De avonturen van Oliver Twist

Part 21

Chapter 214,038 wordsPublic domain

Elkaar met dergelijke gesprekken bemoedigend, liepen de drie mannen niettemin heel dicht naast elkander voort en keken angstig om zich heen, zoo dikwijls een nieuwe windvlaag door de struiken blies; ze haastten zich naar een boom, waar ze hun lantaren achtergelaten hadden, uit angst, dat het licht de dieven zou wijzen, in welke richting ze schieten moesten. Ze grepen het licht en liepen op een flinken draf naar huis; lang nadat hun schimachtige gestalten niet meer te onderscheiden waren, kon men het licht zien flikkeren en dansen in de verte, als werd het voortgebracht door de nevelige sombere atmosfeer, waarin het zich bewoog.

Terwijl de dag langzaam aanbrak, werd de lucht kouder en de mist rolde als een dichte rookwolk langs den grond. Het gras was nat; de paden en laaggelegen plekken waren vol slijk en water en de vochtige adem van een ongezonden wind trok langzaam, met hol geluid over het land. Nog altijd lag Oliver roerloos en zonder bewustzijn op de plaats, waar Sikes hem had achtergelaten.

De morgen kwam nader. De lucht werd scherper en doordringender, toen de eerste flauwe schijn--'t scheen meer de dood van den nacht dan de geboorte van een nieuwen dag--zwakjes glom in de lucht. De voorwerpen, die er in de duisternis somber en angstwekkend hadden uitgezien, werden al duidelijker zichtbaar en namen langzamerhand hun gewone vormen aan. Een hevige, dichte regen begon te vallen en kletterde met luid gerucht op de bladerlooze struiken. Maar Oliver voelde er niets van, dat de regen op hem neersloeg; hulpeloos en zonder bewustzijn lag hij uitgestrekt op zijn bed van klei.

Eindelijk werd de heerschende stilte verbroken door een zachten kreet van pijn; terwijl hij dien kreet uitte, kwam de jongen tot bewustzijn. Zijn linkerarm, ruwweg in een doek gewikkeld, hing zwaar en onbruikbaar neer; het verband was doortrokken van bloed. Hij was zoo zwak, dat hij zich ternauwernood in een zittende houding kon werken; toen het hem gelukt was, keek hij met flauwe oogen om zich heen om hulp en kreunde van pijn. Door kou en uitputting over al zijn leden bevend, deed hij een poging op te staan, maar trillend van het hoofd tot de voeten, viel hij opnieuw neer.

Nadat hij korten tijd opnieuw in de bewusteloosheid vervallen was, waarin hij te voren zoo lang verkeerd had, wist Oliver, aangespoord door een wee gevoel in zijn binnenste, dat hem scheen te waarschuwen, hoe hij, door hier te blijven liggen, zeker sterven zou, op zijn voeten te komen en trachtte hij te loopen. Zijn hoofd was duizelig en hij slingerde heen en weer als een beschonkene. Ondanks dat, wist hij zich op de been te houden, en strompelde voort, 't hoofd op de borst gebogen en zonder te weten waarheen.

In zijn geest kwamen allerlei verwarde, beangstigende visioenen op. 't Was hem, of hij nog tusschen Sikes en Crackit in liep, die op woedenden toon aan het twisten waren, want de woorden, die zij gesproken hadden, klonken hem nog in de ooren en op 't oogenblik, dat hij als 't ware tot zichzelf kwam, omdat hij een krachtige poging moest doen, niet te vallen, ontdekte hij, hoe hij tot hen had gesproken. Dan weer liep hij alleen met Sikes, zooals den vorigen dag en als hij zich verbeeldde, menschen voorbij te zien gaan, voelde hij des roovers greep om zijn pols. Plotseling schrikte hij terug voor het knallen van vuurwapens; luide kreten en schreeuwen klonken door de lucht; lichten flikkerden voor zijn oogen; alles was leven en rumoer, terwijl een onzichtbare hand hem haastig wegvoerde. In al deze vluchtige visioenen bleef een onbepaald, kwellend besef van pijn hem onophoudelijk plagen.

Zoo strompelde hij voort, kroop half werktuigelijk onder hekken door of door een opening in een heg, als hij die toevallig voor zich zag, tot hij op den straatweg kwam. Hier begon de regen in zulke stroomen te vallen, dat hij er door uit zijn halve versuffing wakker schrikte. Hij keek om zich heen en zag op niet te grooten afstand een huis, dat hij misschien bereiken kon. Als ze zijn ongelukkigen toestand zagen, zouden de bewoners misschien medelijden met hem hebben en al was dit niet zoo, dan scheen 't hem toch beter toe, in de buurt van menschelijke wezens te sterven dan in het eenzame, open veld. Hij verzamelde al zijn krachten tot een laatste inspanning en richtte zijn wankele schreden naar het huis.

Terwijl hij nader kwam, kreeg hij 't gevoel, alsof hij dit huis al meer had gezien. Hij herinnerde zich geen bijzonderheden, maar vorm en uitzicht van het gebouw kwamen hem bekend voor.

Die tuinmuur! Daarachter was het grasveld, waar hij in dienzelfden nacht op zijn knieën was gevallen en de genade van de beide mannen had ingeroepen. Het was hetzelfde huis, waar zij gepoogd hadden in te breken.

Toen Oliver de plaats herkende, kwam zulk een angst over hem, dat hij voor 't oogenblik de pijn van zijn wond vergat en er alleen aan dacht te vluchten. Vluchten! Hij kon nauwelijks staan, en al was hij in 't volle bezit geweest van al de kracht, die zijn jonge tengere lichaam borg, waarheen kon hij vluchten? Hij drukte tegen het tuinhek; het was niet gesloten en zwaaide open. Hij wankelde over het grasveld, klom de stoeptreden op, klopte zacht aan de deur; toen ontzonken hem zijn laatste krachten en hij zakte in elkaar tegen één der pilaren van de portiek.

Op dit oogenblik zaten Mr. Giles, Brittles en de ketellapper in de keuken, om na de verschrikkingen en vermoeienissen van den nacht door thee en wat er verder bij behoort, weer op hun verhaal te komen. Niet dat het de gewoonte was van Mr. Giles, op al te familiaren voet met het mindere dienstpersoneel te verkeeren; gewoonlijk gedroeg hij zich tegenover deze met hooghartige vriendelijkheid, die aangenaam aandeed en toch de anderen herinnerde aan zijn hoogere positie in de maatschappij. Maar dood, brand en inbraak maken alle menschen gelijk; dus zat Mr. Giles met languitgestrekte beenen voor den keukenhaard, zijn linkerarm op tafel geleund, terwijl hij met den rechter een omstandig en nauwkeurig verhaal van de inbraak begeleidde, waarnaar zijn hoorders, (vooral de keuken- en de werkmeid, die ook van de partij waren) met ademlooze belangstelling luisterden.

»'t Was zoowat half drie,« zei Mr. Giles »of ik wil er geen eed op doen, dat 't niet naar drieën liep, toen ik wakker werd, en terwijl ik mij omdraaide in bed, zooals een mensch wel eens doet, (hier draaide Mr. Giles zich om in zijn stoel en trok de punt van het tafelkleed over zich heen om de dekens voor te stellen) een geluid meende te hooren.«

Bij dit punt van het verhaal werd de keukenmeid bleek en vroeg de werkmeid om de deur dicht te doen; deze vroeg het aan Brittles, deze aan den ketellapper en deze deed of hij 't niet gehoord had.

»Een geluid meende te hooren,« ging Mr. Giles voort. »Eerst zeg ik: 't is verbeelding, en zou net weer in slaap vallen, maar toen hoorde ik het geluid weer en duidelijker.«

»Wat voor geluid?« vroeg de keukenmeid.

»Een inbrekerig geluid,« antwoordde Mr. Giles, om zich heen ziende.

»Meer een geluid alsof een ijzeren roe over een rasp werd gewreven,« meende Brittles.

»Zoo klonk het, toen _jij_ het hoorde,« viel Mr. Giles in, »maar op 't oogenblik, waar ik van spreek, klonk het inbrekerig. Ik gooide de dekens van mij af,« ging Giles voort, het tafelkleed wegduwend, »ging rechtop in bed zitten en luisterde.«

»Gut!« riepen de keukenmeid en de werkmeid uit één mond en schoven haar stoelen dichter bij elkaar.

»Ik hoorde 't toen heel duidelijk,« hernam Mr. Giles.

»Er is iemand bezig, zeg ik tot mezelf, een deur of een raam te forceeren; wat moet ik doen? Ik zal die arme jongen, Brittles, wakker maken, dan wordt hij ten minste niet in zijn bed vermoord; anders, zeg ik in mezelf, kan, vóór hij 't weet, zijn keel wel doorgesneden worden van zijn ééne oor tot zijn andere.«

Hier wendden aller oogen zich naar Brittles, die de zijne op den spreker richtte en hem aanstaarde met open mond en ongeveinsde ontzetting op heel zijn gezicht.

»Ik gooide de dekens van mij af,« zei Giles, terwijl hij 't tafelkleed teruggooide en de keuken- en de werkmeid strak aankeek, »stapte zachtjes uit bed, schoot mijn....«

»Er zijn dames bij, Mr. Giles,« mompelde de ketellapper.

»Mijn _schoenen_ aan,« zei Giles, terwijl hij zich tot hem keerde en grooten nadruk op het woord legde, »greep het geladen pistool, dat altijd gelijk met het zilvermandje boven komt en liep op mijn teenen naar zijn kamer. Brittles, zeg ik, toen ik hem wakker had gemaakt, je moet niet schrikken.«

»Dat zei je,« merkte Brittles met zachte stem op.

»We zijn zoo goed als dood, Brittles, zeg ik,« ging Giles voort; »maar je moet niet bang zijn.«

»Was hij bang?« vroeg de keukenmeid.

»Heelemaal niet«, antwoordde Mr. Giles. »Hij was zoo flink--ja! haast zoo flink als ik zelf.«

»Als ik in zijn plaats geweest was, zou ik 't bestorven hebben,« merkte de werkmeid op.

»Jij bent een vrouw,« zei Brittles en ging een beetje rechter op zitten.

»Brittles heeft gelijk,« zei Mr. Giles met een goedkeurend knikje, »van een vrouw kan men niet anders verwachten. Wij mannen, namen een dievenlantaarn, die bij Brittles op den schoorsteen stond en zochten in 't stikdonker onzen weg naar beneden--zóó....«

Mr. Giles was opgestaan van zijn stoel en had met zijn oogen dicht twee stappen vooruitgedaan om zijn verhaal met de handeling te illustreeren, toen hij en heel het overige gezelschap hevig schrikte en hij naar zijn stoel terugstoof. De keukenmeid en de werkmeid gaven een gil.

»Er werd geklopt,« zei Mr. Giles, met vertoon van kalmte, »doe één van allen open.«

Niemand verroerde zich.

»'t Is vreemd, dat er zoo vroeg in den ochtend geklopt wordt,« zei Mr. Giles en liet zijn oogen langs de bleeke gezichten om hem heen gaan; hij zag zelf ook doodsbleek. »Maar er moet worden opengedaan. Heeft niemand me verstaan?«

Mr. Giles keek onder het spreken Brittles aan, maar deze jonge man, die bescheiden was van aard, beschouwde zichzelf blijkbaar als niemand en deed dus of de vraag volstrekt niet tot hem gericht kon zijn; in elk geval deed hij geen poging om te antwoorden. Mr. Giles wierp een vragenden blik op den ketellapper, doch deze was plotseling in slaap gevallen. De vrouwen kwamen niet in aanmerking.

»Als Brittles liever opendoet in tegenwoordigheid van getuigen,« zei Mr. Giles na een korte stilte, »dan ben ik bereid, die getuige te zijn.«

»Ik ook,« zei de ketellapper, even plotseling weer wakker geworden, als hij in slaap was gevallen.

Op deze voorwaarde gaf Brittles toe; en toen het gezelschap eenigszins gerustgesteld was door de ontdekking, (die zij deden bij het opengooien der luiken) dat het helder dag was, gingen ze naar boven, de honden voorop en de twee vrouwen, die bang waren om alleen beneden te blijven, in de achterhoede. Op raad van Mr. Giles, praatten allen luid om een of andere kwaadwillige buitenstaander te waarschuwen, dat zij sterk in getal waren, en door een meesterlijk staaltje van politiek overleg, in het brein van denzelfden vernuftigen heer opgekomen, trokken zij in de hal de honden flink aan hun staart, zoodat ze wild begonnen te blaffen.

Nadat deze voorzorgen genomen waren, greep Mr. Giles den arm van den ketellapper stevig beet, (anders mocht deze eens wegloopen zooals hij schertsend opmerkte) en gaf bevel, de deur open te doen. Brittles gehoorzaamde; de groep, angstig over elkaars schouders glurend, zag geen ander verschrikkelijk ding dan den armen Oliver Twist, sprakeloos en uitgeput, die met moeite zijn oogen opsloeg en zonder woorden hun medelijden inriep.

[Illustratie: OLIVER ZAKTE IN ELKAAR TEGEN EEN DER PILAREN VAN DE PORTIEK.]

»Een jongen!« riep Mr. Giles en duwde dapper den ketellapper naar den achtergrond. »Wat mankeert die--Hè? Kijk, Brittles, zie je,--herken je 'm niet?«

Brittles, die achter de deur stond, kreeg nauwelijks Oliver in 't oog of hij uitte een luiden kreet. Mr. Giles greep den jongen bij één arm en één been (gelukkig niet den gebroken arm) sleepte hem in de hal en legde hem languit op den vloer.

»Hier is hij!« schreeuwde Giles in groote opgewondenheid naar boven, »hier is één van de dieven, mevrouw! Hier is een dief, juffrouw! Gewond, juffrouw! Ik heb hem geraakt, juffrouw en Brittles lichtte me bij!«

»Met een lantaren, juffrouw!« riep Brittles, en hield, om zijn stem verder te doen dragen, zijn ééne hand op zij tegen zijn mond.

De twee vrouwelijke dienstboden vlogen naar boven om het nieuws te vertellen, dat Mr. Giles een dief had gevangen en de ketellapper beijverde zich door te trachten Oliver bij te brengen; anders zou hij nog dood gaan eer hij werd opgehangen. Te midden van al dit tumult liet zich een zachte vrouwenstem hooren, die het rumoer in een oogenblik deed bedaren.

»Giles!« fluisterde de stem boven aan de trap.

»Ik ben hier, juffrouw,« antwoordde Mr. Giles. »Wees maar niet bang, juffrouw; ik heb me niet erg bezeerd. Hij bood geen wanhopigen tegenstand, juffrouw! Ik was hem gauw de baas.«

»St!« antwoordde de jonge dame. »Je maakt tante weer net zoo aan 't schrikken als de dieven zelf. Is de arme man erg gewond?«

»Hopeloos juffrouw,« antwoordde Giles met onbeschrijflijke trots.

»Hij ziet er uit, of 't op z'n end loopt, juffrouw,« schreeuwde Brittles op dezelfde manier als te voren. »Komt u niet even naar hem kijken, juffrouw, eer hij soms doodgaat?«

»Toe, stil asjeblieft, dan ben je een beste jongen!« riep de jonge dame terug. »Wacht nu rustig een oogenblikje, terwijl ik met tante ga praten.«

Met een voetstap, even zacht en liefelijk als haar stem, trippelde de spreekster weg. Ze kwam na een oogenblik terug met de boodschap, dat de gewonde voorzichtig naar boven gedragen moest worden, in de kamer van Mr. Giles en dat Brittles de poney moest zadelen en dadelijk naar Chertsey rijden; vandaar moest hij in allerijl een gerechtsdienaar en een dokter meebrengen.

»Maar zou u hem niet eerst eventjes willen zien, juffrouw?« vroeg Mr. Giles, zóó trotsch alsof Oliver een of andere vogel van zeldzame pluimage was, die hij behendig gevangen had. »Heel eventjes maar, juffrouw?«

»Nu niet! voor alles ter wereld niet,« antwoordde de jonge dame. »De arme man! Toe Giles, ga voorzichtig met hem om, om mij plezier te doen.«

Terwijl zij heenging, keek de oude knecht haar na met zóóveel trots en bewondering in zijn oogen, alsof zij zijn eigen kind was. Toen boog hij zich over Oliver heen en hielp hem, met de omzichtigheid en zorg van een vrouw, naar boven dragen.

HOOFDSTUK XXIX.

Geeft een beschrijving, als kennismaking bedoeld, van de bewoners van het huis, waarin Oliver zijn toevlucht had genomen.

In een gezellige kamer, ofschoon het meubilair meer zweemde naar ouderwetsche gemakkelijkheid dan naar nieuwere sierlijkheid, zaten twee dames aan een wel-voorziene ontbijttafel. Mr. Giles, met zeer veel zorg geheel in 't zwart gekleed, bediende haar. Hij had zijn plaats gekozen halfweg het buffet en de ontbijttafel; zooals hij daar stond, in zijn volle lengte opgericht, het hoofd naar achteren geworpen en iet of wat naar één kant overgebogen, zijn linkerbeen vooruit en zijn rechterhand in zijn vest, terwijl zijn linkerhand, die een leeg blad vasthield, langs zijn zijde neerhing, zag hij er uit als iemand, vervuld van een zeer streelend bewustzijn zijner eigen verdienste en waardigheid. Eén van de beide dames was op leeftijd, doch de hooggerugde eikenhouten stoel, waarin zij zat, was niet rechter dan zijzelve. Zij was met de uiterste zorg en netheid gekleed; in haar kleeding, naar ouderwetschen snit gemaakt, waren op eigenaardige wijze enkele concessies aan den thans heerschenden smaak gedaan, die echter eer er toe bijdroegen den ouderen stijl in een gunstig daglicht te stellen dan omgekeerd; ze zat statig en rechtop met haar handen gevouwen op de tafel vóór haar. Haar oogen (de jaren hadden slechts weinig van hun helderheid gedoofd) waren aandachtig op haar jongere gezellin gericht.

De jonge dame verkeerde in den bloeitijd der jonkvrouwelijke Lente; wanneer de engelen werkelijk naar Gods heilige bedoeling somtijds in een sterfelijken vorm afdalen, dan mogen wij zonder heiligschennis veronderstellen, dat zij in een meisje als zij en van haar leeftijd wonen.

Ze was niet ouder dan zeventien jaar. Zoo teer en edel van vormen, zoo zacht en liefelijk, zoo schoon en rein, dat de aarde haar element niet scheen te wezen en de ruwe aardbewoners niet de levensgezellen, die zij behoefde. De geest, die uit haar diep blauwe oogen straalde en waarvan haar voorhoofd den stempel droeg, scheen niet bij haar leeftijd, noch bij het aardsche bestaan te behooren; en toch, wie de wisselende uitdrukking van gevoeligheid en vroolijkheid waarnam en de duizend lichtstralen, die over haar gezichtje speelden zonder eenige schaduw achter te laten; bovenal, wie haar glimlach zag, haar vroolijke, gelukkige glimlach, dacht aan huiselijk geluk en den vrede van den huiselijken haard.

Zij was druk bezig met de kleine handreikingen die de ontbijttafel vroeg. Toen zij toevallig de oogen opsloeg, terwijl de oudere dame haar aankeek, streek zij met een speelsche beweging haar haar, dat eenvoudig boven haar voorhoofd was gescheiden, naar achteren en in haar stralenden blik lag zooveel liefde en argelooze bekoring, dat zalige geesten glimlachen zouden, wanneer zij op haar neerzagen.

»En Brittles is al meer dan een uur geleden op weg gegaan, nietwaar?« vroeg de oude dame na een stilte.

»Een uur en twaalf minuten mevrouw,« antwoordde Mr. Giles, terwijl hij een zilveren horloge, dat hij aan een zwart lint droeg, te voorschijn haalde.

»Hij is nooit vlug,« merkte de oude dame op.

»Brittles is altijd een langzame jongen geweest, mevrouw,« antwoordde de knecht. En daar Brittles nu dus al ongeveer dertig jaar lang een langzame jongen was geweest, bestond er blijkbaar niet veel kans, dat hij ooit een vlugge zou worden.

»'t Wordt erger met hem in plaats van beter, geloof ik,« zei de oude dame.

»'t Zou onvergeeflijk van hem zijn, als hij onderweg bleef staan om met andere jongens te spelen,« zei de jonge dame met een glimlach.

Mr. Giles overwoog blijkbaar, of 't gepast zou zijn, eveneens eerbiedig te glimlachen, toen een sjees het tuinhek binnenreed, waaruit een dikke heer sprong, die recht op de voordeur afkwam en die, na op een of andere geheimzinnige manier in huis gekomen te zijn, de kamer binnenstoof, waarbij hij bijna Mr. Giles en de ontbijttafel onder den voet liep.

»Zoo iets heb ik nog nooit gehoord!« riep de dikke heer uit. »Beste Mevrouw Maylie--God zij mijn ziel genadig--en nog wel in de stilte van den nacht--ik heb nog nooit zoo iets gehoord!«

Met deze deelnemende woorden schudde de dikke heer beide dames de hand, nam een stoel en vroeg hoe zij het maakten.

»U moest dood zijn, gestorven van schrik,« zei de dikke heer. »Waarom heeft u geen boodschap gestuurd? Lieve God, mijn knecht zou in een minuut hier zijn geweest; en ik ook en mijn assistent zou niets liever gedaan hebben, en niemand onder die omstandigheden. Goeie hemel! Zoo onverwachts! En midden in den nacht!«

De dokter scheen het vooral heel erg te vinden, dat de inbraak onverwachts was gebeurd en in den nacht, alsof het een vaste gewoonte was van heeren inbrekers, hun werk op den middag te verrichten en een paar dagen te voren per post hun komst aan te kondigen.

»En u, juffrouw Rose,« zei de dokter, tot het jonge meisje gewend, »ik«....

»O! ik maak 't best, heusch,« zei Rose, hem in de rede vallend, »maar boven ligt een arme man; tante wou graag, dat u eens naar hem keek.«

»O ja, mooi,« zei de dokter, »daar heb ik van gehoord. Dat is jouw werk, nietwaar Mr. Giles?«

Mr. Giles, die met zenuwachtige bewegingen de theekopjes op hun plaats schikte, werd vuurrood en zei, dat hij de eer had gehad.

»Eer.... hm!« zei de dokter. »Och ja, 't kan ook wel zijn; misschien is het even eervol, een dief te raken in een achterkeuken, als een ander man te treffen op twaalf pas afstands. Denk maar, dat je geduelleerd hebt, Giles, en dat hij in de lucht schoot.«

Mr. Giles, die in deze luchtige manier om de zaak te behandelen een onrechtmatige poging zag, zijn roem te verkleinen, antwoordde eerbiedig, dat het niet op zijn weg lag, hierover te oordeelen; maar hij meende wel, dat het voor de tegenpartij geen gekheid was geweest.

»Zeker, je hebt gelijk!« zei de dokter. »Waar is hij? Wijs me den weg. Ik kom nog even hier eer ik wegga, mevrouw Maylie. Dat is het raampje, waar ze door zijn geklommen, niet? Ik kan 't haast niet gelooven!«

Al pratend volgde hij Mr. Giles naar boven en terwijl hij dat doet, wil ik den lezer vertellen, dat de heer Losberne, een chirurgijn uit de buurt en in den omtrek van tien mijlen bekend als »de dokter,« meer door goedhartigheid dik was geworden dan door een gemakkelijk leven; hij was de vriendelijkste, hartelijkste en tegelijk de zonderlingste oude vrijer, die in vijfmaal dien omtrek door welken onderzoeker ook gevonden zal worden.

De dokter bleef veel langer weg dan hij of de dames gedacht hadden. Uit de sjees werd een groote platte doos gehaald, er werd telkens aan de bel van een der slaapkamers getrokken en de dienstmeisjes holden onophoudelijk naar boven en weer naar beneden; uit al welke teekens was op te maken, dat er boven iets gewichtigs gebeurde. Eindelijk kwam de dokter terug; in antwoord op een vraag naar zijn patient, zette hij een geheimzinnig gezicht en sloot de deur zorgvuldig achter zich.

»'t Is een vreemde geschiedenis, mevrouw Maylie,« zei de dokter, terwijl hij met zijn rug tegen de deur ging staan als om haar dicht te houden.

»Er is, hoop ik, geen gevaar bij?« vroeg de oude dame.

»Dat zou juist zoo vreemd niet zijn onder deze omstandigheden,« antwoordde de dokter, »ofschoon ik niet geloof, dat het 't geval is. Heeft u dezen dief gezien?«

»Neen,« antwoordde de oude dame.

»Ook niets over hem gehoord?«

»Neen.«

»Neem me niet kwalijk, mevrouw,« viel Mr. Giles in, »maar ik wou net over hem gaan vertellen, toen Dokter Losberne binnenkwam.«

De waarheid was, dat Mr. Giles er eerst niet toe had kunnen komen, te bekennen, hoe hij slechts op een jongen had geschoten. Er waren zulke loftuitingen gehouden op zijn dapperheid, dat hij voor niets ter wereld kon nalaten, de verklaring enkele heerlijke minuten te verschuiven, waarin hij gestraald had in het zenith van een korten roem als onbetwistbare held.

»Rose wou den man zien,« zei mevrouw Maylie, »maar ik wilde er niets van hooren.«

»Hm!« hernam de dokter. »Er is niets verschrikkelijks in zijn uiterlijk. Heeft u er tegen, hem in mijn bijzijn te bezoeken?«

»Als het noodig is, natuurlijk niet,« antwoordde de oude dame.

»Dan vind ik het noodig,« zei de dokter, »ten minste, ik weet zeker, dat u er later grooten spijt van zou hebben, 't niet gedaan te hebben. Hij is op 't oogenblik heel rustig en zonder pijn. Miss Rose--wilt u mij permitteeren? U behoeft heusch niet bang te zijn, op mijn eer niet.«

HOOFDSTUK XXX.

Verhaalt, wat Olivers nieuwe bezoeksters van hem dachten.

Onder allerlei woordenrijke verzekeringen, dat zij aangenaam verrast zouden zijn bij het zien van den misdadiger, trok de dokter den arm der jonge dame door den zijne, bood zijn vrije hand aan Mevrouw Maylie en geleidde haar met veel plichtplegingen naar boven.

»Nu,« fluisterde de dokter, terwijl hij zachtjes de kruk van de slaapkamerdeur omdraaide, »laat me eens hooren, wat u van hem denkt. Hij is juist niet pas geschoren, maar hij ziet er toch heelemaal niet woest uit. Wacht u even! Laat me eerst zien, of hij geschikt is bezoek te ontvangen.«

Voor hen uitgaande, keek hij de kamer binnen. Na de dames een wenk gegeven te hebben, nader te komen, sloot hij de deur achter haar en trok voorzichtig de bedgordijnen open. Op het bed lag, inplaats van de ruwe, woeste misdadiger, dien zij verwacht hadden te zien, een kind, bleek door pijn en uitputting en diep in slaap. Zijn gewonde arm, verbonden en gespalkt, lag op zijn borst; zijn hoofd rustte op den anderen arm, half verborgen onder het lange haar, dat op het kussen lag gespreid.