De avonturen van Oliver Twist

Part 22

Chapter 224,065 wordsPublic domain

De goede dokter hield het gordijn vast en keek een paar minuten zwijgend toe. Terwijl hij aldus den patient waarnam, liep de jonge dame hem zachtjes voorbij, ging in een stoel bij het bed zitten en streek Oliver's haar uit zijn gezicht. Terwijl zij over hem heenboog, druppelde hare tranen op zijn voorhoofd.

De jongen bewoog zich en glimlachte in zijn slaap, alsof deze teekens van medelijden en meegevoel een liefelijken droom in hem gewekt hadden van liefde en teederheid, die hij nooit had ondervonden.

Zoo kan een enkele toon van zachte muziek, of het rimpelen van het water op een stille plek, of de geur van een bloem, of de klank van een gewoon woord soms plotseling in ons vage herinneringen oproepen aan tooneelen, die in dit leven niet voorvielen; die verdwijnen als een ademtocht, die gewekt schijnen te zijn door de herinnering aan een lang vervlogen, gelukkiger bestaan en die geen inspanning van den geest willekeurig kan oproepen.

»Wat zou dit beteekenen?« riep de oude dame uit. »Dit arme kind kan nooit een dievenjongen zijn geweest!«

»De zonde,« zuchtte de dokter, terwijl hij het gordijn liet vallen, »kiest haar woning in velerlei tempels en wie durft zeggen, dat ze niet besloten kan zijn in een schoon uiterlijk?«

»Maar zoo jong nog!« zei Rose.

»Kindlief,« wierp de dokter met een droevig hoofdschudden tegen, »misdaad, zoo min als dood, is beperkt tot ouden en afgeleefden. Juist de jongsten en mooisten kiezen zij dikwijls 't eerst als slachtoffers uit.«

»Maar kunt u dan, o! kunt u werkelijk gelooven, dat die teere jongen vrijwillig de medeplichtige is geweest van de minste verworpelingen der maatschappij?« vroeg Rose.

De dokter schudde zijn hoofd op een wijze, die scheen aan te duiden, dat het heel goed mogelijk was; toen, met de opmerking dat zij misschien den patient zouden hinderen, bracht hij de dames naar een andere kamer.

»Maar zelfs als hij slecht geweest is,« ging Rose voort, »denkt u eens, hoe jong hij is; misschien heeft hij nooit moederliefde gekend of een prettig thuis; misschien is hij door slechte behandeling en door slaag of door broodsgebrek er toe gekomen, zich aan te sluiten bij menschen, die hem tot misdaad gedwongen hebben. Tante, lieve tante, denk in Godsnaam hieraan, eer u dat zieke kind naar de gevangenis laat brengen, waar hij in elk geval voor goed de kans verliest om zich te verbeteren. O! u hebt mij lief en u weet, dat ik door uw goedheid en liefde nooit het gemis van ouders gevoeld heb, maar 't had toch kunnen zijn en dan was ik misschien even hulpeloos en alleen als dit arme kind; daarom, heb medelijden met hem eer het te laat is!«

»Lieveling,« zei de oude dame en drukte het schreiende meisje aan haar hart, »denk je dan dat ik één haar van zijn hoofd zou willen krenken?«

»O neen!« antwoordde Rose volmondig.

»Neen,« zei de oude dame, »mijn dagen loopen ten einde en moge mij de genade betoond worden, die ik aan anderen bewijs! Wat kan ik voor hem doen, dokter?«

»Laat mij er eens over denken,« zei de dokter, »laat mij er eens over denken.«

Dokter Losberne stak zijn handen in zijn zakken en liep verscheidene malen de kamer op en neer; hij bleef telkens stilstaan, balanceerde op zijn teenen en trok zijn wenkbrauwen dreigend samen. Na verschillende uitroepen van: »nu weet ik 't!« en »nu heb ik 't!« en vele herhalingen van de wandeling en het wenkbrauwfronsen, bleef hij eindelijk stokstijf staan en sprak:

»Als u mij volle, onbeperkte volmacht geeft, om Giles en den kleinen Brittles wat angst aan te jagen, geloof ik, dat 't mij lukken zal. Ik weet wel.... Giles is een trouwe borst en een oude dienaar, maar u kunt het op duizend manieren weer goed bij hem maken en hem een belooning geven voor zijn schutterschap. Heeft u daar niet op tegen?«

»Als er ten minste geen ander middel bestaat om het kind te sparen,« antwoordde mevrouw Maylie.

»Er is geen ander,« zei de dokter. »Op mijn woord niet.«

»Dan geeft tante u volmacht,« zei Rose, glimlachend door haar tranen heen, »maar u moet niet harder voor die arme jongens zijn dan noodig is.«

»Miss Rose, u schijnt te denken, dat iedereen vandaag hardvochtig is, behalve uzelf,« zei de dokter. »Ik hoop alleen maar voor het jongere mannelijke geslacht in 't algemeen, dat u even vriendelijk en zachtzinnig gestemd zult zijn jegens den eersten aannemelijken jonkman, die een beroep doet op uw gevoelige hart en ik wou, dat ik een jonge kerel was en dat ik terstond van zoo'n gunstige gelegenheid als deze profiteeren kon.«

»U bent net zoo'n groot kind als Brittles,« antwoordde Rose met een blos.

»Nu,« zei de dokter, hartelijk lachend, »dat is zoo heel moeielijk niet. Maar om op den jongen terug te komen. Het voornaamste punt van onze overeenkomst moet nog besproken worden. Ik denk, dat hij over een uurtje wel wakker zal worden en ofschoon ik aan dien dikkoppigen constabel beneden gezegd heb, dat hij op gevaar voor zijn leven niet vervoerd mag worden en ook niet ondervraagd, geloof ik wel, dat we zonder gevaar met hem kunnen praten. Nu maak ik dit beding--ik zal hem ondervragen in uw bijzijn, en wanneer wij uit wat hij zegt opmaken, dat hij (wat meer dan mogelijk schijnt) totaal bedorven en slecht is, wanneer ik dat aan kan toonen, zóó dat uw heele verstand het met mij eens is.... dat wij hem dan aan zijn lot overlaten, zonder eenige tusschenkomst van mijn kant ten minste.«

»O nee, tante!« smeekte Rose.

»O ja, tante!« zei de dokter. »Zijn wij 't eens of niet?«

»Hij kan niet verhard zijn in het kwade,« zei Rose, »dat is onmogelijk.«

»Des te beter,« hernam de dokter »en te meer reden om op mijn voorstel in te gaan!«

Eindelijk werd de voorwaarde aangenomen en daarop zetten beide partijen zich neer en wachtten met eenig ongeduld tot Oliver wakker zou worden.

Het geduld van de beide dames bleek langer op de proef gesteld te worden, dan de dokter haar had voorgespiegeld, want het ééne uur na het andere verliep, en nog lag Oliver in diepen slaap. Het was werkelijk al avond, eer de goedhartige dokter haar het bericht bracht, dat de jongen eindelijk genoegzaam tot zichzelf was gekomen om toegesproken te worden. De jongen was heel ziek, zeide hij, en zwak door bloedverlies, maar zijn geest scheen zoo gekweld te worden door verlangen het een of ander te openbaren, dat het den dokter beter docht, hem de gelegenheid hiertoe te geven dan er op aan te dringen, hem tot den volgenden morgen met rust te laten, wat hij anders zeker gedaan zou hebben.

Het werd een langdurig onderhoud. Oliver vertelde heel zijn eenvoudige geschiedenis en was dikwijls, door pijn en zwakte, gedwongen af te breken. Het maakte een plechtigen indruk, in de half donkere kamer de zwakke stem van het zieke kind een eentonig relaas te hooren doen van ellende en jammer, door hardvochtige menschen over hem gebracht. O! wanneer wij, als wij onze medemenschen verdrukken en vernederen, maar een oogenblik dachten aan de donkere erkenningen van menschelijke dwaling, die als dichte zware wolken, langzaam, doch daarom niet minder zeker naar den hemel opstijgen om vroeg of laat vergelding over onze hoofden te brengen; wanneer wij slechts één oogenblik in onze verbeelding de sombere getuigenis hoorden der stemmen van gestorvenen, die geen macht ter wereld, geen trots tot zwijgen kan brengen, waar zouden dan de beleedigingen en het onrecht, het lijden, de ellende, de wreedheid en het kwaad blijven, die elke dag met zich brengt!

Oliver's kussen werd dien nacht door zachte handen geschud en teederheid en deugd waakten over hem, terwijl hij sliep. Hij voelde zich rustig en gelukkig en zou zonder één klacht gestorven zijn.

Nauwelijks was het verhoor afgeloopen en Oliver opnieuw met rust gelaten, toen de dokter, na zijn oogen afgeveegd en ze tegelijk om hun zwakheid verwenscht te hebben, zich naar beneden begaf om Mr. Giles onder handen te nemen. Toen hij niemand in de kamers vond, kwam het in hem op, dat hij mogelijk zijn aanval met meer succes in de keuken kon beginnen; dus ging hij naar de keuken.

In dit Lagerhuis van het bedienden-Parlement zaten Mr. Brittles, Mr. Giles, de ketellapper (die ter wille van zijn bewezen diensten speciaal voor den verderen dag was uitgenoodigd) en de constabel bij elkaar. Die laatste heer had een grooten stok, een grooten hoed, een groot hoofd en groote half hooge laarzen en hij zag er uit of hij een hoeveelheid ale naar evenredigheid geslikt had--wat werkelijk het geval was.

De avonturen van den vorigen nacht werden nog altijd besproken en Mr. Giles weidde juist uit over zijn tegenwoordigheid van geest, toen de dokter binnenkwam; Mr. Brittles, die met een kruik ale in zijn hand zat, bevestigde alles, nog eer zijn meerdere het gezegd had.

»Blijf maar zitten!« zei de dokter met zijn hand wuivend.

»Asjeblieft mijnheer,« zei Mr. Giles. »Mevrouw wou, dat ik wat ale zou schenken, mijnheer, en ik had niets geen zin om in mijn kamertje te zitten, mijnheer, en wou graag gezelschap hebben; daarom ben ik maar hier met de anderen.«

Brittles liet een zacht gemompel hooren, waarmee de heeren en dames in 't algemeen geacht werden hun voldoening uit te drukken over de minzaamheid van Mr. Giles. Mr. Giles keek met 't air van een beschermer om zich heen, alsof hij zeggen wilde, dat, zoo lang zij zich fatsoenlijk gedroegen, hij niet van hen weg zou gaan.

»Hoe is 't vanavond met den patient, dokter?« vroeg Mr. Giles.

»Zoo-zoo,« antwoordde de dokter. »Ik ben bang, Mr. Giles, dat je er je leelijk in hebt gewerkt.«

»U meent toch niet,« zei Mr. Giles bevend, »dat hij sterven zal? Als ik dat moest denken, zou ik nooit meer gelukkig zijn. Ik zou geen jongen dood willen maken--nee, niet eens Brittles hier--niet voor al 't tafelzilver in 't heele land.«

»Dat is de kwestie niet,« zei de dokter op geheimzinnigen toon. »Mr. Giles, ben je protestant?«

»Ja dokter, ik hoop 't ten minste,« stamelde Mr. Giles, die doodsbleek was geworden.

»En wat ben _jij_, jongen?« vroeg de dokter en wendde zich plotseling tot Brittles.

»Goeie hemel meneer!« antwoordde Brittles hevig verschrikt. »Ik.... ik ben 't zelfde als Mr. Giles, meneer.«

»Geef me dan hier eens antwoord op?« zei de dokter, »jullie allebei--allebei! Durven jullie er een eed op doen, dat die jongen boven dezelfde jongen is, die vannacht door het raampje binnenkwam? Nu? Vooruit! Ik luister!«

De dokter, die algemeen beschouwd werd als één van de vriendelijkste menschen ter wereld, deed deze vraag op zulk een verschrikkelijk woedenden toon, dat Giles en Brittles, die ten gevolge van de ale en de ontroeringen van den dag toch al eenigszins in de war waren, elkaar verbluft aanstaarden.

»Neem nota van het antwoord, constabel,« zei de dokter, stak plechtig zijn wijsvinger in de hoogte en wreef er mee over zijn neus, om den waardigen gerechtsdienaar te beduiden, dat hij al zijn scherpzinnigheid te baat moest nemen. »Van dat antwoord zal veel afhangen.«

De constabel zette zijn snuggerste gezicht en nam zijn stok, het teeken zijner waardigheid, die tot nu toe werkeloos in een hoek van den schoorsteen had gestaan, in de hand.

»U zult opmerken, dat het een eenvoudige kwestie van identiteit is,« zei de dokter.

»Net zoo mijnheer,« antwoordde de constabel, onder een hevige hoestbui, want hij had zijn ale haastig uitgedronken en een deel ervan was in zijn verkeerde keelgat geschoten.

»Hier is een inbraak gepleegd,« zei de dokter, »en twee mannen zien in één oogwenk een jongen te midden van kruitdamp en al het bedriegelijke van schrik en duisternis. Den volgenden morgen komt een jongen aan datzelfde huis aankloppen en omdat hij toevallig een verbonden arm heeft, grijpen die mannen hem ruw aan--waarmee zij zijn leven in groot gevaar brengen--en zweren, dat hij de dief is. Nu is het de vraag, of de feiten deze mannen in 't gelijk stellen; wanneer dit niet het geval is, in welk licht komen zij dan te staan?«

De constabel knikte diepzinnig. Hij zei, dat, als dit niet volgens de wet was, hij wel eens wou weten wat dan wel.

»Ik vraag nog eens,« donderde de dokter, »zijn jullie in staat de identiteit van dien jongen onder eede vast te stellen?«

Brittles keek in twijfel naar Mr. Giles; Mr. Giles keek in twijfel naar Brittles; de constabel legde zijn hand achter zijn oor om het antwoord op te vangen; de twee vrouwen en de ketellapper bogen zich voorover om te luisteren; de dokter keek met scherpen blik om zich heen; toen de bel van het hek overging en tegelijk het geluid van wielen gehoord werd.

»Daar zijn ze!« riep Brittles, blijkbaar zeer verlicht.

»Wie?« riep de dokter, op zijn beurt ontsteld.

»De politiebeambten uit Bow Street, mijnheer,« antwoordde Brittles, terwijl hij de kaars nam, »ik en Mr. Giles hebben vanmorgen om ze gestuurd.«

»Wat?« riep de dokter.

»Ja,« antwoordde Brittles, »ik stuurde een boodschap met den postiljon en ik begrijp nog niet, dat ze niet al eer hier waren.«

»Heb jij.... jij dat gedaan? Dat dan de duivel je.... je luie postwagens hale! wil ik zeggen,« zei de dokter en ging de keuken uit.

HOOFDSTUK XXXI.

Verhaalt een netelig geval.

»Wie is daar?« vroeg Brittles, terwijl hij de deur zoo ver open deed als de ketting toeliet en naar buiten keek, met zijn hand de kaars beschermend.

»Doe open,« zei de man buiten, »hier is de politie uit Bow Street, waar om gestuurd is vandaag.«

Gerustgesteld door deze verzekering, deed Brittles de deur wijd open en stond tegenover een stoeren man in een manteljas. Zonder iets meer te zeggen, kwam deze binnen, en veegde zijn voeten op de mat zoo bedaard, alsof hij hier thuis was.

»Wil je iemand naar buiten sturen om mijn kameraad af te lossen, jongmensch?« zei de politiebeambte, »hij zit nog in 't rijtuig en houdt 't paard vast. Heb je hier soms een koetshuis, waar 't rijtuig een minuut of vijf of tien in kan staan?«

Toen Brittles bevestigend antwoordde en naar den stal wees, stapte de statige man terug naar het tuinhek en hielp zijn metgezel om het rijtuig te bezorgen, terwijl Brittles hem met groote bewondering bijlichtte. Hierna keerden zij naar het huis terug; in een kamer binnengelaten, deden ze hunne overjassen en hoeden af en vertoonden zich zooals zij waren.

De man, die geklopt had, was krachtig gebouwd, van middelbare lengte en ongeveer vijftig jaar oud; hij had glanzend zwart haar, zeer kort geknipt, halve bakkebaarden, een rond gezicht en scherpe oogen. De ander was een knokige man met een rood hoofd en kaplaarzen; hij had een ongunstig gezicht en een neus met wijde neusgaten, die hem een norsch uitzicht gaf.

»Zeg aan je meester, dat Blathers en Duff er zijn.« zei de eerste man, terwijl hij zijn haar glad streek en een paar handboeien op tafel legde. »O! Goeienavond, meester; kan ik een paar woorden met u alleen spreken?«

Dat was gericht tot den heer Losberne, die juist binnenkwam; de dokter wenkte Brittles heen te gaan, geleidde de beide dames binnen en sloot de deur.

»Dit is de dame, die hier woont,« zei de dokter, op mevrouw Maylie duidend.

Mr. Blathers maakte een buiging. Daar hij verlangde te gaan zitten, legde hij zijn hoed op den grond, nam een stoel en beduidde Duff, hetzelfde te doen. Dit laatste heerschap, niet zoo gewend naar 't scheen aan beschaafd gezelschap, of die zich--wat ook mogelijk was--minder gemakkelijk in gezelschap bewoog, maakte allerlei vreemde bewegingen met armen en beenen eer hij ging zitten en stak eenigszins verlegen den knop van zijn stok in zijn mond.

»Nu, wat de inbraak betreft, Mevrouw,« zeide Blathers. »Wat zijn de bijzonderheden?«

Dokter Losberne, die graag tijd scheen te winnen, vertelde alles zoo uitvoerig mogelijk en met allerlei uitweidingen.

De heeren Blathers en Duff keken heel slim en gaven elkaar nu en dan een knikje.

»Ik kan natuurlijk niets met zekerheid zeggen, zoolang ik het werk niet gezien heb,« zeide Blathers, »maar mijn eerste indruk is--ik verklaar echter nog niets met stelligheid--dat het niet door een knul gedaan is; wat zeg jij Duff?«

»Ik geloof 't ook niet,« antwoordde Duff.

»Als ik zoo vrij mag zijn het woord knul voor de dames te verklaren, maak ik uit uw woorden op, hoe u het er voor houdt, dat de inbraak niet is gepleegd door een buitenman?« vroeg de heer Losberne met een glimlach.

»Juist meester,« antwoordde Blathers. »Is dat alles wat over den inbraak te vertellen valt?«

»Alles,« antwoordde de dokter.

»En wat is dat dan met die jongen, waar de bedienden van spraken?« vroeg Blathers.

»Niets hoegenaamd,« antwoordde de dokter. »Eén van de knechts heeft 't zich in zijn schrik in het hoofd gehaald, dat die jongen iets te maken heeft met de poging tot inbraak; maar 't is nonsens--louter verzinsel.«

»Dat is gemakkelijk genoeg uit te maken,« merkte Duff op.

»Heel juist gezegd,« viel Blathers in, terwijl hij goedkeurend knikte en achteloos met de handboeien speelde, alsof 't een paar castagnetten waren. »Wie is die jongen? Wat vertelt hij van zichzelf? Waar komt hij vandaan? Hij is toch niet uit de wolken komen vallen, wel meester?«

»Natuurlijk niet,« antwoordde de dokter met een zenuwachtigen blik naar de dames. »Ik weet zijn heele geschiedenis, maar daar kunnen we straks over spreken. U wilt zeker eerst de plaats zien, waar de poging tot inbraak plaats had?«

»Zeker,« antwoordde Mr. Blathers. »'t Is het beste, dat we eerst een onderzoek ter plaatse instellen en dan de bedienden ondervragen. Zoo wordt 't gewoonlijk ingericht.«

Er werden lichten gebracht; de heeren Blathers en Duff, vergezeld van den constabel uit het stadje, Brittles, Giles en al de anderen, gingen naar de kamer aan het einde van de gang en keken door het raampje; daarna gingen zij naar buiten op het grasperk en keken door het raampje naar binnen; vervolgens kregen zij een kaars om het luik te onderzoeken, een lantaren om de voetsporen na te gaan en eindelijk een hooivork om mee tusschen de struiken te prikken. Nadat dit onder ademlooze belangstelling van alle toeschouwers gebeurd was, kwamen zij weer binnen; Mr. Giles en Brittles werden nu uitgenoodigd een melodramatische voorstelling te geven van de avonturen van den vorigen nacht, wat zij zoowat zes maal achter elkaar deden, waarbij zij elkaar de eerste maal niet meer dan één keer en de laatste maal niet meer dan twaalf keer tegenspraken.

Toen dit was afgeloopen, verlieten Blathers en Duff de kamer en hielden samen een langdurige beraadslaging, zoo geheimzinnig en plechtig, dat daarbij vergeleken, een consult van de beroemdste doktoren over een ingewikkeld, medisch geval maar kinderspel was.

Intusschen liep de dokter in de aangrenzende kamer onrustig op en neer, terwijl mevrouw Maylie en Rose hem met bekommerde gezichten aanzagen.

»Werkelijk,« zeide hij en bleef plotseling stilstaan, na een heelen tijd haastig op en neer te hebben geloopen, »ik weet bijna niet wat ik doen moet.«

»O jawel,« zei Rose, »als u aan die mannen de heele geschiedenis van het kind vertelt, zullen ze hem zeker vrij laten.«

»Dat betwijfel ik, meisjelief,« zei de dokter hoofdschuddend. »Ik geloof niet, dat hij daarop vrijgesproken zou worden, noch door deze mannen, noch door rechterlijke ambtenaren van hooger functie. Wat is hij ten slotte, zullen ze zeggen? Een weggeloopen jongen. Alleen beoordeeld volgens verstandelijke beschouwingen en overwegingen klinkt zijn verhaal eenigszins verdacht.«

»Maar u gelooft het toch?« viel Rose in.

»_Ik_ geloof 't, al klinkt het nog zoo vreemd, en misschien ben ik daarom wel een oude gek; maar ik geloof niet dat het een geschikt verhaal is voor een ervaren politieman.«

»Waarom niet?« vroeg Rose.

»Omdat, mijn lief ondervraagstertje,« antwoordde de dokter, »omdat er, als wij de zaak door hun oogen bekijken, heel wat duistere punten in zijn; de jongen kan alleen bewijzen wat er kwaad uitziet en niets van het goede. Die duivelsche kerels willen altijd het _hoe_ en _waarom_ van de dingen hebben; zonder dat nemen zij niets aan. Volgens zijn eigen getuigenis is hij vroeger gedurende eenigen tijd de maat van een dievenbende geweest; hij is naar een politie-bureau gebracht onder beschuldiging, een heer zijn zak gerold te hebben; uit het huis van dien heer is hij met geweld weggehaald en naar een plaats gebracht, die hij noch aanwijzen, noch beschrijven kan. Hij heeft zelfs niet het flauwste idee ervan waar die plek ongeveer ligt. Hij is, tegen wil en dank naar Chertsey gebracht door mannen, die verschrikkelijk op hem gesteld schijnen te zijn en door een raam gezet om te stelen; en dan, juist op het oogenblik als hij de bewoners wekken wil en dus het eenige zal doen, dat hem zou kunnen rechtvaardigen, komt die stommeling van een huisknecht hem in den weg en schiet hem neer! Alsof 't expres gebeurde om hem te beletten iets goeds voor zichzelf te doen! Ziet u dit alles niet in?«

»Ja, natuurlijk,« antwoordde Rose met een glimlach om de drift van den dokter, »maar ik zie nog niet in, waarom de jongen een misdadiger moet zijn.«

»Neen,« viel de dokter in, »natuurlijk niet! God zegene den helderen blik van de vrouw! Zij zien nooit, ten kwade of ten goede, meer dan één kant van een vraagstuk; en dat is altijd de kant, die het eerst naar haar toe gekeerd wordt.«

Nadat hij dit resultaat van zijn ondervinding had medegedeeld, stak de dokter zijn handen in zijn zakken en liep nog sneller dan te voren de kamer op en neer.

»Hoe meer ik er over denk,« zei de dokter, »hoe meer ik inzie, dat het oneindig veel last en moeilijkheden zal opleveren, als wij aan deze mannen de ware geschiedenis van den jongen vertellen. Ik weet zeker, dat zij 't niet zullen gelooven en zelfs, al kunnen zij hem ten slotte niets doen, dan zal toch het publiceeren van die geschiedenis, met al den twijfel, dien ze op zal wekken, een werkelijke hinderpaal worden voor uw nobel plan, hem uit de ellende te halen.«

»O, wat moeten we doen?« riep Rose. »Och, och! waarom hebben ze die menschen ook laten komen?«

»Ja, dat zeg ik ook!« riep mevrouw Maylie uit. »Ik zou ze voor geen geld hier gehaald hebben!«

»Alles wat ik er op weet,« zei de heer Losberne eindelijk, terwijl hij met een soort wanhopige bedaardheid ging zitten, »al wat ik er op weet, is, dat we moeten probeeren ons er met een brutaal gezicht doorheen te slaan. Het doel is goed, dat kan ons excuus zijn. De jongen vertoont sterke koorts-verschijnselen en is in geen toestand om meer in verhoor te worden genomen, dat is één geruststelling. We moeten de zaak zoo goed mogelijk ten einde brengen en als dat goede alleen door slechte middelen bereikt kan worden, dan is dat onze schuld niet. Binnen!«

»Nou meester!« zei Blathers, terwijl hij, gevolgd door zijn collega, binnenkwam, en de deur sloot, eer hij verder sprak, »dit was geen binnenmuursche geschiedenis.«

»Wat is 'n binnenmuursche geschiedenis?« vroeg de dokter ongeduldig.

»Wij noemen het een binnenmuursche diefstal, dames,« zei Blathers, zich tot haar wendend, alsof hij haar onwetendheid beklaagde, maar die van den dokter verachtte, »als de bedienden er bij betrokken zijn.«

»Niemand verdacht hen in dit geval,« zeide mevrouw Maylie.

»'t Schijnt zoo, mevrouw,« hernam Blathers, »maar daarom konden ze er toch wel in betrokken zijn.«

»Juist daarom was het des te waarschijnlijker,« zei Duff.

»Naar onze bevinding is het stadswerk,« zeide Blathers, voortgaande met zijn verslag, »want 't is werk eerste klas.«

»Ja 't is mooi,« merkte Duff zachter op.

»Ze waren met hun beiden,« ging Blathers voort, »en ze hadden een jongen bij zich; dat blijkt uit de grootte van het raampje. Dat is alles wat wij er voor het oogenblik van zeggen kunnen. We zouden nu meteen graag even den jongen willen zien, die u boven hebt.«

»Misschien willen de heeren eerst wel wat drinken, mevrouw Maylie,« zeide de dokter, terwijl zijn gezicht ophelderde, alsof een nieuwe gedachte in hem opkwam.

»O ja!« riep Rose ijverig. »Ik zal onmiddellijk wat inschenken, als u wilt.«

»Nou juffrouw, dat sla ik niet af!« zei Blathers, terwijl hij zijn mond met zijn mouw afveegde, »je krijgt er 'n drogen mond bij, bij dit werk. Wat u bij de hand heeft, juffrouw, geef u geen moeite voor ons.«

»Wat zal 't zijn?« vroeg de dokter en ging met de jonge dame mee naar 't buffet.