De avonturen van kapitein Bob

Part 5

Chapter 53,941 wordsPublic domain

Geen schooner gelegenheid om gevangenen te maken en ze als lastdragers op onze reis mee te voeren, dacht ik, en gelukkig waren mijn kameraads het allen met mij eens. We kozen dus een zestig flinke, sterke jonge mannen uit en beduidden hen dat ze met ons mee moesten trekken, waartoe ze zich onmiddellijk bereid toonden. De transport-moeilijkheid scheen hiermee dus opgelost, maar het bleef de vraag, of we de negers konden vertrouwen, daar we de bevolking, in tegenstelling met die op Madagaskar, als woest, wraakgierig en verraderlijk hadden leeren kennen. Andere dan echte slavendiensten zouden we dus niet van hen mogen verwachten; alleen zoolang ze ons vreesden, zouden ze zich onderworpen betoonen en slechts onder dwang voor ons werken.

Eer ik verder ga moet ik hier even vertellen, dat ik van dien dag af mij wat ernstiger rekenschap begon te geven van de omstandigheden waarin wij ons bevonden en mij meer om den gang van zaken begon te bekommeren. Mijn makkers waren wel alle vrij wat ouder dan ik, maar ik had bij verschillende gelegenheden opgemerkt, dat ze 't hoofd kwijt raakten, of zooals ik het nu zou noemen "weinig tegenwoordigheid van geest toonden", wanneer het tot handelen in ernstige omstandigheden komen moest.

Bij hun twist met de inboorlingen werd mij dit voor 't eerst volkomen duidelijk. Hoewel ze toen toch vast besloten waren hen aan te vallen, zonk het hart hen al in de schoenen toen de zwarten, na het eerste salvo, niet dadelijk het hazenpad kozen, en ik geloof zeker, dat de onzen--had ons vaartuig dichter onder hun bereik gelegen--als één man op de vlucht zouden zijn gegaan.

Verbaasd over hun lafheid en bang dat ze den toestand geheel voor ons zouden bederven, begon ik hen krachtig aan te moedigen en riep ik hen bevelend toe, onmiddellijk op nieuw te laden en te vuren.

"Als jullie goed keurt dat ik de leiding neem, kan ik je verzekeren, dat we de negers allen op de vlucht zullen drijven!" verzekerde ik hen, volkomen overtuigd van wat ik beweerde.

En zoo gebeurde het ook.

Toen er voor de tweede maal geladen was, commandeerde ik dat slechts de grootste helft van ons zoude vuren. "En nu, kameraden," zei ik, "in stormpas erop af!" Onder een luid hoera, snelde ik de mannen vooruit die nog niet geschoten hadden, en nog eer ik bevel tot vuren gaf, rende de heele zwarte bende voor ons weg, het bosch in.

Van dit oogenblik af noemden de Portugezen mij half spottend, half in ernst Seignior Capitanio, maar toen ik hen zei dat ik geen "Seignior" wenschte te heeten, stelde de kanonnier, die vrij goed Engelsch sprak voor, mij "Kapitein Bob" te noemen, en dezen titel behield ik voortaan.

Een eigenaardigheid van de Portugeezen, die ik telkens gedurende mijn leven onder hen opmerkte, is, dat ze--zoowel in massa als ieder afzonderlijk--zich flink genoeg gedragen wanneer ze een opwekkend voorbeeld hebben, krachtig worden aangespoord en gesteund; zijn ze evenwel geheel op zichzelf aangewezen, dan laten ze gauw den moed zinken en brengen het tot niets. Zoo zouden ze ook in ons geval ongetwijfeld voor een troep wilden gevlucht zijn--al hadden ze op die wijze toch hun leven niet kunnen redden--als ik hun niet had toegeroepen stand te houden en de heele geschiedenis eerder als een spel dan als een ernstig gevecht had voorgesteld.

Ook bij verschillende volgende gelegenheden, merkte ik deze karakterzwakte op, en ik moet bekennen, dat ik me menigmaal later afvroeg, hoe een troepje mannen--dat in critieke oogenblikken zoo in geestkracht te kort schoot--het stoute besluit kon hebben gevat om de roekelooste en slechtst uitvoerbaren tocht te beramen, welke ooit ter wereld ondernomen werd.

Twee of drie flinke kerels vormden den kern van ons gezelschap en hielden het door hun energie en werkkracht bijeen. Van den beginne af hadden deze trouwens eenige leiding aan onze zwerftochten gegeven en in moeilijke gevallen raad weten te schaffen; het waren in de eerste plaats de kanonnier, ten tweede onze artiest, de fijnsmid, en ten derde--hoewel niet met de twee vorigen te vergelijken--een van onze timmerlieden. Dit drietal vormde de ziel van elke onderneming en aan hun persoonlijken moed dankten de overigen de standvastigheid, die ze nu en dan nog aan den dag legden. Toen zij zagen dat ik bereid was ook een deel van de verantwoordelijkheid op me te nemen, drukten ze mij de hand en bij volgende gelegenheden vroegen ze altijd mijn oordeel.

Onze kanonnier was een uitstekend wiskunstenaar, die veel gelezen en op zijn manier gestudeerd had. Door veel met hem te praten, leerde ik ook de gronden van de verschillende wetenschappen kennen, die met de scheepvaart verband houden, en voornamelijk over aardrijkskundige aangelegenheden vertelde hij gaarne.

Toen hij bemerkte, dat ik gretig verlangde te weten en te begrijpen, bracht hij me op velerlei gebied zijn algemeene kennis bij, gaf mij een juist begrip van den vorm der aarde, de ligging der landen ten opzichte van elkaar, den loop der rivieren en deelde hij me mede wat hij wist van de leerstellingen omtrent de sferen en de beweging der sterren. Deze laatste wetenschap vooral wekte sterk mijn belangstelling, en in mijn later leven heb ik er steeds naar getracht voor mezelf een aannemelijk astronomisch stelsel op te bouwen.

De omgang met dezen eenvoudigen, ontwikkelden man deed den vurigen wensch bij mij ontwaken, om ál wat onder mijn bereik kwam te leeren en overtuigde mij, dat ik het nooit tot iets flinks in de wereld zou kunnen brengen, wanneer ik niet een grootere mate van kennis vergaarde dan waarover zeelieden gewoonlijk beschikken. Hij wees er mij op, dat onwetendheid den mensch altijd tot een onderschikten rang veroordeelt en prees mij om mijn begeerte en vatbaarheid om te leeren.

Door zijn lof gevleid en niet vrij van eerzucht, besloot ik later--als we weer in Europa terug mochten komen en ik ooit wat geld bezitten zou, alles in 't werk te stellen, om datgene te bestudeeren wat iemand tot een knap zeevaarder kan maken.

Maar ik moet tot mijn verhaal terugkeeren.

Toen de kanonnier mij, na mijn ingrijpen in 't gevecht, hoorde voorstellen een deel onzer gevangenen als lastdragers mee te voeren, keerde hij zich naar mij toe en zei op luiden toon:

"Kap'tein Bob, ik ben van oordeel dat jij voortaan onze leider moet zijn, want we danken den goeden afloop van dit ernstige avontuur enkel en alleen aan jou."

"Neen," weerde ik af. "Je moet niet overdrijven wat ik gedaan heb. Laten we jou liever tot Capitano kiezen. Ik ben veel te jong."

Zoo werd toen besloten dat hij onze aanvoerder zou wezen; maar daar hij niet alleen de verantwoordelijkheid wilde dragen, verzocht hij mij hem te willen ter zijde staan, en toen allen zijn verzoek ondersteunden, moest ik hier wel in toestemmen.

De eerste opdracht die ik in mijn nieuwe waardigheid kreeg was al buitengewoon moeilijk, n.l. om de leiding van de gevangenen op mij te nemen, 't geen ik echter met goed vertrouwen ondernam. Lastiger dan dit "karweitje" bleken evenwel nog de vraagstukken waarover wij raad belegden: welken weg we zouden inslaan en hoe we ons van den noodigen proviand konden voorzien.

Onder de gevangenen bevond zich een lange, knappe, welgemaakte neger, wien de overigen veel eerbied bewezen en die, zooals we later hoorden, de zoon van een hunner koningen was. Naar 't scheen werd zijn vader bij ons eerste salvo gedood, terwijl hij een schot in den arm en in de heup gekregen had. Daar het laatste schot in het vleezige gedeelte was aangekomen, voelde hij zich doodzwak door al het bloedverlies. Beide wonden hadden hem geheel buiten gevecht gesteld en we zouden hem misschien rustig hebben laten sterven, indien het niet bij me was opgekomen, dat hij ons van grooten dienst zou kunnen zijn, als een soort van bevelvoerder over onze lastdragers. Ik verzocht dus onzen chirurgijnsleerling hem onder handen te nemen en beduidde den armen drommel zoo goed ik kon, dat we hem weer zouden genezen.

Niet te verwonderen dat het verzorgen en verbinden van hun vorst den eerbied der negers voor ons nog verhoogde! Blijkbaar meenden ze dat we op een even geheimzinnige manier konden dooden als weer levend maken, en nadat de Zwarte Prins, zooals we hem gemakshalve noemden, een zes of zevental negers bij zich geroepen en hun iets bevolen had, kwamen ze alle zeven naar mij toe, vielen op de knieën en maakten--telkens naar de plek wijzende, waar hun koning gevallen was--aandoenlijk smeekende gebaren.

Eerst begreep ik niet wat ze wilden, maar toen een van hen den doode oprichtte, op zijn hoofdwond en toen naar den chirurgijn wees, werd het ons duidelijk, dat ze ons in staat achtten ook de gesneuvelden tot het leven terug te brengen.

Ons onvermogen wijselijk verbergende, deelden we hen mee dat de gedooden de personen waren, die ons het eerst hadden aangevallen en dat we ze daarom in geen geval weer levend wilden maken, maar dat we den jongen vorst, mits hij ons gehoorzaam bleef, niet zouden laten sterven en zijn pols en been genezen.

Hierna liet hij een der mannen een langen pijl halen en voor hem op den grond leggen. Den pijl met zijn linkerhand aanvattende--de rechterpols was gebroken--wees hij naar de zon, brak den schicht toen in tweeën, richtte de punt op zijn borst en reikte mij die toen aan. Uit een en ander maakten wij op, dat hij de zon tot getuige riep van zijn onveranderlijke vriendschap voor mij. En geen Christen had zich ooit nauwgezetter aan een eed kunnen houden dan deze wilde koningszoon, die zich gedurende vele moeilijke maanden een verknocht dienaar betoonde.

Toen ik hem bij den chirurgijn had gebracht, begon deze de wonden onmiddellijk te verzorgen. Wat de heup betreft--de kogel was er gelukkig niet in doorgedrongen, maar had slechts een oppervlakkige vleeschwonde veroorzaakt, die, behoorlijk gereinigd en verbonden, spoedig weer genas; maar met den pols was het ernstiger gesteld; een der beenderen van den onderarm bleek gebroken. Nadat onze dokter het lichaamsdeel gezet en gespalkt had, bond hij het in een draagband of lichter, die hij om den nek van den patiënt vastmaakte, hem beduidende dat hij den arm niet mocht bewegen. Dit voorschrift volgde de wilde zoo stipt op, dat hij ging zitten en zich niet verroerde, tenzij de chirurgijn hem permissie gaf.

Ik getroostte mij veel moeite om dezen neger verstaanbaar te maken wat ons plan was en welke diensten we van zijn mannen wilden vergen; in de eerste plaats leerde ik hem de beteekenis van verschillende veelgebruikte woorden, en daar hij zeer vlug van begrip bleek, bereikte ik veel meer met mijn onderricht dan ik me had voorgesteld.

Toen hij uit onze toebereidselen opmaakte dat we ook voor 't begin van de reis proviand vergaarden, deelde hij ons mee, dat dit geheel overbodig was, daar we nog gedurende veertig dagreizen voedsel zouden vinden. Aanvankelijk kon hij ons het getal veertig niet begrijpelijk maken, tot eindelijk een der negers, op zijn bevel, veertig steentjes op een rij legde, ons met gebaren beduidende, dat we zooveel dagen voedsel zouden vinden als hij steentjes neerlegde.

Daarop toonde ik hem onze bagage, een heele vracht, dank zij onze munitie, onze timmermans- en smidsgereedschappen, onze zeemans-instrumenten, kisten met flesschen enz. Nadat hij eenige artikelen ter hand had genomen, om het gewicht te keuren, schudde hij het hoofd, waarop ik onze mannen verzocht al hun hebben en houden zoo beknopt mogelijk te verpakken en wat niet strikt noodig was achter te laten. Met leedwezen offerden we dus onze elf kisten op, die ons bij 't kampeeren zulke goede diensten hadden bewezen.

Daarop beloofde hij ons eenige jonge buffels om de pakken te dragen, te kennen gevende, dat ze ons als we moe werden, ook een tijdlang op hun rug konden nemen, een denkbeeld dat we met verontwaardiging afwezen. Wel overlegden we, dat de buffels, als we ze niet langer als pakdieren noodig hadden, zeer eetbaar voedsel zouden opleveren.

Toen dit alles vastgesteld was, bracht ik hem naar onze sloep, waarover hij de grootste verbazing uitte. Nog nooit had hij iets dergelijks gezien.

Hun booten waren maar armzalige vaartuigjes, zonder stuur of steven, gemaakt uit geitenvellen, die ze met gedroogde darmen aaneennaaiden en met een mengsel van hars en olie bestreken, dat een afschuwelijke lucht van zich gaf. De kano's van de inboorlingen op Madagaskar konden meesterstukken van scheepsbouw genoemd worden bij deze ongelukkige dingen vergeleken.

Toen we onzen vorst aan boord geholpen hadden, want zijn been hinderde hem nog, lieten we hem den inhoud zien en beduidden hem dat zijn mannen dat alles voor ons dragen moesten. "Ce Seignior", en "Yes Sir" antwoordde hij lachend, en een pak optillende, gaf hij te kennen, dat hij zelf ook zou helpen dragen, zoo gauw zijn arm genezen was, wat echter niet in onze bedoeling lag, daar hij boven de andere negers moest staan.

Onze gevangenen hadden we inmiddels binnen een ruw paalwerk of palissade opgesloten en hen met touwen van gevlochten plantenvezels gebonden. Nadat we hun vorst weer aan wal hadden gedragen, namen we hem mee naar de gevangenen en lieten hun vragen of ze met ons wilden reizen naar het land van de leeuwen. Uit zijn druk gepraat begrepen we alleen maar dat ze "Ce Seignior" moesten zeggen als ze mee wilden, en tot onze verwondering riepen ze allen "Ce Seignior! Ce Seignior!" in hun handen klappende en naar de zon opkijkende, 't geen, volgens hun hoofdman, een gelofte van trouw beteekende.

Onmiddellijk na het afleggen van dezen eed evenwel, begon een van hen een lange rede tegen den vorst te houden, waarin hij telkens met de dwaaste gebaren op ons wees en iets van ons scheen te wenschen, dat hun allen na aan 't harte ging. Toen ik den jongen koningszoon vroeg wat ze begeerden, zei hij: de zekerheid dat we hen niet zouden dooden maar hen chiaruck (voedsel) zouden geven en niet door de wilde dieren laten verscheuren. Deze gelofte legde ik gaarne af, waarop hij naar de zon wees en in de handen klapte, een voorbeeld, dat ik begreep te moeten volgen, en nadat ik mijn verklaring dus onder eede bevestigd had, vielen al de gevangenen plat op den grond en uitten, weer opgestaan, de vreemdste, schrilste kreten die ik ooit van menschelijke wezens gehoord heb.

Zoodra deze plechtigheid was afgeloopen, wijdden we al onze aandacht aan het vraagstuk van de proviand, die wij toch, zoowel voor onze gevangenen, als voor onszelf zouden noodig hebben, en in mijn gebarengesprek hieromtrent met den vorst, gaf hij mij te verstaan, dat als ik een der gevangenen wilde loslaten, deze naar hun dorp zou gaan, om lastdieren en voedsel te halen. Blijkbaar zette ik een gezicht alsof ik de zaak niet vertrouwde, hij begon tenminste betuigingen van trouw te uiten en bond o.a. een stuk touw om zijn hals, waarvan hij mij het eene einde toehield, te kennen gevende, dat ik hem mocht ophangen als de neger niet terugkwam. Ik stemde dus toe en liet den slaaf vrij, die daarop uitvoerige instructies van zijn meester ontving, ook betreffende den tijd van zijn terugkomst, 't geen viel af te leiden uit hun zorgvuldig waarnemen van den zonnestand.

De neger rende alsof hij bezeten was en hield dit vol tot hij geheel uit het gezicht verdween, waaruit ik opmaakte, dat hij een langen weg had af te leggen.

Den volgenden morgen, omstreeks twee uur na zonsopgang, wenkte "de Zwarte Prins" mij dringend, bij hem te komen, een verzoek, dat hij met een eigenaardig geroep ondersteunde. Toen ik naast hem stond, wees hij naar een heuvel op ongeveer twee mijlen afstands en scherp turende, onderscheidde ik duidelijk een kleine drift vee en verscheiden inboorlingen.

Dit waren, zooals hij me beduidde, de mannen die hij had uitgezonden en eenige stamgenooten.

Nog voor den afgesproken tijd kwam hij dan ook bij onze hutten aan met verscheiden runderen, ongeveer zestien geiten en vier jonge buffels, geoefend in het dragen van lasten.

HOOFDSTUK V.

STROOMOPWAARTS.

Voorloopig dus vleeschvoorraad genoeg. Wat brood betreft moesten we ons tevreden stellen met een niet zeer smakelijk gebak van gemalen wortelen. Daarna overlegden we, hoe we aan groote knapzakken zouden komen om den mondkost in te vervoeren, en daar de geiten gedood waren, gaf ik bevel de huiden in de zon uit te spreiden, waarna ze binnen twee dagen zoo droog waren als we maar konden wenschen. Toen de Zwarte Prins begreep waarvoor ze bestemd waren en hoe gemakkelijk een last hierdoor te dragen viel, glimlachte hij en zond een paar mannen weg, die, geholpen door twee andere negers, met een grooten voorraad huiden terugkwam. Deze huiden bleken veel beter gedroogd en behandeld dan de onze en van diersoorten, ons tot nu toe onbekend.

Verder brachten de zwarten hun vorst nog twee lansen mee, ongeveer zooals ze die in hun gevechten gebruikten, doch veel mooier. Ze waren van een donkere houtsoort vervaardigd, die aan ebbenhout deed denken en aan 't uiteinde voorzien van een scherpe punt, bestaande uit een langen tand van 't een of ander wild dier. Met verbazing en bewondering voelden we hoe scherp de spits was en hoe stevig de tand, niet langer dan mijn duim, er in bevestigd zat.

De vorst wilde de wapens niet aannemen voor ik hem verlof gaf en wenkte de inboorlingen, ze mij aan te bieden, doch ik stond hem gaarne toe ze zelf te gebruiken, daar ik hem als een man van nobele en rechtvaardige beginselen meende te mogen beschouwen.

Toen we marschvaardig stonden, kwam de Prins naar mij toe, om mij, achtereenvolgens naar de vier windstreken wijzende, te vragen, welken kant we dachten uit te trekken, en toen ik naar het westen wees, beduidde hij ons, dat er, iets noordelijker, een stroom liep die onze sloep verscheiden mijlen ver landwaarts in zou kunnen brengen.

Dankbaar van den wenk gebruik makende, stelde ik mijn makkers voor, onze reis op deze wijze te vergemakkelijken.

Volgens den Prins was de riviermonding omstreeks een dagreis van ons verwijderd, en onze kaarten raadplegende, moest het de rivier zijn, die op het meest noordelijke gedeelte van de kust van Mozambique staat aangegeven en daar Quilloa genoemd wordt.

Na rijp beraad, besloten we den prins en zooveel van de gevangenen als we bergen konden in ons schip te nemen en den stroom bij de baai binnen te varen, terwijl acht der onzen met de overige gevangenen over land naar de rivier zouden trekken en hen daar ontmoeten. Dit was gemakkelijk te doen, daar de afstand tot aan een zuidelijke bocht--van een heuvel af duidelijk te zien--naar onze schatting niet meer dan zeven mijlen kon bedragen.

Mij viel het lot te beurt den tocht te voet te maken en als aanvoerder van de kleine karavaan op te treden. Behalve zevenendertig gevangenen kreeg ik acht van onze gewapende mannen mee, terwijl we alle bagage aan boord lieten. Eigenaardig, zoo tam als de jonge stieren waren, die we voor ons uitdreven! De negers lieten zich, soms bij vier tegelijk, door de goedige dieren dragen; ze aten uit onze hand, likten ons de voeten en waren zoo volgzaam als huishonden.

Behalve de stieren hadden we ook zes of zeven koeien voor onze voeding, en tot groote verbazing van de negers zagen ze later hoe we het rundvleesch zoutten en droogden, een manier die ze buitengewoon lekker schenen te vinden en gretig navolgden.

Voor ons, die de reis over land maakten, bleek het al een heel gemakkelijke tocht, maar het duurde ongeveer vijf dagen eer de anderen ons daar troffen. De wind was in de baai geheel gaan liggen en de afstand langs de rivier, door een niet verwachte kromming in haar loop, ongeveer vijftig Engelsche mijlen.

Gelukkig konden we den wachttijd nuttig besteden, daar de inboorlingen die den Prins de mooie lansen gebracht hadden, ons leerden een soort van flesschen van geitenvellen te maken om daar zoet water in te bewaren; en de zwartjes deden dit zoo handig, dat--nog eer ons schip in zicht kwam--ieder voorzien was van een buidel of blaasvormigen zak, dien ze door middel van een riem, uit smalle reepjes van een andere huid gesneden, over hun schouder hingen.

Ten einde ons van den trouw der mannen te verzekeren, had de Prins bevolen, hen twee aan twee met de polsen aan elkaar te binden, zooals we bij 't vervoer van Engelsche gevangenen doen, en hij wist hen zoo te overtuigen van het redelijke van dezen eisch, dat hij er hen toe bracht zichzelf te koppelen, waarvoor hij er vier van hen aanwees. Wij vonden hen echter zoo betrouwbaar en vooral zoo absoluut gehoorzaam aan hun aanvoerder, dat we hen, toen we wat verder weg waren van de streek waar ze gewoond hadden, de volledige vrijheid van beweging hergaven.

De oevers der rivier waren zoover wij zien konden, vrij hoog; nergens moerassig land; het groen zag er malsch en frisch uit en waar we ook keken, ontdekten we dan ook kleine kudden vee, die hier blijkbaar naar hartelust voedsel vonden. In onze onmiddellijke nabijheid lag geen bosch, doch verderop onderscheidden we ceders, eiken en sparren, sommige kolossaal hoog.

De rivier was ongeveer zoo breed als de Theems bij Gravesend en vrij diep. Gebruik makende van den vloed en van de windrichting, die nog steeds Oost en O. N. O. bleef, zeilden we vroolijk de rivier op en vorderden zelfs nog behoorlijk, toen de eb intrad, maar zoodra we den invloed van 't getij niet meer ondergingen en de stroom in volle kracht tegen kregen, werd het ons te machtig en begonnen we er ernstig over te denken ons schip te verlaten. Onze Prins wilde hier evenwel niet van hooren, en daar hij gezien had, dat we een vrij grooten voorraad gevlochten vezeltouw aan boord hadden, beval hij al de gevangenen aan wal, die touwen beet te pakken en ons te trekken, en daar we ons zeil hadden opgezet om het hun wat gemakkelijker te maken, kwamen we nog met een behoorlijk vaartje vooruit.

Naar onze berekening maakten we op die wijze nog over een afstand van tweehonderd mijlen gebruik van de rivier. Toen werd deze echter steeds smaller, en na nog een dag reizens, kwamen we aan een geweldigen waterval, die ons plotseling verhinderde verder te varen. 't Was alsof de heele watermassa opeens loodrecht van een hoogte van omstreeks zestig voet naar beneden stortte met een donderend geraas, waarbij ons hooren en zien verging en dat we al op tien mijlen afstands gehoord hadden, zonder te weten wat het veroorzaakte.

Hadden we kano's of andere bootjes bezeten die gepagaaid of geroeid konden worden, dan zouden we de rivier nog wel een tweehonderd mijlen bevaren hebben, maar nu lieten we de gevangenen die elkaar aan de lijn hadden afgewisseld, het eerst van boord gaan en allen met elkaar een welverdiende rust genieten.

Gedurende dit heele traject hadden we mooie vruchtbare groene oevers gezien met veel vee en hier en daar een paar menschen. 't Bleek evenwel dat onze negers zich niet met hen verstaanbaar konden maken daar ze een andere taal spraken en tot een anderen stam behoorden.

Wilde beesten hadden we nauwelijks ontmoet. Slechts eenmaal, twee dagen voor we den waterval bereikten, zagen we aan den noordelijken oever--onze gevangenen waren alle aan de zuidzijde van den stroom--drie prachtexemplaren van luipaarden die roerloos op den hoogen oever stonden te kijken.

Onze kanonnier kreeg ze het eerst in 't oog, vloog weg om zijn geweer te halen, stopte er een extra kogel in en riep me toe: "Zeg, Kap'tein Bob, waar zit je prins ergens?" en toen ik hem gehaald had, verzocht hij hem: "Waarschuw je mannen dat ze niet bang moeten zijn, maar eens goed kijken hoe dit vuurding in mijn hand op grooten afstand de wilde dieren kan dooden."