Part 20
»'t Was verbeelding van je,« zei de Jood, terwijl hij de kaars opnam en zich tot den ander wendde.
»Ik kan er een eed op doen, dat ik 't gezien heb,« wierp Monks bevend tegen. »Toen ik de schaduw 't eerst zag stond ze gebogen en toen ik sprak, gleed ze weg.«
De Jood wierp een minachtenden blik op het bleeke gelaat van zijn metgezel; met de woorden dat de ander hem kon volgen, als hij er lust in had, daalde hij de trappen af. Ze keken in alle kamers; 't was er koud, hol en verlaten. Ze daalden in de gang en toen naar de kelders beneden. Tegen de lage muren kleefde groene schimmel; sporen van slakken glinsterden in het licht, maar alles was stil als het graf.
»Wat denk je wel?« zei de Jood, toen zij weer in de gang waren. »Behalve wij is er geen schepsel in het heele huis, uitgezonderd Toby en de jongens en die zitten veilig. Kijk maar!«
Ten bewijze dat hij de waarheid sprak, haalde de Jood twee sleutels uit zijn zak en legde uit hoe hij, den eersten keer toen hij naar beneden ging, om elke stoornis van hun beider onderhoud te voorkomen, de slapenden had opgesloten.
Deze overvloed van bewijzen brachten Monks blijkbaar aan het wankelen. Terwijl zij hun onderzoek voortzetten, zonder iets te ontdekken, waren zijn beweringen langzamerhand àl minder heftig geworden; nu stootte hij een paar grimmige lachjes uit en erkende, dat het toch misschien alleen zijn verhitte verbeelding was geweest. Hij wees echter elke voortzetting van het gesprek voor dezen avond af met de plotselinge opmerking, dat het over éénen was. En zoo scheidde het beminnelijke paar.
HOOFDSTUK XXVII.
Maakt de onbeleefdheid van een vroeger hoofdstuk weder goed, waarin een dame zonder eenige plichtpleging aan haar lot werd overgelaten.
Daar het een nederig schrijver volstrekt niet betaamt, zulk een gewichtig personage als een gemeentebode met zijn rug naar het vuur en de slippen van zijn jas onder zijn armen, zóó lang te laten wachten tot het hem behagen zal, den man de vrijheid te hergeven en daar het nog minder bij zijn positie of zijn gevoel voor galanterie past, op dezelfde wijze een dame te veronachtzamen, die door den bode met blikken vol teedere genegenheid was aangezien en in wier oor hij zoete woordjes had gefluisterd, die, nu ze uit dezen mond kwamen, het hart van welke maagd of vrouw ook in trilling zouden brengen, haast de geschiedschrijver, wiens pen deze woorden neerschrijft, zich--vertrouwend dat hij zijn plaats weet en dat hij met gepasten eerbied opziet naar diegenen op aarde aan wie een hooge en gewichtige waardigheid is toevertrouwd--haast hij zich, hun dien eerbied te betoonen, die hun positie vraagt en hen te behandelen met al de beleefdheid waarop hun verheven rang en (bij gevolg) hun verheven deugden, ongetwijfeld van zijn kant aanspraak maken. Tot dit doel lag het in zijn plan, hier een verhandeling in te lasschen over het goddelijk recht van gemeenteboden, en daarin onomstootbare bewijzen te leveren voor de stelling, dat een gemeentebode geen kwaad kan doen; ongetwijfeld zou zulk een verhandeling voor den welgeaarden lezer zoowel nuttig als aangenaam zijn geweest, doch bij gebrek aan tijd en plaatsruimte is de kroniekschrijver gedwongen, haar tot een meer geschikte gelegenheid uit te stellen. Komt die gelegenheid eenmaal, dan zal de kroniekschrijver zich er toe zetten, aan te toonen, dat een ware bode,--dat wil zeggen een Gemeentebode, verbonden aan een Gemeentelijk Armhuis en die door den aard van zijn ambt zijn zorgen ook tot de Gemeentelijke Kerk uitstrekt--dat zulk een man alleen al tengevolge van zijn ambt, gerekend kan worden alle uitstekende hoedanigheden en beste eigenschappen der menschheid te bezitten en dat geen bode van een of ander genootschap, of van een gerechtshof of zelfs van een hulpkerk (de laatste is mogelijk, maar dan in heel kleinen en minderwaardigen graad) ook maar de geringste aanspraak kan maken op één van deze uitstekende eigenschappen.
Mr. Bumble had de theelepeltjes overgeteld, opnieuw het gewicht van de suikertang bepaald, de melkkan aan een nauwkeuriger onderzoek onderworpen en tot in de kleinste bijzonderheden den juisten toestand van de meubelen nagegaan, zelfs de paardenharen zittingen van de stoelen, en hij had dit proces wel zesmaal herhaald eer hij er over begon te denken, dat het tijd werd voor juffrouw Corney om terug te komen. Denken wekt gedachten op en daar niets juffrouw Corney's terugkomst aankondigde, kwam het in Mr. Bumble op, dat het een onschuldig en deugdzaam tijdverdrijf zou zijn, zijn nieuwsgierigheid verder te bevredigen door een onderzoekenden blik te werpen op den inhoud van juffrouw Corney's lâtafel.
Na eerst aan het sleutelgat geluisterd te hebben om zich ervan te overtuigen, dat er niemand aan kwam, begon Mr. Bumble zich op de hoogte te stellen van den inhoud der drie breede laden; hij begon met de onderste. Deze laden lagen vol kleeren van goede stof en snit, zorgvuldig tusschen twee lagen courantenpapier en lavendel weggeborgen; 't onderzoek voldeed hem bijzonder. Toen hij na verloop van tijd aan de rechterhoeklade (waarin een sleutel stak) was gekomen en daarin een kistje, met een hangslot gesloten, ontdekte, dat, toen hij er aan schudde, een aangenaam geluid van klinkende munt gaf, keerde Mr. Bumble met statigen pas naar den haard terug; hier nam hij zijn vroegere houding weer aan en zeide ernstig en vastbesloten: »Ik doe het!«
Na deze merkwaardige verklaring bleef hij tien minuten lang op een schalksche manier met zijn hoofd schudden alsof hij zichzelf ervan wilde overtuigen, dat hij nog een knappe kerel was en ten slotte beschouwde hij van ter zijde zijn beenen, klaarblijkelijk met veel belangstelling en voldoening.
Hij was nog rustig verdiept in deze laatste bezigheid, toen juffrouw Corney de kamer kwam binnenstuiven en ademloos op een stoel bij den haard neerviel; ze bedekte haar oogen met de ééne hand, legde de andere op haar hart en hijgde naar adem.
»Juffrouw Corney,« zei Mr. Bumble, terwijl hij zich over de armmoeder heenboog, »wat is er, juffrouw? Is er iets gebeurd? Toe, geef antwoord; ik sta op.... op....« Mr. Bumble kon in zijn verwarring niet zoo gauw op het woord »heete kolen« komen, dus zei hij »op gebroken flesschen.«
»O, Mr. Bumble!« schreide de Moeder, »ik ben zoo vreeselijk geschrikt!«
»Geschrikt juffrouw!« riep Mr. Bumble, »wie heeft 't gewaagd, u.... Ik weet 't al!« viel Mr. Bumble zichzelf met zijn aangeboren waardigheid in de rede, »die gemeene schooiers hebben 't gedaan!«
»'t Is vreeselijk om aan te denken,« zei de dame huiverend.
»Denk er dan _niet_ aan, juffrouw,« zei Mr. Bumble.
»Ik kan 't niet laten!« teemde de dame.
»Neem dan eens iets, juffrouw,« raadde Mr. Bumble bedarend. »Een beetje van die wijn?«
»Voor niets ter wereld!« weerde juffrouw Corney af. »Ik zou niet kunnen.... o! Op de bovenste plank rechts.... o!«
Terwijl zij deze woorden uitstootte, scheen de goede vrouw klaarblijkelijk aan inwendige krampen ten prooi; met een vage handbeweging wees zij naar de kast.
Mr. Bumble snelde naar de kast, greep een groen glazen flesch van de plank, die zij hem zoo vaag had aangeduid, schonk een theekopje vol met den inhoud van de flesch en hield het aan de lippen van de dame.
»Dat doet goed,« zei juffrouw Corney; zij leunde terug in haar stoel en dronk de helft van het kopje leeg.
Mr. Bumble sloeg zijn oogen met een vroom dankgebed naar de zoldering, toen sloeg hij ze weer neer in de richting van het kopje en hield het aan zijn neus.
»Pepermunt,« riep juffrouw Corney met zwakke stem en lachte onder het spreken den bode vriendelijk toe. »Proeft u eens! Er is nog een bewijsje.... een bewijsje van iets anders in ook.«
Aarzelend proefde Mr. Bumble van den medicijn, smakte met de lippen, nam nog een slokje en zette het kopje leeg neer.
»'t Is zeer versterkend,« zei juffrouw Corney.
»Dat geloof ik ook, juffrouw,« zei de bode.
Onder het spreken schoof hij een stoel naast de Moeder en vroeg op teederen toon, wat haar toch zoo had doen ontstellen.
»Niets,« antwoordde juffrouw Corney. »Ik ben een mal, gevoelig, zwak schepsel.«
»Zwak niet, juffrouw,« wierp Mr. Bumble tegen en schoof zijn stoel nog een beetje dichter bij. »Bent u een zwak schepsel, juffrouw Corney?«
»We zijn allemaal zwakke schepsels,« zei juffrouw Corney, een algemeene waarheid uitsprekend.
»Dat zijn we,« zei de bode.
Gedurende een paar minuten werd door geen van beiden iets gezegd. Na verloop van dien tijd had Mr. Bumble de waarheid van deze gedachte gedemonstreerd door zijn linkerarm, die tot nu toe op de leuning van juffrouw Corney's stoel had gerust, naar juffrouw Corney's schorteband te brengen en hem langzamerhand dezelfde richting van dien band om haar middel te doen nemen.
»We zijn allemaal zwakke schepsels,« zei Mr. Bumble. Juffrouw Corney zuchtte.
»Zucht niet, juffrouw Corney,« zei Mr. Bumble.
»Ik kan er niets aan doen,« zei juffrouw Corney. En zuchtte opnieuw.
»'t Is hier een heel prettige kamer, juffrouw,« zei Mr. Bumble, om zich heen kijkend. »Nog één kamer er bij, juffrouw, dat was alles wat men zich wenschen kon.«
»Dat zou te veel zijn voor één mensch,« murmelde de dame.
»Maar niet voor twee, juffrouw,« viel Mr. Bumble op teederen toon in. »Wel, juffrouw Corney?«
Toen de bode dit zeide, liet juffrouw Corney haar hoofd hangen en de bode liet het zijne hangen om juffrouw Corney in 't gezicht te kunnen zien. Juffrouw Corney wendde met groote zedigheid haar gezicht af en trok haar hand terug om haar zakdoek te krijgen, maar onwillekeurig legde zij haar opnieuw in die van Mr. Bumble.
»U krijgt kolen van de Regenten, niet waar juffrouw Corney?« vroeg de bode met een teederen handdruk.
»En kaarsen,« antwoordde juffrouw Corney, terwijl zij den druk zachtjes teruggaf.
»Kolen, kaarsen en vrij wonen,« zei Mr. Bumble. »O, juffrouw Corney, wat bent u een engel!«
Tegen deze gevoelsuitbarsting was de dame niet bestand. Zij zonk Mr. Bumble in de armen en in zijn ontroering drukte deze een hartstochtelijken zoen op haar kuische neusje.
»Het heerlijkste wat de Gemeente heeft!« riep Mr. Bumble in vervoering uit. »Je weet toch, mijn engel, dat meneer Slout vanavond weer erger is?«
»Ja,« antwoordde juffrouw Corney schuchter.
»Hij heeft geen week meer te leven, zegt de dokter,« ging Mr. Bumble voort. »Hij is de Vader van het Armhuis; door zijn dood komt die plaats open; daar moet iemand anders in komen. O! juffrouw Corney, wat een vooruitzicht! Wat een schoone gelegenheid om twee harten en twee huishoudens te vereenigen!«
Juffrouw Corney snikte.
»Het kleine woordje?« vroeg Mr. Bumble, terwijl hij zich over de schuchtere schoone heenboog. »Het ééne kleine, kleine, kleine woordje, lieve Corney?«
»Ja-a-a....« zuchtte de matrone.
»Nog één,« ging de bode voort, »laat je teederheid me nog één ding zeggen.... Wanneer kan het gebeuren?«
Tweemaal trachtte juffrouw Corney te spreken en tweemaal mislukte het. Eindelijk vatte zij al haar moed bij elkaar, sloeg haar armen om Mr. Bumble's hals en zei, dat het zoo gauw kon gebeuren, als hij maar wou, en dat hij een »onweerstaanbare schat« was.
Toen de zaak aldus vriendschappelijk en tot beider genoegen geregeld was, werd het verbond plechtig bezegeld door een tweede kopje van de pepermunt-likeur; dat werd te meer noodzakelijk gemaakt door de ontroering van juffrouw Corney. Terwijl zij van den drank genoten, vertelde juffrouw Corney dat de oude vrouw gestorven was.
»Heel goed,« zei Mr. Bumble, zijn pepermunt-borreltje slurpend, »als ik naar huis ga, zal ik bij Sowerberry aanloopen en zeggen, dat hij morgen komt. Ben je daar zoo van geschrikt, lieverd?«
»'t Was niets bijzonders, schat,« zei de dame ontwijkend.
»Er moet toch iets geweest zijn, lieverd,« hield Mr. Bumble aan. »Wil je 't je eigen B. niet vertellen?«
»Nu niet,« antwoordde de dame. »Op een anderen dag. Als we getrouwd zijn, schat.«
»Als we getrouwd zijn!« riep Mr. Bumble uit. »Eén van die schooier-kerels heeft 't toch niet gewaagd....«
»Nee, nee, schat!« viel de dame haastig in.
»Als ik dàt moest denken,« ging Mr. Bumble voort, »als ik moest denken, dat één van hen zijn gemeene oogen had durven opslaan naar dat lieve gezicht....«
»Dat zouden ze niet durven, schat....« viel de dame in.
»'t Is ze ook geraden!« zei Mr. Bumble, zijn vuist ballend. »Laat mij den man eens zien, uit onze Gemeente of er buiten, die dat zou durven wagen; ik kan hem verzekeren dat hij 't geen tweede keer zal doen!«
Wanneer dat gezegde niet opgeluisterd was geworden door heftige gebaren, zou het juist niet geklonken hebben als een compliment aan de bekoorlijkheden van de dame in kwestie; doch daar Mr. Bumble de bedreiging vergezeld deed gaan van allerlei krijgshaftige gebaren, was zij zeer ontroerd door dit bewijs van zijn gehechtheid en betuigde, met groote bewondering, dat hij »een lieve duif« was.
De duif trok zijn jas aan en zette zijn steek op en na een lange, innige omhelzing met zijn toekomstige levensgezellin gewisseld te hebben, trotseerde hij opnieuw den kouden nachtwind; hij hield zich alleen een paar minuten in de mannenzaal op, om een beetje tegen de armen dáár te keer te gaan en zich er op die manier van te overtuigen, dat hij de post van Armhuisvader met de noodige strengheid zou weten te vervullen. In het volle bewustzijn van zijn waardigheid, verliet Mr. Bumble het Armhuis met een vroolijk hart en lichte visioenen van zijn toekomstige promotie; zijn geest hield zich hiermee bezig, tot hij het huis van den lijkbezorger bereikte.
Daar de heer en mejuffrouw Sowerberry uit theedrinken waren en Noah Claypole nooit of te nimmer geneigd was tot meer lichamelijke inspanning, dan noodig is om de beide functies van eten en drinken naar behooren te vervullen, was de winkel niet gesloten, ofschoon het gewone sluitingsuur voorbij was. Mr. Bumble klopte verscheidene malen met zijn stok op de toonbank, doch daar niemand antwoordde en hij licht zag schijnen door de ruit van het kleine kamertje achter den winkel, waagde hij het, daardoor naar binnen te gluren om te zien wat in de kamer voorviel en toen hij dit zag, was hij niet weinig verbaasd.
Er was gedekt voor het avondeten; op tafel stonden boterhammen, borden en glazen, een bierkruik en een wijnflesch. Aan het boveneinde van de tafel lag Noah Claypole achteloos uitgestrekt in een leuningstoel, zijn beenen over één van de leuningen, een open knipmes in zijn ééne hand en een homp gesmeerd brood in de andere.
Vlak naast hem stond Charlotte uit een vaatje oesters open te maken; Mr. Claypole sloeg ze met verwonderlijke gulzigheid naar binnen. Een meer dan gewone roodheid in de streek van zijn neus en een soort starende blik van zijn rechteroog wezen er op, dat hij een klein beetje aangeschoten was; dit vermoeden werd versterkt door het groote genot waarmee hij blijkbaar de oesters tot zich nam en dat zijn oorzaak moest vinden in hun verkoelende werking bij inwendige verhitting.
»Hier is nog een heerlijke vette, Noah, schat!« zei Charlotte, »proef eres; toe, deze ééne nog.«
»'n Heerlijk ding, zoo'n oester!« merkte Mr. Claypole op, toen hij de oester verslonden had. »Jammer, dat je, als je er al te veel van eet, zoo'n bezwaard gevoel krijgt, hè Charlotte?«
»Ja, dat is zonde en jammer,« zei Charlotte.
»Dat is 't,« stemde Mr. Claypole toe. »Houd jij niet van oesters!«
»Niet bijzonder,« antwoordde Charlotte. »Ik zie ze liever jou eten, Noah, dan dat ik ze zelf eet.«
»Och!« zei Noah peinzend, »wat gek!«
»Neem er nog één,« zei Charlotte. »Hier is er een met 'n prachtige, fijne baard!«
»Ik kan er geen meer naar binnen krijgen,« zei Noah. »'t Spijt me genoeg. Kom hier Charlotte, dan krijg je een zoen.«
»Wat!« riep Mr. Bumble, de kamer binnenstuivend. »Zeg dat nog eens!«
Charlotte stootte een kreet uit en verborg haar gezicht in haar schort. Claypole, die niet verder van houding veranderde dan door zijn beenen op den grond te zetten, keek den bode in dronkenmansschrik aan.
»Zeg dat nog eens, gemeene, brutale slungel!« zei Mr. Bumble. »Hoe durf je zoo iets te noemen? En hoe durf jij hem aan te moedigen, slechte deern die je bent? Zoenen!« riep Mr. Bumble in hevige verontwaardiging. »Foei! schaam je!«
»Ik wou 't niet doen,« zei Noah op huilerigen toon. »Zij zoent mij altijd of ik 't wil of niet.«
»O Noah!« riep Charlotte verwijtend.
»Je doet 't, dat weet je ook wel!« herhaalde Noah. »Ze doet altijd van die dingen, meneer Bumble; dan strijkt ze me onder m'n kin, gerust meneer en haalt me op allerlei manieren an.«
»Stilte!« riep Mr. Bumble streng. »Ga naar beneden, meisje. Noah, jij gaat de winkel sluiten; pas op als je nog één woord zegt, eer je baas thuis komt en als hij thuiskomt, zeg dan dat meneer Bumble morgenochtend na 't ontbijt een doodkist voor een oude vrouw in 't Huis wil gezonden hebben. Hoor je? Zoenen!« riep Mr. Bumble, met zijn handen in de hoogte. »De zonde en slechtheid van de lagere klassen in deze gemeente is verschrikkelijk. Wanneer het Parlement geen aandacht schenkt aan hun verschrikkelijke achteruitgang is ons land geruïneerd en gaat het volk geheel te gronde!«
Met deze woorden stapte de bode, trotsch en somber het huis van den lijkbezorger uit.
En nu wij hem zoover op zijn weg naar huis vergezeld en alle noodzakelijke voorbereidingen voor de begrafenis van de oude vrouw gemaakt hebben, laat ons nu eenige navraag beginnen naar Oliver Twist en ons er van overtuigen, of hij nog in de greppel ligt, waar Toby Crackit hem achterliet.
HOOFDSTUK XXVIII.
Houdt zich bezig met Oliver en verhaalt van zijn verdere avonturen.
»Dat de wolven jullie bij je keel hadden,« mompelde Sikes knarsetandend. »Ik wou, dat ik een paar van jullie tusschen m'n knuisten had, dan zou je nog harder schreeuwen!«
Terwijl Sikes deze verwensching uitgromde met de beestachtigste woestheid, waartoe zijn woeste natuur in staat was, liet hij het lichaam van den gewonden jongen op zijn gebogen knie rusten en keerde een oogenblik zijn hoofd om, om naar zijn vervolgers te zien.
Door mist en duisternis was er weinig te onderscheiden, maar het luide geschreeuw van mannen trilde door de lucht en het geblaf van de honden uit de buurt, wakker geroepen door het gelui van de alarmklok, weerklonk in alle richtingen.
»Sta! hond met je hazenhart!« schreeuwde de roover Toby Crackit na, die zijn lange beenen zoo goed mogelijk gebruikte en al een eind vooruit was. »Sta!«
De herhaling van het woord bracht Toby tot doodelijken stilstand. Want hij was er niet heelemaal zeker van, dat hij buiten bereik van het pistoolschot was en Sikes was in een stemming, die niet met zich spotten liet.
»Help een handje met den jongen,« riep Sikes, met een woedenden wenk aan zijn kameraad. »Kom terug!«
Toby deed alsof hij omkeerde; maar terwijl hij langzaam nader kwam, waagde hij met zachte stem, en hijgend naar adem, te kennen te geven, dat hij 't met grooten tegenzin deed.
»Gauwer!« riep Sikes, terwijl hij den jongen in een droge sloot aan zijn voeten legde en een pistool uit zijn zak haalde. »Hou me niet voor de gek!«
Op dit oogenblik groeide het rumoer aan. Toen Sikes opnieuw rondkeek, kon hij onderscheiden, dat de mannen, die hen achtervolgden, reeds over het hek klommen van het weiland, waar hij stond en dat twee honden de mannen een eindje vóór waren.
»'t Is uit, Bill!« riep Toby, »laat 't schaap liggen en maak je uit de voeten!« Met deze laatste raadgeving maakte Toby Crackit, die liever kans liep misschien door zijn vriend neergeschoten te worden dan zeker in handen van zijn vijanden te vallen, rechtsomkeer en snelde weg zoo hard hij kon.
Sikes knarsetandde; nog eens keek hij om zich heen, gooide de cape, waarin hij Oliver haastig gewikkeld had, nog verder over het roerlooze lichaam van den jongen heen, liep--als om de aandacht van zijn vervolgers af te leiden van de plaats waar de jongen lag, vóór langs de heg langs, bleef een seconde staan vóór een andere heg, die rechthoekig op de eerste stond, gooide zijn pistool hoog in de lucht, sprong over de heg heen en was verdwenen.
»Hé! hé daar!« riep een bevende stem hem na. »Pincher! Neptune! Hier! Hier!«
De honden, die evenmin als hun meesters met bijzonder veel animo aan de jacht schenen deel te nemen, gaven dadelijk gehoor aan het bevel. Drie mannen, die een eindje het weiland op geloopen waren, stonden stil om te beraadslagen.
»Mijn raad, of liever, mijn bevel is,« zei de dikste van de drie, »dat wij onmiddellijk weer naar huis gaan.«
»Ik vind alles goed wat Mr. Giles goed vindt,« zei een kleinere man, die men evenmin slank kon noemen en die heel bleek was in zijn gezicht en heel beleefd, zooals angstige menschen dikwijls zijn.
»Ik zou niet graag ongemanierd schijnen, heeren,« zei de derde, die de honden terug had geroepen, »dat weet meneer Giles wel.«
»Zeker,« zei de kleinere, »en wat meneer Giles ook moge zeggen, 't ligt niet op onzen weg, hem tegen te spreken. Nee, nee, ik ken m'n plaats. Dank zij mijn gesternte, ik ken m'n plaats.«
Eerlijk gezegd, de man scheen werkelijk zijn plaats te kennen en heel goed te weten, dat het geen benijdbare was, want onder het spreken klapperden zijn tanden in zijn mond.
»Je bent bang, Brittles,« zei Mr. Giles.
»Dat's niet waar,« zei Brittles.
»'t Is wel waar,« zei Giles.
»Je bent 'n valschaard, Mr. Giles,« zei Brittles.
»Je bent 'n leugenaar, Brittles,« zei Mr. Giles.
Deze woorden en wederwoorden vonden hun oorsprong in 't verwijt van Mr. Giles en dit verwijt ontstond uit zijn verontwaardiging, nu de verantwoordelijkheid voor hun naar huis gaan, hem, onder den dekmantel van een complimentje, op de schouders werd gelegd. De derde man maakte op de meest wijsgeerige wijze een einde aan de twist.
»Ik zal jullie zeggen wat 't is, heeren,« zeide hij, »we zijn allemaal bang.«
»Spreek voor jezelf,« zei Giles, die de bleekste van de drie was.
»Dat doe ik,« antwoordde de ander. »'t Is natuurlijk en fatsoenlijk, bang te zijn onder zulke omstandigheden. _Ik_ ben bang.«
»Ik ook,« zei Brittles; »alleen is 't niet noodig, 't iemand zoo maar in zijn gezicht te zeggen.«
Deze gulle bekentenissen stemden Mr. Giles zachter en hij gaf dadelijk toe, dat hij ook bang was; hierop maakten zij alle drie rechtsomkeer en holden terug, totdat Mr. Giles, (die 't eerst van de drie buiten adem raakte en bovendien beladen was met een hooivork), er op stond, even te rusten en uit te leggen, waarom hij straks zoo haastig gesproken had.
»Maar 't is een wonder,« zei Mr. Giles, toen hij zijn verklaring gegeven had, »wat een man doen kan als hij driftig is. Ik zou een moord begaan hebben--waarachtig--als we één van die schavuiten te pakken hadden gekregen.«
Daar de twee anderen dit gevoelen deelden en daar hun drift, evenals die van Mr. Giles, nu weer gansch bedaard was, verdiepten zij zich in vermoedens naar de oorzaak van deze plotselinge verandering in hun stemming.
»Ik weet waardoor het kwam,« zei Mr. Giles. »'t kwam door het hek.«
»Ja, dat kan wel,« riep Brittles uit, het denkbeeld terstond aangrijpend.
»Je kunt er van op aan,« zei Giles, »dat dat hek den stroom van onze drift tegenhield. Terwijl ik er over klom, voelde ik mijn drift letterlijk zakken.«
Door een merkwaardig toeval hadden de beide anderen op precies hetzelfde oogenblik het zelfde onaangename gevoel gehad. Er viel daarom niet aan te twijfelen, dat het door het hek kwam, vooral omdat geen twijfel mogelijk was aangaande het tijdstip waarop de verandering plaats had: alle drie toch herinnerden zich, dat zij op datzelfde oogenblik de dieven in 't oog hadden gekregen.
Dit gesprek werd gevoerd door de twee mannen, die de inbrekers overvallen hadden en een reizende koperslager, die in een schuurtje lag te slapen en met zijn twee straathonden opgeroepen was om aan de vervolging deel te nemen. Mr. Giles vervulde bij de oude dame, die het huis bewoonde, de dubbele betrekking van bottelier en huisknecht; Brittles was een duivelstoejager, die, daar hij als kind in zijn betrekking was gekomen, nog altijd als een veelbelovende jongen werd behandeld, ofschoon hij de dertig al gepasseerd was.