De avonturen van Oliver Twist

Part 16

Chapter 164,140 wordsPublic domain

Toen ze klaar waren met eten--men begrijpt, dat Oliver niet veel eetlust had--dronk Mr. Sikes een paar glazen brandewijn met water en liet zich op bed vallen; met veel bedreigingen, ingeval zij zich verlaatte, gaf hij Nancy last, hem precies om vijf uur te roepen. Op bevel van denzelfden gebieder strekte Oliver zich uit op een matras op den grond; het meisje stookte 't vuur op en ging er vóór zitten, gereed hen op den afgesproken tijd te roepen. Oliver lag langen tijd wakker, daar hij het niet voor onmogelijk hield, dat Nancy deze gelegenheid te baat zou nemen om hem nog meer raad te geven, maar het meisje zat over het vuur gebogen, zonder zich te bewegen, behalve om nu en dan de kaars te snuiten. Uitgeput door angst en het lange waken, viel hij eindelijk in slaap.

Toen hij wakker werd, stond er theegerei op tafel en Sikes was bezig, verschillende dingen in de zakken van zijn overjas te stoppen, die over de leuning van een stoel hing, terwijl Nancy druk doende was, het ontbijt klaar te maken. Het was nog geen dag, want de kaars brandde nog en buiten was het volkomen donker. Een striemende regen sloeg tegen de ramen, en de hemel was zwart en bewolkt.

»Nou!« gromde Sikes, toen Oliver opsprong, »half zes! Maak voort of je krijgt geen ontbijt; want 't is al laat genoeg.«

Oliver had niet lang noodig om zijn toilet te maken; nadat hij iets gegeten had, antwoordde hij op een norsche vraag van Sikes, dat hij heelemaal klaar was.

Nancy, die den jongen nauwelijks aankeek, gooide hem een zakdoek toe, om om zijn hals te binden en Sikes reikte hem een wijde, wollige cape die hij om zijn schouders kon slaan. Zoo uitgedoscht gaf hij den roover een hand; deze stond even stil om hem met een dreigend gebaar te beduiden, dat hij het bewuste pistool in de zak van zijn manteljas had. Toen nam hij Oliver's hand stevig in de zijne, wisselde een afscheidsgroet met Nancy en nam Oliver mee.

Toen zij bij de deur waren, keerde Oliver zich een oogenblik om, in de hoop een blik van Nancy op te vangen. Maar zij had haar oude plaats vóór het vuur weer ingenomen en zat daar volkomen roerloos.

HOOFDSTUK XXI.

De Tocht.

Toen zij op straat kwamen, was het een sombere morgen; harde regen en wind en jagende donkere wolken. Er was 's nachts veel regen gevallen, op straat stonden groote plassen en de goten liepen over. In de lucht scheen een bleeke glans van den aanbrekenden dag, doch deze maakte de omgeving eer somberder dan vroolijker; het flauwe licht diende alleen om dat van de straatlantaarns bleeker te maken, zonder aan de natte daken of sombere straten een warme of vroolijke tint te verleenen. Niemand scheen op te zijn in dit stadsgedeelte; de ramen van de huizen waren alle gesloten en de straten, waar zij doorgingen, stil en leeg.

Toen zij de Bethnal Green Road insloegen, brak de dag geheel aan. Verscheidene straatlantaarns waren reeds gedoofd, enkele boerenwagens kwamen langzaam aanzwoegen in de richting van Londen en nu en dan ratelde een diligence, bedekt met modder, hard voorbij; de postiljon diende in het voorbijrijden den voerman van den zwaren vrachtkar een vermanenden zweepslag toe, daar deze, door den verkeerden kant van den weg te houden, de postkoets in gevaar bracht, een vierde van een minuut over zijn tijd te komen. De herbergen, waar 't gaslicht nog brandde, waren al open. Langzamerhand begonnen de winkels open te gaan en een enkele voorbijganger kwam hen tegen. Dan volgden verspreide groepen werklieden, die naar hun werk gingen; toen mannen en vrouwen met vischmanden op hun hoofd; ezelwagens, beladen met groente; tweewielige karretjes, waarin levend gevogelte of geslacht vleesch; boerinnen met melkemmers, een ononderbroken menschenstoet, die met verschillende artikelen optrok naar de oostelijke voorsteden van Londen. Terwijl zij de city naderden, groeiden het lawaai en het gewoel gestadig aan; toen zij de straten inliepen tusschen Shoreditch en Smithfield, was het gezwollen tot een loeiend geraas. Het was nu zoo licht als het waarschijnlijk blijven zou tot de avond opnieuw viel: de werkochtend van de helft der Londensche bevolking was begonnen.

Langs Sun Street en Crown Street, en over Finsbury Square ging Mr. Sikes door Chiswell Street naar Barbican; vandaar naar Long Lane en zoo naar Smithfield; hier klonk een geraas van de meest verschillende geluiden, dat Oliver Twist met verbazing vervulde.

Het was marktdag. Men zakte tot aan de enkels in het vuil en de modder, waarmee de grond bedekt was; uit de wasemende lichamen van het vee steeg een dichte damp op, die zich met den mist vermengde en zwaar hangen bleef boven de schoorsteenen.

Alle vaste hokken in het midden van de wijde marktplaats en alle tijdelijke, die men op de open ruimte had kunnen opslaan, waren vol schapen; lange rijen van ossen en koeien, drie of vier naast elkaar, stonden aan palen gebonden.

Boeren, slagers, veedrijvers, marskramers, jongens, dieven, leegloopers en zwervers van de allerlaagste soort wriemelden door elkaar; het gefluit van de drijvers, 't hondengeblaf, het loeien en stampen der ossen, het blaten van schapen, het knorren en gillen van varkens, geroep van marskramers, geschreeuw, gevloek en getwist aan alle kanten; het luiden der klokken en het stemmengerucht, dat uit iedere herberg kwam; dringen, stooten, jagen, ranselen, jouwen en schreeuwen; het leelijke onwelluidende rumoer op elken hoek van de markt en de ongewasschen, ongeschoren, vuile gedaanten die onophoudelijk heen en weer renden, nu eens in het gewoel verdwijnend, dan er weer uit te voorschijn komend, dit alles schiep een verbijsterend tooneel, waarin zich de zinnen verwarden.

Mr. Sikes, Oliver achter zich meetrekkend, baande zich met elboogstooten een weg door de dichtste menigte, en gaf weinig aandacht aan al wat er te zien en te hooren was en dat den jongen zoo verbijsterde. Hij knikte twee of driemaal naar een vriend, dien ze passeerden en wees evenveel uitnoodigingen af om een morgenborrel te nemen; steeds ging hij voort, tot zij het tumult achter zich hadden en door Hosier Lane in Holborn waren gekomen.

»Nou jong!« zei Sikes met een blik op de klok van de St. Andries-kerk, »bij zevenen! je moet doorstappen. Kom, luiwammes, blijf je nou al achter?«

Sikes deed deze toespraak vergezeld gaan van een ruk aan den pols van zijn kleinen metgezel; Oliver verhaastte zijn schreden tot een soort van draf, die het midden hield tusschen vlug loopen en hollen en hield zóó de snelle stappen van den inbreker zoo goed mogelijk bij. Ze gingen op deze manier voort, tot zij den hoek bij Hyde Park waren omgeslagen en op weg naar Kensington; toen hield Sikes zijn stappen in, om zich door een leege kar, die hen achterop reed, te laten inhalen. Toen hij zag dat er Hounslow op stond, vroeg hij, zoo beleefd als hem mogelijk was, aan den voerman, of zij tot Isleworth mee mochten rijden.

»Stap maar in,« zei de man. »Is dat je jongen?«

»Ja, 't is mijn jongen,« antwoordde Sikes, terwijl hij Oliver strak aankeek en als toevallig zijn hand in den zak met het pistool stak.

»Je vader loopt wel een beetje gauw voor je, is 't niet mannetje?« vroeg de voerman, die zag, dat Oliver buiten adem was.

»Heelemaal niet,« viel Sikes in. »Hij is er aan gewend. Hier Ned, hou m'n hand vast. En stap in.«

Met deze woorden hielp hij Oliver op de kar; de voerman wees naar een hoop zakken en beduidde hun, daarop te gaan liggen om uit te rusten.

Terwijl zij de verschillende mijlpalen voorbij reden, vroeg Oliver zich àl meer verwonderd af, waar zijn metgezel hem toch heenbracht. Kensington, Hammersmith Chiswick, Kew Bridge, Brentford lagen al achter hen en nog gingen zij gestadig voort, alsof zij hun reis pas begonnen waren. Eindelijk kwamen zij aan een herberg, die »de Koets met de Paarden« heette; dicht daarbij scheen een zijweg te zijn. En hier hield de kar stil.

Sikes stapte haastig uit, Oliver steeds bij de hand houdend; hij tilde hem uit de kar, wierp hem een woedenden blik toe en klopte met zijn vuist veelbeteekenend op zijn zij zak.

»Goeiendag jongen,« zei de man.

»'t Is een botterik,« zei Sikes, en gaf een ruk aan Oliver's arm, »'t is 'n botterik. Een jonge hond! Let maar niet op hem.«

»Mij best!« zei de ander, weer op zijn kar stappend. »'t Is anders mooi weer.« En hij reed weg.

Sikes wachtte tot hij uit het gezicht was; toen zei hij aan Oliver, dat hij hem nog eens na mocht kijken als hij er lust in had en voerde hem verder mee op zijn tocht.

Een eindje voorbij de herberg sloegen zij links af toen weer rechts en liepen een eind voort langs verscheidene groote tuinen en villa's aan weerskanten van den weg; ze hielden zich alleen op om een glas bier te drinken, overigens liepen zij door tot zij in een stad kwamen. Op den muur van een huis las Oliver met groote letters: »Hampton.« Eenige uren lang dwaalden zij door de velden. Eindelijk kwamen zij terug in de stad, gingen een oude herberg met een verweerd uithangbord binnen en bestelden bij het keukenvuur iets te eten. De keuken was een oud, laag vertrek, midden over de zoldering liep een dikke balk en bij het vuur stonden banken met hooge ruggen; hierop zaten eenige ruwe kerels in blauwe kielen te rooken en te drinken. Zij letten in 't geheel niet op Oliver en weinig op Sikes en daar Sikes weinig op hen lette, zaten hij en zijn jonge metgezel alleen in een hoek, zonder veel last van het gezelschap te hebben.

Als middagmaal kregen ze wat koud vleesch; daarna bleven ze zoo lang zitten, terwijl Sikes drie of vier pijpen rookte, dat Oliver begon te begrijpen, hoe ze niet verder zouden gaan. Daar hij doodmoe was van de wandeling en het vroege opstaan, dommelde hij eerst een beetje; daarna, geheel versuft door vermoeidheid en tabaksrook, viel hij in slaap.

Het was donker, toen een stomp van Sikes hem wakker maakte. Nadat hij genoeg bekomen was, om rechtop te gaan zitten en om zich heen te zien, zag hij den waardigen man in druk en vertrouwelijk gesprek met een boer, over een glas ale zitten.

»Zoo, dus je gaat naar Lower Halliford?« vroeg Sikes.

»Ja«, antwoordde de man, die een beetje te veel gedronken scheen te hebben, »en niet langzaam ook. Mijn paard heeft op den terugweg geen vracht achter zich zooals vanmorgen, toen we naar stad reden, en hij zal er niet lang over doen. Ik drink op z'n gezondheid! 't Is 'n best beest.«

»Kan je mij en mijn jongen zoo ver meenemen?« vroeg Sikes, de ale naar zijn nieuwen vriend toeschuivend.

»Dan moet je dadelijk opbreken,« antwoordde de man over zijn bierpot heen. »Ga je naar Halliford?«

»Nee naar Shepperton,« antwoordde Sikes.

»Ik ben je man zoo ver als ik ga,« antwoordde de ander.

»Is alles betaald, Becky?«

»Ja, die andere meneer heeft betaald,« antwoordde het meisje.

»Nee,« zei de man, met dronkemans ernst, »dat gaat niet.«

»Waarom niet?« vroeg Sikes. »Jij neemt ons zoo ver mee, dan mag ik in ruil toch wel die paar borrels betalen?«

De vreemdeling dacht met een diepzinnig gezicht over deze redeneering na, toen nam hij Sikes' hand en verklaarde, dat deze waarachtig een goeie kerel was, waarop Mr. Sikes antwoordde, dat hij hem voor den gek hield; als de man nuchter was geweest, zou er alle reden zijn geweest, dit te denken.

Nadat nog enkele complimenten gewisseld waren, wenschten zij het gezelschap goedenavond en gingen naar buiten; het meisje ruimde onderwijl de glazen en kannen op en bleef met haar handen vol in de deur staan om de gasten weg te zien rijden.

Het paard, op wiens gezondheid was gedronken, stond buiten voor de kar gespannen. Oliver en Sikes stapten zonder verdere plichtplegingen in; de eigenaar van het paard bleef nog een paar minuten treuzelen om het dier »op te kammen« en den stalknecht met de heele wereld uit te dagen, zijn gelijke te vertoonen; daarna stapte hij op de kar. De stalknecht kreeg bevel, het paard vrij te laten, toen dat gebeurd was, maakte het dier een heel onbehoorlijk gebruik van die vrijheid; het gooide zijn kop met veel trots in de lucht en liep aan den overkant van den weg eenige ruiten in; na deze heldendaad verhief het zich een oogenblik op zijn achterpooten en holde in gestrekten draf weg, als een edel ros de stad uit rennend.

De avond was zeer donker. Uit de rivier en den moerassigen grond steeg vochtige damp op, die zich over de verlaten velden verspreidde. Het was vinnig koud, alles was somber en zwart. Er werd geen woord gesproken, want de voerman was slaperig geworden en Sikes was niet in de stemming om een gesprek te voeren. Oliver zat in elkaar gedoken in een hoek van de kar; angstige voorgevoelens kwelden hem en zijn verbeelding zag vreemde gedaanten in de reusachtige boomen, die woest met hun takken zwaaiden, alsof zij een of andere geheimzinnige vreugde vonden in de verlatenheid van dat oord.

Toen zij Sunbury Church voorbijreden, sloeg de klok zeven. Voor het raam van het veerhuis aan den overkant brandde licht, dat uitscheen over den weg; een donkere iepenboom, waaronder een paar graven lagen, kwam door dit licht in nog somberder schaduw. Niet veraf klonk een eentonig geluid van vallend water en de bladeren van den ouden boom trilden zachtjes in den nachtwind. Het scheen vriendelijke muziek voor de rust van de dooden.

Sunbury lag achter hen en zij kwamen weer op den eenzamen weg. Twee of drie mijlen verder hield de kar stil. Sikes stapte uit, nam Oliver bij de hand en weer liepen ze voort.

Ze gingen in Shepperton geen huis binnen, zooals de doodmoede jongen gedacht had, maar bleven voortloopen door slijk en duisternis, door sombere laantjes en over koude open vlakten, totdat zij op kleinen afstand de lichten van een stad zagen. Toen hij ingespannen voor zich uitkeek, zag Oliver, dat het water juist onder hen was en dat zij vlak bij een brug waren.

Sikes liep recht door, totdat zij bijna op de brug waren, toen keerde hij zich plotseling linksom naar den oever.

»Het water!« dacht Oliver, dol van angst. »Hij heeft me naar deze eenzame plek gebracht om me te vermoorden!« Hij stond op het punt zich op den grond te laten vallen en ten minste _eens_ voor zijn jonge leven te strijden, toen hij zag dat ze voor een eenzaam huis stonden, geheel verwaarloosd en bouwvallig. Aan elken kant van de verzakte deur was een raam; het huis had één verdieping, maar nergens was licht te zien. Het gebouw was donker, ontredderd en naar alle waarschijnlijkheid onbewoond. Sikes, met Oliver's hand steeds in de zijne, ging zachtjes naar de lage deur en lichtte de klink op. De deur gaf mee en ze gingen te zamen binnen.

HOOFDSTUK XXII.

De inbraak.

»Hallo!« riep een luide, schorre stem, zoodra zij hun voeten in de gang hadden gezet.

»Maak niet zoo'n kabaal,« zeide Sikes, terwijl hij de deur grendelde. »Geef 'n lichie, Tom.«

»Aha! m'n kameraad!« riep dezelfde stem. »'n Lichie Barney, 'n lichie! Laat de heeren binnen, Barney; maar word eerst wakker, als 't je hetzelfde is.«

De spreker scheen een laarzenknecht of een ander dergelijk artikel naar den toegesproken persoon te smijten om hem uit zijn sluimering te wekken, want men hoorde het geluid van een houten voorwerp, dat hard neerkwam, en dan een onverstaanbaar gemompel, als van iemand tusschen slapen en waken.

»Hoor je niet?« riep dezelfde stem. »Bill Sikes staat in de gang en er is niemand om hem te ontvangen, en jij zit te slapen of je bij je eten laudanum gezopen hebt inplaats van wat sterkers. Ben je nou frisch of wil je den ijzeren kandelaar naar je kop hebben om heelemaal wakker te worden?«

Op deze vraag schuifelden een paar voeten in pantoffels haastig over den naakten vloer van de kamer en uit de deur rechts kwam eerst een zwakke kaarslichtschijn te voorschijn en toen de gestalte van denzelfden man, dien wij tevoren hebben leeren kennen als door zijn neus sprekend en die dienst deed als kellner in de herberg van Saffron Hill.

»Beheer Sikes!« riep Barney met echte of gehuichelde vreugde; »kod binnen beheer, kod binnen!«

»Hier! jij eerst,« zei Sikes, Oliver vóór zich uitduwend. »Gauw! of ik trap je op je hielen.«

Met een vloek om zijn aarzelen, stompte Sikes Oliver naar binnen; ze kwamen in een lage, donkere kamer met een rookend vuur, twee of drie kapotte stoelen, een tafel en een oud bed; hierop, met zijn beenen veel hooger dan zijn hoofd, lag een man in zijn volle lengte uitgestrekt, een lange steenen pijp te rooken. Hij had een goed gemaakte tabakskleurige jas aan met groote koperen, knoopen, een oranje halsdoek, een grof, bontkleurig vest en een gele broek. Mr. Crackit (want die was het) had niet veel haar, noch op zijn hoofd, noch op zijn gezicht, maar wat hij had, was rossig en in lange kurkentrekkerachtige krullen gedraaid, waardoor hij nu en dan zijn smerige vingers haalde, aan die vingers prijkten groote namaakringen. Hij was iets boven de middelmatige lengte en blijkbaar eenigszins zwak op zijn beenen; doch deze omstandigheid deed niets af aan zijn eigen bewondering voor zijn kaplaarzen, die hij van uit de laagte met levendige voldoening bekeek.

»Bill, beste kerel!« zei deze gedaante, terwijl hij zijn hoofd naar de deur wendde. »Blij je te zien. Ik was al bang, dat je 't opgaf; in dat geval had ik zelf een kansje gewaagd. Hallo!«

Mr. Toby Crackit deed dezen uitroep in de hoogste verwondering, toen zijn oog op Oliver viel; hij ging rechtop zitten en vroeg wie 't was.

»De jongen maar!« antwoordde Sikes en trok een stoel bij het vuur.

»Eén van beheer Fagin's jongens,« riep Barney met een grijns.

»Van Fagin, zoo!« riep Toby uit, terwijl hij naar Oliver keek. »Wat 'n prachtige jongen voor de zakken van de oude dames in de kerk!

In dat smoel van 'm zit 'n fortuin.«

»Nou ja--al genoeg,« viel Sikes ongeduldig in; hij boog zich over zijn liggenden vriend heen en fluisterde hem een paar woorden in 't oor, waarop Mr. Crackit geweldig begon te lachen en Oliver vereerde met een langen blik van verwondering.

»Nou,« zei Sikes, terwijl hij weer ging zitten »als je ons wat te eten en te drinken wilt geven, terwijl we wachten, steek je ons een riem onder 't hart; mij ten minste. Kom bij 't vuur zitten, jongen, en rust uit, want je moet er van avond weer met ons op uit, al is 't niet ver.«

Oliver keek Sikes in stomme, angstige verbazing aan; hij trok een stoel bij 't vuur en zat daar met het pijnlijke hoofd in de handen, zich nauwelijks bewust waar hij was of wat er om hem heen gebeurde.

»Asjeblieft!« zei Toby, terwijl de jonge Jood wat etenskliekjes en een flesch op tafel zette, »op 't lukken van de zaak!«

Hij stond op ter eere van de toast, borg voorzichtig zijn leege pijp in een hoek, kwam bij de tafel, vulde een glas met drank en dronk het leeg. Sikes deed hetzelfde.

»Een druppel voor de jongen,« zei Toby en schonk een wijnglas half vol. »Drink op, onschuld.«

»Ik,« wierp Oliver tegen met een klagelijken blik op het gezicht van den man, »gerust, ik--«

»Vooruit!« hield Toby aan. »Denk je, dat ik niet weet wat goed voor je is? Zeg, dat hij 't drinkt, Bill.«

»'t Zou wel zoo goed zijn!« zei Sikes, met zijn hand op zijn zak kloppend. »De duivel mag me halen, als hij niet meer last geeft dan een heele familie Vossen. Drink, leelijke dwerg, drink op!«

Verschrikt door de dreigende gebaren van de beide mannen, dronk Oliver haastig den inhoud van het glas op en kreeg dadelijk een hevige hoestbui, waar Toby Crackit en Barney om schaterden en zelfs de norsche Sikes om glimlachte.

Toen dit voorbij was en Sikes zijn eetlust had voldaan (Oliver kon niets eten als een klein stukje brood, dat zij hem opdrongen), strekten de twee mannen zich uit op een paar stoelen om een dutje te doen. Oliver bleef op zijn stoel bij het vuur en Barney strekte zich, in een wollen deken gewikkeld, vlak bij den haard op den vloer uit.

Zij sliepen of schenen een poos te slapen; niemand verroerde zich als Barney, die eens of tweemaal opstond om kolen op het vuur te gooien. Oliver viel in een zware sluimering, waarin hij zich verbeeldde langs de sombere wegen te loopen of op het donkere kerkhof, of hij doorleefde een of ander tooneel van den vorigen dag; plotseling werd hij gewekt, doordat Toby Crackit opsprong en verklaarde dat het half twee was.

In een oogenblik stonden de andere twee op hun beenen en allen begonnen ijverig hunne toebereidselen te maken. Sikes en zijn metgezel wikkelden hals en kin in groote donkere shawls en trokken hun manteljassen aan, terwijl Barney uit een kast allerlei voorwerpen voor den dag haalde, die hij haastig in hun zakken stopte.

»Pistolen voor mij, Barney,« zei Toby Crackit.

»Hier zijn ze,« antwoordde Barney, twee pistolen te voorschijn halend. »Je hebt ze zelf geladen.«

»Goed!« antwoordde Toby, ze wegstoppend. »De nijptang.«

»Die heb ik«, antwoordde Sikes.

»Looper, sleutels, breekijzers, lantarens--niets vergeten?« vroeg Toby, terwijl hij een klein breekijzer aan een lus binnen in zijn jas vastmaakte.

»In orde,« voegde zijn makker er bij. »Geef de houten, Barney. 't Is hoog tijd.«

Met deze woorden nam hij een dikken stok uit Barney's handen, deze reikte Toby een anderen toe en ging daarna Oliver's cape vastmaken.

»Nou!« zei Sikes en stak zijn hand uit.

Oliver, die als versuft was door de ongewone vermoeienis, de buitenlucht en den opgedrongen drank, legde werktuigelijk zijn hand in de hand, die Sikes hem tot dat doel toestak.

»Neem zijn andere hand, Toby,« zei Sikes. »Ga uitkijken Barney.«

De man ging naar de deur en kwam terug met de boodschap, dat alles stil was. De beide boeven gingen naar buiten, met Oliver tusschen hen in. Barney sloot alles stevig, rolde zich weer in zijn deken en viel spoedig in slaap.

Het was stikdonker. De mist was veel dikker dan in den vooravond en de lucht zóó vochtig, dat Oliver's haar en wenkbrauwen, ofschoon er geen regen viel, enkele minuten nadat zij uit huis waren gegaan, stijf waren door den half bevroren damp, die om hen heen golfde. Ze gingen de brug over en liepen voort in de richting van de lichten, die hij te voren gezien had. Ze waren niet ver af en daar zij vlug doorstapten, waren ze spoedig in Chertsey.

»Steek de stad maar door,« fluisterde Sikes; »er zal vannacht wel niemand op straat zijn, die ons zien kan.«

Toby stemde toe en ze liepen haastig voort door de hoofdstraat van het stadje, op dit late uur geheel verlaten. Hier en daar scheen een flauw lichtje uit 't raam van een slaapkamer en nu en dan werd de nachtelijke stilte verbroken door schor hondengeblaf. Maar er was niemand op straat. Toen de klok twee uur sloeg, hadden zij de stad achter zich.

Hun stap verhaastend, sloegen zij een weg in, die naar links leidde. Na ongeveer een kwart mijl geloopen te hebben, bleven zij voor een alleenstaand huis met een muur er omheen stilstaan; Toby Crackit klom, bijna zonder tijd te nemen om adem te scheppen, in een oogwenk op dien muur.

»Nou de jongen,« zei Toby. »Til hem op, dan zal ik hem anpakken.«

Eer Oliver tijd had gehad om zich heen te zien, had Sikes hem onder de armen gegrepen en drie of vier seconden later lagen hij en Toby aan den anderen kant op het gras.

En nu, voor 't eerst, begreep Oliver, bijna krankzinnig van verdriet en angst, dat inbraak en diefstal, misschien wel moord, het doel was van den tocht. Hij vouwde zijn handen en stootte onwillekeurig een onderdrukten kreet van afschuw uit. Voor zijn oogen kwam een mist, het koude zweet parelde op zijn aschgrauw gezicht, zijn beenen weigerden den dienst en hij zonk op zijn knieën.

»Sta op!« fluisterde Sikes, bevend van woede en 't pistool uit zijn zak trekkend, »sta op, of ik schiet je door je hersens.«

»O! Om Gods wil, laat me heengaan!« riep Oliver, »laat me wegloopen en ergens sterven. Ik zal nooit in de buurt van Londen komen, nooit, nooit! Och toe, heb medelijden met me en laat me niet stelen. Ter wille van al de goede engelen in den hemel, heb medelijden met me.«

De man, tot wien deze smeekbede was gericht, stootte een verschrikkelijken vloek uit en haalde den haan van het pistool over, toen Toby het uit zijn hand sloeg, zijn vinger op Oliver's mond legde en hem meesleepte naar het huis.