen, maar, daar hij niet bepaald verlangde het gerucht weer te zien oprakelen, draaide hij zijn muts rond in zijn handen en ging langzaam van de tafel weg.

»Dus krijg ik 'm niet, heeren?« zei baas Gamfield, terwijl hij bij de deur bleef staan.

»Neen,« antwoordde mijnheer Limbkins »ten minste, we vonden dat u, daar het zoo'n vuil vak is, met wat minder tevreden moest zijn dan de premie, die wij aanboden.«

Het gezicht van baas Gamfield klaarde op; met een paar snelle stappen ging hij terug naar de tafel en zeide: »Wat wil u geven, heeren? Wees niet te hard voor een armen man. Wat wil u geven?«

»Ik zou zeggen, drie pond tien is meer dan genoeg,« zeide mijnheer Limbkins.

»Tien shilling te veel,« zei de heer met het witte vest.

»Kom!« zeide Gamfield, »zeg vier pond, heeren. Zeg vier pond, en u bent 'm voor goed kwijt. Dáár?«

»Drie pond tien,« herhaalde mijnheer Limbkins op vasten toon.

»Kom! laten we het verschil deelen, heeren,« hield Gamfield aan. »Drie pond vijftien shillings.«

»Geen cent meer,« was het besliste antwoord van mijnheer Limbkins.

»U bent ellendig hard voor me, heeren,« zeide Gamfield weifelend.

»Och wat! Nonsens!« zei de heer met het witte vest. »Hij zou nog goedkoop zijn zonder premie. Neem 'm, dwaze kerel! Hij is net de jongen die je hebben moet. Hij heeft de stok noodig nu en dan, dat zal hem goed doen; en in de kost hoeft hij niet duur te zijn, want hij is van zijn geboorte af niet overvoerd. Ha! ha! ha!«

Baas Gamfield wierp ter sluiks een blik op de gezichten rond de tafel, en toen hij op alle een glimlach ontdekte, begon hij langzamerhand ook te glimlachen. De koop was gesloten. Mr. Bumble werd er terstond van op de hoogte gebracht, dat Oliver Twist nog denzelfden middag vóór het gemeentebestuur gebracht zou worden, waar het contract als leerjongen moest worden overgelegd en geteekend.

Tengevolge van dit besluit werd kleine Oliver tot zijn groote verbazing uit de gevangenschap ontslagen en ontving het bevel, zich in een schoon hemd te steken. Nauwelijks had hij dezen zeer ongewonen gymnastischen toer verricht, of Mr. Bumble bracht hem eigenhandig een kom pap en de feestelijke toegift van twee en een kwart ons brood. Bij dit ontstellende gezicht begon Oliver erbarmelijk te schreien; hij dacht, wat niet te verwonderen was, dat de Regenten besloten moesten hebben hem te slachten voor een of ander nuttig doel; anders zouden zij er nooit toe komen, hem op deze manier vet te mesten.

»Huil je oogen niet rood, Oliver, maar eet je pap en wees dankbaar,« zeide Mr. Bumble op indrukwekkenden, hoogdravenden toon. »Je gaat een leerjongen worden, Oliver.«

»Een leerjongen, meneer?« vroeg het kind bevend.

»Ja, Oliver,« zeide Mr. Bumble. »De goede, vriendelijke heeren, die zoo goed als vader en moeder voor je zijn, nu je ze zelf niet hebt, gaan je in de leer doen; ze geven je een plaats in de maatschappij en maken een man van je, ofschoon het de gemeente drie pond en tien shillings kost--drie pond tien Oliver--zeventig shillings--één honderd en veertig sixpences!--en dat allemaal voor een rakkert van een weesjongen, waar niemand van houden kan.«

Toen Mr. Bumble zweeg om adem te halen, nadat hij met een geweldige stem zijn woorden ten einde had gebracht, rolden de tranen den armen jongen langs de wangen en hij snikte droevig.

»Kom,« zei Mr. Bumble, iets minder geweldig, want hij voelde zich gestreeld door den indruk, dien zijn welsprekendheid maakte, »kom Oliver! Veeg je oogen af met de mouwen van je kiel en huil niet in je pap; dat is een gekke manier van doen, Oliver.« Dit was het zeker, want er was al meer dan genoeg water in.

Op weg naar het gemeentebestuur lichtte meneer Bumble Oliver in, dat, al wat hij te doen had, daarin bestond, er vroolijk uit te zien, en als de meneer vroeg of hij graag in de leer ging, moest hij zeggen, dat hij 't erg graag wou. Oliver beloofde beide voorschriften te gehoorzamen, te gereeder op een vriendelijken wenk van Mr. Bumble, dat, als hij in één van beide te kort schoot, er iets met hem zou gebeuren, waarvoor geen woorden te vinden waren. Toen zij op het bureau kwamen, werd hij alleen in een klein kamertje opgesloten, en door Mr. Bumble vermaand hier te blijven tot hij terugkwam om hem te halen.

Hier bleef de jongen, met bonzend hart, ongeveer een half uur. Na verloop van welken tijd Mr. Bumble zijn hoofd, zonder den steek, door de deur stak en hardop zeide:

»Nou, Oliver, beste jongen, kom voor de heeren.«

Terwijl Mr. Bumble dit zeide, voegde hij er een boozen, dreigenden blik bij en zeide met zachte stem: »Denk aan wat ik je gezegd heb, kleine rakker!«

Bij deze eenigszins tegenstrijdige toespraak keek Oliver Mr. Bumble onschuldig aan, doch deze heer voorkwam een aanmerking, door Oliver onmiddellijk in een aangrenzend vertrek te brengen, waarvan de deur openstond. Het was een ruime kamer met een groot raam. Achter een lessenaar zaten twee oude heeren met gepoederde hoofden; één van hen las de courant, terwijl de ander met behulp van een schildpadden bril een velletje perkament, dat voor hem lag, bestudeerde. Mijnheer Limbkins stond aan den éénen kant vóór den lessenaar en baas Gamfield, met een ten deele gewasschen gezicht, aan den anderen, terwijl twee of drie barsch-uitziende mannen met kaplaarzen aan heen en weer liepen. De oude heer met den bril dutte langzamerhand in over zijn velletje perkament, en er was een oogenblik van stilte, nadat Oliver door Mr. Bumble vóór den lessenaar was gezet.

»Hier is de jongen, Edelachtbare,« zeide Mr. Bumble.

De oude heer, die de courant zat te lezen, hief een oogenblik het hoofd op en trok den anderen ouden heer bij zijn mouw, waarop de laatste wakker werd.

»O, is dat de jongen?« zei de oude heer.

»Dat is hij, mijnheer,« antwoordde Mr. Bumble. »Maak een buiging voor den raadsheer, jongenlief.«

Oliver raapte zijn moed te zamen en maakte zijn mooiste buiging. Terwijl hij naar het gepoederde haar van den raadsheer keek, had hij zich afgevraagd, of alle raadsheeren met dat witte goedje op hun hoofd geboren zouden worden en of ze daarom soms raadsheer waren.

»En,« zei de oude heer, »hij houdt zeker veel van schoorsteenvegen?«

»Hij is er gewoon dol op, Edelachtbare,« antwoordde Bumble, terwijl hij Oliver een kneepje gaf om hem te beduiden, dat hij niet moest zeggen, dat hij er niet dol op was.

»Dus hij kiest het schoorsteenvegersvak?« vroeg de oude heer verder.

»Als we hem morgen op een ander ambacht deden, zou hij direct wegloopen, Edelachtbare,« antwoordde Bumble.

»En deze man moet dus zijn baas worden--nietwaar vriend--u zult hem goed behandelen en te eten geven en wat er meer voorkomt, nietwaar?« vroeg de oude heer.

»As ik zeg dâ 'k 't doen zal, dan zal 'k 't doen,« antwoordde baas Gamfield norsch.

»Je woorden zijn ruw, vriend, maar je ziet er uit als een eerlijk, openhartig man,« zeide de oude heer, terwijl hij zijn bril in de richting wendde van den candidaat voor Oliver's premie, wiens schurkentronie den onmiskenbaren stempel van wreedheid droeg. Doch de raadsheer was half blind en half kindsch, dus was 't niet met rede van hem te verwachten dat hij zou onderscheiden wat anderen terstond in het oog viel.

»Dat hoop ik, meneer,« zei baas Gamfield met een loenschen blik.

»Ik twijfel er niet aan, goede vriend,« hernam de oude heer, terwijl hij zijn bril steviger op zijn neus drukte en rondkeek naar den inktkoker.

Dit was het beslissende oogenblik voor Oliver's lot. Als de inktkoker gestaan had, waar de oude heer dacht dat hij was, zou deze zijn pen er in gedoopt en het contract geteekend hebben, en Oliver zou dadelijk weggebracht zijn. Maar nu de inktkoker toevallig vlak voor zijn neus stond, was het natuurlijk, dat hij er overal op den lessenaar naar begon te zoeken zonder hem te vinden, en toen hij onder het zoeken toevallig recht voor zich uitkeek, ontmoette zijn blik het bleeke, verschrikte gezichtje van Oliver Twist; de uitdrukking van angst en schrik waarmee het kind, ondanks Bumble's vermanende blikken en knepen, het terugstootende uiterlijk van zijn toekomstigen meester aankeek, was te tastbaar om misverstaan te worden, zelfs door een halfblinden raadsheer.

De oude heer hield op met zoeken, legde zijn pen neer en keek van Oliver naar mijnheer Limbkins, die zijn best deed, met een vroolijk, argeloos gezicht een snuifje te nemen.

»Beste jongen!« zeide de oude heer, terwijl hij zich over den lessenaar heenboog. Oliver schrikte op. Dat was geen wonder, want de woorden werden op vriendelijken toon gezegd en vreemde klanken maken iemand aan het schrikken. Hij begon hevig te trillen en barstte in tranen uit.

»Beste jongen!« zei de oude heer, »je ziet er bleek en verdrietig uit. Wat scheelt er aan?«

»Ga een beetje verder van hem af staan, bode,« zeide de andere raadsheer, terwijl hij het papier ter zijde legde en zich belangstellend voorover boog. »Nu jongen, zeg eens wat er aan scheelt, wees maar niet bang.«

[Illustratie: OLIVER VIEL OP ZIJN KNIEËN EN SMEEKTE NAAR DE DONKERE KAMER TERUGGESTUURD TE MOGEN WORDEN.]

Oliver viel op zijn knieën en smeekte met gevouwen handen, teruggestuurd te mogen worden naar de donkere kamer,--hij wou honger lijden--geslagen worden--doodgemaakt worden als 't moest--alles liever dan met dien vreeselijken man mee te moeten gaan.

»Ik moet zeggen!« zeide Mr. Bumble, terwijl hij handen en oogen met indrukwekkend, plechtig gebaar ten hemel hief, »ik moet zeggen, van alle sluwe en leugenachtige weeskinderen, die ik ooit gezien heb, Oliver, ben jij een van de onbeschaamdste.«

»Houd je mond, bode,« zei de tweede oude heer, toen Mr. Bumble op deze wijze zijn verontwaardiging gelucht had.

»Neem me niet kwalijk, Edelachtbare,« zei Mr. Bumble, die niet kon gelooven, dat hij goed gehoord had. »Heeft u Edelachtbare het tegen mij?«

»Ja. Houd je mond.«

Mr. Bumble was stom van verbazing. Een gemeentebode zou zijn mond moeten houden! Een zedelijke revolutie!

De oude heer met den schildpadden bril keek zijn collega aan, deze knikte veelbeteekenend.

»Wij weigeren dit leerjongen-contract te onderteekenen,« zei de oude heer, terwijl hij het velletje perkament onder het spreken terzijde schoof.

»Ik hoop,« stamelde mijnheer Limbkins, »ik hoop, dat de heeren niet van oordeel zullen zijn, dat het bestuur zich schuldig zou hebben gemaakt aan plichtsverzuim en dit op de door niets gesteunde getuigenis van een kind.«

»Wij zijn niet bevoegd over deze zaak ons oordeel uit te spreken,« zeide de tweede oude heer op scherpen toon. »Neem den jongen weer mee naar het armhuis en behandel hem vriendelijk. Dat schijnt hij noodig te hebben.«

Dien avond verklaarde de heer met het witte vest vast en stellig, dat Oliver niet alleen gehangen zou worden, maar geradbraakt en gevierendeeld bovendien.

Mr. Bumble schudde zijn hoofd met sombere geheimzinnigheid en zeide te wenschen, dat Oliver nog goed terecht zou komen, waarop baas Gamfield wenschte, dat hij bij _hem_ zou komen, hetgeen, ofschoon hij 't in de meeste opzichten met den bode eens was, op een wensch duidde van gansch tegenovergestelde meening.

Den volgenden morgen werd het publiek er opnieuw van in kennis gesteld, dat Oliver Twist »Te Huur« was, en dat vijf pond betaald zou worden aan dengene, die zich van hem meester maakte.

HOOFDSTUK IV.

Er wordt Oliver een andere betrekking aangeboden, waardoor hij het openbare leven binnengaat.

In groote gezinnen is het algemeen gewoonte, de opgroeiende zoons, wanneer er voor hen niet, hetzij door 't bezit van fortuin, hetzij door de verwachting van een erfenis of een titel, een of andere voordeelige betrekking is te verkrijgen, naar zee te zenden.

In navolging van dit wijze en heilzaam werkende voorbeeld, beraadslaagden de Regenten over de wenschelijkheid om Oliver Twist in te schepen op een of ander klein koopvaardijvaartuig, met bestemming naar een flink ongezonde haven; dit scheen wel het allerbeste wat bij mogelijkheid met hem gedaan kon worden, daar de waarschijnlijkheid bestond, dat de schipper hem een of anderen dag in een vroolijke bui na het middagmaal dood zou ranselen of zijn hersens in zou slaan met een ijzeren stang; beide liefhebberijen zijn, zooals algemeen bekend is, een zeer geliefd en gewoon tijdverdrijf onder heeren van dien stand. Hoe meer de Regenten het geval uit dit oogpunt beschouwden, hoe veelvuldiger de voordeelen schenen, aan dezen stap verbonden; dus kwamen zij tot het besluit, dat de eenige manier om afdoende voor Oliver te zorgen, daarin bestond, hem zonder verwijl naar zee te zenden.

Mr. Bumble was er op uit gezonden om verschillende voorbereidende informaties te nemen, ten einde een of anderen kapitein te ontdekken, die een scheepsjongen zonder bloedverwanten of vrienden kon gebruiken. Hij kwam naar het armhuis terug om verslag te doen over het resultaat van zijn zending, toen hij bij de poort niemand anders ontmoette dan Mr. Sowerberry, den lijkbezorger van de gemeente.

Mr. Sowerberry was een lange, knokige, sterk-gebouwde man, gekleed in een kaal zwart pak met gestopte katoenen kousen van dezelfde kleur en bijbehoorende schoenen. Zijn gezicht was van nature niet aangelegd om te glimlachen, doch in 't algemeen scheen hij wel geneigd tot de boertigheid, die bij zijn beroep behoorde. Terwijl hij naar Mr. Bumble toekwam en hem vriendschappelijk de hand schudde, was zijn stap veerkrachtig en zijn gezicht sprak van innerlijke opgeruimdheid.

»Ik heb de maat genomen van de twee vrouwen, die vannacht gestorven zijn, meneer Bumble,« zeide de lijkbezorger.

»U zult nog rijk worden, meneer Sowerberry,« zei de bode, terwijl hij duim en wijsvinger in de aangeboden snuifdoos van den lijkbezorger stak; die doos was een op geestige wijze uitgevoerd model van een doodkist. »Ik zeg, u zult nog rijk worden, meneer Sowerberry,« herhaalde Bumble, terwijl hij den lijkbezorger vriendschappelijk met zijn wandelstok op den schouder klopte.

»Zou u denken?« vroeg de lijkbezorger op een toon, die de mogelijkheid van het geval half toegaf en half in twijfel trok. »De prijzen, die de Regenten toestaan, zijn heel laag, meneer Bumble.«

»De kisten ook,« viel de bode in, met juist zooveel van de zweem van een lach als bij zijn gewichtigheid paste.

Mr. Sowerberry vond dat heel grappig--wat niet meer dan gepast was--en lachte een heele poos zonder ophouden.

»Ja, ja, meneer Bumble,« zei hij eindelijk, »'t valt niet tegen te spreken, dat de kisten, sedert het nieuwe systeem van voeding werd ingevoerd, ietwat smaller en ondieper zijn dan vroeger, maar we mogen wel eens een voordeeltje hebben, meneer Bumble. Goed gedroogd hout is een kostbaar ding, meneer, en al de ijzeren handvatsels komen langs het kanaal van Birmingham.«

»Ja, ja,« zei Bumble, »elk vak heeft zijn nadeelen. En een behoorlijke winst is natuurlijk geoorloofd.«

»Natuurlijk, natuurlijk,« hernam de lijkbezorger, »en als ik op een of ander artikel niet veel winst maak, dan komt dat terecht door de hoeveelheid--ha! ha! ha!«

»Zoo is 't,« zei meneer Bumble.

»Ofschoon ik moet zeggen,« ging de lijkbezorger voort, terwijl hij weer terugkwam op zijn ambtelijke opmerkingen, die door den bode onderbroken waren, »ofschoon ik moet zeggen, meneer Bumble, dat ik tegen één groot nadeel te kampen heb: dat is, dat de stevigst-gebouwde menschen 't eerst heengaan. De menschen, die betere dagen gekend en die jarenlang hun belasting betaald hebben, zijn 't eerst weg als zij in het Huis komen, en u begrijpt, meneer Bumble, dat drie of vier duim hout boven je berekening een heel gat is in je winst, vooral als men een gezin te onderhouden heeft, meneer.«

Daar Mr. Sowerberry dit zeide met de gepaste verontwaardiging van een verongelijkt man, en Mr. Bumble voelde, hoe hier allicht een of andere overdenking op kon volgen, die de eer van de Gemeente raakte, vond de laatste het geraden, van onderwerp te veranderen. En daar zijn geest zich 't laatst met Oliver Twist had bezig gehouden, nam hij hem als onderwerp.

»Wat ik zeggen wil,« zei Mr. Bumble, »u weet soms niet iemand die een jongen noodig heeft? Een leerjongen van de Gemeente, die op 't oogenblik een drukkende last is, een molensteen, mag ik wel zeggen, om den hals van de Gemeente? Op prachtige voorwaarden, meneer Sowerberry, prachtige voorwaarden.« Terwijl Mr. Bumble sprak, hief hij zijn wandelstok op naar het biljet boven zijn hoofd en gaf drie veelbeteekenende tikken op de woorden »vijf pond,« die in reusachtig groote hoofdletters gedrukt waren.

»Net zoo!« zei de lijkbezorger, terwijl hij Mr. Bumble bij de slip van zijn uniform-jas trok, »daar wou ik u juist over spreken. U weet--allemachtig, wat zijn dat een mooie knoopen, meneer Bumble, daar heb ik nog nooit op gelet.«

»Ja, leelijk zijn ze niet,« zei de bode en keek met trots naar beneden langs de groote koperen knoopen, die zijn jas versierden. »De voorstelling er op is dezelfde van het stadszegel--de Barmhartige Samaritaan, die den zieken, gewonden man verzorgt. De Regenten hebben ze mij op Nieuwjaarsmorgen gegeven, meneer Sowerberry. Ik had ze voor 't eerst aan mijn jas, herinner ik mij, toen ik de lijkschouwing bijwoonde van dien armen koopman, die 's nachts op onze stoep was gestorven.«

»O ja, dat herinner ik mij,« zei de lijkbezorger. »De uitspraak van de Jury luidde: »gestorven door invloed van de koude en gebrek aan de noodzakelijkste levensbehoeften,« is 't niet?«

Mr. Bumble knikte.

»En de Juryleden gaven, geloof ik, nog bijzondere nadruk aan hun uitspraak,« zeide de lijkbezorger, »door er bij te voegen, dat, als de beambte, die hem vond--«

»Pf! Nonsens!« viel de bode in. »Als de Regenten wilden letten op al de nonsens, die door domme Juryleden wordt uitgekraamd, zouden zij wel dagwerk hebben.«

»Daar hebt u gelijk aan,« zei de lijkbezorger, »dat zouden zij zeker.«

»Juryleden,« zeide Mr. Bumble, terwijl hij zijn wandelstok vaster beet greep, zooals zijn gewoonte was wanneer hij in opwinding geraakte, »Juryleden zijn onbeschaafde, leelijke, gemeene ellendelingen.«

»Zegt u dat wel,« zei de lijkbezorger.

»Ze hebben niet zóóveel philosofie of politiek in hun lijf!« zei de bode, minachtend met zijn vingers knippend.

»Zegt u dat wel,« stemde de lijkbezorger in.

»Ik veracht ze,« zei de bode en werd vuurrood in zijn gezicht.

»Ik ook,« stemde de lijkbezorger in.

»En ik wou, dat we zoo'n onafhankelijke Jury eens een paar weken in het Huis hadden,« zei de bode; »het reglement en de voorschriften van de Regenten zouden die kerels gauw genoeg klein krijgen.«

»Daar kan u van op aan,« hernam de lijkbezorger.

Hierbij glimlachte hij instemmend, om de stijgende woede van den verontwaardigden gemeente-ambtenaar tot bedaren te brengen.

Mr. Bumble nam zijn steek af, haalde een zakdoek uit den bol, wischte het zweet, dat zijn woede had doen uitbreken, van zijn voorhoofd, zette zijn steek weer op en zeide, tot den lijkbezorger gewend, op kalmer toon:

»Nu, wat wou u zeggen over den jongen?«

»O ja!« hernam de lijkbezorger, »u weet, meneer Bumble, dat ik heel wat betaal in de armen-belasting.«

»Hm!« zei Mr. Bumble. »En....?«

»En,« hernam de lijkbezorger, »ik dacht zoo, dat als ik zooveel voor de armen betaal, ik ook 't recht heb, zooveel uit ze te halen als ik kan, meneer Bumble, en daarom--en daarom--geloof ik, dat _ik_ den jongen zal nemen.«

Mr. Bumble nam den lijkbezorger onder den arm en bracht hem binnen het gebouw. Mr. Sowerberry beraadslaagde vijf minuten met de Regenten; toen was het vastgesteld, dat Oliver nog dienzelfden avond naar hem toe zou gaan »op proef«--dat wil in het geval van een gemeente-leerjongen zeggen, dat als de baas na korten proeftijd bevindt, genoeg werk uit den jongen te kunnen krijgen, zonder al te veel voedsel in hem te brengen, hij hem voor een aantal jaren kan behouden om met hem te doen wat hij wil.