De avonturen van Oliver Twist

Part 11

Chapter 114,137 wordsPublic domain

Met dit milde aanbod ondersteunde en bekrachtigde de heer Grimwig bijna elke bewering die hij uitsprak, en dit was te zonderlinger in zijn geval, omdat zelfs, wanneer wij de mogelijkheid toegeven, dat de menschelijke wetenschap het ooit zoo ver zal brengen, iemand in staat te stellen, wanneer hij er lust in heeft, zijn eigen hoofd op te eten--het hoofd van den heer Grimwig zoo buitengewoon groot was, dat de vraatzuchtigste man ter wereld nauwelijks zou durven hopen, het in één keer naar binnen te werken--gezwegen nog van de dikke poederlaag.

»Ik wil mijn hoofd opeten,« herhaalde de heer Grimwig, met zijn stok op den vloer stampend. »Hallo! wat hebben we daar?« Hij keek Oliver aan en deed een paar stappen terug.

»Dit is Oliver Twist, waar we al eens over gesproken hebben,« zei de heer Brownlow.

Oliver boog.

»Dat is toch de jongen niet, die de koorts heeft gehad, hoop ik?« zeide de heer Grimwig en ging nog wat meer achteruit.

»Wacht even! Niet praten! Stil--« stootte de heer Grimwig afgebroken uit, terwijl hij alle angst voor de koorts vergat in de vreugde over zijn ontdekking, »die jongen heeft een sinaasappel gegeten! Als dat de jongen niet is die een sinaasappel heeft gegeten en de schil op de trap neergooide, dan wil ik mijn eigen hoofd opeten en 't zijne er bij.«

»Nee, nee, hij heeft er geen gehad,« zei de heer Brownlow lachend. »Kom, zet je hoed af en praat een woordje met mijn kleine vriendje.«

»Dit onderwerp ligt me na aan 't hart,« zei de driftige oude heer, terwijl hij zijn handschoenen uittrok. »Er liggen altijd sinaasappelschillen in onze straat en ik weet, dat ze daar neergelegd worden door den jongen van den chirurgijn om den hoek. Gisterenavond gleed een jonge vrouw er over uit en viel tegen mijn tuinhekje aan; dadelijk, toen zij opstond, zag ik, dat ze naar zijn duivelsche roode lamp met 't pantomimelicht keek. »Ga niet naar hem toe!« riep ik uit het raam, »hij is een moordenaar! Een levende menschenval!« Dat is hij. Als hij 't niet is..« Hier gaf de driftige oude heer een harden slag met zijn stok op den grond; zijn vrienden dachten daarbij altijd aan zijn gewone aanbod, al werd het niet in woorden uitgedrukt. Toen ging hij zitten, met zijn stok nog in de hand, sloeg een lorgnon open, dat hij aan een breed zwart lint om den hals droeg en begon Oliver op te nemen; de jongen, die merkte dat hij het voorwerp van onderzoek was, kleurde en boog opnieuw.

»Dus dat is de jongen?« vroeg de heer Grimwig eindelijk.

»Dat is de jongen,« antwoordde de heer Brownlow.

»Hoe gaat 't?« vroeg de heer Grimwig.

»Veel beter, dank u mijnheer,« antwoordde Oliver.

De heer Brownlow, die scheen te vermoeden, dat zijn zonderlinge vriend op 't punt was iets onaangenaams te zeggen, vroeg Oliver, naar beneden te gaan en aan juffrouw Bedwin te zeggen, dat de heeren klaar waren om thee te drinken; Oliver, volstrekt niet ingenomen met de manieren van den bezoeker, ging graag.

»Een aardige jongen, vind je niet?« vroeg mijnheer Brownlow.

»Ik weet niet,« antwoordde de heer Grimwig norsch.

»Weet je 't niet?«

»Nee. Ik weet 't niet. Ik zie nooit eenig verschil tusschen de ééne jongen en de andere. Ik ken maar twee soorten van jongens. Jongens met meelgezichten en jongens met biefstukgezichten.«

»En wat is Oliver?«

»Een meelgezicht. Een vriend van me heeft een jongen met een biefstukgezicht; een mooie jongen, zeggen ze, met een rond hoofd en roode wangen en glinsterende oogen, een verschrikkelijke jongen; zijn lijf en zijn armen en beenen schijnen altijd uit zijn pak te barsten, hij heeft een stem als een matroos en eet als een wolf. Ik ken hem! de rakker!«

»Kom,« zei de heer Brownlow, »Oliver Twist is heel anders, dus je hoeft je niet kwaad op hem te maken.«

»Best mogelijk!« zei mijnheer Grimwig. »Misschien is hij nog erger.«

De heer Brownlow kuchte ongeduldig, wat Mr. Grimwig bijzonder vroolijk scheen te stemmen.

»Misschien is hij nog erger, zeg ik,« herhaalde de heer Grimwig. »Waar komt hij vandaan? Wie is hij? Wat is hij? Hij heeft koorts gehad. Wat zou dat? Goede menschen zijn niet de eenige, die koorts krijgen, waar of niet? Slechte menschen krijgen ook wel eens de koorts, waar of niet? Ik heb een man gekend, die in Jamaica is opgehangen omdat hij zijn meester vermoord had. Hij had zes keer de koorts gehad, daarom werd er geen gratie voor hem gevraagd. Bah! Nonsens!«

De waarheid was, dat de heer Grimwig in 't diepst van zijn hart een sterke neiging voelde, te erkennen dat Oliver's uiterlijk en manieren bijzonder innemend waren, maar hij hield veel van tegenspreken, te meer nu hij een sinaasappelschil had gevonden; en in zichzelf besloten, dat niemand hem voor zou schrijven of een jongen er goed uitzag of niet, legde hij 't er van begin-af op toe, zijn vriend tegen te spreken. Toen de heer Brownlow toegaf, dat hij nog op geen enkele vraag een voldoend antwoord wist te geven en dat hij alle vragen over Oliver's leven verschoven had, tot de jongen sterk genoeg zou zijn om die ondervraging te kunnen verdragen, gichelde de heer Grimwig kwaadaardig. En hij vroeg honend, of de huishoudster 's avonds het zilver wel telde, want als zij niet op een mooien morgen een paar lepels miste, wou hij met alle plezier.... enzoovoorts.

Ofschoon de heer Brownlow zelf ietwat heftig van aard was, verdroeg hij dit alles--omdat hij de eigenaardigheden van zijn vriend kende--met volkomen goed humeur en daar de heer Grimwig bij de thee zijn goedkeuring te kennen gaf omtrent de muffins, ging alles naar wensch. Oliver, die ook van de partij was, begon zich meer op zijn gemak te voelen in het bijzijn van den driftigen ouden heer.

»En wanneer krijg je nu de ware, volledige en nauwkeurige geschiedenis van het leven en de avonturen van Oliver Twist te hooren?« vroeg Grimwig na de thee aan mijnheer Brownlow. Toen hij het onderwerp aanroerde, keek hij schuins naar Oliver.

»Morgenochtend,« antwoordde de heer Brownlow. »Ik wou liever dat hij dan alleen met me was. Kom morgenochtend om tien uur bij me, beste jongen.«

»Ja mijnheer,« antwoordde Oliver. Hij antwoordde met een lichte aarzeling; Mr. Grimwig keek hem zóó strak aan, dat hij er verlegen onder werd.

»Wil ik je eens wat zeggen,« fluisterde deze heer Mr. Brownlow in, »hij komt morgenochtend niet bij je. Hij bedriegt je, goede vriend.«

»Ik wil er een eed op doen, dat 't niet zoo is,« antwoordde de heer Brownlow op warmen toon.

»Als 't niet waar is,« zei Mr. Grimwig, »dan wil ik«.... en weer kwam de stok.

»Ik sta er met mijn leven borg voor, dat die jongen de waarheid spreekt,« zei de heer Brownlow met een slag op de tafel.

»En ik met mijn hoofd, dat hij liegt,« viel de heer Grimwig in, insgelijks met een slag op de tafel.

»We zullen zien,« zei de heer Brownlow, zijn opkomende boosheid bedwingend.

»Dat zullen we,« antwoordde de heer Grimwig met een uitdagend glimlachje, »dat zullen we.«

Nu wilde het noodlot, dat juffrouw Bedwin op dit oogenblik een pakje boeken binnenbracht, die mijnheer Brownlow dien morgen gekocht had van den man van 't boekenstalletje, met wien ons verhaal zich reeds heeft bezig gehouden. Toen zij de boeken op tafel gelegd had, wilde zij weer weggaan.

»Laat den jongen even wachten, juffrouw Bedwin!« zei de heer Brownlow, »hij moet wat terug hebben.«

»Hij is al weg mijnheer!« antwoordde juffrouw Bedwin.

»Roep hem terug,« zei de heer Brownlow, »er is haast bij. Hij is een arme man en de boeken zijn nog niet betaald. En hij moet een paar boeken mee terug hebben.«

De voordeur werd opengedaan. Oliver liep den éénen kant op en het dienstmeisje den anderen en juffrouw Bedwin stond op de stoep om den jongen te roepen; maar er was geen jongen te zien. Oliver en het dienstmeisje kwamen buiten adem terug, om te zeggen, dat hij niet te vinden was.

»Och, wat spijt me dat,« riep de heer Brownlow, »ik had zoo graag, dat hij die boeken van avond nog terugkreeg.«

»Laat Oliver ze brengen,« zei de heer Grimwig met een ironischen glimlach, »hij zal ze wel veilig afgeven.«

»Ja, toe mijnheer, laat ik ze asjeblieft wegbrengen,« zei Oliver, »ik zal hard loopen.«

De oude heer was op het punt te zeggen, dat Oliver in geen geval gaan zou, toen een smalend kuchje van mijnheer Grimwig hem deed besluiten, den jongen te laten gaan; opdat hij, door zijn boodschap goed te doen, aan Mr. Grimwig ineens de ongegrondheid van zijn verdenking zou bewijzen--in dit opzicht ten minste.

»Je zult gaan, beste jongen,« zei de oude heer. »De boeken liggen op een stoel bij mijn tafel. Haal ze even beneden.«

Oliver, blij dat hij iets doen kon, bracht de boeken op een stapel onder zijn arm mee en wachtte met zijn muts in de hand, welke boodschap hij te doen had.

»Je moet zeggen,« zeide Mr. Brownlow, met een schuinschen blik naar Grimwig; »je moet zeggen, dat je deze boeken terug komt brengen en dat je meteen de vier pond tien komt betalen, die ik hem schuldig ben.

Hier heb je een bankbiljet van vijf pond, dus moet je mij 10 shillings terugbrengen.«

»Ik blijf geen tien minuten weg, mijnheer!« antwoordde Oliver ijverig. Hij knoopte het bankbiljet in de zak van zijn buisje, nam de boeken zorgzaam onder zijn arm, maakte een eerbiedige buiging en ging de kamer uit. Juffrouw Bedwin volgde hem tot de voordeur en gaf hem allerlei instructies omtrent den kortsten weg en den naam van den boekverkooper en den naam van de straat; Oliver zei, dat hij 't best begreep. Nadat de oude dame er nog allerlei raadgevingen aan toe had gevoegd om voorzichtig te zijn en geen kou te vatten, liet zij hem eindelijk gaan.

»God zegene zijn lieve gezichtje!« zei de oude dame, terwijl zij hem nakeek. »'t Is net of ik hem niet kan laten gaan.«

Op dit oogenblik keek Oliver vroolijk om en knikte, vóór hij den hoek omsloeg. De oude dame beantwoordde zijn groet met een glimlach, sloot de deur en ging terug naar haar eigen kamer.

»Laat eens zien, op zijn langst is hij in twintig minuten terug«, zei de heer Brownlow, terwijl hij zijn horloge uithaalde en het op tafel legde. »Tegen dien tijd is het donker.«

»Dus je verwacht werkelijk, dat hij terug zal komen?« vroeg Mr. Grimwig.

»Jij dan niet?« vroeg de heer Brownlow met een glimlach.

Op dit oogenblik was de geest van tegenspraak sterk in den heer Grimwig en werd nog sterker door den vertrouwenden glimlach van zijn vriend.

»Nee,« zei hij, met zijn vuist op de tafel beukend, »ik denk 't niet. De jongen heeft een nieuw pak kleeren aan zijn lijf, een pak boeken van waarde onder zijn arm en een bankbiljet van vijf pond in zijn zak. Hij gaat naar zijn oude vrienden, de dieven, en lacht je uit. Als die jongen ooit weer in dit huis terugkomt, wil ik mijn hoofd opeten.«

Met deze woorden trok hij zijn stoel dichter aan de tafel en daar zaten de beide vrienden in stille afwachting, met het horloge tusschen hen in.

Als een bewijs, hoezeer wij hechten aan ons eigen oordeel en met hoeveel trots wij onze meest ondoordachte en haastige conclusies trekken, is het niet onaardig op te merken, dat de heer Grimwig, ofschoon hij volstrekt geen slecht hart had en ofschoon het hem beslist gespeten zou hebben, zijn vriend bedrogen en belogen te zien, toch in dit oogenblik ernstig en vurig hoopte, dat Oliver Twist niet terug zou komen.

Het werd zoo donker, dat de cijfers op de wijzerplaat bijna niet meer te onderscheiden waren; doch de twee oude heeren bleven zitten, zwijgend, met het horloge tusschen hen in.

HOOFDSTUK XV.

Waarin aangetoond wordt hoezeer de vroolijke oude Jood en Miss Nancy op Oliver Twist gesteld waren.

In de donkere gelagkamer van een gemeene kroeg, in het armelijkste gedeelte van Little Saffron Hill gelegen.... een donker, somber hol, waar den heelen winter een flikkerend gaslicht brandde er waar zomers geen zonnestraal binnen drong, zat een man gebogen over een tinnen kan en een glas, die sterk naar drank roken. In den man met zijn fluweelen jas, lakensche korte broek, half hooge laarzen en grijze kousen, zou een bekwaam agent van politie zelfs in dat flauwe licht zonder aarzelen William Sikes herkend hebben. Aan zijn voeten zat een witharige-roodoogige hond, die zich afwisselend er mee bezig hield, met beide oogen knippend zijn meester aan te kijken en een groote versche wond te likken aan den éénen kant van zijn bek, die hij pas geleden in een gevecht scheen opgedaan te hebben.

»Stil mormel! Stil!« zei Sikes, plotseling de stilte verbrekend. Of zijn overpeinzingen zóó diep waren, dat het knipoogen van den hond er storend op werkte, of dat de gevoelens, door zijn overdenkingen gewekt zóó levendig waren, dat zij zich moesten ontspannen door een onnoozel dier te schoppen, dit is een zaak, die lang en breed besproken en beschouwd kan worden. Wat ook de oorzaak zij, het gevolg was een schop en een vloek, die tegelijkertijd op den hond neerkwamen. Honden zijn over het algemeen niet geneigd, wraak te nemen over mishandelingen, hun door hun meesters aangedaan, maar de hond van Mr. Sikes, die hetzelfde humeur had als zijn baas, en in dit oogenblik misschien hevig leed onder het gevoel onrechtvaardig behandeld te zijn, zette terstond zijn tanden in één van de half-hooge laarzen. Nadat hij deze flink heen en weer geschud had, kroop hij knorrend onder een bank terug, juist bijtijds om de tinnen kan te ontgaan, die Sikes hem naar zijn kop gooide.

»Je durft! je durft!« zei Sikes, greep met de ééne hand de pook en knipte met de andere bedaard een groot mes open, dat hij uit zijn zak haalde. »Kom hier aartsduivel! Hier! Hoor je niet?«

De hond hoorde het zeker, want Mr. Sikes sprak op den hardsten toon van een harde stem, doch daar het dier er een onverklaarbaren tegenzin in scheen te hebben, zijn hals te laten afsnijden, bleef hij waar hij was en gromde nog woedender dan te voren; tegelijk greep hij het eind van de pook tusschen zijn tanden en beet er op als een wild beest.

Deze tegenstand maakte Sikes slechts te woedender; hij liet zich op zijn knieën vallen en begon als een razende op den hond los te slaan. Het dier sprong van rechts naar links en van links naar rechts--happend, grommend en keffend; de man sloeg en stompte, raasde en vloekte, en de strijd dreigde juist noodlottig te worden voor den een of den ander, toen de deur plotseling openging en de hond ontsnapte, Bill Sikes achterlatend met de pook en het knipmes in de hand.

Voor een twist zijn altijd twee partijen noodig, zegt het oude spreekwoord. Nu Sikes den hond niet meer tegenover zich had, gaf hij dadelijk den binnenkomende diens rol van tegenstander.

»Wat heb jij je met mijn hond en mij te bemoeien?« zeide Sikes met een woest gebaar.

»Ik wist 't niet, gerust, ik wist 't niet,« antwoordde Fagin nederig, want hij was de binnenkomende.

»Wist 't niet, laffe spitsboef!« snauwde Sikes. »Hoorde je dan 't leven niet?«

»Ik heb er niks van gehoord, zoo waar ik leef, Bill,« antwoordde de Jood.

»O nee! Jij hoort niks, natuurlijk niet,« smaalde Sikes met een woesten grijns. »Jij sluipt altijd in en uit, dat niemand je hoort komen of gaan! Ik wou, dat jij een halve minuut geleden de hond was, Fagin.«

»Waarom?« vroeg de Jood met een gedwongen glimlach.

»Omdat de wet een man zijn hond vrij dood laat maken, maar het leven van een man als jij, die niet half zooveel waard is, beschermt,« antwoordde Sikes, terwijl hij het mes met een veelbeteekenenden blik toeknipte, »nou weet je waarom.«

De Jood wreef zich in de handen, ging bij de tafel zitten en deed of hij lachte om de aardigheid van zijn vriend. Doch hij was klaarblijkelijk allesbehalve op zijn gemak.

»Grijns maar toe,« zeide Sikes, terwijl hij de pook neerlegde, en den ander met woeste minachting aankeek, »grijns maar toe. Je zult me nooit kunnen uitlachen of 't moet na een borrel zijn. Ik ben je de baas, Fagin, en voor den duivel, dat zal ik blijven. Daar! Als ik ga, ga jij ook; pas op voor me.«

»Ja, ja, beste jongen,« zei de Jood, »dat weet ik allemaal wel; wij.... wij.... hebben dezelfde belangen, Bill... dezelfde belangen.«

»Hm,« zei Sikes, alsof hij dacht, dat het belang meer aan den kant van den Jood lag dan aan het zijne. »Nou, wat heb je mij te zeggen?«

»'t Is allemaal veilig door de smeltkroes gegaan,« antwoordde Fagin, »en hier is jouw deel. 't Is eigenlijk meer dan je toekwam, jongen, maar ik weet wel, dat je mij een anderen keer weer eens wat toe zult stoppen en....«

»Hou op met je geklets,« viel de roover ongeduldig in. »Waar is 't? Geef op!«

»Ja, ja Bill, laat me een beetje tijd,« antwoordde de Jood gedwee. »Hier is 't! Alles in orde!« Terwijl hij sprak, haalde hij een ouden katoenen zakdoek van zijn borst, maakte een grooten knoop aan den éénen hoek los en haalde een bruin pakje te voorschijn. Sikes griste het uit zijn hand, deed het haastig open en begon de sovereigns te tellen, die er in waren.

»Is dat alles?« vroeg Sikes.

»Alles,« antwoordde de Jood.

»Heb je soms 't papier opengedaan en er onderweg een paar ingeslikt?« vroeg Sikes achterdochtig. »Zet maar geen beleedigd gezicht; dat heb je dikwijls genoeg gedaan. Laat 't blik slingeren!«

Deze woorden beteekenden in gewone taal aan de bel te trekken. Een andere Jood verscheen, jonger dan Fagin, maar bijna even gemeen en terugstootend van uiterlijk. Bill Sikes wees zwijgend naar de leege drinkkan. De Jood, die den wenk volkomen begreep, ging weg om de kan te vullen; te voren echter had hij een veelbeteekenenden blik met Fagin gewisseld, die--als had hij er op gewacht--tot antwoord zijn oogen een oogenblik omhoog sloeg en zijn hoofd schudde, zóó onmerkbaar, dat een derde persoon, die er op lette, het nauwelijks gezien zou hebben. Sikes merkte 't niet op; hij bukte zich juist om zijn schoenriem vast te maken, die de hond had los getrokken. Wanneer hij de korte wisseling van teekens had opgemerkt, zou hij hebben kunnen denken, dat 't hem niets goeds voorspelde.

»Is hier iemand, Barney?« vroeg Fagin; nu Sikes toekeek, sprak hij zonder zijn oogen op te slaan.

»Gheen zhiel,« antwoordde Barney, wiens woorden--of zij hem uit 't hart kwamen of niet--hun weg door zijn neus vonden.

»Niemand?« vroeg Fagin op verbaasden toon, die misschien beteekende, dat Barney vrij was, de waarheid te vertellen.

»Nhiemand as juffrouw Dadsy,« antwoordde Barney.

»Nancy!« riep Sikes uit. »Waar is ze? Ik mag blind worden, als ik die meid niet hoog stel om haar aangeboren talenten.«

»Ze heeft in de gelagkamer een portie gekookt rundvleesch besteld,« antwoordde Barney.

»Stuur haar hier,« zei Sikes, terwijl hij een glas drank inschonk. »Stuur haar hier.«

Barney keek schuchter naar Fagin, als om zijn toestemming te vragen; daar de Jood bleef zwijgen en zijn oogen neergeslagen hield, ging hij heen en kwam na een oogenblik terug, Nancy naar binnen duwend; zij was volledig uitgedost met luifelhoed, schort, mandje en huissleutel.

»Ben je op 't spoor, Nancy?« vroeg Sikes, en bood haar het glas aan.

»Ja Bill,« antwoordde de jonge dame, den inhoud van het glas naar binnen slaand, »en ik ben er moe van--dáár. 't Jong is ziek geweest en bleef in z'n nest en....«

»Zeg Nancy,« zei Fagin opkijkend.

Of misschien de bijzondere manier waarop de Jood zijn rossige wenkbrauwen samentrok en zijn diepliggende oogen sloot, miss Nancy waarschuwde, dat zij op 't punt stond, te veel te zeggen, doet er niet veel toe. We behoeven hier alleen het feit te constateeren en dat feit is, dat zij plotseling afbrak en met veel beminnelijke glimlachjes aan het adres van Mr. Sikes, het gesprek op andere dingen bracht. Na ongeveer tien minuten kreeg Mr. Fagin een hoestbui, waarop Nancy haar doek over haar schouders trok en verklaarde, dat het tijd was om heen te gaan. Sikes, die bedacht, dat hij denzelfden kant uitging als zij, sprak van zijn plan met haar mee te gaan en ze gingen samen weg, op korten afstand gevolgd door den hond, die uit een poort te voorschijn sloop, zoodra zijn meester uit 't gezicht was.

Toen Sikes weg was, stak de Jood zijn hoofd uit de kamerdeur; keek hem na, terwijl hij door de donkere gang liep, schudde zijn gebalde vuist achter hem, mompelde een schrikkelijke verwensching en ging toen met een afschuwelijken grijns weer aan de tafel zitten, waar hij zich verdiepte in de interessante verhalen van »het Politieblad.«

Intusschen was Oliver Twist, weinig vermoedend dat de vroolijke oude heer zoo in de buurt was--op weg naar het boekenstalletje. Toen hij in Clerkenwell kwam, sloeg hij bij vergissing een zijstraat in, die niet precies naar zijn doel voerde; hij ontdekte zijn vergissing niet, voordat hij halfweg de straat was, maar daar hij bedacht, dat de straat toch in de goede richting liep, vond hij het niet noodig, terug te keeren; dus liep hij door, zoo vlug hij kon, met de boeken onder zijn arm.

Onder het voortloopen dacht hij er over, hoeveel reden hij had, zich gelukkig en tevreden te voelen en wat hij niet zou willen geven om kleinen Dick te kunnen zien, die hongerig en geslagen misschien op dit oogenblik bitter schreide.--Plotseling werd hij opgeschrikt door een jonge vrouw, die luidkeels riep: »O, mijn broertje!« En nauwelijks had hij opgekeken om te zien, wat dat beteekende of hij werd vastgegrepen door een paar armen, die zich stijf om zijn nek wrongen.

»Schei uit!« zei Oliver en trachtte zich los te rukken.

»Laat me los! Wie ben je? Waarom hou je me vast?«

Het eenige antwoord was een vloed van jammerklachten van de jonge vrouw die hem omhelsd had en die een mandje en een huissleutel in de hand droeg.

»O God!« zei de jonge vrouw. »Ik heb hem gevonden! O, Oliver! Oliver! Ondeugende jongen, om me zoo in ongerustheid te laten! Ga mee naar huis, lieverd, kom. O, ik heb hem gevonden! Dank aan de hemelsche goedheid, ik heb hem gevonden!«

Bij deze onsamenhangende uitroepen barstte de jonge vrouw opnieuw in huilen uit en begon zoo verschrikkelijk te gillen, dat een paar vrouwen, die op dat oogenblik aan kwamen loopen, aan een slagersjongen, wiens haardos glom van 't vet, vroegen of hij geen dokter zou halen. Waarop de slagersjongen, die van een traag, om niet te zeggen indolent gestel was, antwoordde, dat hij maar niet zou.

»O nee, nee, 't hoeft niet,« zei de jonge vrouw, Oliver's hand vattend. »Ik ben al beter. Ga dadelijk mee naar huis, stoute jongen! Kom!«

»Wat is er eigenlijk gebeurd, juffrouw?« vroeg één van de vrouwen.

»O juffrouw,« antwoordde de jonge vrouw, »hij is een maand geleden weggeloopen van zijn ouders, brave ijverige menschen, om zich bij een bende dieven en ander gespuis aan te sluiten; zijn moeder's hart is er bijna door gebroken.«

»Wat een rakker!« zei een van de vrouwen.

»Ga naar huis, kleine deugniet!« zei de ander.

»Dat ben ik niet,« riep Oliver angstig. »Ik ken haar niet. Ik heb geen zuster en geen vader en geen moeder. Ik ben een wees, ik woon in Pentonville.«

»Hij is er nog trotsch op!« riep de jonge vrouw.

»'t Is Nancy!« riep Oliver, die nu voor 't eerst haar gezicht zag; in de grootste ontsteltenis deinsde hij achteruit.

»Zie je wel, hij kent me!« riep Nancy, zich tot de omstanders wendend. »Hij zei 't voordat hij 't wist. Laat me hem mee naar huis nemen, goeie menschen, of hij zal zijn vader en moeder doen sterven en mijn hart breken!«

»Wat is dat voor den duivel!« zei een man, die uit een bierhuis te voorschijn schoot met een witten hond dicht achter zich. »Oliver! Gauw naar huis, naar je arme moeder, rakker die je bent! Dadelijk naar huis.«

»Ik hoor niet bij ze. Ik ken ze niet. Help! help!« schreeuwde Oliver, worstelend om los te komen uit den krachtigen greep van den man.

»Help!« herhaalde de man. »Ik zal je helpen, schavuit! Wat zijn dat voor boeken? Die heb je zeker gestolen, hè? Geef hier!« Met deze woorden rukte de man de boeken uit Olivers handen en gaf hem een klap op zijn hoofd.

»Goed zoo!« riep een toekijker uit een zolderraampje. »Dat is de eenige manier om 't hem aan zijn verstand te brengen!«

»Zeg dat wel!« riep een timmerman met een slaperig gezicht en wierp een goedkeurenden blik naar het zoldervenster.

»Het zal hem goed doen,« zeiden de twee vrouwen.