Part 23
»Een klein druppeltje drank meester, als 't u hetzelfde is,« antwoordde Blathers. »'t Is een koude rit van Londen, mevrouw, en ik vind altijd dat drank 't best verwarmt van binnen.«
Deze interessante mededeeling was tot mevrouw Maylie gericht, die haar heel vriendelijk in ontvangst nam. Ondertusschen glipte de dokter de kamer uit.
»Ja!« zei Mr. Blathers, die zijn wijnglas niet bij den steel van den voet aanpakte, maar de voet zelf tusschen duim en wijsvinger van zijn linkerhand vastgreep en 't zoo vóór zijn borst hield, »ik heb in mijn leven al heel wat zaakjes als dit gezien, dames.«
»Die inbraak in de achterstraat in Edmonton, Blathers,« zei Mr. Duff om het geheugen van zijn collega op te frisschen.
»Dat was zoo iets als dit hier, is 't niet?« hernam Mr. Blathers, »dat was 't werk van Conkey Chickweed.«
»Je geeft er altijd hem de schuld van,« antwoordde Duff. »Ik zeg je dat 't de bende van Pett was. Conkey had er net zoo min iets mee te maken als ik.«
»Loop heen!« viel Mr. Blathers in. »Ik weet er alles van. Weet je nog van dien dag, toen Conkey's geld gestolen werd? Wat gaf dat 'n opspraak! Meer dan eenige roman, zoover ik weet.«
»Wat was dat?« vroeg Rose, verlangend elk teeken van welgehumeurdheid bij de onwelkome bezoekers aan te wakkeren.
»'t Was een boevenstreek juffrouw, waar iemand niet gauw op zou komen,« zei Blathers. »Die Conkey Chickweed«--
»Conkey beteekent spion, mevrouw,« viel Duff in.
»Dat weet de dame immers wel,« zei Mr. Blathers. »Jij valt me altijd in de rede, kameraad! Die Conkey Chickweed juffrouw, hield een herberg over Battle Bridge en hij had een kelder, waar dikwijls jonge lords kwamen om hanengevechten en dassengevechten en zoo te zien en de spelen waren op een heel geestige manier ingericht, ik heb ze dikwijls bijgewoond. Hij behoorde toen nog niet tot de dievenbende; op een nacht werden hem driehonderd zeven en twintig guineas ontstolen in een linnen zakje, dat midden in den nacht uit zijn slaapkamer werd gestolen door een man met een zwarte pleister op zijn oog, die zich onder 't bed had verborgen en na den diefstal uit het raam sprong; 't was maar één verdieping. 't Ging alles heel vlug. Maar Conkey was ook vlug; hij werd wakker door het leven, sprong uit bed en vuurde een musket achter den dief af, wat de heele buurt in rep en roer bracht. Dadelijk klonken de kreten: »houd den dief!« en toen zij bij de plek kwamen, zagen ze, dat Conkey den dief geraakt had, want langs den heelen weg waren bloedsporen een heel eind ver, tot aan eenige palen; daar hielden ze op. Intusschen was de dief er vandoor met het geld en dientengevolge verscheen de naam van Mr. Chickweed, den bekenden grappenmaker, tusschen de andere bankroetiers in de courant; op alle mogelijke manieren, door inzamelingen en bedelbrieven en ik weet niet wat al meer, werd geld bij elkaar gebracht voor den armen man, die half wanhopig was over zijn verlies en drie of vier dagen lang door de straten liep en zich de haren uit het hoofd trok op zoo'n wanhopige manier, dat verschillende menschen bang waren, dat hij zich van kant zou maken. Op een dag kwam hij in groote haast het bureau binnen en had een onderhoud onder vier oogen met den magistraat; deze trok na een poosje aan de bel en gaf bevel Jem Spyers te roepen (Jem Spyers was een dienstdoende agent); Jem Spyers moest met Mr. Chickweed meegaan en hem helpen, den man te arresteeren, die hem bestolen had. »Spyers,« zeide Chickweed, »ik heb hem gisterenmorgen voorbij mijn huis zien komen.«
»Waarom heb je hem dan niet bij zijn kraag gepakt?« vraagt Spyers. »Ik was zoo geschrokken, dat je een tandenstoker door mijn schedel had kunnen boren,« zei de arme man, »maar we krijgen hem zeker te pakken, want gisteravond, tusschen tien en elf uur, kwam hij weer voorbij.« Toen Spyers dit hoorde, stopte hij wat schoon linnen en een kam in zijn zak, voor 't geval hij een paar dagen zou moeten blijven; hij ging op weg en zette zich vóór één van de herbergramen met het roode gordijntje met zijn hoed op, om bij den minsten wenk naar buiten te kunnen stormen. Laat in den avond zat hij daar zijn pijp te rooken, toen Chickweed plotseling begon te brullen: »Daar is hij! Houd den dief! Moord!« Jem Spyers vliegt naar buiten en daar ziet hij Chickweed, die al schreeuwend de straat uitholt. Weg holt Spyers; Chickweed gaat voort; het volk loopt om hen heen; iedereen schreeuwt: »Dieven!« en Chickweed zelf schreeuwt aldoor als een dolle mee. Spyers verliest hem een oogenblik uit het oog, als hij een hoek omslaat; vliegt hem na; ziet een troepje menschen staan; dringt er zich tusschen. »Wie is de man?« »Verd....!« zegt Chickweed, »ik heb hem weer uit 't oog verloren!« 't Was een wonderlijk toeval, maar hij was nergens meer te zien, dus gingen ze terug naar de herberg. Den volgenden morgen nam Spyers zijn plaats weer in en keek van achter het gordijntje uit naar een langen man met een zwarte pleister op zijn oog, tot zijn eigen oogen er pijn van deden. Eindelijk kon hij niet nalaten ze dicht te doen om ze een minuutje rust te gunnen en op hetzelfde oogenblik hoort hij Chickweed brullen: »Daar is hij!« Weer vliegt hij weg, met Chickweed halfweg de straat voor hem uit en na tweemaal zoo ver gehold te hebben als den vorigen keer, was de man opnieuw verdwenen! Dit gebeurde nog één of twee keer, tot de ééne helft van de buren tot de conclusie kwam, dat Mr. Chickweed bestolen was door den duivel, die nu nog zijn spel met hem speelde, en de andere helft, dat die arme Chickweed gek van verdriet was geworden.«
»En wat zei Jem Spyers?« vroeg de dokter, die kort na het begin van 't verhaal weer in de kamer was gekomen.
»Jem Spyers,« antwoordde de hoofdagent, »zei een heelen tijd niets en luisterde naar alles, zonder dat hij 't liet merken, wat aantoonde, dat hij zijn zaakjes verstond. Maar op een morgen kwam hij de herberg binnen, haalde zijn snuifdoos te voorschijn en zei: »Chickweed, ik heb ontdekt wie de diefstal gepleegd heeft.« »O goeie Spyers, laat me mijn wraak hebben, en ik zal rustig sterven! O, goeie Spyers, waar is de schurk?« »Kom,« zei Spyers, terwijl hij hem een snuifje presenteerde, »schei uit met die nonsens! Je hebt 't zelf gedaan.« En dat was zoo, en hij had er aardig wat geld mee gemaakt erbij en niemand zou 't ooit uitgevonden hebben, als hij niet zoo mal bezorgd was geweest om den schijn op te houden; zoo is 't,« zei Mr. Blathers, terwijl hij zijn wijnglas neerzette en de handboeien tegen elkaar sloeg.
»'t Is een merkwaardige geschiedenis,« merkte de dokter op.
»Nu heeren, als u wilt, kunt u naar boven gaan.«
»Als u wilt, mijnheer,« antwoordde Blathers.
Dicht achter Mr. Losberne aan klommen de twee politie-dienaren naar Oliver's slaapkamer; Mr. Giles liep vooruit met een brandende kaars.
Oliver had een beetje gedommeld, maar hij zag er slechter uit en had meer koorts dan te voren. Met behulp van den dokter slaagde hij er in, een paar minuten rechtop te blijven zitten, en keek de vreemdelingen aan zonder in 't minst te begrijpen wat er voorviel, ja zonder zich blijkbaar zelfs te herinneren, waar hij was en wat er was gebeurd.
»Dit,« zei dokter Losberne, zachtjes sprekend, maar toch met drift in zijn stem, »dit is de jongen, die bij ongeluk gewond is door een schot uit een musschengeweertje, toen hij op een of ander jongens-avontuur uit was op het land van Mijnheer-hoe-heet-hij-ook-weer hier achter en die vanmorgen om hulp hier aanklopte; hij is dadelijk beetgepakt en mishandeld door dien snuggeren mijnheer met de kaars in zijn hand; krachtens mijn beroep constateer ik, dat zijn leven door die behandeling in groot gevaar is gebracht.«
De heeren Blathers en Duff keken naar Mr. Giles, toen hun aandacht zoo op hem gevestigd werd. De huisknecht keek als verwezen van hen naar Oliver en van Oliver naar den dokter, met een lachwekkende mengeling van angst en verslagenheid.
»Je zult dit niet willen ontkennen, denk ik?« zei de dokter, terwijl hij Oliver zachtjes weer neerlegde.
»'t Was allemaal om.... om bestwil, mijnheer,« stamelde Giles. »Ik dacht stellig, dat 't de jongen was, anders zou ik me niet met hem ingelaten hebben. Ik ben heelemaal niet onmenschelijk, mijnheer.«
»Welke jongen dacht je dat het was?« vroeg de oudste politieman.
»De dievenjongen, meneer!« antwoordde Giles. »Ze--ze hadden stellig een jongen bij zich.«
»En? Denk je dat nu nog?« vroeg Blathers.
»Wat meneer?« antwoordde Giles met een weifelenden blik op den ondervrager.
»Dat 't diezelfde jongen is, stomkop!« viel Blathers ongeduldig uit.
»Ik weet 't niet, ik weet 't heusch niet,« zei Giles met een berouwvol gezicht. »Ik zou er niet op durven zweren.«
»Wat denk je dan?« vroeg Mr. Blathers.
»Ik weet niet, wat ik denken moet,« antwoordde de arme Giles. »Ik denk niet, dat het de jongen is; eigenlijk weet ik haast zeker, dat hij 't niet is. U weet immers, dat 't niet kan.«
»Heeft die man gedronken, mijnheer?« vroeg Blathers, zich tot den dokter wendend.
»Wat een prachtige warhoofdige kletskous ben jij!« zei Duff met sublieme minachting tot Mr. Giles.
Gedurende dit korte gesprek had dokter Losberne den patient den pols gevoeld; nu stond hij op van den stoel naast het bed en merkte op, dat de heeren, mochten zij omtrent het geval in twijfel verkeeren, misschien wel in de naaste kamer wilden gaan en Brittles ondervragen.
Ingevolge dezen raad begaven zij zich in een aangrenzend vertrek, waar Brittles, na binnen geroepen te zijn, zichzelf en zijn vereerden vriend Giles in een wonderlijk net van nieuwe tegenspraken en onmogelijkheden wikkelde, die geen van allen iets duidelijk in het licht stelden als de verwarring in zijn eigen brein: alleen was van waarde zijn verklaring, dat hij den werkelijken dievenjongen niet zou herkennen, al zag hij hem dadelijk vóór zich; dat hij er alleen Oliver voor hield, omdat Mr. Giles gezegd had, dat hij 't was en dat Mr. Giles vijf minuten te voren in de keuken had bekend, hoe hij vreesde een beetje al te haastig te zijn geweest.
Tusschen andere vernuftige onderstellingen in werd nu de vraag opgeworpen, of Mr. Giles wel werkelijk iemand getroffen had; het zuster-pistool van datgene waarmee hij geschoten had, bleek bij onderzoek alleen geladen te zijn met kruit en bruin papier--deze ontdekking maakte een geweldigen indruk op iedereen, behalve op den dokter, die tien minuten te voren den kogel uit het pistool had gehaald. Op niemand echter maakte dit feit grooter indruk dan op Mr. Giles zelf; hij had eenige uren lang geleden onder het bewustzijn, een medemensch doodelijk gewond te hebben en greep nu dit nieuwe denkbeeld gretig aan en buitte het zooveel mogelijk uit. Ten slotte lieten de politie-beambten, zonder zich verder veel om Oliver te bekommeren, den constabel uit Chertsey in het huis achter en gingen zelf in de stad hun nachtrust zoeken, met de belofte den volgenden morgen terug te zullen komen.
Den volgenden morgen ging het gerucht, dat twee mannen en een jongen dien nacht onder verdachte omstandigheden geknipt waren en opgesloten in Kingston; dientengevolge trokken de heeren Blathers en Duff naar Kingston. Toen de verdachte omstandigheden bij navraag echter beperkt bleken te zijn tot het feit, dat de verdachten slapend in een hooiberg waren aangetroffen, op welke misdaad, ofschoon groot, alleen gevangenisstraf staat, daar dit feit in de oogen van de Engelsche wet en dier bekende liefde voor al des konings onderdanen, bij gebrek aan elk ander, niet beschouwd wordt als voldoende bewijs, dat de slaper of de slapers schuldig staan aan inbraak met geweldpleging, waarvoor zij tot den doodstraf veroordeeld zouden kunnen worden, kwamen de heeren Blathers en Duff even wijs terug als zij gegaan waren.
Kortom, na nog eenig onderzoek en heel wat heen en weer gepraat, werd een magistraat uit de buurt bereid gevonden, genoegen te nemen met de verzekering van mevrouw Maylie en Mr. Losberne, hoe zij op zich namen te zorgen dat Oliver, mocht hij opgeroepen worden, voor de rechtbank zou verschijnen; Blathers en Duff, beloond met een paar guineas, keerden naar de stad terug, vervuld van zeer verschillende opvattingen naar aanleiding van hun tocht; de laatste helde na nauwkeurige overweging van al de omstandigheden over tot de opvatting, dat de poging tot inbraak op touw gezet was door de bende van Pett, en de eerste was evenzeer geneigd, de geheele verdienste ervan aan den grooten Conkey Chickweed toe te kennen.
Intusschen ging Oliver, dank zij de vereende zorgen van mevrouw Maylie, Rose en den goedhartigen dokter Losberne, steeds vooruit.
Als innige gebeden, opwellend uit harten vol dankbaarheid, in den hemel verhoord worden--en als _zij_ niet verhoord worden, welke gebeden dan wel? daalde de zegen, die het verweesde kind op hen afsmeekte, neer in hunne harten en vervulde ze met vrede en geluk.
HOOFDSTUK XXXII.
Van het gelukkige leven, dat voor Oliver bij zijn vriendelijke beschermers aanbrak.
Oliver had veel en hevig lijden te doorstaan. Behalve dat de gebroken arm hem veel pijn deed en niet dan langzaam genas, kreeg hij, tengevolge van de koude en vochtigheid, hevige koortsen, die verscheidene weken aanhielden en hem vreeselijk deden vermageren. Maar eindelijk, heel, heel langzaam begon hij te genezen en was hij in staat, nu en dan in enkele woorden, door tranen verstikt, uit te spreken, hoe diep hij de goedheid der twee lieve dames voelde en hoe vurig hij hoopte, als hij weer flink en sterk was, iets te kunnen doen om zijn dankbaarheid te toonen; iets maar, waaruit zij zouden zien, hoe vol zijn hart was van liefde en toewijding; iets, al was het nog zoo weinig, dat bewijzen kon hoe haar goedheid niet weggeworpen was, maar dat de arme jongen, die door hun mededoogen behoed werd voor ellende of dood, niets liever wilde, dan haar met hart en ziel te dienen.
»Arm kereltje,« zei Rose op een dag, toen Oliver met zwakke stem gepoogd had de woorden van dankbaarheid te stamelen, die naar zijn bleeke lippen drongen, »als je wilt, zul je gelegenheid genoeg hebben iets voor ons te zijn. We gaan naar buiten en tante is van plan je mee te nemen. De rust daar, de zuivere lucht en al de schoonheid en blijheid van de Lente zullen je in een paar dagen wel opknappen. Als je eenmaal sterk genoeg bent, om je een beetje in te spannen, zul je ons op honderd manieren nuttig kunnen zijn.«
»Mij in te spannen!« riep Oliver. »O! lieve juffrouw, als ik maar voor u kon werken; als ik maar iets voor u kon doen door uw bloemen water te geven of uw vogels te verzorgen of den heelen dag heen en weer te hollen, wat zou ik daar niet voor geven!«
»Je hoeft er niets voor te geven,« zei Miss Maylie met een glimlach, »want, zooals ik daarnet al zeide, zullen wij je op allerlei manieren aan het werk zetten, en als je wat wij van je vragen, maar met half zooveel plezier doet als je nu belooft, zal ik me heusch heel gelukkig voelen.«
»Gelukkig juffrouw,« riep Oliver. »Wat lief van u om dat te zeggen.«
»Ik kan je niet zeggen, hoe gelukkig ik mij dan zal voelen,« hernam het jonge meisje. »Te denken, dat mijn goede tante het middel is geweest waardoor iemand bewaard is voor al de vreeselijke ellende, waar jij ons van verteld hebt, zou ik al onbeschrijflijk heerlijk vinden; maar te weten, dat het voorwerp van haar goedheid en medelijden oprecht dankbaar gestemd was en zich aan haar gehecht voelde, zou mij gelukkiger maken dan jij je in kunt denken. Begrijp je?« vroeg ze met een blik op Oliver's peinzend gezichtje.
»O ja, juffrouw, ja!« antwoordde Oliver levendig; »maar ik dacht er over, dat ik toch doe of ik ondankbaar ben.«
»Tegenover wie?« vroeg het meisje.
»Tegenover den vriendelijken mijnheer en die lieve oude huishoudster, die een tijd geleden zoo goed voor me gezorgd hebben,« antwoordde Oliver. »Als ze wisten, hoe gelukkig ik nu ben, zouden zij 't zeker prettig vinden.«
»Dat zouden zij zeker,« stemde Oliver's weldoenster toe, »en dokter Losberne is al zoo vriendelijk geweest te beloven, dat hij je, zoodra je sterk genoeg bent om de tocht te doen, naar hen toe zal brengen.«
»Heusch juffrouw?« riep Oliver, terwijl zijn gezicht van blijdschap opleefde. »Ik weet niet wat ik doen zal van vreugde als ik die lieve gezichten weer zie!«
Korten tijd daarna was Oliver sterk genoeg om de vermoeienis van den tocht te doorstaan. Zoo reden hij en dokter Losberne op een ochtend uit in een rijtuigje, dat aan Mevrouw Maylie toebehoorde. Toen zij bij Chertsey Bridge kwamen, werd Oliver bleek en uitte een kreet.
»Wat scheelt je jongen?« riep de dokter, driftig als gewoonlijk. »Zie je wat--hoor je wat--voel je wat--nou?«
»Dat meneer,« riep Oliver en wees uit het raampje. »Dat huis!«
»Nu, wat is daarmee? Stop koetsier. Hou op!« riep de dokter. »Nu vent, wat is er met dat huis, wat?«
»De dieven--het huis, waar ze me heen brachten!« fluisterde Oliver.
»Wat duivel!« riep de dokter. »Hé! Ho!! Laat me er uit!«
Maar eer de koetsier van den bok kon komen, was de dokter al op een of andere manier het rijtuig uitgetuimeld; hij holde naar het verlaten huis toe en begon als een dolle op de deur te bonzen.
»Hé!« zei een leelijke, kleine, gebochelde man, terwijl hij de deur zoo plotseling opentrok, dat de dokter door den schok van zijn laatsten klop bijna voorover de gang inviel. »Wat is er te doen?«
»Te doen!« riep de ander en greep hem zonder nadenken bij den kraag. »Heel wat! Inbraak en diefstal--dat is er te doen.«
»En daar zal gauw moord bij komen,« antwoordde de gebochelde koel, »als je me niet loslaat. Versta je?«
»Ik versta je,« zei de dokter en schudde zijn gevangene flink door elkaar. »Waar is--duivels hoe heet die schurk ook weer--Sikes; dat is 't. Waar is Sikes, dief die je bent?«
Als in de uiterste verbazing en verontwaardiging staarde de gebochelde hem aan; toen rukte hij zich met een handige beweging uit des dokters handen los, stootte een vloed van afschuwelijke vloeken uit en ging in het huis terug. Doch eer hij de voordeur kon sluiten, was de dokter, zonder een woord te zeggen, de voorkamer binnen gegaan. Hij keek opmerkzaam rond; geen enkel meubelstuk, geen aanduiding van iets, hetzij levend of levenloos, dat aan Oliver's beschrijving herinnerde; zelfs niet de plaats waar de kasten stonden.
»Nou,« zei de gebochelde, die met scherpen blik zijn bewegingen gevolgd had, »wat beteekent dat, dat je met geweld mijn huis binnendringt? Wil je mij berooven of vermoorden? Wat wil je?«
»Heb je ooit gehoord dat een man die zooiets wou doen in een karretje kwam en met getuigen, malle ouwe vampier?« vroeg de driftige dokter.
»Wat moet je hier dan?« vroeg de bochel. »Wil je nou dadelijk weggaan, vóór ik een ongeluk aan je bega? Pas op!«
»Zoo gauw ik het tijd vind,« zei dokter Losberne en keek in de andere kamer; ook deze leek niets op de beschrijving, die Oliver ervan gegeven had. »Ik zal je wel krijgen, vriendje.«
»Zoo, zal je dat?« smaalde de leelijke stumpert. »Als je mij noodig hebt, ben ik hier. Ik heb hier vijf en twintig jaar lang alleen, als een gek, gewoond en laat me niet door jou wegjagen. Ik zal 't je betaald zetten; ik zal 't je betaald zetten.« Met deze woorden zette het misvormde duiveltje 't op een gillen en danste op den grond alsof hij dol was van woede.
»'n Gekke geschiedenis!« mompelde de dokter in zichzelf. »De jongen moet 't mis hebben. Hier! Steek dit in je zak en sluit je weer op!«
Met deze woorden wierp hij den bochel een geldstuk toe en keerde naar het rijtuig terug.
Onder het uiten van woedende verwenschingen en vloeken, volgde de man tot aan het portier; maar toen dokter Losberne zich een oogenblik omkeerde, om met den koetsier te spreken, keek hij in het rijtuig en staarde Oliver een oogenblik zóó woest en tegelijk zóó woedend en wraakzuchtig aan, dat de jongen er maandenlang wakend en slapend aan bleef denken. Tot de koetsier zijn plaats hernomen had, bleef de misvormde zijn vreeselijke verwenschingen uitbraken; en terwijl het rijtuig wegreed, konden zij hem op eenigen afstand achter zich zien, op den grond stampend en in echte of voorgewende woede, de haren uit zijn hoofd rukkend.
»Ik ben een ezel!« zei de dokter na een lange stilte. »Wist je dat al, Oliver?«
»Nee mijnheer.«
»Vergeet 't dan niet weer.«
»'n Ezel,« herhaalde de dokter na een nieuwe stilte van eenige minuten. »Zelfs al was het de juiste plek geweest en ik had er de kerels, die ik zocht, gevonden, wat zou ik dan alleen hebben kunnen uitvoeren? En als ik hulp had gehad, zou ik nog niets goeds uitgericht hebben; ik zou me zelf in een vreemd daglicht hebben gebracht, want dan zou onvermijdelijk uit zijn gekomen, hoe ik de zaak in de doofpot heb gestopt. 't Zou net goed voor me zijn geweest, want door m'n toegeven aan ingevingen, raak ik altijd in de klem. 't Zou me goed gedaan hebben.«
De waarheid was, dat de brave dokter zijn leven lang volgens niets anders dan ingevingen had gehandeld en het was geen slecht compliment voor die ingevingen, dat hij, verre van in eenig ongeluk of moeilijkheid te geraken, integendeel van harte geëerd en geacht werd door iedereen, die hem kende. Oprecht gesproken was hij een paar minuten lang ietwat uit zijn humeur, doordat hij bij de eerste de beste gelegenheid teleurgesteld was in zijn poging, het verhaal van Oliver door de feiten bevestigd te zien. Doch hij zette dit spoedig weer van zich af en toen hij opmerkte, hoe Oliver's antwoorden op zijn vragen even oprecht en vast klonken als ooit te voren en blijkbaar met dezelfde eerlijkheid en waarheid werden uitgesproken, nam hij zich voor van nu af er ten volle geloof aan te schenken.
Daar Oliver den naam van de straat wist, waarin de heer Brownlow woonde, konden zij er recht naar toe rijden. Toen het rijtuig de straat insloeg, klopte Oliver's hart zoo hevig, dat hij nauwelijks snel genoeg adem kon halen.
»Nu, m'n jongen, welk huis is het?« vroeg de dokter.
»Dàt! dàt!« antwoordde Oliver levendig en wees uit het raampje. »Dat witte huis! O, gauw! Toe gauw! Ik heb een gevoel of ik sterven moet; ik beef zoo.«
»Kom! kom!« zei de dokter, hem op den schouder kloppend. »Dadelijk zie je hen en ze zullen dol blij zijn, je gezond en wel weer te zien.«
»O, dat hoop ik maar!« riep Oliver. »Ze zijn zoo goed voor me geweest, zoo heel, heel goed!«
Het rijtuig rolde voort. Het hield stil. Neen, dat was het verkeerde huis; de volgende deur. Het rijtuig ging een eindje voort en stond toen weer stil. Oliver keek op naar de ramen; langs zijn gezicht stroomden tranen van blij verlangen. Helaas! Het witte huis was leeg en op het raam stond: »Te Huur.«
»Klop hiernaast aan,« zei de dokter en trok Oliver's arm door den zijne. »Wat is er geworden van mijnheer Brownlow, die hiernaast heeft gewoond? Weet u dat ook?«
Het dienstmeisje wist 't niet, maar wou het binnen gaan vragen. Nu kwam ze terug en vertelde, dat de heer Brownlow zes weken te voren zijn inboedel verkocht had en naar West-Indië was gegaan. Oliver sloeg zijn handen samen en dreigde in elkaar te zakken.
»Is zijn huishoudster ook weg?« vroeg de dokter na een oogenblik.
»Ja mijnheer,« antwoordde het dienstmeisje. »De oude heer, de huishoudster en een andere mijnheer, een vriend van mijnheer Brownlow, zijn allemaal samen weggegaan.«
»Dan naar huis,« zeide Losberne tot den koetsier, »en je hoeft niet stil te staan om de paarden eten te geven eer we dat vervloekte Londen weer uit zijn!«
»De man van het boekenstalletje mijnheer!« zei Oliver. »Ik weet de weg er naar toe. Toe asjeblieft, mijnheer, ga naar hem toe! Toe mijnheer!«
»Lieve jongen, dit is teleurstelling genoeg voor één dag,« zei de dokter. »Genoeg voor ons allebei. Als we naar het boekenstalletje gaan, krijgen we zeker te hooren, dat de man dood is, of zijn huis in brand heeft gestoken of weg is geloopen. Neen, we gaan rechtuit naar huis!«
En gehoorzaam aan de ingeving van den dokter, gingen zij naar huis.