De avonturen van Oliver Twist

Part 18

Chapter 184,099 wordsPublic domain

»De Regenten hebben ze zoo besteld, mijnheer,« wierp de moeder tegen. »Het minste wat zij doen konden, is toch wel het ons behoorlijk warm te geven; onze betrekking is al moeielijk genoeg.«

Hier werd het gesprek afgebroken door een kreunen van de zieke vrouw.

»O!« zei de jonge man, terwijl hij zijn gezicht naar het bed wendde, alsof hij te voren de patiente geheel had vergeten, »'t is hier u.i.t. juffrouw Corney.«

»Zou u denken?« vroeg de Moeder.

»Als 't nog twee uur duurt, zal 't mij verwonderen,« zei de apothekersleerling, heel zijn aandacht bij zijn tandenstoker. »Alles geeft 't op. Slaapt ze, oudje?«

De waakster boog zich over het bed en knikte bevestigend.

»Dan gaat ze misschien zóó heen, als je geen leven maakt,« zei de jonge man. »Zet het licht op den grond. Dan ziet ze het niet.«

De waakster deed wat haar gezegd werd, terwijl zij haar hoofd schudde om aan te duiden, dat de vrouw zoo gemakkelijk niet sterven zou; daarna nam zij haar plaats weer in naast de oude verpleegster, die nu ook binnen was gekomen. De Moeder wikkelde zich met een ongeduldig gebaar in haar shawl en ging aan het voeteneinde van het bed zitten.

De apothekers-leerling, gereed met zijn tandenstoker, plantte zich voor het vuur en genoot er een minuut of tien van; toen verveelde het hem blijkbaar, hij wenschte juffrouw Corney veel plezier met haar baantje en ging op de teenen weg.

Nadat de twee oude vrouwtjes een poos stil bij het bed hadden gezeten, stonden zij op, slopen naar het vuur en staken hun uitgemergelde handen uit om de warmte op te vangen. De vlammen wierpen een spookachtig schijnsel op hun rimpelige gezichten en in dien schijn werd haar leelijkheid angstwekkend, toen zij in dezelfde houding met zachte stem begonnen te praten.

»Zei ze nog iets, Anny, terwijl ik weg was?« vroeg de boodschapster.

»Geen woord,« antwoordde de ander. »Ze trok en plukte een poosje aan haar armen, maar ik hield haar handen vast en toen zakte ze gauw weg. Ze heeft niet veel kracht meer over, dus ik kon haar makkelijk stil houden. Ik ben nog niet zoo erg zwak voor een oude vrouw, al word ik door de Gemeente onderhouden, nee, nee!«

»Heeft ze den warmen wijn opgedronken, die de dokter zei dat ze hebben moest?« vroeg de eerste.

»Ik probeerde 't er in te krijgen,« antwoordde de ander. »Maar ze hield haar tanden stijf op elkaar en klemde de kroes zoo vast, dat ik hem haast niet los kon krijgen. Toen heb _ik_ de wijn opgedronken en 't heeft me goed gedaan.«

Voorzichtig rondspiedend om zeker te zijn niet verstaan te worden, hurkten de twee oude wijfjes dichter bij het vuur en gichelden vroolijk.

»Ik denk aan den tijd,« zei de eerste spreekster, »toen zij hetzelfde zou gedaan hebben en er later heel wat grappen over zou hebben gemaakt.«

»Of ze,« viel de ander bij, »ze was een vroolijke ziel. Ze heeft heel wat mooie lijken afgelegd, zoo netjes en precies alsof 't wassen poppen waren. Mijn oude oogen hebben ze gezien--en deze oude handen hebben ze aangeraakt ook, want ik heb haar wel honderdmaal geholpen.«

Het oude menschje stak onder het spreken haar bevende vingers uit en schudde ze met vroolijk gebaar vóór haar gezicht; toen grabbelde ze in haar zak en haalde een oude doffe tinnen snuifdoos te voorschijn, waaruit zij eerst enkele korrels in de uitgestoken hand van haar gezellin schudde en toen in de hare. Terwijl zij daarmee bezig waren kwam de Moeder, die ongeduldig had zitten wachten of de stervende vrouw uit haar verdooving zou ontwaken, bij haar vóór 't vuur en vroeg op scherpen toon, hoe lang zij nog moest wachten.

»Niet lang, juffrouw,« antwoordde het tweede vrouwtje, terwijl zij naar haar opkeek. »Wij hoeven geen van allen lang op den Dood te wachten. Geduld, geduld! Hij zal gauw genoeg hier zijn voor ons allemaal.«

»Houd je mond, suffe idioot!« zei de Moeder bits. »Martha, zeg eens, is ze al meer zoo geweest?«

»Dikwijls!« antwoordde de eerste vrouw.

»Maar ze zal nooit meer zoo zijn,« voegde de tweede er bij, »dat is te zeggen, ze zal nog maar één keer bijkomen--en, let op wat ik zeg, juffrouw, dat zal dan niet lang duren!«

»Lang of kort,« zei de Moeder driftig, »ze zal me hier niet vinden als ze wakker wordt; pas op, als jullie me weer voor niets lastig valt. Het hoort niet tot mijn werk, er bij te zijn als de oude vrouwen uit het Huis sterven, en wat meer zegt, ik heb er geen zin in. Denk daar om, brutale ouwe sloeries! Als je mij nog eens voor den gek houdt, zal ik 't je wel afleeren, dat verzeker ik je!«

Ze liep met een vaart weg, toen een schreeuw van de twee vrouwen die weer naar het bed waren gegaan, haar deed omkijken. De zieke was rechtop gaan zitten en stak haar armen naar hen uit.

»Wie is dat?« vroeg zij met holle stem.

»St!« zei één van de vrouwen, en boog zich over haar heen. »Ga liggen, ga liggen!«

»Ik ga niet meer liggen, zoolang ik nog leef!« zei de zieke, tegenstribbelend. »Ik _moet_ 't haar zeggen! Kom hier! Dichterbij! Laat mij 't in je oor fluisteren.«

Zij greep de Moeder bij haar arm, trok haar neer op een stoel naast het bed en stond op het punt te spreken, toen zij, al rondkijkend, de twee oude vrouwtjes in het oog kreeg, die, voorovergebogen, gretig stonden te luisteren.

»Stuur die weg,« zei de stervende, mat, »gauw! gauw!«

Als uit één mond begonnen de twee bestjes in allerlei droeve klaagtonen te betuigen, dat 't arme, goede menschje te ver heen was om zelfs haar beste vriendinnen te kennen; zij stribbelden tegen en beweerden, dat ze haar nooit verlaten zouden, maar de Moeder duwde haar de kamer uit, sloot de deur en keerde naar het bed terug. Nu zij buitengesloten waren, sloegen de oude dames een anderen toon aan en riepen door het sleutelgat, dat oude Sally dronken was; wat werkelijk niet onwaarschijnlijk was, want behalve dat zij, op voorschrift van den apotheker, een behoorlijke dosis opium had gebruikt, leed zij onder de werking van een laatste slokje jenever met water, dat de waardige vriendinnen zelf, in de gulheid van haar hart, heimelijk voor haar hadden weten te krijgen.

»Luister,« zei de stervende vrouw hardop, als deed zij een geweldige poging om de laatste levenskracht, die in haar sluimerde, op te wekken. »In deze zelfde kamer--in ditzelfde bed--heb ik eens een mooi jong schepseltje opgepast; ze werd in het huis gebracht met doorgeloopen, gezwollen voeten en vol slijk en bloed. Zij bracht een jongen ter wereld en stierf. Laat me eens nagaan--in welk jaar was het ook weer?«

»Dat doet er niet toe,« zei de ongeduldige toehoorster, »wat was er met haar?«

»Ja,« mompelde de zieke, terugvallend in haar toestand van versuffing, »wat was er met haar?--wat--ik weet 't!« riep zij en sprong met een woeste beweging overeind, haar gezicht gloeide en haar oogen sperden open--»ik heb haar bestolen, ik! Ze was nog niet koud, nog niet koud, zeg ik, toen ik 't heb gestolen!«

»Wat gestolen, om Gods wil?« riep de Moeder met een gebaar, alsof zij hulp wilde halen.

»Dàt!« antwoordde de vrouw en legde haar hand op den mond van de Moeder. »Het eenige wat zij had. Ze had geen kleeren om zich te warmen en geen eten, maar zij had het veilig bewaard, op haar borst. Het was goud, zeg ik je! Echt goud, dat haar leven had kunnen redden!«

»Goud!« herhaalde de Moeder en boog zich ijverig over de vrouw heen, toen deze terugviel. »Vertel verder--verder--ja--toe--wat....? Wie was die moeder? Wanneer was 't?«

»Zij vroeg me, het te bewaren,« hernam de vrouw kreunend, »en vertrouwde 't mij toe, omdat ik de eenige vrouw om haar heen was. In mijn hart stal ik het al, toen zij 't mij voor 't eerst liet zien, zooals het om haar hals hing en misschien is de dood van het kind ook wel mijn schuld! Ze zouden hem beter behandeld hebben, als ze alles hadden geweten!«

»Wat geweten?« vroeg de ander. »Spreek!«

»De jongen ging zoo op zijn moeder lijken,« zei de vrouw afgetrokken en zonder op de vraag te letten, »dat ik er altijd aan moest denken, als ik zijn gezicht zag. Arm meisje! Arm meisje! Ze was nog zoo jong! En zoo'n zacht lammetje! Wacht, er is nog meer te vertellen. Ik heb u nog niet alles verteld, is 't wel?«

»Nee, nee,« antwoordde de Moeder, haar hoofd voorover buigend om de woorden op te vangen, die door de stervende àl zwakker werden uitgebracht. »Gauw, of 't is te laat!«

»Toen,« zei de vrouw met een nog heftiger poging dan te voren--»toen haar doodsstrijd begon, fluisterde de moeder mij in 't oor, dat als haar kindje levend geboren werd en opgroeide, dat er dan een dag zou komen, waarop het zich niet zou behoeven te schamen als zijn moeders naam genoemd werd.--En o, barmhartige Hemel!--zei ze, haar magere handen vouwend,--of het een meisje of een jongen is, geef 't kind een paar vrienden in deze droeve wereld, en heb medelijden met een arm, verlaten kind, overgelaten aan de barmhartigheid van die wereld!«

»Hoe heet de jongen?« vroeg de moeder.

»Ze _noemden_ hem Oliver,« antwoordde de vrouw zwak. »Het goud, dat ik gestolen heb, was....«

»Ja, ja.... wat?« riep de ander.

Ze boog zich haastig over de vrouw, om het antwoord te hooren, maar week instinctmatig terug, toen de stervende nog eens langzaam en stijf oprees, met beide handen de deken vastgreep, eenige onverstaanbare klanken murmelde die in haar keel bleven steken en levenloos terug viel op het kussen.

* * * * *

»Morsdood!« zei één van de oude vrouwtjes, haastig binnenkomend, zoodra de deur open ging.

»En niets te zeggen, per slot van rekening,« voegde de Moeder er bij, terwijl ze onverschillig heenging.

De twee bestjes, klaarblijkelijk te zeer ingenomen door de toebereidselen voor hun vreeselijk werk om eenig antwoord te geven, bleven alleen achter, en bogen zich over het lijk.

HOOFDSTUK XXV.

Waarin het verhaal tot Mr. Fagin en zijn kring terugkeert.

Terwijl binnen het armhuis in de provinciestad deze dingen voorvielen, zat Fagin peinzend bij een klein rookend vuurtje in zijn oude hol--hetzelfde, waaruit Oliver door Nancy was weggehaald. Hij had een blaasbalg op zijn knieën, waarmee hij blijkbaar gepoogd had het vuur wat op te vroolijken, maar hij was in diepe gedachten verzonken geraakt; de armen over den blaasbalg gevouwen en zijn kin rustend op zijn duimen, staarde hij afgetrokken op de roestige stangen van den haard.

Aan een tafel achter hem zaten de Slimme Vos, Charles Bates en Chilling, allen verdiept in een spel whist; de Vos speelde met den blinde tegen Bates en Chilling. Het gezicht van den eerste, altijd buitengewoon schrander, won nog aan slimheid door de spanning waarmede hij op het spel lette en zijn opmerkzaam bespieden van Chilling's hand; van tijd tot tijd, als hij zijn kans schoon zag, wierp hij ernstige blikken daarheen en was zoo wijs, zijn eigen spel te regelen volgens het resultaat van wat hij in de kaarten van zijn buurman gezien had. Daar het een koude avond was, had de Vos in de kamer zijn hoed opgehouden, wat trouwens een gewoonte van hem was. Tusschen zijn tanden hield hij een steenen pijp, die hij er alleen een oogenblikje uit nam, wanneer het hem geschikt dacht, een verfrissching te nemen uit een kruik, die met jenevergroc gevuld, ten gebruike van het gezelschap op tafel stond. Bates speelde ook met aandacht, maar daar hij levendiger van aard was dan zijn voortreffelijke vriend, greep hij meer dan deze naar de jenevergroc en gaf bovendien telkens grappen en niet-ter-zake-doende opmerkingen ten beste, die een ernstig whist-speler niet pasten. En de Slimme nam dan ook meer dan één gelegenheid waar, om zijn vriend deze onbehoorlijkheden ernstig onder het oog te brengen, waartoe hun innige gehechtheid aan elkaar hem het recht gaf; Charley Bates ontving die terechtwijzingen altijd even goed geluimd; hij antwoordde alleen, dat zijn vriend »stikken« kon of zijn »kop in een zak steken,« of een andere snedige grap van hetzelfde allooi, die hij zoo gelukkig te pas wist te brengen, dat Mr. Chilling hem in stilte bewonderde.

Het was opmerkelijk, dat deze laatste en zijn maat voortdurend verloren en dat deze omstandigheid, inplaats van Bates boos te maken, hem integendeel in de genoegelijkste stemming ter wereld scheen te brengen; na elk spel schaterde hij 't uit en beweerde, dat hij zijn heele leven nog niet zoo lollig gespeeld had.

»Dat 's groot slem en de robber,« zei Chilling met een lang gezicht, terwijl hij een halve kroon uit zijn vestjeszak haalde. »Ik heb nog nooit zoo'n vent gezien als jij, Jack; jij wint alles. Zelfs als we goede kaarten hebben, kunnen Charley en ik er niets van maken.«

Of de woorden, òf de toon van deze opmerking, die zeer spijtig klonk, vermaakten Charley Bates zoozeer, dat zijn luide lachuitbarsting den Jood uit zijn gepeins opwekte en hem deed vragen, wat er aan de hand was.

»Aan de hand, Fagin!« riep Charley. »Ik wou, dat je 't spel gezien had. Tommy Chilling heeft geen slag gemaakt en ik speelde samen met hem tegen den Slimme met de blinde.«

»Ja! ja!« zei de Jood met een grijns, die genoeg aantoonde, dat hij geen moeite had, de oorzaak te begrijpen. »Probeer 't nog eens, Tom, probeer 't nog eens.«

»Ik niet, dank je wel, Fagin,« antwoordde Chilling.

»Ik heb er genoeg van. Die Vos heeft zoo'n gelukkige hand, dat er geen spelen tegen is.«

»Ha! ha!« antwoord de de Jood, »om de Vos iets af te winnen, moet je vroeger opstaan.«

»Vroeg opstaan!« zei Charley Bates, »je moet je laarzen den heelen nacht aanhouden en een verrekijker voor ieder oog en een tooneelkijker om je hals, en dan win je 't _hem_ nog niet af.«

Mr. Dawkins aanvaardde deze vriendelijke loftuitingen zeer wijsgeerig en bood aan, met ieder die wilde, om een shilling te wedden, dat de eerste kaart die hij uit het spel trok, een pop zou zijn. Daar niemand op de weddenschap inging en zijn pijp leeggerookt was, begon hij zich te vermaken door met een stukje krijt, waarmee hij de punten van het spel had opgeteekend, een plattegrond van Newgate op de tafel te teekenen; onderwijl floot hij buitengewoon schel.

Nadat er in langen tijd niets gezegd was hield hij op met fluiten en zei: »Wat ben jij verschrikkelijk vervelend, Tommy!« »Waar zou hij--op Chilling wijzend--over zitten te denken, Fagin?«

»Hoe kan ik dat weten, jongenlief?« gaf de Jood terug; hij keek de anderen aan en trok den blaasbalg open en dicht. »Misschien over zijn verlies; of over zijn uitstapje naar buiten, waar hij juist van is teruggekomen? Ha! ha! is dat 't niet?«

»Heelemaal niet,« antwoordde de Vos, Chilling, die juist iets wilde zeggen, in de rede vallend. »Wat zeg _jij_ Charley?«

»Ik zou zeggen«, antwoordde Bates met een grijns, »dat hij bijzonder lief deed tegen Betsy. Kijk, hij krijgt een kleur! O donders! dat 's een grap! Tommy Chilling is verliefd! O Fagin! Fagin! wat 'n stel!«

Opgewonden bij de gedachte, dat Mr. Chilling het slachtoffer zou zijn van een teederen hartstocht, liet Bates zich met zulk een kracht achterovervallen in zijn stoel dat hij zijn evenwicht verloor en achterover op den grond sloeg, waar (het ongeval schaadde niet in 't minst aan zijn vroolijkheid) hij languit bleef liggen tot hij uitgelachen was; toen nam hij zijn vorige houding weer aan en begon opnieuw te lachen.

»Stoor je maar niet aan hem, beste jongen,« zei de Jood met een knipoogje naar jongeheer Dawkins, terwijl hij jongeheer Bates een vermanend tikje met den blaasbalg toediende. »Betsy is een mooie meid. Houd je maar bij haar Tom. Houd je bij haar.«

»Ik wil maar zeggen, Fagin,« viel Chilling met vuurrood gezicht in, »ik wil maar zeggen, dat dit hier geen mensch angaat.«

»Je hebt gelijk,« antwoordde de Jood, »maar Charley moet altijd kletsen. Stoor je niet aan hem, jongen; stoor je niet aan hem. Betsy is een mooie meid. Doe wat zij je vraagt, Tom, en je zult je fortuin maken.«

»Ik doe juist wat zij me vraagt,« hernam Chilling; »als ik haar raad niet gevolgd had, zou ik nooit in de tredmolen zijn geraakt. Maar voor jou werd 't een goed zaakje, nietwaar, Fagin? En wat is zes weken tredmolen? 't Moet toch één of anderen tijd komen; waarom dan maar niet in den winter, als jij niet graag zoo veel buiten komt, wat zeg jij, Fagin?«

»Je hebt gelijk, jongen,« gaf de Jood toe.

»Je zoudt 't nog eens doen, nietwaar Tom,« vroeg de Vos met een knipoogje naar Charley en den Jood, »als je Bet er mee helpen kon?«

»Dat zou ik zeker,« viel Tom boos uit. »Daar! En ik zou wel eens willen weten, wie hetzelfde kan zeggen; nou Fagin?«

»Niemand, jongen,« antwoordde de Jood, »geen ziel, Tom. Ik weet niemand, die het doen zou, behalve jij; niemand.«

»Ik zou me baantje schoon hebben kunnen vegen, als ik haar had willen verklikken; is 't niet Fagin?« ging het arme, half-onnoozele slachtoffer voort. »Eén woord van mij zou haar der in gebracht hebben; nou Fagin?«

»Zeker, natuurlijk jongen,« antwoordde de Jood.

»Maar ik kletste niet; is 't wel Fagin?« vroeg Tom met groote radheid van tong de ééne vraag na de andere loslatend.

»Nee, nee, zeker niet,« antwoordde de Jood, »daar was je te dapper voor. Veel te dapper, hoor jongen!«

»Misschien wel,« stemde Tom rondkijkend toe, »en als ik 't was, wat valt daar om te lachen; nou Fagin?«

De Jood, die opmerkte, dat Chilling hoe langer hoe driftiger werd, haastte zich te verzekeren, dat niemand lachte, en om te getuigen, hoe ernstig het gezelschap was, deed hij een beroep op Charley, den hoofdschuldige. Maar toen Charley zijn mond open deed om te betuigen, dat hij nooit in zijn leven zoo ernstig was geweest, bleek hij ongelukkigerwijs niet in staat, een hevige lachuitbarsting te bedwingen, waarop de beleedigde Chilling zonder eenige plichtpleging op den beleediger toestormde om hem een stomp toe te dienen; Charley, behendig in het ontkomen aan vervolgingen, bukte zich om den slag te ontwijken; hij koos het oogenblik zoo goed, dat de stomp terecht kwam op de borst van den vroolijken ouden heer en hem tegen den muur kwakte, waar hij naar adem stond te hijgen, terwijl Chilling hem in diepe verslagenheid aankeek.

»Hoor!« riep de Vos op dit oogenblik. »Ik hoor de bel.« Hij nam het licht en sloop zachtjes naar boven.

Opnieuw, terwijl het gezelschap nog in donker zat, werd er ietwat ongeduldig aan de bel getrokken. Na een oogenblik verscheen de Vos weer en fluisterde, geheimzinnig Fagin iets in 't oor.

»Wat!« riep de Jood, »alleen?«

De Vos knikte bevestigend en met zijn hand de kaarsvlam beschermend, gaf hij in stilte een vertrouwelijken wenk aan Charley, dat hij op 't oogenblik zijn grappen liever moest staken. Nadat hij dezen vriendendienst bewezen had, richtte hij zijn oogen op het gezicht van den Jood en wachtte zijn bevelen af.

De oude man bebeet zijn gele vingers en dacht eenige seconden na; zijn gezicht verried angst: alsof hij iets vreesde en bang was het ergste te vernemen. Eindelijk hief hij zijn hoofd op.

»Waar is hij?« vroeg hij.

De Vos wees naar boven en maakte een beweging om de kamer uit te gaan.

»Ja,« zei de Jood in antwoord op de stomme vraag. »Haal hem beneden. St! Kalm Charley! Bedaard Tom! Zachtjes! zachtjes!«

Dit korte bevel aan Charley Bates en zijn tegenspeler werd zonder wederwoord dadelijk gehoorzaamd. Geen geluid verried hun tegenwoordigheid, toen de Vos de trap afkwam met het licht in zijn hand en gevolgd door een man in een groven kiel; deze wierp een snellen blik door de kamer, wikkelde een lange shawl los, die het ondergedeelte van zijn gezicht had bedekt en vertoonde het bleeke, ongewasschen, ongeschoren gezicht van »mooie Toby.«

»Hoe gaat 't, Fagin?« vroeg deze waardige man, den Jood toeknikkend. »Stop die doek maar in m'n hoed, Vos, dan weet ik waar ik 'm vinden kan als ik weer uitsnij.... mooi zoo! Jij wordt een flinke jonge man van zaken, nog eer de ouwe uitknijpt.«

Met deze woorden sloeg hij zijn langen kiel om, door het ondergedeelte om zijn middel te winden, schoof een stoel bij het vuur en zette zijn voeten op de haardplaat.

»Kijk eens Fagin,« zei hij en wees met treurig gebaar naar zijn kaplaarzen, »geen druppel schoensmeer sinds je weet wel; geen tintje zwart, voor den duivel! Maar kijk me niet zoo aan, man. Alles op zijn tijd. Ik kan niet over zaken spreken, eer ik gegeten en gedronken heb; dus geef 's wat stevigs en laat ik dan eens kalm m'n maag vullen, voor 't eerst sinds drie dagen!«

De Jood wees den Vos, wat er aan eetbaars in huis was op tafel te brengen; hij ging tegenover den inbreker zitten en wachtte tot deze zou beginnen te spreken.

Naar de uiterlijke verschijnselen te oordeelen, maakte Toby volstrekt geen haast om het gesprek te beginnen. Eerst stelde de Jood er zich mede tevreden, geduldig zijn gezicht te bestudeeren, alsof hij daar iets zou kunnen lezen van wat hij verlangde te weten; doch tevergeefs. Toby zag er moe en uitgeput uit, maar zijn trekken hadden dezelfde vriendelijke rust van altijd; vuil noch baard konden den zelfgenoegzamen grijnslach van Gladde Toby Crackit verbergen. Toen begon de Jood in steeds aangroeiend ongeduld elken hap, die de ander in zijn mond stak, na te kijken, terwijl hij in onbedwingbare opgewondenheid door de kamer op en neer liep. Het hielp alles niets. Toby ging met het uiterst vertoon van onverschilligheid voort met eten, tot hij niet meer kon; toen stuurde hij den Vos de kamer uit, sloot de deur, schonk een glas drank met water in en zette zich tot praten.

»In de eerste plaats, Fagin--« begon Toby.

»Ja, ja!« viel de Jood in, zijn stoel dichterbij schuivend. Mr. Crackit hield op, om een slok te nemen en te verklaren, dat de jenever best was; toen zette hij zijn voeten tegen den lagen schoorsteen, zoodat zijn schoenen ter hoogte van zijn oogen kwamen en begon bedaard te spreken.

»In de eerste plaats, Fagin,« zei de inbreker, »hoe is 't met Bill?«

»Wat!« schreeuwde de Jood, opspringend van zijn stoel.

»Je wil toch niet zeggen--« viel Toby, bleek wordend, in.

»Wil!« schreeuwde de Jood en stampte woedend op den grond. »Waar zijn ze? Sikes en de jongen? Waar zijn ze? Waar zijn ze geweest? Waar zitten ze? Waarom zijn ze niet hier gekomen?«

»De inbraak is mislukt,« zei Toby zacht.

»Dat weet ik,« viel de Jood in, terwijl hij een courant uit zijn zak haalde en op een bericht wees. »Verder?«

»Ze schoten en de jongen werd geraakt. We staken de velden achter het huis over met hem tusschen ons in--rechttoe, rechtaan, zooals de kraai vliegt--over heg en steg. Zij zetten ons na. Vervloekt! de heele buurt was wakker en de honden achter ons.«

»De jongen?« stamelde de Jood.

»Bill had hem op zijn rug en vloog als de wind. We bleven staan, om hem tusschen ons in te nemen; zijn hoofd hing naar beneden en hij was koud. Ze waren ons op de hielen; ieder voor zich en buiten de galg blijven! We gingen van elkaar en lieten den jongen in een greppel liggen. Levend of dood; en dat 's alles wat ik van hem weet.«

De Jood wenkte, dat hij niets meer hooren wilde; hij stootte een luiden kreet uit, woelde met zijn handen door zijn haar, stortte de kamer uit en vluchtte naar buiten.

HOOFDSTUK XXVI.

Waarin een geheimzinnig persoon op het tooneel verschijnt en waarin vele dingen, die tot dit verhaal behooren, gedaan en tot stand gebracht worden.

De oude man had den hoek van de straat bereikt, eer hij begon te bekomen van de ontsteltenis, door de mededeeling van Toby Crackit veroorzaakt. Hij gaf zijn ongewone vaart niet op, maar holde steeds voort, wild en doelloos, toen plotseling een rijtuig hard op hem aanreed; heftig geschreeuw van de voetgangers, die 't gevaar zagen, joeg hem terug naar het trottoir. Zooveel mogelijk de hoofdstraten mijdend, sluipend door stegen en sloppen, kwam hij eindelijk uit bij Snow Hill. Hier begon hij nog vlugger te loopen dan te voren; hij bleef niet staan tot hij opnieuw een slop was ingeslagen; toen, als besefte hij nu in zijn eigen element te zijn, verviel hij in zijn gewonen schuifelenden tred en scheen vrijer adem te halen.