Part 15
»Nonsens,« herhaalde het meisje koeltjes. »Ga maar door, Fagin. Ik weet, wat hij zeggen wil, Bill; hij hoeft zich om mij niet te geneeren.«
De Jood aarzelde nog. Sikes keek met lichte verwondering van den een naar de ander.
»De meid zit je niet in de weg, wel Fagin?« vroeg hij eindelijk. »Je kent haar lang genoeg om haar te vertrouwen--of de duivel zit er achter. Zij is der geen om te kletsen. Is 't wel, Nancy?«
»Dat zou ik ook denken!« antwoordde de jonge dame, terwijl zij haar stoel bij de tafel trok en haar ellebogen er op steunde.
»Nee, nee, meid, dat weet ik wel,« zei de Jood; »maar--« en weer aarzelde de oude man.
»Maar wat?« vroeg Sikes.
»Ik weet niet, of ze misschien niet weer zoo te keer zal gaan, net als laatst op die avond,« hernam de Jood.
Bij deze bekentenis barstte Nancy in een luid gelach uit; ze slurpte een glas brandewijn, schudde haar hoofd met iets uitdagends en barstte uit in allerlei uitroepen als: »Hou 't spel an de gang!« »Heb maar lef!« en zoo meer. Dit scheen beide heeren gerust te stellen, want de Jood knikte voldaan en ging weer zitten en Sikes deed hetzelfde.
»Nou Fagin,« zei Nancy lachend, »zeg 't nou maar dadelijk an Bill van Oliver.«
»Hè, jij bent 'n snuggere meid; de slimste, die ik ooit gezien heb,« zei de Jood en klopte haar op den schouder. »Ik wou over Oliver praten, dat 's waar.... Ha! ha! ha!«
»Wat is er met hem?« vroeg Sikes.
»Dat is de jongen, die je hebben moet,« antwoordde de Jood heesch fluisterend, terwijl hij zijn vinger tegen zijn neus legde en verschrikkelijk grijnsde.
»Hè?« riep Sikes.
»Neem hem, Bill!« zei Nancy. »Ik zou 't zeker doen in jouw plaats. Hij is misschien niet zoo geslepen als de anderen, maar dat heb je niet noodig, als hij maar een deur voor je open doen kan. Geloof me Bill, je kan hem vertrouwen.«
»Dat is zoo,« voegde Fagin er bij. »Hij heeft de laatste weken 'n goeie school gehad en 't wordt tijd, dat hij gaat werken voor zijn brood. En dan.... de anderen zijn allemaal te groot.«
»Ja, wat grootte betreft, is hij net wat ik hebben moet,« zei Sikes peinzend.
»En hij zal alles doen wat je wilt, Bill,« viel de Jood in, »hij kan niet tegen je op. Dat is te zeggen als je hem flink bang maakt.«
»'m Bang maken!« herhaalde Sikes. »Laat dat maar aan mij over; aan bang zijn zal 't niet mankeeren. Zie ik iets bijzonders aan hem als we eenmaal aan 't werk zijn, dan gaat hij er om koud. Dan zie je hem niet levend weer, Fagin. Denk daarom vóór je hem stuurt. Denk erom!« zei de roover, terwijl hij een zwaar breekijzer zwaaide, dat hij van onder de bedstee te voorschijn had gehaald.
»Daar heb ik allemaal an gedacht,« zei de Jood vastbesloten. »Ik heb 'm goed waargenomen, lieve menschen, heel goed. Laat hem maar eenmaal voelen dat hij één van de onzen is, breng maar eenmaal het denkbeeld in zijn hoofd, dat hij een dief is, en hij is ons! Voor zijn leven. O jé! 't kon niet beter treffen!« De oude man sloeg de armen over elkaar, trok zijn hoofd in zijn schouders en verkneukelde zich van pret.
»Ons!« zei Sikes. »Van jou, meen je.«
»Misschien meen ik dat wel, beste jongen,« zei de Jood met een schrillen lach. »De mijne, als je wilt, Bill.«
»En waarom,« zei Sikes met een woesten grijns naar zijn beminnelijken vriend, »waarom doe je zooveel moeite voor één melkmuil van een jongen, terwijl je weet, dat er elken nacht vijftig jongens om Common Garden zwerven, waar je maar uit te kiezen hebt?«
»Omdat ik die niet gebruiken kan, beste jongen,« antwoordde de Jood met lichte verlegenheid, »ze zijn de moeite niet waard. Hun gezicht verraadt ze als ze der in vliegen en ik raak ze allemaal kwijt. As ik deze jongen goed aanpak, kan ik met hem doen, wat ik met twintig van die anderen niet kan. Bovendien,« zei de Jood, zijn zelfbeheersching herwinnend, »als hij er vandoor gaat, kan hij er ons nou nog in laten loopen en hij moet met ons in hetzelfde schuitje varen. 't Doet er niet toe, hoe hij er bij komt, als hij maar in een diefstal betrokken is; dat is alles wat ik noodig heb om macht over hem te krijgen. Nou, 't is veel beter dan de arme jongen uit den weg te moeten ruimen--'t zou gevaarlijk zijn en we zouden er nog bij verliezen ook.«
»Wanneer moet het gebeuren?« vroeg Nancy, en hield hiermee den een of anderen razenden uitroep van Sikes tegen, waarin deze zijn afkeer wilde uitdrukken voor Fagin's betuiging van menschelijkheid.
»Ja,« zei de Jood, »wanneer moet 't gebeuren, Bill?«
»Ik heb met Toby plan gemaakt voor overmorgen nacht,« antwoordde Sikes gemelijk, »als hij 't tegendeel niet van me hoort.«
»Goed,« zei de Jood, »er is geen maan.«
»Nee,« hernam Sikes.
»En is het al in orde gemaakt, waar 't vrachtje heengaat?« vroeg de Jood.
Sikes knikte.
»En....«
»O, ja, alles is in orde,« viel Sikes hem in de rede. »Vraag geen bijzonderheden. Je moet de jongen morgenavond hier brengen. Ik ga een uur na 't aanbreken van den dag op weg. Jij houdt je mond en zet de smeltkroes klaar; dat 's alles wat je te doen hebt.«
Na eenige bespreking, waar alle drie aan deel namen, werd besloten, dat Nancy den volgenden avond, als 't donker was, naar den Jood zou komen en Oliver meenemen; Fagin merkte sluw op, dat de jongen, als hij geen zin had in 't werk, eer met het meisje mee zou gaan, dat laatst voor hem in de bres was gesprongen, dan met iemand anders ter wereld. Het werd ook plechtig vastgesteld, dat de arme Oliver voor deze onderneming zonder eenig voorbehoud onder de hoede van Mr. William Sikes gesteld zou worden en verder dat genoemde Sikes met hem zou handelen, zooals hem 't meest geschikt voorkwam en door den Jood niet verantwoordelijk zou worden gesteld voor welk ongeluk of kwaad hem ook zou overkomen of eenige straf waarmee hij misschien bestraft zou moeten worden. Het sprak van zelf, dat om de overeenkomst in dit opzicht bindend te doen zijn, alle berichten, die Mr. Sikes bij zijn terugkomst zou geven, op alle voorname punten bevestigd moesten worden door het getuigenis van Toby Crackit.
Nadat deze voorbereidingen gemaakt waren, zette Mr. Sikes het op een drinken en speelde op angstwekkende wijze met het breekijzer; tegelijk stootte hij alleronmuzikaalste liederen uit, afgewisseld door wilde kreten. Eindelijk, in een soort enthousiasme voor zijn vak, stond hij er op, zijn kist met inbrekerswerktuigen voor den dag te halen; hij was er nauwelijks mee binnen gezwaaid en had de kist open gedaan, met de bedoeling aard en doel te verklaren van de verschillende instrumenten er in en de bijzondere schoonheden van hun constructie, toen hij over de kist heen op den vloer viel en insliep waar hij lag.
»Goeiennacht Nancy,« zei de Jood en stopte zich weer in als toen hij kwam.
»Goeiennacht.«
Hun oogen ontmoetten elkaar en de Jood keek haar scherp aan. Hij behoefde niet aan het meisje te twijfelen. Ze was even waar en ernstig bij de zaak als Toby Crackit zelf maar zijn kon.
De Jood wenschte haar nog eens goeden nacht, gaf, achter haar rug, een schuwe trap tegen het achterlijf van Mr. Sikes en stommelde naar beneden.
»Zoo gaat 't altijd,« mompelde de Jood in zichzelf, terwijl hij naar huis terugkeerde. »Het ergste van zulke vrouwen is, dat er maar heel weinig noodig is om een lang vergeten gevoel weer in ze op te wekken; en 't beste is, dat 't nooit lang duurt. Ha! ha! De man tegen 't kind voor een zak goud!«
Zich den tijd kortend met dergelijke aangename overpeinzingen, liep Mr. Fagin door dik en dun naar zijn somber verblijf, waar de Vos nog opzat en ongeduldig op zijn thuiskomst wachtte.
»Is Oliver naar bed? Ik moet hem spreken,« waren zijn eerste woorden toen zij de trappen afgingen.
»Al uren geleden,« antwoordde de Vos, een deur opengooiend. »Hier is hij!«
De jongen lag vast in slaap op een armelijk bed op den grond, zoo bleek door angst, verdriet en gebrek aan lucht in zijn gevangenis, dat hij gestorven leek; niet zooals de dood er uitziet in lijkkleed en doodkist, maar in de gedaante, die hij aanneemt, wanneer het leven juist gevloden is; als een jonge, teedere geest juist naar den hemel is gevaren en de grove lucht van de aarde nog geen tijd heeft gehad de stof te veranderen, die door den geest geheiligd werd.
»Nu niet,« zei de Jood en keerde zich zachtjes om. »Morgen. Morgen.«
HOOFDSTUK XX.
Waarin Oliver aan Mr. William Sikes wordt overgeleverd.
Toen Oliver den volgenden morgen wakker werd, zag hij met groote verbazing, dat er een nieuw paar schoenen met sterke dikke zolen naast zijn bed stonden en dat zijn oude schoenen waren weggenomen. Eerst was hij blij met die ontdekking en hoopte, dat het de voorbode mocht zijn van zijn bevrijding; maar die gedachte verdween spoedig, toen hij met den Jood alleen aan 't ontbijt zat en deze hem vertelde, op een toon en met gebaren, die zijn ongerustheid nog vergrootten, dat hij dien avond naar de woning van Bill Sikes gebracht zou worden.
»Om.... om.... er te blijven, meneer?« vroeg Oliver angstig.
»Nee, nee, jongenlief. Niet om er te blijven,« antwoordde de Jood. »Wij zouden je niet graag kwijt zijn. Wees maar niet bang Oliver, je komt weer bij ons terug. Ha! ha! ha! We zullen zoo wreed niet zijn, je weg te jagen, lieverd. O nee, nee!«
De oude man, die over het vuur stond gebogen om een stukje brood te roosteren, keek op terwijl hij Oliver aldus bespotte, als om te toonen, hoe hij heel goed wist, dat Oliver dolgraag weg zou gaan als hij kon.
»Ik denk,« zei de Jood, terwijl hij zijn oogen op Oliver richtte, »dat je wel graag zult willen weten, waarom je naar Bill toegaat.... is 't niet, lieverd?«
Oliver kleurde onwillekeurig, nu hij zag, dat de oude schurk zijn gedachten raadde, maar hij zeide dapper: »Ja, ik zou 't graag weten.«
»Wat denk je?« vroeg Fagin, de vraag ontwijkend.
»Ik weet 't gerust niet, meneer,« antwoordde Oliver.
»Bah!« zei de Jood en wendde zich, na het gezicht van den jongen bestudeerd te hebben, teleurgesteld af. »Wacht dan maar, tot Bill 't je zegt.«
Het scheen den Jood erg tegen te vallen, dat Oliver niet meer nieuwsgierigheid aan den dag legde; doch de waarheid is, dat Oliver, ofschoon hij 't graag weten wilde, te zeer in de war was gebracht door de ernstige sluwheid van Fagin's trekken en door zijn eigen vermoedens, om op 't oogenblik verder te durven vragen. Er kwam geen andere gelegenheid, want de Jood bleef norsch en stil tot aan den avond, toen hij zich gereed maakte om uit te gaan.
»Je kan een kaars aansteken,« zei de Jood en zette er een op tafel. »En hier is een boek voor je om te lezen, tot zij je komen halen. Goeienavond!«
»Goeienavond!« antwoordde Oliver zacht.
De Jood ging naar de deur en keek onder het weggaan over zijn schouder heen naar den jongen. Plotseling bleef hij staan en riep hem bij zijn naam.
Oliver keek op; de Jood wees naar de kaars en wenkte dat hij haar op zou steken. Hij deed het en zag, toen hij de kandelaar op tafel zette, hoe de Jood hem vanuit een donkeren kamerhoek met saamgetrokken wenkbrauwen strak aankeek.
»Pas op, Oliver! pas op!« zei de oude man, terwijl hij zijn rechterhand op waarschuwende wijze heen en weer bewoog. »Hij is een ruwe man en geeft niets om bloed als zijn eigen bloed verhit is. Wat er ook gebeurt, zeg niets en doe wat hij je zegt. Denk er om!«
Hij gaf sterken nadruk aan de laatste woorden en liet toen zijn trekken zich langzamerhand tot een afzichtelijken grijns ontspannen; met een hoofdknik ging hij de kamer uit.
Toen de oude man verdwenen was, leunde Oliver met 't hoofd op de hand en dacht met een bevend hart na over de juist gehoorde woorden. Hoe meer hij nadacht over de vermaning van den Jood, hoe minder hij er het ware doel en de ware beteekenis van begreep. Hij kon zich geen slecht doel denken, waarmee hij naar Sikes werd gezonden, dat niet evengoed te bereiken was, als hij bij Fagin bleef; na langen tijd kwam hij tot de slotsom, dat hij gekozen was om enkele gewone knechtsdiensten bij den inbreker te verrichten, totdat deze een anderen jongen, die beter geschikt was, zou hebben gevonden. Hij was te veel gewend aan lijden en had te veel geleden in zijn tegenwoordig verblijf, om het vooruitzicht op verandering hevig te betreuren. Hij bleef eenige oogenblikken in gedachten verdiept; toen, met een diepen zucht, snoot hij de kaars, nam het boek, dat de Jood voor hem had achtergelaten en begon te lezen.
In 't begin sloeg hij half achteloos de bladzijden om, maar aangetrokken door een passage, die hem boeide, was hij spoedig verdiept in het boek. Het was de geschiedenis van het leven en de daden van groote misdadigers; de bladen waren beduimeld en vuil door het gebruik. Hier las hij van vreeselijke misdaden, die zijn bloed deden stilstaan; van sluipmoorden gepleegd langs den weg; van lichamen, voor het oog der menschen verborgen in diepe putten en bronnen, doch hoe diep deze ook waren, toch hielden zij de lichamen niet in hun diepte, maar gaven ze na vele jaren terug en deden de moordenaars zóó ontzet staan, dat zij in hun angst de misdaad bekenden en om de galg smeekten, ten einde hun wroeging te doen ophouden. Hier las hij ook van menschen die, in den donkeren nacht in hun bed liggend, door hun eigen booze gedachten, (naar zij zeiden) zóó verzocht en verleid werden tot zulke ontzettende misdaden, dat de gedachte er aan iemand deed huiveren en klappertanden. De vreeselijke beschrijvingen waren zoo werkelijk en levendig, dat de vuile bladen rood schenen te worden van bloed en de woorden op de bladzijden klonken hem in de ooren, alsof zij door de geesten der dooden met holle stem gefluisterd werden.
Dol van angst sloot de jongen het boek en schoof het van zich af. Toen viel hij op zijn knieën en smeekte den Hemel, hem voor zulke misdaden te bewaren en hem liever dadelijk te doen sterven dan hem in het leven te laten om tot zulke vreeselijke, ijselijke misdaden te komen. Allengs werd hij kalmer en smeekte met zachte, gebroken stem, gered te mogen worden uit de gevaren, die hem bedreigden, en dat, als er werkelijk hulp bestond voor een armen, verschopten jongen, die nooit de liefde van vrienden of bloedverwanten gekend had, die hulp nu tot hem mocht komen, nu hij verlaten en eenzaam, alleen stond te midden van slechtheid en schuld.
Zijn gebed was geëindigd, maar hij bleef nog zitten met zijn hoofd in zijn handen, toen een zacht geluid hem deed opschrikken.
»Wat 's dat?« riep hij opspringend, toen hij een gedaante bij de deur zag staan. »Wie is daar?«
»Ik. Ik ben 't maar,« antwoordde een bevende stem. Oliver hield de kaars boven zijn hoofd en keek naar de deur. Het was Nancy.
»Zet de kaars neer,« zei het meisje, haar hoofd afwendend. »Ik krijg er pijn van in mijn oogen.«
Oliver zag, dat zij doodsbleek zag en vroeg vriendelijk of zij ziek was. Het meisje liet zich in een stoel vallen, met haar rug naar hem toe en wrong hare handen, maar antwoordde niet.
»God moge 't mij vergeven!« snikte ze na een oogenblik, »dat had ik niet gedacht.«
»Is er iets gebeurd?« vroeg Oliver. »Kan ik je helpen? Ik zal 't doen als ik kan. Heusch.«
Zij wrong zich naar alle kanten, greep naar haar keel, stootte een gorgelend geluid uit en hijgde naar adem.
»Nancy!« riep Oliver. »Wat is er?«
Het meisje sloeg met de handen op haar knieën en stampvoette; toen trok zij plotseling haar omslagdoek dichter om zich heen en rilde van kou.
Oliver pookte het vuur op. Zij schoof haar stoel er heen en bleef een oogenblik zitten zonder te spreken; maar eindelijk hief zij het hoofd op en keek rond.
»Ik weet niet, wat ik soms heb,« zei ze, schijnbaar bezig haar jurk glad te strijken, »ik geloof, dat 't door die vochtige, vuile kamer hier komt. Nou Nolly, ben je klaar?«
»Moet ik met jou mee?« vroeg Oliver.
»Ja, ik kom van Bill,« antwoordde het meisje. »Je gaat met mij mee.«
»Waarom?« vroeg Oliver terugwijkend.
»Waarom?« echoode het meisje; ze hief haar oogen op, maar sloeg ze dadelijk weer neer, toen zij die van den jongen ontmoetten. »O! voor niets slechts.«
»Ik geloof je niet,« zei Oliver, die haar nauwkeurig had gadegeslagen.
»Geloof dan maar wat je wilt,« zei het meisje met een onechten lach. »Voor niets goeds dan.«
Oliver zag, dat hij eenige macht bezat over Nancy's betere gevoelens en dacht er een oogenblik aan, haar medelijden in te roepen met zijn hulpeloozen toestand. Maar toen kwam de gedachte in hem op, dat het niet later was dan elf uur en dat er nog veel menschen op straat liepen, waar zeker enkele bij waren, die zijn verhaal zouden gelooven. Toen die gedachte in hem opkwam, deed hij een stap vooruit en zei ietwat haastig, dat hij klaar was.
Noch zijn korte overpeinzing, noch de inhoud ervan waren Nancy ontgaan. Zij keek hem aandachtig aan terwijl hij sprak en wierp hem een begrijpenden blik toe, die genoegzaam aantoonde, dat zij zijn gedachten raadde.
»Stil!« zei het meisje, zich over hem heenbuigend, terwijl zij, voorzichtig spiedend naar de deur wees. »Je kan jezelf niet helpen. Ik heb genoeg mijn best voor je gedaan, maar alles vergeefs. Je bent aan alle kanten ingesloten. Als je ooit kans hebt hier vandaan te komen, dan is het er nu de tijd niet voor.«
Getroffen door het besliste in haar doen, keek Oliver haar verbaasd in 't gezicht. Zij scheen waarheid te spreken; haar gezicht was wit en zenuwachtig en haar eigen ernst deed haar beven.
»Ik heb je eens voor mishandeling bewaard, en ik zal 't weer doen en ik doe 't nu,« ging het meisje hardop voort, »want als ik je niet gehaald had zou je afgehaald zijn door iemand, die heel wat ruwer was dan ik. Ik heb er voor ingestaan, dat je rustig en stil zoudt zijn; als je 't niet bent, doe je alleen jezelf kwaad en zult misschien de oorzaak van mijn dood zijn. Kijk! Dit heb ik al allemaal voor je uitgestaan, zoo waarachtig als God mij ziet.«
Zij wees haastig op eenige blauwe plekken op hals en armen en ging snel voort:
»Denk hierom! En laat me nu niet nog meer voor je lijden. Als ik je kon helpen, zou ik 't doen, maar 't staat niet in mijn macht. Ze zullen je geen kwaad doen; wat zij je laten doen is jouw schuld niet. St! Elk woord van je is een slag in mijn gezicht. Geef mij je hand. Gauw! Je hand!«
Ze greep de hand, die Oliver werktuigelijk in de hare legde, blies het licht uit en trok hem achter zich aan de trappen op. De deur werd vlug open gedaan door iemand, door de duisternis niet te zien en toen zij buiten waren, even vlug weer gesloten. Een huurvigelante stond te wachten voor het huis. Met dezelfde heftigheid, waarmee zij Oliver toegesproken had, trok het meisje hem achter zich er in en liet de gordijntjes neer. De koetsier had geen aanwijzingen noodig, maar zette zonder een oogenblik aarzelen zijn paard in draf.
Het meisje hield Oliver's hand stijf in de hare en ging voort, aan zijn oor de waarschuwingen en verzekeringen te herhalen, die zij al vroeger geuit had. Alles ging zoo vlug en haastig, dat hij nauwelijks tijd had, te bedenken waar hij was of hoe hij hier kwam, toen het rijtuig stilhield vóór het huis, waarheen de Jood den vorigen avond zijn schreden gericht had.
Eén kort oogenblik wierp Oliver een haastige blik langs de verlaten straat en een kreet om hulp brandde hem op de lippen. Maar hij hoorde steeds de stem van het meisje, dat hem op zulk een toon van doodsangst bezwoer, aan haar te denken, dat hij 't hart niet had, den kreet te uiten. Terwijl hij aarzelde, was de gelegenheid voorbij; hij was reeds in het huis en de deur achter hem gesloten.
»Deze kant,« zei Nancy en liet hem voor 't eerst los. »Bill!«
»Hallo!« antwoordde Sikes, terwijl hij met een kaars boven aan de trap verscheen. »Mooi! je komt op tijd. Kom boven!«
Dit was een prachtige lofspraak en een ongewoon hartelijke verwelkoming voor iemand van Sikes' aard. Nancy scheen er zeer over in haar schik te zijn en groette hem hartelijk.
»Bul-oog is met Tom mee,« merkte Sikes op terwijl hij hen voorlichtte naar boven. »Hij zou maar in de weg zijn geweest.«
»Goed,« viel Nancy bij.
»Dus je hebt 't schaap,« zei Sikes, toen zij allen in de kamer waren, en sloot onder het spreken de deur.
»Ja, hier is hij,« antwoordde Nancy.
»Is hij gewillig meegegaan?« vroeg Sikes.
»Als een lam,« antwoordde Nancy.
»Ik ben blij, dat ik 't hoor,« zei Sikes, Oliver grimmig aankijkend, »voor zijn jong karkas, dat zou der anders van langs hebben gekregen. Kom hier jongen en laat mij je eens een lesje geven; 't is maar het best, dat dadelijk af te doen.«
Met deze woorden zijn nieuwen leerling aankijkend, nam Sikes Oliver's muts af en gooide ze in een hoek; toen greep hij hem bij zijn schouder, ging bij de tafel zitten en zette den jongen vlak vóór zich.
»Nou, ten eerste, weet je wat dit is?« vroeg Sikes, terwijl hij een zakpistool opnam, dat op tafel lag.
Oliver antwoordde toestemmend.
»Nou kijk,« ging Sikes voort. »Dit is kruit, dat 's een kogel, en dit is een stuk van een ouden hoed als prop.«
Oliver mompelde, dat hij de beteekenis der verschillende dingen begreep, en Mr. Sikes begon met veel zorg en overleg het pistool te laden.
»Nou is 't geladen,« zei Mr. Sikes toen hij klaar was.
»Ja meneer, dat zie ik,« antwoordde Oliver.
»Nou,« zei de roover, terwijl hij Oliver stevig bij den pols greep en den loop van het pistool zoo dicht bij zijn slaap hield dat hij het ijzer voelde, waarbij de jongen een rilling niet kon onderdrukken, »als je één woord spreekt, terwijl je met mij buiten bent, behalve wanneer ik tegen jou spreek, dan gaat die lading in je kop, reken daarop. Dus als je soms van plan bent, te spreken zonder verlof, doe dan eerst je gebed.«
Om het effect van zijn waarschuwing te verhoogen, gaf Mr. Sikes een snauw en ging toen voort:
»Zoover ik weet, is er niemand, die erg veel naar je zou vragen als je er om koud was, dus hoefde ik niet eens zoo duivels veel moeite te doen om je alles uit te leggen, als 't niet tot je eigen bestwil was. Verstaan?«
»Kort en goed,« viel Nancy in met grooten nadruk en met een licht voorhoofdfronsen in Oliver's richting, als om hem te beduiden, alle aandacht aan haar woorden te geven, »als hij je op een of andere manier tegenwerkt bij het karweitje, dat je aan de hand hebt, dan zal je hem den mond snoeren door hem door zijn kop te schieten en zoo een kans te meer opdoen om aan de galg te komen, zooals je er elke maand van je leven voor heel wat andere dingen een opdoet.«
»Juist!« viel Mr. Sikes goedkeurend in, »vrouwen weten de dingen altijd in weinig woorden te zeggen. Behalve als 't op twisten aankomt; dan kunnen zij 't eind niet vinden. En nou hij er alles van weet, geef ons nou wat te eten en dan doen we een dutje eer we op weg gaan.«
Op dit verzoek dekte Nancy vlug de tafel, ging de kamer uit en kwam na een paar minuten terug met een kruik porter-bier en een gebraden schaapskop op een schotel; de laatste gaf Mr. Sikes aanleiding tot het maken van allerlei grappen over de verschillende beteekenissen van »jemmy«, dat behalve schaapskop ook de verkorting was van een naam, die veel in dieventaal voorkwam en van een vernuftig werktuig, dat veel in hun vak gebruikt werd.[2]
[2] »Jemmy« beteekent in 't Engelsch zoowel schaapskop als een verkorting van James en een soort breekijzer, dat uit elkaar genomen kan worden.
De waardige heer was opgeruimd en in het beste humeur ter wereld, misschien door het vooruitzicht, zoo spoedig in actieven dienst te komen; ten bewijze hiervan diene, dat hij uit de grap al het bier in één teug opdronk en zoo lang de maaltijd duurde, ruw berekend, niet meer dan een goede tachtig vloeken uitstootte.