De avonturen van Oliver Twist

Part 24

Chapter 244,113 wordsPublic domain

Deze bittere teleurstelling bracht Oliver veel leed en verdriet zelfs te midden van zijn geluk; gedurende zijn ziekte had hij zich honderdmaal met genot voorgesteld, wat de heer Brownlow en juffrouw Bedwin zeggen zouden, en hoe heerlijk het zou zijn hun te vertellen, hoeveel dagen en nachten hij had doorgebracht met aan hen te denken en aan wat zij voor hem hadden gedaan en met 't betreuren van zijn wreede scheiding van hen. Ook had de hoop, zich tegenover hen te kunnen rechtvaardigen en uit te kunnen leggen, hoe hij met geweld weggevoerd was, hem onder vele van zijn beproevingen opgemonterd en gesteund, en nu was het denkbeeld, dat zij zoo ver weg waren gegaan en de overtuiging met zich meedroegen, dat hij een brutale dief was--een overtuiging, die nu misschien zijn leven lang onweersproken zou blijven--bijna meer dan hij dragen kon.

Het gebeurde bracht evenwel geen verandering in het gedrag van zijn weldoeners. Veertien dagen later, toen het mooie warme weer was begonnen en alle boomen en bloemen hun jonge blaadjes en welige bloesems ontplooiden, werden er toebereidselen gemaakt om het huis in Chertsey voor eenige maanden te verlaten. Het zilver, dat zoo zeer Fagin's begeerte had opgewekt, werd naar de bank gebracht, de zorg voor het huis aan Giles en een anderen bediende opgedragen; daarna ging de familie naar een landhuis, dat een eind verder het land in lag en namen Oliver mee. Wie zal de vreugde en het genot beschrijven, de liefelijke rust en de vrede in zijn hart, die de herstellende jongen vond in de geurige buitenlucht en tusschen de groene heuvels en welige bosschen van een landelijk dorp! Wie kan in woorden uitdrukken hoe tooneelen van vrede en rust inwerken op de ziel der afgesloofde bewoners van dichtbevolkte, rumoerige steden, en welken diepen indruk de frischheid van het buitenleven maakt op hunne vermoeide harten! Menschen, die een zwoegleven geleid hebben in dichtbevolkte enge stegen en die nooit naar verandering gehaakt hebben; menschen voor wie de gewoonte werkelijk tot een tweede natuur is geworden, en die er bijna toe gekomen zijn te houden van elken steen en elke dakpan waartusschen zij hun dagelijksche wandeling volbrengen, zelfs zij hebben, wanneer zij den dood nabij waren, eindelijk gesmacht naar één blik op het gelaat der Natuur; en wanneer zij weggebracht werden, ver van het tooneel hunner oude smarten en genoegens, schenen zij tot een nieuw bestaan te ontwaken. Terwijl zij zich elken dag naar een groen zonnig plekje sleepten, wekte de aanblik van den hemel, van de heuvels, de wijde vlakten en het blinkende water zulke herinneringen in hen op, dat hun sterven verzacht werd door een voorsmaak van den hemel en zij in het graf zonken even vredig als de zon, die zij enkele uren tevoren van uit het raam hunner eenzame kamer zagen ondergaan, voor hun omfloerste zwakke oogen verdween. De herinneringen, die een rustig landschap in ons opwekt, zijn niet van deze wereld, noch van de verwachtingen en gedachten dezer wereld. Hun liefelijke invloed moge ons leeren, hoe wij frissche kransen moeten vlechten voor de graven van hen, die wij liefhadden; moge onze gedachten verreinen en alle oude vijandschap en haat in ons onderdrukken; maar behalve dit alles, draagt zelfs de meest gedachtelooze geest een vaag en halfgevormd bewustzijn in zich om dergelijke gevoelens reeds gekoesterd te hebben lang te voren in een ver-affe, lang verleden tijd; dit besef roept ernstige gedachten op aan tijden, die nog komen zullen en buigt de trots der wereld neder.

Het was een liefelijk oord, waarheen zij gingen. Oliver, die tot nu toe zijn dagen had doorgebracht onder vuile menschen, te midden van rumoer en geschreeuw, scheen hier een nieuw leven begonnen te zijn. Rozen en kamperfoelie klommen tegen de muren van het huis; om oude boomstammen slingerde zich de klimop en de bloemen in den tuin wademden heerlijke geuren uit. Dichtbij lag een klein kerkhof, niet overvol groote, leelijke grafmonumenten, maar met bescheiden grafheuvels, overgroeid met frisch gras en mos, waaronder de oude menschen van het dorp te ruste waren gelegd. Hier dwaalde Oliver dikwijls rond en als hij dacht aan het armzalige graf, waarin zijn moeder rustte, ging hij somwijlen zitten en schreide stil; doch wanneer hij zijn oogen ophief naar den diepblauwen hemel boven zich, dacht hij niet langer aan haar, alsof zij in den grond lag, en zijn verlangend weenen om haar werd vrij van pijn.

Het was een gelukkige tijd. De dagen waren vredig en helder, de nachten brachten zorg noch angst; geen gedachten aan een vreeselijke gevangenis of slechte menschen, waaraan hij geketend was; niets dan prettige en gelukkige gedachten. Elken morgen ging hij naar een ouden heer met wit haar, die dicht bij de kerk woonde; deze leerde hem beter lezen en schrijven en sprak zoo vriendelijk en gaf zich zooveel moeite voor hem, dat Oliver zich nooit genoeg in kon spannen om het hem naar den zin te maken. Daarna ging hij gewoonlijk wandelen met Mevrouw Maylie en Rose en hoorde haar over boeken spreken, of hij zat op een schaduwrijk plekje bij haar en luisterde, terwijl het jonge meisje voorlas; dit zou hij hebben willen doen tot het te donker werd om de letters te zien. Hij had werk te maken voor zijn les van den volgenden dag en daar werkte hij hard voor in een klein kamertje, dat op den tuin uitzag; dan viel de avond langzamerhand en gingen de dames gewoonlijk weer wandelen en hij met haar; met wat een plezier luisterde hij naar alles wat zij spraken en hoe gelukkig maakte het hem als zij om een bloem vroegen, die hij met eenige moeite plukken moest, of als zij iets vergeten hadden en hij kon terugloopen om het te halen en in een ommezien weer terug te zijn. Als het geheel donker was geworden en zij weer in huis waren, placht het jonge meisje voor de piano te gaan zitten en een mooi lied te spelen, of wel zij zong met zachte, lieve stem een of andere oude melodie, die haar tante graag hoorde. Op zulke avonden werden de kaarsen niet opgestoken en Oliver zat gewoonlijk voor het raam en luisterde in verrukking naar de liefelijke muziek. En de Zondag, hoe heel anders werd die doorgebracht dan hij dien dag tot nu toe had doorgebracht en hoe heerlijk was dit evenals al de andere dagen van dezen gelukkigen tijd. 's Morgens was daar het kerkje, waar de groene bladeren langs de ramen streken; buiten zongen de vogels en de zacht geurende lucht sloop door de lage deuren binnen en vervulde het gezellige gebouwtje met zijn aroma. De arme menschen zagen er zoo netjes en zindelijk uit en knielden zoo vroom neer in gebed, dat het scheen alsof zij voor hun plezier hier samenkwamen en niet om een lastigen plicht te vervullen en ofschoon het zingen wat ruw van toon was, klonk het welgemeend en (tenminste in Oliver's ooren) muzikaler dan eenig kerkgezang, dat hij nog gehoord had. Dan volgden de gewone wandelingen en vele bezoeken aan de zindelijke boerenhuisjes en 's avonds las Oliver een paar hoofdstukken voor uit den bijbel, waar hij de heele week op gestudeerd had; bij het vervullen van die taak voelde hij zich zoo trotsch en gelukkig alsof hij de dominee zelf was.

's Morgens stond Oliver om zes uur op, dwaalde door de velden en plunderde wijd en zijd de heggen om bossen wilde bloemen te verzamelen; met zijn armen volgeladen kwam hij thuis. Dan kostte het heel wat zorg en hoofdbreken, de bloemen zoo mooi mogelijk te schikken ter versiering van de ontbijttafel. Ook bracht hij frisch muurt mee voor de vogels van Miss Maylie, waarmee Oliver, die onder de bekwame leiding van den dorpsonderwijzer het onderwerp bestudeerd had, de kooien op smaakvolle wijze versierde. Als de vogels allen hun dagelijksche verzorging en opknap gehad hadden, was er meestal een of ander te brengen aan een arm gezin in het dorp, of anders speelde hij cricket op het grasveld, of anders was er altijd wel wat in den tuin te doen of met de planten. Oliver had hiervan ook een en ander geleerd van denzelfden meester, die plantkundige van beroep was en legde er zich met veel goeden wil op toe. Daarna verscheen Miss Rose en prees hem met duizend glimlachjes voor alles wat hij gedaan had.

Zoo gingen drie maanden voorbij; drie maanden, die in het leven van den mensch, die 't meest door de fortuin gezegend was, vol onvermengd geluk geweest zouden zijn, en die in Oliver's leven als een paradijs-periode waren. Aan den eenen kant de zuiverste en meest innemende gulheid, aan den anderen kant de meest oprechte, warme, diepgevoelde dankbaarheid; het is geen wonder dat Oliver Twist na verloop van dien korten tijd door de oude dame en haar nicht als één der hunnen werd beschouwd en dat zij van haar kant tegenover de vurige gehechtheid van zijn jong, gevoelig hart, trotsch op hem waren en van hem hielden.

HOOFDSTUK XXXIII.

Waarin het geluk van Oliver en zijn vriendinnen een plotselingen schok krijgt.

De lente vervloog snel en de zomer kwam. Was het dorp eerst al mooi geweest, nu straalde het in de volle glorie en glans van zomerweelde. De groote boomen, die in de vroege maanden nog kaal en dun bebladerd hadden geschenen, werden nu in eens vol sterk leven en gezondheid; zij strekten hun groene takken over den dorstenden grond, herschiepen open kale plekken in heerlijke hoekjes, waar men van uit diepe, vriendelijke schaduw uitkeek in wijde verten, die zich in zonneschijn baadden. De aarde had zich omhangen met haar vroolijken groenen mantel en verspreidde haar weligste geuren. Het jaar verkeerde in den tijd van jeugdige kracht; alle dingen bloeiden en waren blij. In het kleine landhuis ging het leven even rustig voort en onder de bewoners heerschte dezelfde vroolijke opgewektheid. Oliver was flink en gezond geworden; maar gezondheid of ziekte brachten geen verschil in zijn warme gevoelens voor de menschen om hem heen, zooals bij vele menschen gebeurt. Hij was nog hetzelfde lieve, zachte, gevoelige kind, dat hij was geweest, toen zijn kracht werd ondermijnd door pijn en leed, en toen hij voor de minste verlichting van pijn afhing van hen, die hem verzorgden.

Op een mooien avond waren zij verder gewandeld dan gewoonlijk; het was overdag buitengewoon warm geweest, nu scheen de maan prachtig en er stak een koeltje op, dat heerlijk verfrisschend aandeed. Rose was heel vroolijk geweest en ze hadden opgewekt pratend voortgewandeld, tot zij ver buiten hun gewone grenzen waren gegaan. Daar mevrouw Maylie moe was, wandelden zij langzamer terug. Het jonge meisje gooide alleen haar eenvoudige kapje neer en ging als gewoonlijk voor de piano zitten. Nadat zij eenige minuten lang afgetrokken over de toetsen heen was gegleden, zette zij een zacht, ernstig lied in en terwijl zij het speelde hoorden de anderen een geluid, alsof zij schreide.

»Rose, lieveling!« zei de oudere dame.

Rose gaf geen antwoord, maar speelde iets vlugger voort, alsof de woorden haar uit een of andere pijnlijke gedachte gewekt hadden.

»Rose, lieverd!« riep mevrouw Maylie, terwijl zij opsprong en zich over haar heenboog. »Wat is er? In tranen! Lieve kind, wat scheelt er aan?«

»Niets tante, niets,« antwoordde het meisje. »Ik weet niet wat het is; ik kan 't niet beschrijven, maar ik voel me zoo....«

»Toch niet ziek, lieveling?« viel mevrouw Maylie in.

»O! Neen, neen! Niet ziek!« antwoordde Rose met een huivering, alsof onder het spreken een doodelijke kilte haar beving. »'t Zal dadelijk wel weer over gaan. Zou je 't raam dicht willen doen?«

Oliver haastte zich, aan haar verzoek te voldoen. Het jonge meisje deed een poging, haar vroolijkheid te herwinnen en trachtte een lichter wijsje te spelen; doch haar vingers vielen machteloos neer op de toetsen. Zij bedekte haar gezicht met haar handen, viel op een sofa neer en liet den vrijen loop aan de tranen, die zij niet langer weerhouden kon.

»Lieve kind!« zei de oudere dame en sloeg de armen om haar heen, »ik heb je nog nooit zoo gezien.«

»Ik zou u niet ongerust maken, als ik er iets aan kon doen,« viel Rose in, »maar heusch, ik kan 't niet helpen. Ik geloof toch wel, dat ik ziek ben, tante.«

Zij was werkelijk ziek; toen de kaarsen binnen werden gebracht, zagen de anderen, hoe in den korten tijd sinds zij thuis waren, de blos op haar gezicht in marmer-bleekheid was veranderd. De trekken hadden niets van hun schoonheid verloren, maar op het lieve gezichtje lag een angstige, verschrikte trek, die het nooit gehad had. Een oogenblik later werd zij vuurrood en in haar oogen kwam een wilde, starende uitdrukking. Ook deze verdween, als de schaduw van een overtrekkende wolk en zij werd opnieuw doodsbleek.

Oliver, die angstig naar de oude dame keek, merkte op hoe deze teekens haar verontrustten; hij was ook ongerust, maar ziende, dat zij haar best deed, haar onrust te verbergen, trachtte hij hetzelfde te doen en zij slaagden in zoover, dat, toen Rose door haar tante overgehaald was zich voor den nacht terug te trekken, zij opgewekter was en er zelfs beter uitzag; ze verzekerde, dat zij stellig den volgenden morgen heelemaal beter op zou staan.

»Ik hoop toch,« zei Oliver, toen mevrouw Maylie terugkwam, »dat er niets is. Ze ziet er niet goed uit, maar....«

De oude dame wenkte hem, niet te spreken en ging in een donkeren hoek van de kamer zitten. Het bleef een poos stil. Eindelijk zeide zij met bevende stem:

»Ik hoop 't, Oliver. Ik ben deze jaren zoo gelukkig met haar geweest--te gelukkig misschien. 't Is zeker tijd, dat er een of ander ongeluk over me komt, maar ik hoop, dat het dit niet is.«

»Wat?« vroeg Oliver.

»De vreeselijke slag,« zei de oude dame, »dat ik het lieve meisje zou moeten verliezen, dat zoo lang mijn geluk en mijn troost is geweest.«

»O! dat verhoede God,« riep Oliver haastig.

»Amen! kindlief!« zei de oude dame handenwringend.

»Er is toch geen gevaar voor zoo iets vreeselijks?« vroeg Oliver. »Twee uur geleden was zij nog heel goed.«

»Nu is zij heel ziek,« antwoordde mevrouw Maylie, »en ik geloof zeker, dat 't nog erger zal worden. Mijn lieve, lieve Rose! O, wat zou ik moeten doen zonder haar!«

Zij gaf blijk van zulk een hevige smart, dat Oliver, zijn eigen ontroering onderdrukkend, het waagde haar moed in te spreken, en haar ernstig te verzoeken, ter wille van de lieve jonge dame zelf, kalmer te zijn.

»En bedenk, mevrouw,« zeide Oliver, terwijl de tranen hem in de oogen sprongen, ondanks al zijn pogingen ze te onderdrukken. »O, bedenk, hoe jong en goed ze is en hoeveel vreugde en geluk zij geeft aan allen om haar heen. Ik weet zeker--heusch, heel zeker, dat zij, ter wille van u, die zoo goed bent en ter wille van haar zelf en ter wille van allen, die zij zoo gelukkig maakt, niet zal sterven. De Hemel zal haar zoo jong niet doen sterven.«

»St!« zeide mevrouw Maylie, terwijl zij haar hand op Oliver's hoofd legde. »Je denkt als een kind, arme jongen. Maar ondanks dat, wijs je mij op mijn plicht. Ik had die een oogenblik vergeten, Oliver, maar ik hoop, dat dit mij vergeven zal worden, want ik ben oud en heb genoeg van ziekte en dood gezien om de smart te kennen, die de scheiding van wie ons lief zijn, meebrengt. Ik heb ook genoeg gezien, om te weten, dat het niet altijd de jongste en beste zijn, die gespaard worden voor wie hen liefhebben; maar dit moet ons tot troost zijn in onze droefheid, want de Hemel is rechtvaardig en zulke dingen leeren ons onafwijsbaar, dat er een schooner wereld bestaat dan de onze en dat de overgang erheen plotseling kan zijn. Gods wil geschiede! Ik heb haar lief; Hij weet _hoe_ lief.«

Tot zijn verwondering zag Oliver, dat mevrouw Maylie, terwijl zij deze woorden sprak, haar klachten als met één poging onderdrukte; toen zij uitgesproken had, was zij weer zelfbeheerscht en flink. Nog meer verwonderd was hij te ontdekken, dat die flinkheid aanhield en dat mevrouw Maylie bij al de zorg en het nachtwaken, dat volgde, steeds zelfbeheerscht en kalm bleef; al de plichten, die op haar rustten, vervulde zij vastbesloten en naar het uiterlijk te oordeelen, zelfs opgewekt. Maar hij was jong en wist niet, waar sterke geesten onder beproevingen toe in staat zijn. Hoe zou hij dat ook kunnen weten, waar de sterke geesten zelf zoo zelden zichzelf kennen?

Een bange nacht volgde. Toen de morgen kwam, ging de voorspelling van mevrouw Maylie maar al te zeer in vervulling. Rose verkeerde in het eerste stadium van een hooge, gevaarlijke koorts.

»We moeten iets doen Oliver en niet toegeven aan onnutte droefheid,« zei mevrouw Maylie, terwijl zij den vinger op de lippen legde en hem strak aankeek, »deze brief moet zoo gauw mogelijk naar dokter Losberne gezonden worden. De brief moet naar het marktstadje gebracht worden, dat is niet verder dan vier mijlen langs het voetpad door de velden; vandaar moet hij door een bode te paard recht naar Chertsey worden gebracht. De menschen uit de herberg zullen daar wel voor zorgen en ik kan jou wel toevertrouwen, den brief daarheen te brengen, nietwaar?«

Oliver kon niet antwoorden, maar zijn oogen zeiden hoe verlangend hij was, dadelijk op weg te gaan.

»Hier is nog een brief,« zei mevrouw Maylie en dacht een oogenblik na, »maar ik weet niet goed, of ik hem nu zal verzenden of wachten zal, tot ik weet, hoe 't met Rose gaan zal. Ik zou hem alleen verzenden, als ik het ergste vreesde.«

»Moet hij ook naar Chertsey, mevrouw?« vroeg Oliver, ongeduldig om zijn boodschap te verrichten en stak zijn bevende hand uit naar den brief.

»Neen,« antwoordde de oude dame en reikte hem den brief werktuigelijk toe. Oliver wierp er een blik op en zag, dat hij geadresseerd was aan den heer Harry Maylie, in een of ander groot landhuis, waar kon hij niet uitmaken.

»Moet hij mee, mevrouw?« vroeg Oliver en keek ongeduldig op.

»Ik geloof 't niet,« antwoordde mevrouw Maylie, terwijl zij den brief terugnam. »Ik zal tot morgen wachten.«

Bij deze woorden gaf zij Oliver haar beurs en zonder zich langer op te houden, rende hij weg zoo hard hij kon. Vlug liep hij door de velden en langs de paadjes, die ze hier en daar doorsneden; nu eens was hij bijna verborgen door het hooge koren aan weerskanten, dan weer kwam hij op een open weiland, waar de maaiers en hooiers druk aan 't werk waren; hij bleef niet staan, behalve nu en dan een paar seconden om op adem te komen, tot hij warm en met stof bedekt op het marktplein van het stadje aankwam.

Hier bleef hij staan en keek om zich heen naar de herberg. Er was een witte bank en een roode brouwerij en een geel stadhuis en in één hoek stond een groot huis, waarvan al het houtwerk groen geschilderd was en waar op het uithangbord stond: »De George.« Zoodra hij dit in het oog kreeg, ging hij er haastig op af.

Hij sprak een postjongen aan, die onder de poort zat te dommelen en die hem, toen hij hoorde, wat hij verlangde, naar den huisknecht verwees; toen deze ook alles aangehoord had wat hij te zeggen had, stuurde hij hem naar den waard; deze was een lange man met een blauwe das, een witte hoed, een grijze broek en kaplaarzen; hij leunde tegen de pomp bij de staldeur en bewerkte zijn tanden met een zilveren tandenstoker.

Deze heer ging met veel omslag de gelagkamer binnen om de kosten te berekenen, wat heel wat tijd kostte; toen dit klaar was en het geld betaald, moest een paard gezadeld en een man reisvaardig gemaakt worden, wat opnieuw tien minuten kostte. Intusschen verkeerde Oliver in zulk een wanhopigen toestand van ongeduld en angst, dat hij 't gevoel had, alsof hij zelf op het paard zou willen springen om in galop naar de volgende pleisterplaats te rijden. Eindelijk was alles klaar; toen Oliver het briefje had overgereikt met allerlei verzoeken en aanbevelingen om het spoedig te bezorgen, gaf de man zijn paard de sporen, draafde over de oneffen steenen van de markt, reed de stad uit en galoppeerde twee minuten later langs den straatweg.

Het bewustzijn, dat er om hulp was gezonden en dat geen tijd verloren was gegaan, was ten minste iets en Oliver liep met lichter hart de binnenplaats van de herberg op. Toen hij het koetshuis uitkwam, botste hij tegen een langen man in een wijde jas aan, die op dat oogenblik uit de herbergdeur kwam.

»Ha!« riep de man, met zijn oogen op Oliver gericht en plotseling terugdeinzend. »Wat is dat, voor den duivel?«

»Neem me niet kwalijk, mijnheer,« zei Oliver, »ik liep hard naar huis en zag u niet aankomen.«

»Dood en duivel!« mompelde de man, den jongen met zijn groote, donkere oogen aanstarend. »Wie zou dat gedacht hebben? Vermorzel hem tot gruis! Hij zou nog uit een steenen kist springen en me in den weg komen!«

»'t Spijt me,« stamelde Oliver, onthutst door den woesten blik van den vreemde. »Ik hoop, dat ik u geen pijn heb gedaan!«

»Verrek jij!« mompelde de man woest tusschen zijn gesloten tanden, »als ik maar moed had, het woord te zeggen, zou ik in één nacht van je af zijn. Vloek over je hoofd en dat de pest je hale, duivelsjong! Wat doe je hier?«

De man balde zijn vuist terwijl hij deze woorden uitstootte. Hij liep op Oliver toe, als om hem een slag te geven, maar smakte op den grond, waar hij zich in een zenuwtoeval heen en weer rolde, terwijl het schuim hem op den mond kwam.

Oliver keek een oogenblik naar den krankzinnige (want daar hield hij hem voor) en liep toen het huis in om hulp te halen. Nadat hij den man veilig het hotel had zien binnen dragen, wendde hij zich huiswaarts en liep zoo hard hij kon om den verloren tijd in te halen; intusschen dacht hij nog eens met groote verbazing en iets als angst aan het vreemde gedrag van den man, dien hij zoo juist ontmoet had.

Hij bleef echter niet lang aan het voorval denken, want toen hij het landhuis bereikte, was er genoeg om zijn geest bezig te houden en alles wat hemzelf betrof voor 't oogenblik volkomen uit zijn gedachten te bannen.

Rose Maylie was veel erger geworden; tegen middernacht begon zij te ijlen. Een dokter, die in het dorp woonde, bleef voortdurend bij haar; nadat hij de patiënte gezien had, nam hij mevrouw Maylie ter zijde en verklaarde, dat de ziekte van den meest ernstigen aard was. »Eerlijk gezegd,« verklaarde hij, »zou het iets als een wonder zijn, wanneer ze beter werd.«

Hoe dikwijls sprong Oliver dien nacht zijn bed uit, sloop onhoorbaar naar de trap en luisterde naar het minste geluid uit de ziekenkamer! Hoe dikwijls schokte een huivering door zijn leden en parelden koude angstdruppels op zijn voorhoofd, wanneer een plotseling geluid van voetstappen hem deed vreezen, dat er iets gebeurd was, te vreeselijk om aan te denken! En wat waren de vurigste gebeden, die hij ooit geuit had, vergeleken bij de gebeden die hij uitstootte, nu hij in doodsangst hartstochtelijk smeekte om leven en gezondheid voor het liefelijke wezen, dat aan den rand van het donkere graf verkeerde!

O! de onzekerheid, de vreeselijke, drukkende onzekerheid, waarin men het werkeloos aan moet zien, hoe het leven van iemand, die ons dierbaar is, in de waagschaal staat.

O! de folterende gedachten, die in ons brein woelen en ons hart hevig doen kloppen en onzen adem beklemmen, door de voorstellingen die zij in onzen geest oproepen; de wanhopige begeerte, _iets te doen_ om de pijn te verzachten of het gevaar te verminderen, dat wij niet kunnen bezweren; de somberheid, die over onze ziel en onzen geest komt, door de droeve gedachte aan onze hulpeloosheid; welke folteringen zijn daaraan gelijk? door welke gedachten of ingespannen werkzaamheden kunnen wij er leniging voor vinden in de koortsachtige opwinding van het oogenblik?

De morgen brak aan en het landhuisje was eenzaam en stil. Men sprak fluisterend; angstige gezichten kwamen van tijd tot tijd aan de deur; vrouwen en kinderen gingen in tranen heen. Heel den langen dag, en uren nadat het donker was geworden, liep Oliver langzaam op en neer in den tuin; ieder oogenblik keek hij op naar de ziekenkamer en schrikte terug als hij het omfloerste raam zag, dat er uitzag, alsof de dood daarachter huisde. Laat in den avond kwam dokter Losberne. »Het is hard,« zei de goede dokter en wendde zijn hoofd af onder het spreken »zoo jong, zoo bemind; maar er is heel weinig hoop.«