Part 10
Mr. Sikes vergenoegde er zich mee, een denkbeeldige knoop onder zijn linker oor te leggen en zijn hoofd naar zijn rechter schouder over te buigen; een pantomime, die de Jood volkomen scheen te begrijpen.
Sikes vroeg toen om een glas brandewijn, in een soort dieventaal, waarmee al wat hij sprak doorspekt was, doch die, hier herhaald, mijn verhaal onbegrijpelijk zou maken.
»En doe er geen vergif in,« zei Mr. Sikes, zijn hoed op tafel leggend.
Het werd in scherts gezegd, maar als Sikes den kwaadaardigen grijns had kunnen zien, waarmee de Jood zich op de bleeke lippen beet, terwijl hij zich omkeerde naar de kast, had hij kunnen denken, dat de waarschuwing niet geheel te onpas werd gegeven, tenminste, dat de wensch om de kunst van den distillateur te verbeteren, niet vreemd was aan het hart van den vroolijken ouden heer.
Nadat hij twee of drie glazen jenever naar binnen had geslagen, verwaardigde Mr. Sikes zich, eenige aandacht aan de jongens te schenken; deze vriendelijkheid leidde tot een gesprek, waarin de oorzaak en de bijzonderheden van Oliver's gevangenneming uitvoerig besproken werden, met de veranderingen en aanvullingen van de waarheid, die aan den Vos onder de gegeven omstandigheden 't meest raadzaam voorkwamen.
»Ik ben bang,« zei de Jood, »dat hij iets zal zeggen, dat ons in moeilijkheden brengt.«
»Dat is wel waarschijnlijk,« antwoordde Sikes, met een kwaadaardigen grijns. »Je staat in kwaden reuk, Fagin.«
»En weet je, ik ben bang,« voegde de Jood erbij, voortsprekende alsof hij niet gehoord had wat de andere zei en dezen scherp aanziende, »ik ben bang, dat als 't spelletje misloopt met ons, 't met heel wat anderen ook misloopt en dat 't voor jou heel wat slechter afloopt dan voor mij, mijn waarde.«
De man ontstelde en keerde zich naar den Jood. Maar de oude heer had zijn schouders opgetrokken tot aan zijn ooren en zijn oogen staarden in 't ijle naar den muur aan den overkant.
Het bleef langen tijd stil. Elk lid van het eerbiedwaardig gezelschap scheen in zijn eigen overdenkingen verdiept te zijn; de hond niet uitgezonderd, die kwaadaardig zijn bek aflikte, alsof hij in gedachte een aanval deed op de beenen van de eerste de beste heer en dame, die hij op straat zou ontmoeten, als hij buiten kwam.
»De een of ander moet uitvinden, wat er op het bureau gebeurd is,« zei Mr. Sikes op veel kalmer toon dan waarop hij tot nu toe gesproken had.
De Jood knikte toestemmend.
»Als hij niet geklikt heeft en hij wordt veroordeeld, is er niets te vreezen tot hij weer vrij komt,« zei Sikes, »en dan moeten we hem in de gaten houden. Je moet hem op een of andere manier weer te pakken krijgen.«
Weer knikte de Jood.
De handelwijze was klaarblijkelijk de meest voorzichtige, maar ongelukkig bestond er één bijna onoverkomelijke hinderpaal om haar uit te voeren. Deze was, dat de Vos en Charley Bates en Fagin en Mr. William Sikes toevallig allemaal er een diepgewortelden, hevigen tegenzin in hadden, om welke reden en onder welk voorwendsel ook, in de buurt van een politiebureau te komen.
Hoe lang zij zoo gezeten zouden hebben en elkaar hebben aangekeken in een toestand van onzekerheid, die lang niet aangenaam was, is moeilijk te raden. En 't is niet noodig, eenigerlei gissingen daaromtrent te doen, want het plotselinge binnenkomen van de twee jonge dames, die Oliver bij een vroegere gelegenheid gezien had, bracht het gesprek weer op gang.
»Jullie komt juist van pas!« zei de Jood. »Bet zal wel gaan, is 't niet lieverdje?«
»Waarheen?« vroeg het meisje.
»Alleen maar naar het politiebureau, schatje,« vleide de Jood.
Tot eer van de jonge dame moeten we zeggen, dat zij niet met stelligheid beweerde, niet te zullen gaan, maar dat zij alleen met nadruk en ernst verklaarde »gehangen« te zullen worden àls ze ging; een beleefde en fijngevoelige manier om het antwoord te ontwijken, dat aantoont, hoe de jonge dame die natuurlijke beschaving bezat, die 't niet zou kunnen verdragen, een medeschepsel de pijn aan te doen van een rechtstreeksche, scherpe weigering.
Het gezicht van den Jood betrok. Hij wendde zich van deze jonge dame, die bont, om niet te zeggen opzichtig gekleed was in een roode japon, groene laarzen en gele papillotten, naar de andere jonge vrouw.
»Nancy, lieverdje,« zei de Jood overredend, »wat zeg jij ervan?«
»Dat 't niet gaat, dus hoef je 't niet te probeeren Fagin,« antwoordde Nancy.
»Wat wil je daarmee zeggen?« zei Mr. Sikes en keek haar gemelijk aan.
»Wat ik zeg, Bill,« antwoordde de dame kalm.
»Kom, jij bent juist de rechte er voor,« drong Mr. Sikes aan, »niemand hier in de buurt weet iets van je.«
»En omdat ik niet wil, dat ze iets van me zullen weten, is 't meer neen dan ja met me, Bill,« hernam Nancy op denzelfden bedaarden toon.
»Zij zal gaan, Fagin,« zeide Sikes.
»Nee, zij gaat niet, Fagin,« zeide Nancy.
»Ja, zij gaat, Fagin,« zei Sikes.
En Mr. Sikes kreeg gelijk. Door bedreigingen, beloften en omkooperijen werd de jonge dame in kwestie er eindelijk toe overgehaald, aan de opdracht te voldoen. Zij werd trouwens niet teruggehouden door dezelfde overwegingen als haar beminnelijke vriendin, want daar zij pas kort te voren uit de afgelegen, doch liefelijke voorstad Ratcliffe naar de buurt van Field Lane was verhuisd, bestond voor haar niet hetzelfde gevaar, herkend te worden door één van haar talrijke bekenden.
Dus, met een schort over haar jurk en haar papillotten verborgen onder een strooien luifelhoed--beide kleedingstukken werden geleverd door den onuitputtelijken voorraad van den Jood--maakte Miss Nancy zich gereed, den tocht te ondernemen.
»Wacht even,« zei de Jood en haalde een gesloten mandje voor den dag. »Neem dat in je ééne hand. Dat staat fatsoenlijker, schatje.«
»Geef haar een huissleutel in haar andere hand, Fagin,« zeide Sikes, »dat staat even echt en eerbaar als een toga.«
»Ja, ja, je hebt gelijk,« zei de Jood en hing een grooten huissleutel aan den wijsvinger van de rechterhand der jonge dame. »Daar, prachtig! 't Is heusch prachtig, schatje!« zei de Jood, zich in de handen wrijvend.
»O, m'n broertje! Mijn arm, lief, zoet, onschuldig broertje!« riep Nancy, in tranen uitbarstend, terwijl zij het mandje en den huissleutel als in de uiterste ongerustheid over elkander wreef. »Wat is er van hem geworden! Waar hebben ze hem heen gebracht! O heeren, heb toch medelijden en zeg me wat er met den lieven jongen gebeurd is; toe heeren, och toe!«
Nadat zij deze woorden tot onuitsprekelijk vermaak van haar toehoorders op klagelijken, hartverscheurenden toon had uitgestooten, stond Miss Nancy een oogenblik stil, knipoogde tegen het gezelschap, knikte met een glimlach in 't rond en verdween.
»Ja, dat is een flinke meid, jongens,« zei de Jood, en wendde zich met ernstig hoofdschudden tot zijn jongere vrienden als een zwijgende vermaning tot hen, het schitterende voorbeeld, dat zij juist aanschouwd hadden, na te volgen.
»Zij is een eer voor haar sexe,« zeide Mr. Sikes; hij vulde zijn glas en liet zijn geweldige vuist met een slag op de tafel neerkomen. »Op haar gezondheid en dat ze allemaal zoo waren als zij!«
Terwijl deze en vele andere lofspraken op de voortreffelijke Nancy werden gehouden, zocht deze jonge dame zoo vlug ze kon, het politie-bureau op, waar ze, ondanks een lichte natuurlijke schuchterheid, nu ze zoo alleen en onbeschermd door de straten liep, spoedig veilig aankwam. Zij ging er langs den achterkant binnen, klopte zachtjes met den sleutel op één van de celdeuren en luisterde. Binnen werd geen geluid gehoord; zij hoestte en luisterde opnieuw. Nog geen antwoord, dus begon zij te spreken.
»Nolly?« mompelde Nancy met zoete stem, »Nolly?«
Binnen was niemand als een ellendige gevangene zonder schoenen aan zijn voeten, die opgepakt was omdat hij op de fluit speelde en die, nadat dat vergrijp tegen de maatschappelijke orde ten duidelijkste bewezen was, door Mr. Fang tot een maand opzending naar het verbeterhuis was veroordeeld; met de snedige en grappige opmerking, dat de adem, waarvan hij zoo'n overvloed scheen te hebben, beter besteed was aan den tredmolen dan aan een muziekinstrument. Hij gaf geen antwoord, verzonken als hij was in verdriet om het verlies van zijn fluit, die ten algemeenen nutte in beslag genomen was; dus ging Nancy verder naar de volgende cel en klopte daar aan.
»Ja!« riep een zwakke, zachte stem.
»Is hier ook een kleine jongen?« vroeg Nancy, met een snik bij wijze van inleiding.
»Neen,« antwoordde de stem. »Goddank niet.«
Dat was een landlooper van vijf en zestig jaar, die naar de gevangenis ging omdat hij _niet_ op de fluit gespeeld had; of met andere woorden, omdat hij gebedeld had op straat en niets deed voor de kost. In de volgende cel zat een man, die naar dezelfde gevangenis ging, omdat hij zonder vergunning met tinnen pannen had gevent; hij had dus wel gewerkt om aan den kost te komen, maar zonder een gezegelde permissie van het stadsbestuur.
Doch, daar niemand van deze misdadigers antwoordde op den naam van Oliver of iets van hem wisten, wendde Nancy zich rechtstreeks tot den dikken agent met het gestreepte vest; met klagelijk gejammer en gehuil, nog klagelijker gemaakt door een gepast en druk gebruik van den huissleutel en het mandje, vroeg zij naar haar eigen lieve broertje.
»_Ik_ heb hem niet, beste meid,« zei de oude man.
»Waar is hij dan?« gilde Nancy, als buiten zichzelf.
»De meneer heeft 'm meegenomen,« antwoordde de agent.
»Welke mijnheer? O goede hemel! Welke mijnheer?« riep Nancy.
In antwoord op deze woeste, onsamenhangende ondervraging vertelde de oude man aan de diepbedroefde zuster, dat Oliver ziek was geworden op het bureau, en vrijgelaten na de verklaring van een getuige, dat de diefstal begaan was door een anderen jongen, die niet in hechtenis was en dat de aanklager hem in bewusteloozen toestand had meegenomen naar zijn eigen woning, waarvan de agent alleen wist, dat ze ergens in de buurt van Pentonville lag; hij had dit woord tot den koetsier hooren zeggen.
In een vreeselijken toestand van vertwijfeling en angst wankelde de jonge vrouw naar de poort; toen veranderde zij haar onzekeren gang in een flinken draf en keerde langs de meest ingewikkelde omwegen, die zij maar bedenken kon, naar het huis van den Jood terug.
Bill Sikes had nauwelijks den uitslag van den tocht vernomen, of hij riep zijn witten hond, zette zijn hoed op en ging onmiddellijk heen, zonder zelfs tijd te verliezen aan de formaliteit, het gezelschap goedenmorgen te wenschen.
»We moeten weten, waar hij is, jongens, hij moet gevonden worden,« zei de Jood opgewonden. »Charley, je blijft net zoo lang in de buurt rondslenteren, tot je weet waar hij is. Nancy, schatje, hij moet gevonden worden. Ik vertrouw op jou--en op den Slimmen Vos in alles! Wacht,« voegde de Jood erbij, terwijl hij met bevende hand een lade opentrok, »hier is geld. Ik sluit hier vanavond de boel. Jullie weet, waar je me vinden kunt! Blijf geen minuut langer hier! Geen oogenblik!«
Met deze woorden duwde hij hen de kamer uit. Nadat hij de deur achter hen zorgvuldig gesloten had met een dubbel slot en een grendel, haalde hij uit de verborgen plaats het kistje te voorschijn, dat hij tegen zijn bedoeling in aan Oliver had laten zien. Haastig verborg hij de horloges en juweelen onder zijn kleeren.
Een klop op de deur schrikte hem op.
»Wie is daar?« riep hij met schrille stem.
»Ik!« antwoordde de stem van den Vos door het sleutelgat.
»Wat is er?« vroeg de Jood ongeduldig.
»Nancy vraagt, of we hem op moeten pakken en naar 't andere huis moeten brengen,« zei de Vos.
»Ja,« antwoordde de Jood, »waar ze hem maar krijgen kan. Maak maar eerst, dat je hem vindt, dat is 't voornaamste! Ik zal wel weten, wat mij te doen staat, maak je niet ongerust.«
De jongen mompelde een instemmend antwoord en liep haastig naar zijn metgezellen beneden.
»Tot nu toe heeft hij niet gebabbeld,« zei de Jood, terwijl hij met zijn bezigheid voortging. »Als hij ons denkt te verklappen bij zijn nieuwe vrienden, kunnen we hem den mond nog stoppen.«
HOOFDSTUK XIV.
Bevattende verdere bijzonderheden omtrent Oliver's verblijf bij Mr. Brownlow; met de merkwaardige voorspelling, die door zekeren heer Grimwig omtrent hem geuit werd, toen hij voor een boodschap werd uitgezonden.
Oliver kwam spoedig bij uit de flauwte, door den plotselingen uitroep van Mr. Brownlow veroorzaakt; in het volgende gesprek werd het noemen van het portret zoowel door Mr. Brownlow als door juffrouw Bedwin zorgvuldig vermeden; zij roerden Oliver's verleden of omstandigheden niet meer aan, doch spraken over onderwerpen, die hem bezighielden zonder hem op te winden. Hij was nog te zwak om vóór het ontbijt op te staan, maar toen hij den volgenden dag in de kamer van de huishoudster kwam, was het eerste wat hij deed, een gretigen blik naar den muur te werpen, in de hoop, weer het gelaat van de mooie vrouw te zullen zien. Doch zijn verwachtingen werden teleurgesteld, want het schilderij was verdwenen.
»Ja,« zei de huishoudster, toen zij de richting van Oliver's oogen volgde, »'t is weg.«
»Dat zie ik, juffrouw,« antwoordde Oliver. »Waarom is 't weggenomen?«
»'t Is naar beneden gebracht, kindlief; Mr. Brownlow zei, dat 't je onrustig scheen te maken en dat kon je genezing tegenhouden, zie je,« antwoordde de oude dame.
»O, nee, dat zal 't niet. 't Maakte me niet onrustig, juffrouw,« zei Oliver. »Ik keek er zoo graag naar. Ik hield er al van.«
»Nu,« zei de oude dame vriendelijk, »maak dan maar, dat je zoo gauw mogelijk beter bent, dan hangen wij 't weer op. Heusch! dat beloof ik je! Laten we nu over iets anders praten.«
Dit was alles wat Oliver op dat oogenblik over het portret te hooren kreeg. Daar de oude dame zoo goed voor hem geweest was in zijn ziekte, deed hij zijn best, er niet meer aan te denken; dus luisterde hij aandachtig naar al de verhalen, die zij hem deed over haar lieve, mooie dochter, die getrouwd was met een knappen, aardigen man en buiten woonde; en over een zoon, die klerk was op een kantoor in West-Indië, die ook zoo'n beste jongen was en vier maal in 't jaar zulke lieve brieven naar huis schreef, dat zij al tranen in haar oogen kreeg als zij er over sprak. Toen de oude dame langen tijd had uitgewijd over de uitmuntende eigenschappen van haar kinderen en bovendien over de verdiensten van haar goeden, besten man, die--God hebbe zijn ziel!--juist zes en twintig jaar geleden gestorven was, werd het tijd om thee te drinken. Na de thee begon zij Oliver een kaartspelletje te leeren; hij leerde het even vlug als zij het onderwees; zij deden het spelletje met veel ernst en aandacht, tot het tijd werd voor den zieke om wat wijn en water te gebruiken met een sneedje geroosterd brood en dan lekkertjes naar bed te gaan.
't Waren gelukkige dagen, terwijl Oliver langzaam herstelde! Alles was zoo rustig en zoo netjes en zoo geregeld; iedereen zoo vriendelijk en hartelijk; na het roezemoezige ongeregelde leven, dat hij tot nu toe geleid had, scheen het hem of hij in den hemel was. Zoodra hij sterk genoeg was om bovenkleeren aan te trekken liet de heer Brownlow zorgen voor een nieuw pak, een nieuwe pet en een nieuw paar schoenen. Toen Oliver hoorde, dat hij met de oude kleeren doen mocht wat hij wou, gaf hij ze aan een dienstmeisje, dat bijzonder vriendelijk voor hem geweest was; hij vroeg haar, ze aan een voddenjood te verkoopen; het geld mocht ze houden. Dat deed zij met plezier en toen Oliver uit het raam van de huiskamer zag, hoe de Jood ze oprolde, in zijn zak stak en er mee heen ging, bedacht hij met genot, dat ze nu goed en wel weg waren en dat er geen gevaar voor hem bestond, ze ooit weer aan te trekken. Laat ik maar zeggen, dat het ellendige lompen waren; Oliver had nog nooit een nieuw pak gehad.
Op een avond, ongeveer een week na het geval met het portret, toen Oliver met juffrouw Bedwin zat te praten, kwam er een boodschap van beneden van Mr. Brownlow, dat hij graag Oliver Twist, wanneer de jongen zich wel genoeg voelde, bij zich in zijn studeerkamer zou zien, om een beetje met hem te praten.
»Wel lieve hemel! Ga je handen wasschen en laat mij netjes een scheiding in je haar maken, jongen,« zei juffrouw Bedwin. »Heb ik van me leven! Als we geweten hadden, dat hij om je sturen zou, hadden we je een schoon kraagje omgedaan en gezorgd, dat je er uitzag om door een ringetje te halen!«
Oliver deed wat de oude dame zeide; zij jammerde er vreeselijk over, dat er niet eens tijd was om de plooitjes van zijn kraagje te pijpen, doch ondanks dit persoonlijke gebrek zag hij er zoo fijn en aardig uit, dat juffrouw Bedwin, terwijl zij hem met voldoening van het hoofd tot de voeten bekeek, zoo ver ging te verklaren, dat het bij nadere beschouwing toch niet mogelijk zou geweest zijn, hem er nog beter te doen uitzien.
Zóó aangemoedigd, klopte Oliver op de deur van de studeerkamer. Op het »binnen!« van Mr. Brownlow, kwam hij een kleine achterkamer binnen, vol boeken, en met een raam dat in een vriendelijk tuintje uitkeek. Vóór het raam stond een tafel, waaraan Mr. Brownlow zat te lezen. Toen hij Oliver zag, schoof hij het boek van zich af en zei den jongen, bij de tafel te komen en te gaan zitten.
Oliver deed dit, terwijl hij zich verwonderd afvroeg, waar de menschen gevonden werden om al de boeken te lezen, die geschreven schenen te zijn om de wereld wijzer te maken. Wat menschen met meer ondervinding dan Oliver Twist zich nog elken dag afvragen.
»Er zijn hier heel wat boeken, vind je niet, beste jongen?« zeide Mr. Brownlow, toen hij opmerkte hoe nieuwsgierig Oliver naar de planken keek, die van den vloer tot den zolder reikten.
»Ja mijnheer,« zei Oliver. »Ik heb er nooit zooveel gezien.«
»Als je goed oppast, mag je ze lezen,« zei de oude heer vriendelijk, »en dat zul je prettiger vinden, dan ze van buiten te bekijken--ten minste in sommige gevallen, want er zijn boeken, waarvan de band en de rug verreweg het beste deel zijn.«
»Dat zijn dan zeker die dikke dáár, mijnheer?« zei Oliver en wees naar eenige groote quarto-deelen, met veel verguldsel op den band.
»Die zijn 't juist niet altijd,« zei de oude heer, terwijl hij met een glimlach over Oliver's hoofd streek, »er zijn andere, die net zoo zwaar zijn al zijn ze niet zoo dik. Hoe zou je 't vinden, heel knap te worden en boeken te schrijven?«
»Ik geloof, dat ik ze liever zou lezen, mijnheer,« antwoordde Oliver.
»Wat! zou je niet graag schrijver willen worden?« vroeg de oude heer.
Oliver dacht een oogenblikje na en zeide eindelijk, dat 't hem toch nog prettiger leek, boekhandelaar te worden, waarop de oude heer hartelijk lachte en verklaarde, dat dit een prachtige opmerking was. Oliver was er blij om, al begreep hij niet, waarom wat hij gezegd had dien naam verdiende.
»Nu, nu,« zei de oude heer, zijn lach bedwingend.
»Wees maar niet bang! We zullen geen schrijver van je maken, zoolang je nog een eerlijk ambacht kunt leeren, of steenenklopper worden.«
»Asjeblieft mijnheer,« zei Oliver.
De oude heer lachte opnieuw om den ernstigen toon van het antwoord en zeide iets over een wonderlijk instinct, waaraan Oliver, omdat hij het niet begreep, weinig aandacht schonk.
»En nu,« zeide Mr. Brownlow en zijn toon was zoo mogelijk nog vriendelijker, maar tegelijk veel ernstiger, dan Oliver nog ooit van hem gehoord had, »nu wilde ik graag, dat je goed oplette bij hetgeen ik je ga zeggen. Ik zal zonder eenige terughouding met je spreken; omdat ik er van overtuigd ben, dat je mij even goed zult begrijpen als menig volwassene.«
»O, zeg niet, dat u me wegstuurt, och toe, mijnheer!« riep Oliver uit, beangstigd door den ernstigen toon waarop de oude heer begon. »Jaag me niet weer de deur uit om over straat te zwerven. Laat mij hier blijven en voor u werken. Stuur me niet weer naar die ellendige plaats, waar ik vandaan kwam. Heb medelijden met een armen jongen, mijnheer!«
»Lieve jongen,« zei de oude heer, ontroerd door de warmte, waarmee Oliver plotseling zijn medelijden inriep, »je hoeft niet bang te zijn, dat ik je in den steek zal laten, wanneer je er mij geen reden toe geeft.«
»Dat zal ik nooit, nooit doen, mijnheer!« viel Oliver in.
»Ik hoop 't niet,« voegde de oude heer er bij. »Ik denk ook niet, dat je 't doen zult. Vroeger ben ik bedrogen in de menschen, die ik goed wilde doen, maar ik voel toch, heel sterk, dat ik jou vertrouwen kan en ik stel meer belang in je, dan ik voor mijzelf verklaren kan. De menschen, aan wie ik mijn innigste liefde heb gegeven, rusten diep in hun graf, maar ofschoon het geluk en de vreugde van mijn leven daar ook in begraven liggen, heb ik geen graf van mijn hart gemaakt en het voor altijd dichtgemetseld voor mijn beste gevoelens. Zij zijn integendeel gelouterd en versterkt door het diepe leed van mijn leven.«
De oude heer sprak deze woorden met zachte stem, meer tot zichzelf dan tot den jongen, en bleef daarna een oogenblik zwijgen. Oliver zat doodstil.
»Kom,« zei de oude heer eindelijk op vroolijker toon, »ik zeg dit alleen maar omdat je een jong hartje hebt; als je weet, dat ik veel verdriet en leed heb gehad, zul je misschien meer oppassen, me niet opnieuw pijn te doen. Je zegt, dat je een wees bent, zonder een vriend in de wereld; alle navragen, die ik heb kunnen doen, bevestigen dit. Laat mij je geschiedenis eens hooren--waar je vandaan komt, wie je opgevoed heeft en hoe je in het gezelschap kwam, waar ik je vond. Spreek de waarheid en je zult niet zonder vrienden zijn zoolang ik leef.«
Oliver's snikken belette hem enkele oogenblikken te antwoorden; juist toen hij wilde gaan vertellen, hoe hij in het Buitenhuis opgevoed en door Mr. Bumble naar het armhuis gebracht was, werd er op een bijzondere manier op de buitendeur geklopt; de dienstbode kwam hard naar boven loopen en diende Mr. Grimwig aan.
»Komt hij boven?« vroeg Mr. Brownlow.
»Ja mijnheer,« antwoordde het dienstmeisje. »Hij vroeg of er muffins in huis waren en toen ik ja zei, zei mijnheer, dat hij thee kwam drinken.«
Mr. Brownlow glimlachte en vertelde aan Oliver dat mijnheer Grimwig een oud vriend van hem was en dat hij 't zich maar niet aan moest trekken, als de oude heer een beetje ruw in zijn doen was, want in zijn hart was 't een beste man, dat wist Mr. Brownlow.
»Zal ik naar beneden gaan, mijnheer?« vroeg Oliver.
»Neen,« antwoordde Mr. Brownlow, »ik wou liever dat je hier bleef.«
Op dit oogenblik kwam, steunend op een dikken stok, een dikke, oude heer de kamer binnen; hij trok iets of wat met zijn ééne been en was gekleed in een blauwe jas, een gestreept vest, nanking broek, slobkousen van dezelfde stof en een breedgeranden witten hoed, waarvan de rand met groen gevoerd was. Uit zijn vest kwam een fijn geplooide jabot kijken en een lange stalen horlogeketting, waaraan niets hing als een sleutel, die er losjes aan bengelde. De einden van zijn witten halsdoek waren in elkaar gedraaid tot een bal zoo groot als een sinaasappel; de verschillende uitdrukkingen, die zijn gezicht kon aannemen, spotten met elke beschrijving. Hij had een manier, onder het spreken zijn hoofd naar één kant te laten overhellen en tegelijk uit de hoeken van zijn oogen te kijken, die onweerstaanbaar aan een papegaai herinnerde. In deze houding ging hij staan op het oogenblik van zijn binnenkomen; hij hield een stukje sinaasappelschil op armslengte van zich af en riep met brommende, ontevreden stem uit:
»Kijk eens! zie je dat? Is 't toch geen wonder, dat ik geen huis binnen kan komen of ik vind een stukje van deze onnoozele doktershulp op de trap? Aan een sinaasappelschil heb ik het te danken, dat ik kreupel ben en ik weet, dat een sinaasappelschil mijn dood zal zijn. Ik verzeker 't je, een sinaasappelschil zal mijn dood zijn of ik wil mijn eigen hoofd opeten!«