Part 14
Op een middag, toen de Vos en jongeheer Bates bezigheden hadden voor den avond, kreeg eerstgenoemde het in zijn hoofd, eenige zorg aan zijn uiterlijke persoon te besteden (men moet hem de eer geven, dat hij gewoonlijk niet leed aan deze zwakheid), en met dit doel voor oogen, verwaardigde hij zich, Oliver rechtaf te bevelen, hem bij zijn toilet behulpzaam te zijn.
Oliver was zoo blij, dat hij zich nuttig kon maken, zoo gelukkig, een paar gezichten te zien, al waren ze nog zoo terugstootend en zóó verlangend de menschen om hem heen genoegen te doen, wanneer hij dit in eerlijkheid doen kon, dat hij geen enkele tegenwerping tegen dit voorstel inbracht. Dus verklaarde hij zich terstond bereid, knielde op den grond, terwijl de Vos op de tafel zat, zoodat deze zijn voet op Oliver's schoot kon zetten, en zette zich met ijver aan een kunstbewerking, die jongeheer Dawkins: »schoonmaak van de pootenwagen« noemde. Wat in gewone taal overgebracht, schoenpoetsen beteekende.
[Illustratie: WAT IN GEWONE TAAL OVERGEBRACHT, SCHOENPOETSEN BETEEKENDE.]
Of het 't gevoel was van vrijheid en onafhankelijkheid, dat een zedelijk wezen allicht zal ondervinden, wanneer hij in een gemakkelijke houding op een tafel zit, zijn pijp rookend, en één been losjes heen en weer slingerend, terwijl zijn schoenen gepoetst worden zonder zelfs de herinnering aan de moeite ze uit te doen, of het vooruitzicht van de last, ze weer aan te moeten trekken; of dat de goede tabak den Vos zachter stemde of het bier zijn gedachten weeker maakte, zeker is, dat hij voor 't oogenblik in een romantische, levendige stemming verkeerde, die anders vreemd was aan zijn aard. Een korte poos keek hij met een peinzend gezicht op Oliver neer; toen hief hij 't hoofd op, loosde een lichten zucht en zeide, half in 't vage, half tot Charley:
»Wat jammer, dat hij geen jatter is!«
»Och!« zei Charles Bates, »hij weet niet, wat goed voor hem is.«
De Vos zuchtte weer en trok aan zijn pijp; Charley Bates deed hetzelfde. Ze rookten beiden een poosje in stilte voort.
»Ik denk, dat je niet eens weet wat een jatter is?« hernam de Vos op treurigen toon.
»Ik geloof, dat ik 't wel weet,« antwoordde Oliver, opziende.
»Het is een d...., dat ben jij, niet?« vroeg Oliver, zichzelf in de rede vallend.
»Ik wel,« antwoordde de Vos. »Ik zou er 't land aan hebben wat anders te zijn.« Nadat hij zóó zijn gevoelen had uitgesproken, gaf de Vos zijn hoed een flinken duw en keek naar Bates, als om aan te duiden, dat hij hem zeer dankbaar zou zijn, wanneer hij het tegendeel beweerde.
»Ik ben er een,« herhaalde de Vos. »Charley ook. Fagin ook. Sikes ook. Nancy ook. Bet ook. Wij allemaal, tot de hond toe, en hij is de gewikste van de heele troep.«
»En hij babbelt 't minst van allemaal,« voegde Charley Bates er bij.
»Hij zou nog niet eens blaffen in het getuigenhokje, uit angst zich te verspreken; al sloot je hem er veertien dagen in op zonder eten,« zei de Vos.
»Geen sprake van,« merkte Charley op.
»'t Is een ferme hond. Kijkt hij iedere vreemde niet woedend aan, die lacht of zingt, waar hij bij is!« ging de Vos voort. »Slaat hij niet aan 't brommen, als hij een viool hoort? En is hij niet kwaadaardig tegen andere honden, die niet van z'n soort zijn? O ja!«
»Hij is op en top een Christen,« zei Charley.
Dit was alleen bedoeld om aan de goede eigenschappen van den hond recht te doen wedervaren, maar zonder dat Bates het wist, lag er nog een andere lofspraak in verscholen, want er bestaan vele heeren en dames, die er op gesteld zijn, op en top een Christen te zijn en tusschen wie sterke en wonderlijke punten van overeenstemming bestaan met den hond van Sikes.
»Kom,« zei de Vos, en keerde met de bedachtzaamheid van zijn vak, die heel zijn wezen kenmerkte, tot het punt van uitgang terug, »kom, dit heeft niets te maken met ons groentje hier.«
»Dat is zoo,« zei Charley. »Waarom ga je niet bij Fagin in de leer, Oliver?«
»En maakt met eigen hand je fortuin,« voegde de Vos er met een grijns bij.
»En bent in staat van je eigen inkomen te leven en fatsoenlijk ook, zooals ik van plan ben te gaan doen in op vier na 't eerste schrikkeljaar dat nu komt en de twee en veertigste Dinsdag van de week der Heilige Drieëenheid«, zei Charley Bates.
»Ik vind 't niet prettig,« hernam Oliver verlegen. »Ik wou, dat ze mij weg lieten gaan. Ik.... ik zou liever heengaan.«
»En Fagin houdt je liever hier,« viel Charley in.
Oliver wist dit maar al te goed; doch bedenkend, dat het gevaarlijk kon zijn, openlijk voor zijn gevoelens uit te komen, zuchtte hij alleen en ging voort met schoenen poetsen.
»Weggaan!« riep de Vos uit. »Kom, heb je dan geen grijntje eergevoel in je lijf? Zou je heen willen gaan en je vrienden op hun dak willen zitten?«
»O, zwijg daarvan!« zei Bates, twee of drie zijden zakdoeken uit zijn zak halend en ze in een kast mikkend, »dat is tè gemeen; dat is 't.«
»_Ik_ zou 't niet kunnen doen,« zei de Vos op een toon van hooghartigen afkeer.
»Maar je kunt wel je vrienden in den steek laten,« zei Oliver met een flauwen glimlach, »en ze laten straffen voor wat jij gedaan had.«
»Dat,« wierp de Vos tegen, met zijn pijp wuivend--»dat was alles ter wille van Fagin, omdat de smerissen weten, dat wij samen werken en hij zou in moeilijkheden geraakt zijn als wij ons niet uit de voeten hadden gemaakt; daarom deden wij 't, is 't niet Charley?«
Bates knikte toestemmend en wilde iets zeggen, maar de herinnering aan Oliver's vlucht kwam zoo plotseling in hem op, dat de rook uit zijn pijp hem door 't lachen in keel en neus schoot, waardoor hij vijf minuten lang bleef hoesten en met armen en beenen slaan.
»Kijk!« zei de Vos, een handvol shillings en halfpences te voorschijn halend, »we hebben een lollig leventje. Wat doet 't er toe, waar het vandaan komt? Hier pak an; op de plaats, waar het vandaan komt, is der nog genoeg over. Maar jij wil niet natuurlijk. O, wat 'n heerlijke stommerik ben jij!«
»'t Is leelijk, hè Oliver?« vroeg Charley Bates. »Z'n nek zal 't wel voelen, niet?«
»Ik begrijp je niet goed,« antwoordde Oliver.
»Ik bedoel zóó iets, ouwe jongen,« zei Charley. Terwijl hij dit zeide, nam jongeheer Bates een punt van zijn halsdoek in de hand, hield deze rechtop in de lucht, liet zijn hoofd op zijn schouder zakken en stootte tusschen zijn tanden een zonderling geluid uit, waarbij hij door een levendige pantomimische voorstelling aantoonde, dat hij 't over ophangen had.
»Dat beteekent 't,« zei Charley. »Kijk hij kijken, Jack! Ik heb nooit zoo'n prachtstuk gezien als dit jongetje hier, die zal me den dood nog andoen; let op wat ik zeg.« Charles Bates lachte opnieuw hartelijk en nam met tranen in de oogen zijn pijp weer op.
»Je hebt 'n slechte opvoeding gehad,« zei de Vos, terwijl hij met voldoening zijn schoenen bekeek, door Oliver gepoetst. »Maar Fagin zal toch wel iets van je maken, of jij bent de eerste, waar niets van terecht komt. Je moest nu maar liever dadelijk beginnen, want je komt toch in het vak eer je 't weet; 't is maar tijdverlies, Oliver.«
Jongeheer Bates ondersteunde dezen raad met velerlei zedelijke overwegingen van hemzelf; toen deze uitgeput waren, gingen hij en zijn vriend Dawkins over tot een gloeiende beschrijving van al de genoegens, die het leven, dat zij leidden, meebracht, doorspekt met allerlei wenken aan Oliver, dat het beste wat hij doen kon, was zonder verwijl te trachten Fagin's gunst te winnen, met dezelfde middelen, die zij tot dat doel gebruikt hadden.
»En houd je dit voor gezegd, Nolly,« zei de Vos, toen de Jood de deur boven opendeed, »als je geen lappen en tiktakken....«
»Wat geeft 't of je zoo al praat?« viel Bates in, »hij weet niet wat je bedoelt.«
»Als jij geen zakdoeken en horloges neemt,« zei de Vos, zijn woorden kiezend volgens Oliver's begripsvermogen, »dan doet 'n andere kerel 't; dan zijn de kerels, die ze kwijt zijn, der niks beter an toe, en jij ook niet en niemand wordt der 'n steek beter van, behalve de jongens, die ze hebben--en jij hebt er net zoo goed recht op as zij.«
»Juist, juist!« zei de Jood, die binnen was gekomen, zonder door Oliver gezien te worden. »Dat is wijsheid in een notedop jongen, in een notedop, verlaat je maar op de Vos. Ha! ha! ha! Hij kent de cathechismus van zijn vak.«
Terwijl hij de redeneering van den Vos in deze termen samenvatte, wreef de oude man zich vergenoegd in de handen en gichelde vroolijk om de schranderheid van zijn leerling.
Het gesprek werd voor het oogenblik niet verder voortgezet, want de Jood had Miss Betsy meegebracht en een jongmensch, dien Oliver nog nooit gezien had, maar die door den Vos werd aangesproken als Tom Chilling; hij maakte zijn opwachting na op de trap eenige beleefdheden met de jonge dame gewisseld te hebben.
Chilling was ouder dan de Vos, misschien telde hij negentien winters, maar hij behandelde den Vos met een zekere onderscheiding, die er op scheen te wijzen, hoe hij zich ietwat de mindere voelde wat geest en vakkennis betreft. Hij had kleine schitterende oogjes en een gezicht, door de pokken geschonden; hij droeg een bonten muts, een donkere geribte jas, een vuile bombazijnen broek en een schootsvel. Zijn garderobe was werkelijk niet veel meer dan lompen, maar hij verontschuldigde zich bij het gezelschap, door er aan te herinneren, dat zijn »tijd« pas een uur geleden om was en dat hij, na zes weken de gevangeniskleeding gedragen te hebben, nog niet veel aandacht aan zijn eigen kleeren had kunnen geven. Chilling voegde er driftig bij, dat de nieuwe manier om kleeren uit te rooken, die ze er daarginder op nahielden, duivelsch onwettig was, want 't brandde gaten in de kleeren en de regeering gaf er geen vergoeding voor. Hij meende dezelfde opmerking te mogen maken omtrent de nieuwe mode, het haar te knippen; deze hield hij stellig voor onwettig. Chilling besloot zijn opmerkingen, met vast te stellen, dat hij in geen twee en veertig dagen van hard werken een druppel drank over de lippen had gehad en dat hij »gehangen wou worden als hij niet zoo droog was als een stokvisch.«
»Waar denk je, dat die meneer vandaan komt, Oliver?« vroeg de Jood met een grijns, terwijl de andere jongens een flesch met drank op tafel zetten.
»Ik.... Ik.... weet niet, meneer,« antwoordde Oliver.
»Wie is dat?« vroeg Tom Chilling met een minachtenden blik op Oliver.
»Een vriendje van mij, beste jongen,« antwoordde de Jood.
»Dan treft hij 't,« zei de jonge man met een blik van verstandhouding naar Fagin. »'t Doet er niet toe, waar ik vandaan kom, jong; je zult er gauw genoeg ook komen, daar verwed ik een kroon onder.«
De jongens lachten om dezen uitval. Na nog eenige grappen over hetzelfde onderwerp, fluisterden zij een oogenblik met Fagin en gingen heen.
Nadat de laatst aangekomene en Fagin eenige woorden gewisseld hadden, trokken zij hun stoelen bij het vuur; de Jood beval Oliver, naast hem te komen zitten en bracht het gesprek op de onderwerpen, die zijne toehoorders 't meest belang inboezemden. Dit waren de groote voordeelen van het vak, de slimheid van den Vos, de innemendheid van Charley Bates en de gulheid van den Jood zelf. Ten laatste vertoonden deze onderwerpen teekenen geheel uitgeput te zijn; ook Mr. Chilling gaf teekenen van moeheid, want het huis van bewaring werkt vermoeiend na een paar weken. Dus ging Miss Betsy heen en liet de anderen vrij om ter rust te gaan.
Van dezen dag af werd Oliver zelden alleen gelaten, maar was bijna voortdurend in gezelschap van de twee jongens, die elken dag het oude spelletje met den Jood speelden; of dit tot hun eigen leering of tot die van Oliver geschiedde, wist Mr. Fagin 't best.
Een andere keer vertelde de oude man geschiedenissen van diefstallen, die hij in zijn jonge dagen had gepleegd, en mengde er zooveel in dat mal was en bijzonder, dat Oliver, of hij wilde of niet, hartelijk lachte, en daarmee toonde dat hij plezier had, al kwam zijn betere gevoel er tegen op.
Kortom, de sluwe oude Jood had den jongen in zijn net; eerst had hij door eenzaamheid en angst zijn geest er toe gebracht, elk gezelschap te verkiezen boven dat van zijn eigen droeve gedachten in zoo'n somber verblijf, nu goot hij langzaam het gif in zijn ziel, dat naar hij hoopte, die ziel zwart zou maken en voor altijd veranderen.
HOOFDSTUK XIX.
Waarin een gewichtig plan wordt beraamd en tot de uitvoering ervan besloten.
Het was een kille, vochtige, winderige avond, toen de Jood uit zijn hol kwam; zijn manteljas had hij dicht om zijn verschrompeld lichaam geknoopt en de kraag opgetrokken tot aan zijn ooren, zoodat het benedengedeelte van zijn gezicht verborgen bleef. Terwijl de deur achter hem werd gesloten en gegrendeld, bleef hij luisterend op de stoep staan, tot de jongens binnen alles verzekerd hadden en hun heengaande voetstappen niet langer te hooren waren; toen sloop hij zoo vlug hij kon de straat uit.
Het huis, waarheen Oliver gebracht was, lag in de buurt van Whitechapel. De Jood bleef een oogenblik staan op den hoek van de straat; voorzichtig om zich heen spiedend, stak hij de straat over en sloeg af in de richting van Spitalfields.
De modder lag dik op de steenen en een zwarte mist hing over de straten; de regen viel loom neer en alles voelde koud en klam aan. Het scheen juist de geschikte avond voor een wezen als de Jood om op pad te zijn. Terwijl hij tersluiks voortgleed, kruipend in de schaduw van muren en portieken, geleek de leelijke oude man op een of ander walgelijk ongedierte, voortgebracht door de modder en duisternis, waarin hij zich bewoog, in den nacht voortkruipend om zich een maal van afval te zoeken.
Door vele kronkelende, nauwe straatjes zette hij zijn tocht voort, tot hij Bethnal Green bereikte; toen plotseling links omslaande, verdween hij spoedig in een warnet van gemeene, vuile straatjes, zooals ze in die dichtbevolkte buurt bij massa's te vinden zijn. De Jood was klaarblijkelijk zoo bekend met den weg, dien hij volgde, dat hij noch door de duisternis van den nacht, noch door de moeielijkheden van den weg in de war gebracht werd. Hij liep haastig voort door verschillende steegjes en straatjes en sloeg eindelijk een steeg in, die verlicht werd door één enkele lantaarn aan het andere eind. Hij klopte op de deur van een huis in deze straat; na een paar gemompelde woorden gewisseld te hebben met den persoon, die open deed, liep hij naar boven. Een hond bromde, toen hij de kruk van een kamerdeur aanraakte en een mannenstem vroeg, wie er was.
»Ik ben 't maar, Bill, ik ben 't maar, jongen,« zei de Jood, naar binnen kijkend.
»Kom der dan heelemaal in,« zei Sikes. »Lig stil, stom mormel! Ken je den duivel niet, als hij een manteljas om heeft?«
Klaarblijkelijk was de hond eenigszins in de war geraakt door de uiterlijke kleeding van Mr. Fagin, want toen de Jood de jas losknoopte en over een stoelleuning gooide, ging hij terug naar den hoek, waar hij uit te voorschijn was gekomen, onderwijl kwispelstaartend om aan te toonen, dat hij zoo vriendelijk gestemd was als bij zijn aard mogelijk was.
»Nou!« begon Sikes.
»Nou, beste jongen,« antwoordde de Jood. »Ha, Nancy.« De laatste begroeting werd met juist genoeg verlegenheid uitgesproken om twijfel uit te drukken, hoe ze ontvangen zou worden; want Mr. Fagin en zijn jonge vriendin hadden elkaar niet ontmoet, sinds zij ten behoeve van Oliver tusschenbeide was gekomen. Alle twijfel dienaangaande, als hij werkelijk twijfelde, verdween dadelijk door de houding van de jonge dame. Zij trok haar voeten van het haardijzer, schoof haar stoel terug en beduidde Fagin, dat hij de zijne bij het vuur zou schuiven, zonder er lang over te praten; want het was stellig een koude avond.
»Het _is_ koud, Nancy-lief,« zei de Jood, terwijl hij zijn beenige handen boven het vuur warmde. »'t Is of 't door je heen gaat,« voegde de oude man er bij, over zijn zij strijkend.
»'t Mag wel zoo scherp als een boor zijn als 't door jouw ribbekast heengaat,« zeide Mr. Sikes. »Geef hem wat te drinken, Nancy. Alle duivels, maak voort. 't Is genoeg om een man ziek te maken, dat magere oude karkas zoo te zien bibberen als een afschuwelijke geest, die net uit zijn graf is gekomen.«
Nancy bracht haastig een flesch uit een kast, waar er verscheidene in stonden, die, te oordeelen naar hun verschillend uitzicht, gevuld waren met verschillende soorten drank. Sikes schonk een glas brandewijn in en beval den Jood, het uit te drinken.
»Ik heb al genoeg, dank je Bill,« zei de Jood, en zette het glas neer, nadat hij er nauwelijks zijn lippen aan had gezet.
»Wat! Je bent bang, dat wij je de baas zullen zijn, is 't niet?« vroeg Sikes en richtte zijn oogen op den Jood. »Bah!«
Met een ruwe grauw vol minachting greep Sikes het glas en gooide de rest van zijn inhoud in de asch: dit als een voorbereidende plechtigheid, om 't voor zichzelf te vullen, wat hij onmiddellijk deed.
De Jood keek de kamer rond, terwijl de ander het tweede glas vol naar binnen sloeg; niet uit nieuwsgierigheid, want hij had de kamer al dikwijls gezien, maar op een rustelooze, wantrouwende wijze, die hem eigen was. Het vertrek was armelijk gemeubeld; alleen de inhoud van de kast wekte het vermoeden, dat de bewoner iets anders was dan een arbeider; de eenige verdachte voorwerpen, die te zien waren, waren twee of drie dikke met lood beslagen knuppels, die in een hoek stonden, en een boksbeugel, die boven den schoorsteenmantel hing.
»Zoo,« zei Sikes, met zijn lippen smakkend. »Ik ben klaar.«
»Voor zaken?« vroeg de Jood.
»Voor zaken,« antwoordde Sikes. »Dus zeg, wat je te zeggen hebt.«
»Over dat huis in Chertsey, Bill?« zei de Jood, zijn stoel naar voren schuivend, terwijl hij op zeer zachten toon sprak.
»Ja? Wat heb je daarover te zeggen?« vroeg Sikes.
»Je weet, wat ik zeggen wil, beste jongen,« zei de Jood. »Hij weet 't wel, is 't niet Nancy?«
»Nee, hij weet 't niet,« smaalde Sikes. »Of hij wil 't niet weten en dat is hetzelfde. Spreek op en noem de dingen bij hun naam; zit daar niet te stotteren en te hakkelen en in dubbelzinnigheden te praten, net of jij niet de eerste bent geweest, die over die diefstal heeft gedacht. Wat heb je te zeggen?«
»St, Bill! St!« zei de Jood, die tevergeefs getracht had, deze uitbarsting van verontwaardiging tegen te houden; »ze zullen ons hooren, jongen. Ze zullen ons hooren.«
»Laat ze ons hooren!« zei Sikes, »'t kan mij niet schelen.« Doch daar 't Mr. Sikes bij eenig nadenken toch wel kon schelen, dempte hij zijn stem terwijl hij de woorden sprak en werd bedaarder.
»Nou, nou,« zei de Jood vleiend. »'t Is alleen mijn voorzichtigheid, anders niets. Nou, wat dat huis in Chertsey betreft, wanneer moet 't gebeuren, Bill? Wanneer moet 't gebeuren? Zilver, dat daar is, jongen, zilver!« zei de Jood, terwijl hij zich in de handen wreef er in een heerlijk voorgevoel zijn wenkbrauwen optrok.
»Heelemaal niet,« antwoordde Sikes koeltjes.
»Moet 't heelemaal niet gebeuren!« echoode de Jood, achteroverleunend in zijn stoel.
»Nee, heelemaal niet,« herhaalde Sikes. »Tenminste 't zal niet zoo'n licht karweitje zijn als we dachten.«
»Dan is 't niet goed angepakt,« zei de Jood, bleek van woede. »Vertel 't me maar niet.«
»Ik wil 't je vertellen,« wierp Sikes tegen. »Waarom zou ik 't jou niet vertellen? Ik zeg je, dat Toby Crackit al veertien dagen om de plek heeft rondgehangen en hij kan niemand van de bedienden te pakken krijgen.«
»Wil je zeggen Bill,« zei de Jood, gedweeër wordend nu de ander zich opwond, »dat geen van de twee mannen in 't huis te winnen waren?«
»Ja, dat wil ik zeggen,« antwoordde Sikes. »De oude dame heeft ze al twintig jaar in dienst, en al gaf je ze vijfhonderd pond, dan deden ze 't nog niet.«
»Maar wil je zeggen,« hield de Jood vol, »dat de vrouwen niet te winnen zijn?«
»Geen kwestie van,« antwoordde Sikes.
»Niet door de mooie Toby Crackit?« vroeg de Jood ongeloovig. »Bedenk hoe vrouwen zijn, Bill.«
»Nee, zelfs niet door mooie Toby Crackit,« antwoordde Sikes. »Hij zegt, dat hij al de lieve tijd, dat hij daar rondgeslenterd heeft, valsche bakkebaarden en een kanariegeel vest heeft aangehad, maar 't helpt allemaal niks.«
»Hij had een knevel moeten nemen en een uniformbroek,« zei de Jood.
»Dat heeft ie gedaan,« viel Sikes in, »en 't hielp net zoo min als 't andere.«
Bij dit bericht keek de Jood strak vóór zich uit. Na een paar minuten met de kin op de borst te hebben nagedacht, hief hij 't hoofd op, en zeide met een diepe zucht, dat als mooie Toby Crackit de waarheid zei, 't plan wel opgegeven zou moeten worden.
»En toch,« zei de oude man, terwijl hij zijn handen op zijn knieën liet zakken, »'t is een hard ding, beste jongen, zooveel op te geven, waar we eenmaal onze zinnen op gezet hadden.«
»Dat is 't,« zei Sikes. »'n Tegenvaller.«
Een lange stilte volgde, gedurende welke de Jood in diep nadenken bleef verzonken; op zijn gezicht kwam een uitdrukking van echt duivelsche schurkachtigheid. Sikes keek van tijd tot tijd tersluiks naar hem. Nancy, die blijkbaar bang was, den inbreker boos te maken, hield haar oogen op het vuur gericht, alsof zij doof was geweest voor alles wat er gebeurde.
»Fagin,« zei Sikes, plotseling de stilte verbrekend, »is 't twaalf goudvinken extra waard als 't veilig van buiten af gebeuren kan?«
»Ja,« zei de Jood, alsof hij plotseling opleefde.
»De koop gesloten?« vroeg Sikes.
»Ja jongen, ja,« stemde de Jood toe; zijn oogen glinsterden en elke vezel van zijn gezicht trilde door de opwinding, die de vraag in hem had gewekt.
»Dan,« zeide Sikes, terwijl hij met iets als minachting de hand van den Jood wegduwde, »dan kan 't beginnen zoodra je wil. Toby en ik zijn eergisterennacht over den tuinmuur geklommen om de paneelen van de deur en de luiken te onderzoeken. De kast is 's nachts gegrendeld als een gevangenis, maar d'r is één plaats, waar we in kunnen komen, veilig en wel.«
»Waar is die, Bill?« vroeg de Jood gretig.
»Nou,« fluisterde Sikes, »als je over 't grasveld loopt.«
»Ja, ja,« zei de Jood met voorovergebukt hoofd, terwijl zijn oogen bijna uit de kassen puilden.
»Ph!« riep Sikes en brak af, toen het meisje met een lichte hoofdbeweging plotseling om zich heen keek en een oogenblik naar het gezicht van den Jood wees. »'t Doet er niet toe, waar 't is. Je kan 't niet doen zonder mij, dat weet ik; maar 't is 't best voorzichtig te zijn, als je met jou te doen hebt.«
»Zoo as je wil jongen, zoo as je wil,« hernam de Jood. »Is er niemand meer bij noodig as jij en Toby?«
»Nee,« zei Sikes. »Behalve een breekijzer en een jongen. 't Eerste hebben we, voor de tweede moet jij zorgen.«
»Een jongen!« riep de Jood. »O, dus 't is een paneel?«
»Doet er niet toe,« hernam Sikes. »Ik moet een jongen hebben en geen groote. Drommels!« zei Mr. Sikes peinzend, »had ik die jongen maar van Ned, den schoorsteenveger! Hij hield hem expres klein en verhuurde hem voor 't werk. Maar de vader raakte in de doos en toen komt de Vereeniging voor jeugdige misdadigers en neemt den jongen weg uit een vak, waar hij geld verdiende, om hem lezen en schrijven te leeren en mettertijd een leerjongen van hem te maken. En zoo gaat 't maar door,« zei Mr. Sikes, terwijl zijn woede toenam bij de herinnering aan al het onrecht, dat hem geschied was, »zoo gaan ze maar door en als ze geld genoeg hadden, (wat ze God zij dank niet hebben) zouden we over twee jaar geen half dozijn jongens meer in 't vak hebben.«
»En wij ook niet,« viel de Jood in, die onder het spreken van den ander had zitten peinzen en alleen den laatsten zin had opgevangen. »Bill!«
»Wat?« vroeg Sikes.
De Jood knikte met 't hoofd in de richting van Nancy, die nog in 't vuur zat te staren, en duidde door een wenk aan, hoe hij graag wou dat ze uit de kamer werd gestuurd. Sikes haalde ongeduldig de schouders op, alsof hij de voorzorg onnoodig vond, maar voldeed toch aan het verzoek, door aan Miss Nancy te vragen, hem een kruik bier te halen.
»Je hebt geen bier noodig,« zei Nancy; ze sloeg haar armen over elkaar en bleef doodbedaard zitten.
»Dat heb ik wel,« antwoordde Sikes.