De avonturen van kapitein Bob

Part 4

Chapter 43,894 wordsPublic domain

Met onze onderzoekingstochten en het bouwen der sloep was nu bijna een jaar verstreken. Het moest nu omstreeks begin Februari zijn volgens onze mannen; de zon draaide gelukkig naar het noordelijk halfrond, wat ons allen dankbaar stemde, want de hitte was bijna ondraaglijk geweest. Zooals ik reeds zeide, hadden we den wind mee, die, naar ik later herhaaldelijk opmerkte, meestal uit den oosthoek waait, als de zon naar het noorden loopt.

't Groote vraagpunt was nu, welke richting we zouden kiezen, en nooit in mijn leven heb ik mannen zoo weifelachtig gezien. Sommige waren voor de oostelijke richting en waren liefst onmiddellijk in zee gestoken naar de kust van Malabar; maar andere, wat bedachtzamer, beschouwden de lengte van die reis een onoverkomelijk bezwaar en schudden afkeurend het hoofd, overtuigd dat noch onze leeftocht noch onze watervoorraad ons veroorloofden een reis van bijna tweeduizend mijlen te ondernemen, zonder eenig vast punt om onderweg aan te doen.

Zij zelf hadden sinds lang hun zinnen gezet op een tocht naar het vasteland van Afrika, waar we volgens hen, goed in ons onderhoud zouden kunnen voorzien, ja zelfs rijk worden.

Feitelijk viel er niet veel te kiezen; want hadden we tot het oosten besloten, dan zouden we hebben moeten wachten tot April of Mei.

Eindelijk--daar de wind voortdurend Z.O., of O.Z.O. en het weer uitstekend bleef, werden we het er toch over eens te trachten de kust van Afrika te bereiken.

Daar we ons voor die reis aan den verkeerden kant van het eiland bevonden, zeilden we eerst weer naar het noorden en zetten toen, om de kaap heendraaiende, koers naar het zuiden, steeds onder de kust houdende en hopende de naar 't westen vooruitstekende punt van het eiland te bereiken, van waar onze overtocht naar 't vasteland wel met een honderd mijlen zou verkort worden.

Toen we evenwel een dertig mijlen hadden afgelegd, ondervonden we dat de wind onder de kust veranderde en we hem pal tegenkregen, waarom wij wel moesten besluiten in volle zee te steken, waar we den wind mee hadden. Ons vaartuig was weinig geschikt om hoog bij den wind te zeilen.

Nadat we dus nog eens voor 't laatst aan wal waren gegaan om ons van water en levensmiddelen te voorzien, staken we ten langen leste tegen het einde van Maart--met meer moed dan beleid, meer zelfvertrouwen dan verstandig overleg--naar het vasteland van Afrika over.

Wat mij persoonlijk betrof, gevoelde ik niet den minsten angst of ongerustheid. Als we maar in 't een of ander land terecht kwamen, liet het mij volkomen onverschillig, of dat ten oosten of ten westen van ons lag. Ik bekommerde mij in die dagen bitter weinig om mijn toekomst en hechtte, met de onnadenkendheid aan mijn leeftijd eigen, mijn goedkeuring aan al wat mij werd voorgesteld, hoe hachelijker, hoe liever.

De reis, tamelijk wel in onwetendheid en radeloosheid begonnen, werd met al heel weinig oordeel voortgezet, want we wisten niets meer van den te volgen koers, dan dat we naar het westen moesten sturen met een paar streken N. of Z., en daar we geen andere streekwijzer bezaten dan een klein koperen zakkompas dat een der matrozen toevallig bij zich had gehad, toen we van 't galjoen werden gezet, zeilden we vrij wel op goed geluk.

Daar het God evenwel behaagde den wind in den O. en Z.O. hoek te houden, begrepen we dat we, N.W. bij W. sturende, vlak voor 't lapje moesten gaan, en zoo kwamen we dan ook met een flink vaartje vooruit.

Toch duurde de reis met ons schip dat maar heel weinig zeil voerde, veel langer dan we ons hadden voorgesteld.

Iets vermeldenswaards deed zich op dezen tocht niet voor; er was niets wat ons eenige afleiding bezorgde of de eentonigheid onderbrak. Geen vaartuig, groot of klein, kwam in zicht. Blijkbaar lag de zee waarop we ons bevonden geheel buiten het gebied van den handel, terwijl de bevolking van Madagaskar niets meer wist omtrent het kustland van Afrika dan wij.

Toen wij omstreeks acht of negen dagen onder zeil waren geweest, voortdurend met gunstigen wind, riep plotseling een onzer mannen: "Land!" een vreugdekreet die bij ons allen weerklank vond. Geen ontdekking kon ons op dat oogenblik gelukkiger hebben gestemd, want we hadden--ook bij een zeer klein rantsoen--nog maar voor twee dagen drinkwater aan boord. Tot onze teleurstelling duurde het nog den ganschen dag eer we het land bereikten; 't was 's morgens vroeg toen we het in 't oog kregen, en pas tegen den nacht konden we voet aan wal zetten. De wind ging ongelukkigerwijze bijna geheel liggen, zoodat ons vaartuig--dat toch al zoo weinig zeil voerde--nauwelijks vooruit kwam.

Maar hoe bitter was onze teleurstelling, toen we tot de ontdekking kwamen dat we, niet zooals we ons hadden voorgesteld, het vasteland van Afrika betreden hadden, doch slechts een nietig eilandje zonder bewoners (wij troffen er ten minste geen mensch aan) en geen ander vee dan een paar geiten, waarvan we er drie doodden. Zoo konden we dus weer eens aan versch vleesch smullen, en daar we heel goed drinkwater vonden, zetten we ons gauw over den tegenvaller heen, vertrouwende dat het vasteland toch niet meer veraf kon zijn.

Met onze berekeningen kwamen we nog al eens meer verkeerd uit! Zelfs nu duurde het nog vijftien dagen eer we het vasteland bereikten--maar juist bijtijds, daar onze voorraad water en voedsel totaal was uitgeput. Gedurende de laatste twee dagen had aan ieder van ons maar een pint water kunnen verstrekt worden, wat bij de groote hitte, zeker niet voldoende was. Toen we de Afrikaansche kust dan ook eindelijk en ten laatste ontdekten--al was het ook nog op grooten afstand--schepten we allen nieuwen moed om nog wat dorst en honger te doorstaan, en tot ons geluk bracht een briesje, dat 's nachts uit het oosten opstak, ons tegen den morgen binnen twee mijlen van de kust.

In ons groot verlangen vasten grond onder de voeten te krijgen, landden we zoodra we gelegenheid zagen--wel wat voorbarig, zooals later bleek. Hadden we nog een beetje geduld geoefend, dan zouden we iets noordelijker een mooie rivier gevonden hebben.

Met behulp van twee boomen, die we als meerpalen in den grond plantten, hielden we ons fregat vlot, waarbij onze, van een soort biezen gevlochten touwen, als kabels dienst moesten doen.

Zoodra wij het land, vlak onder ons bereik wat in oogenschouw genomen, ons van versch water voorzien en wat voedsel verschaft hadden, gingen we weer met onzen voorraad aan boord.

Veel hadden we niet veroverd; de levensmiddelen bleken schaarsch in die streek, doch we konden in ieder geval een stuk of wat vogels en een soort van wilden buffel schieten die klein van stuk was, maar smakelijk vleesch opleverde.

Toen we een en ander hadden ingeladen, besloten we N.N.O. langs de kust te varen tot we een kreek of rivier zouden ontmoeten, die ons verder landwaarts in zou brengen naar een dorp of stad; want we hadden gegronde reden voor onze overtuiging, dat de kuststrook vrij dicht bewoond moest zijn, daar we 's nachts herhaaldelijk op verschillende punten vuren en overdag op korten afstand rook hadden gezien.

HOOFDSTUK IV.

HET VASTELAND

Ons geduld werd nog langer op de proef gesteld dan we gedacht hadden, maar ten slotte kwamen we toch aan een groote baai, waarin zich verscheiden kreken of riviertjes uitstortten. Den eersten den besten van deze kleine stroomen invarende, zagen we al spoedig eenige hutten met groepjes inboorlingen er omheen, en in een inham aan de noordzijde der kreek landende, staken we onmiddellijk onze vredesvlag op--een staak met een witte lap er aan gebonden--welk signaal ze gelukkig bleken te begrijpen.

Mannen, vrouwen, kinderen--allen geheel naakt--kwamen, aanvankelijk aarzelend, doch al heel gauw wat stoutmoediger, op ons vaartuig af. Nadat ze ons een tijdlang verwonderd, sommige angstig, hadden aangegaapt, begonnen ze teekenen van toenadering te vertoonen. Onze eerste proefneming was: onze hand aan onzen mond te brengen om hen te beduiden dat we water begeerden. Tot onze blijdschap begrepen ze ons dadelijk, en drie vrouwen en een paar jongens stoven weg om heel gauw, na een minuut of tien ongeveer, terug te komen met aarden potten--waarschijnlijk in de zon gebakken--gevuld met water. Nadat ze deze potten, die werkelijk goed van vorm waren, enkele vrij sierlijk zelfs, op veiligen afstand van ons hadden neergezet, trokken ze zich terug, het aan ons overlatende ze weg te halen, wat wij natuurlijk met gretigen spoed deden.

Eenige uren later brachten ze ons wortels en kruiden en een soort van vruchten die we nooit een van allen gezien hadden, maar daar we hun niets in ruil konden aanbieden, staakten ze al spoedig hun vriendelijkheden en begrepen we wel, niet zooveel van hen te kunnen verwachten als van de negers op Madagaskar.

Gelukkig wist onze duivelskunstenaar, de fijnsmid, weer in de moeilijkheid te voorzien door zoo spoedig mogelijk aan 't werk te gaan. Van stukken plaatijzer die hij van het wrak had overgehouden en meegenomen, smeedde hij allerlei snuisterijen: vogels, hondjes, kruisen, haken, vierkanten, ringen enz.:--die wij allen hielpen afvijlen en blinkend schuren.

Ook nu weer bleken deze waardelooze prullen de inboorlingen kinderlijk gelukkig te maken, en zonder eenige moeite kregen we er overvloed van provisie voor in de plaats: geiten, wilde zwijnen, koeien, fruit en gevogelte.

Dit waren dus onze eerste ervaringen op het vasteland van Afrika; om te beginnen niet zoo slecht, als we bedachten dat er misschien geen verlatener, ongastvrijer en onbekender land op de gansche aarde bestond--Groenland en Nova Zembla niet uitgezonderd. Bij nadere kennismaking bleek ons evenwel dat ook de minst bewoonbare streken toch nog door menschelijke wezens bezocht werden, hoewel het voor ons--hun aard en gewoonten in aanmerking genomen--beter zou geweest zijn, wanneer we ze maar niet hadden aangetroffen.

Nadat we ons hier eenige dagen hadden opgehouden, namen wij, na ernstige overleggingen, het stoutmoedigste, wanhopigste besluit, dat misschien ooit door een troep je mannen is genomen: om n.l. dwars door het land te reizen, van de kust van Mozambique aan den oostelijken of Indischen Oceaan, naar de kust van Angola of Guinea aan den westelijken of Atlantischen, een uitgestrektheid van minstens achttienhonderd mijlen. Op dien tocht zouden we ondraaglijke hitte hebben te doorstaan, eindelooze woestijnen moeten overtrekken--zonder voertuigen of lastdieren om onze bagage te dragen,--en ons tegen tallooze verscheurende dieren, zooals leeuwen, tijgers, luipaarden en olifanten moeten verdedigen. De zon zou--terwijl we voortdurend dichtbij den evenaar voorttrokken--verzengend op ons neerschijnen; we zouden hoogstwaarschijnlijk aan woeste en wreede negerstammen het hoofd moeten bieden, honger en dorst moeten verduren--in één woord verschrikkingen en ontberingen moeten dulden, die ook den heldhaftigsten mensch met angst moesten vervullen.

En toch, ondanks al die dreigende vooruitzichten, besloten we het avontuur te wagen en al de toebereidselen te treffen, die de omstandigheden en onze onbekendheid met hetgeen vóór ons lag, mogelijk maakten.

Sedert lang waren we gewend geraakt aan het barrevoets loopen op rotsigen bodem, op kiezel en op gras en strand, doch nu ondervonden we dat dit alles niet haalde bij het loopen op het brandend heete zand van Afrika's woestijnen.

We voorzagen ons dus van een soort schoenen, gemaakt uit dierenhuiden, die we in de zon lieten drogen en daardoor hard en taai werden. Met het haar naar binnen gekeerd, zaten ze zoo zacht als handschoenen, en in 't gebruik bleken ze haast onverslijtbaar.

Van een paar inboorlingen bij wie we ons het best verstaanbaar konden maken, hoorden we, dat er in het ons onbekende land veel rivieren, veel leeuwen en tijgers en ook een soort van wilde katten waren--civetkatten zooals wij later zagen.

Toen wij hen, naar 't westen wijzende, vroegen, of er wel eens ooit iemand dien kant was uitgegaan, knikten ze bevestigend, maar ze konden ons niets omtrent die reizigers vertellen. Behalve dat ze ons aan proviand hielpen, was er weinig hulp van hen te verwachten, en toen we hun verzochten ons een van allen tot gids te willen strekken, haalden ze de schouders op, zooals een Franschman doet wanneer hij bang is iets te ondernemen. Op onze vragen betreffende de wilde dieren, lachten ze en beduidden ons dat we daar geen gevaar van hadden te duchten. Met veel inspanning van weerskanten begrepen we dat ze alle bang waren voor vuur en we ze dus door er een te stoken 's nachts op een afstand konden houden, 't geen onze ervaring later bevestigde.

Op dit punt dus gerustgesteld aanvaardden we de reis, die, hoe hachlijk en onuitvoerbaar ook, gerechtvaardigd werd door verschillende overwegingen.

In de eerste plaats stond ons geen andere weg open om tot bevrijding te geraken; we bevonden ons aan een kust waar nooit eenig Europeesch schip landde. De kans dat we hier ooit zouden worden gevonden en naar beschaafdere streken meegenomen, was dus zoo goed als uitgesloten.

Hadden we 't gewaagd langs de verlaten kust van Mozambique en Afrika naar het noorden te zeilen tot we de Roode Zee bereikten, dan liepen we groot gevaar in handen van de Arabieren te vallen en als slaven aan de Turken verkocht te worden, wat, naar 't geen onze oudste timmerman van de Mohammedanen wist te vertellen, erger zou zijn dan de dood.

Ook konden we geen schip bouwen dat ons over de Arabische zee naar Indië zou brengen of, met eenig uitzicht haar te bereiken, naar Kaap de Goede Hoop, daar de wind zeer veranderlijk en de zee op die breedte buitengewoon onstuimig was. We wisten echter allen dat we--als het ons slechts gelukken mocht dit uitgestrekte vasteland over te steken--we een of meer van de groote rivieren zouden kunnen bereiken, die in den Atlantischen Oceaan uitmonden. Hadden we eenmaal zulk een rivier gevonden, dan konden we ons kano's bouwen en hiermee, desnoods duizenden mijlen ver, den stroom afvaren. De voedselmoeilijkheid was altijd door middel van onze geweren op te lossen; water hadden we nog overal aangetroffen en--wat eenigen onder ons sterk tot dit plan deed overhellen--er bestond volgens hen een groote kans, dat we in West-Afrika goud zouden kunnen bemachtigen, dat ons misschien nog schadeloos zou stellen voor alle doorgestane ellende en vermoeienis.

Zooals ik al eens eerder verteld heb, bekommerde ik mij over 't algemeen heel weinig om de besluiten die mijn makkers namen. Ik had eenmaal mijn opinie geuit en bleef er bij, dat we moesten trachten in de Arabische Golf te komen of bij de monding van de Roode Zee om daar een der talrijke in- en uitgaande schepen af te wachten, er ons zoo mogelijk van meester te maken en dan te koersen waarheen we maar wilden. Toen ze me nu begonnen te praten van een voetreis van twee of drieduizend mijlen, voor een deel door een woestijn, te midden van allerlei verscheurende dieren, dreigde het bloed mij in de aderen te stollen--ik schaam mij niet dit te bekennen--en spande ik al mijn overredingskracht in, hen voor mijn oorspronkelijk denkbeeld te winnen.

Maar ze waren allen zeer beslist in hun overtuiging, en ik kon evengoed mijn mond hebben gehouden. Ons twistgesprek eindigde dan ook met mijn belofte dat ik mij bij de meerderheid zou neerleggen, en het besluit tot de gevaarlijke onderneming werd genomen.

Ons eerste werk was nu door waarnemingen betreffende den zonnestand vast te stellen waar we ons ten naastenbij bevonden; op 12 graden en 35 minuten ten zuiden van den evenaar zooals ons bleek. Daarna bestudeerden we zorgvuldig de zeekaarten en zagen we dat de kust van Angola tusschen 8 en 11 graden zuiderbreedte lag en de kust van Guinea tusschen 12 en 19 graden noorderbreedte.

Het doel dat we ons ten slotte voor oogen stelden was de kust van Angola. Dit leek ons het best uitvoerbaar, daar we ons nagenoeg op dezelfde breedte bevonden en we deze streek dus, in rechte lijn westwaards reizende, moesten bereiken. Daarbij twijfelde geen van ons er aan, of we zouden wel een of meer rivieren ontmoeten, die onzen tocht konden vergemakkelijken, terwijl we het groote meer, door de inboorlingen Coalmucoa genoemd--een binnenzee waaruit men zegt dat de Nijl ontspringt--per kano hoopten te kunnen oversteken. Maar we hadden de bezwaren onderschat, zooals uit het vervolg van mijn verhaal blijken zal.

De tweede overweging was, hoe we onze bagage zouden vervoeren, die we onder geen voorwaarde in den steek mochten laten. En wat hadden we moeten beginnen zonder onze munitie, waarmee we ons voedsel moesten veroveren en ons verdedigen tegen wilde dieren en volksstammen misschien? Toch was onze munitie alleen al een te zware vracht voor ons, in een land, waar de hitte ons het eigen lichaam reeds tot last deed zijn.

De negers ondervragende, kwamen we tot het resultaat dat er geen enkel pakdier onder hen in gebruik was--geen paarden, ezels, muilen, kameelen of dromedarissen. Het eenige tamme beest dat ze er op nahielden was een soort van buffel, zooals wij er een geschoten hadden. Sommige van die dieren luisterden naar hun stem en bevelen. Ook lieten ze hen wel eens lasten dragen, en heel dikwijls gebruikten ze de buffels om, op hun rug gezeten, rivieren of meertjes over te steken, daar ze kolossale zwemmers waren.

Totaal onbedreven in den omgang met die dieren en niet wetende hoe ze te beladen, bleef dit vraagstuk ons echter groote zorg geven.

Tenslotte stelde ik voor: "Laat ons ruzie zoeken met eenige van de inboorlingen, er een stuk of tien, twaalf gevangen nemen en ze als slaven meevoeren. We houden hen dan de geheele reis bij ons, laten ze onze bagage dragen, den weg wijzen en met andere negerstammen voor ons onderhandelen."

Dit niet zeer edele voorstel--maar de nood waarin we ons bevonden moge als verontschuldiging gelden--vond eerst heftigen tegenstand, om ten slotte met algemeene instemming te worden aangenomen. Al te kieskeurig konden we in onze omstandigheden niet zijn en buitendien gaven de inboorlingen ons spoedig zelf aanleiding een straf op hen toe te passen.

Nadat we tot nu toe steeds in goed vertrouwen met de negers gehandeld hadden, werden we op een keer leelijk door hen bedrogen.

Zooals reeds herhaaldelijk gebeurd was, hadden we eenige koeien van hen gekocht in ruil voor de snuisterijen die onze smid zoo kunstig wist te maken, doch toen er eens een klein meeningsverschil rees, nadat de negers de versierselen reeds in ontvangst hadden genomen, begonnen ze onze onderhandelaars plotseling uit te schelden en als dollen te schreeuwen, eenige van hun kameraden met woeste gebaren en kreten beduidende het vee weg te drijven, en luidkeels lachende om de teleurstelling der onzen. Toen op het getier een paar van onze mannen, die in de nabijheid vertoefden, kwamen aangesneld, wierp de neger die den koop gesloten had zijn lans naar onzen smid, en het wapen was zoo juist gericht, dat hij stellig gedood zou zijn als hij niet juist bijtijds ter zijde was gesprongen. Nu kreeg hij alleen een vleeschwond in den linkerarm, 't geen hem echter zoo driftig maakte, dat hij zijn geweer aanlegde en den zwarten bedrieger door het hart schoot.

De overige negers die bij het voorval tegenwoordig waren geweest en eenige die het op korten afstand hadden gadegeslagen, waren niet weinig onthutst en beangst: eerst door den vuurstraal, toen door den knal en eindelijk door het neerstorten van hun stamgenoot. Als verstijfd bleven ze staan. Toen ze evenwel wat van den schrik bekomen waren, stiet een van hen op flinken afstand van ons een doordringenden schreeuw uit, een soort van oorlogskreet, zooals ons weldra bleek, waarop al de anderen, hem onmiddellijk begrijpende, met denzelfden woesten schreeuw antwoordden en kwamen aangerend, terwijl wij, aanvankelijk zelfs niet vermoedende, wat er aan de hand was, in zoutpilaren schenen veranderd en elkaar als een troep dwazen aanstaarden.

Doch al heel gauw werd de toestand ons maar al te duidelijk. In den tijd van twee of drie minuten plantte de eigenaardige rauwe schreeuw zich voort van de eene bewoonde plek naar de andere, door al hun dorpen of nederzettingen, zelfs tot over de kreek; en tot onze ontzetting zagen we even later een naakte menigte pijlsnel aanrennen naar de plek waar de twist ontstaan was. In minder dan een uur waren er een vijfhonderd wilden bijeen, sommige met pijl en boog, de meeste met lansen gewapend, die ze zoo verwonderlijk behendig wisten te hanteeren, dat ik hen menigmaal een vogel in zijn vlucht zag raken.

Er bleef ons slechts zeer weinig tijd tot overleg over, daar de menigte ieder oogenblik toenam, en ik geloof stellig dat ze--waren we aan wal gebleven--in korten tijd tot tienduizend personen zou zijn aangegroeid. Het beste wat wij dus doen konden was naar onze sloep te vluchten, vanwaar we ons behoorlijk hadden kunnen verdedigen, of onze vijanden wat dichter te naderen en te zien wat een paar salvo's zouden uitwerken.

Na een haastige woordenwisseling besloten we tot het laatste, vertrouwende dat ons geweervuur hen van schrik op de vlucht zou drijven. In aaneengesloten linie trokken we moedig op hen aan, terwijl zij ons afwachtten, niet anders denkende, naar ik veronderstel, dan dat ze ons allen met hun lansen zouden dooden. Vrij dicht bij hen gekomen hielden we halt, en onze linie uitbreidende door den afstand tusschen elke twee mannen te vergrooten, gaven we vuur. Behalve verschillende gewonden die wisten te ontkomen, bleven er zestien zwarten op de plaats dood, terwijl er nog drie zóó gevoelig geraakt waren, dat ze omstreeks twintig of dertig meter verder neervielen.

Onmiddellijk na ons salvo barstten ze in een afgrijselijk geschreeuw of gehuil los, deels aangeheven door de gewonden, deels door de mannen die de lijken beweenden van hen die roerloos terneer lagen. Nooit in mijn leven heb ik akeliger gejammer gehoord.

Nadat we gevuurd hadden, bleven we staan om onze geweren opnieuw te laden, en toen de wilden geen teekenen gaven de vlucht te willen nemen, legden we weer op hen aan en doodden er nu omstreeks negen. Daar ze nu echter niet meer zoo dicht opeengedrongen stonden als in 't begin, vuurden we niet allen tegelijk, doch werd aan zeven van ons bevolen hun munitie te sparen en voorwaarts te treden, zoodra de anderen geschoten hadden, terwijl deze voor de derde maal gelegenheid kregen te laden.

Zoodra wij het tweede salvo hadden afgevuurd, hieven we een luid gejuich aan, waaronder de zeven overigen ongeveer twintig meter naderden en vuur gaven en de achtersten, die ook weer haastig geladen hadden, losbrandden. Eer het zoover gekomen was, gingen ze echter aan den haal, alsof de duivel hen op de hielen zat.

Toen we op het slagveld kwamen, zagen we veel meer dooden op den grond liggen dan we meenden te hebben getroffen, ja, zelfs meer dan we kogels hadden afgeschoten. Voor dit wonderlijke verschijnsel konden we eerst geen verklaring vinden, maar na eenig nadenken kwamen we tot de gevolgtrekking, dat de zwarten eenvoudig door den schrik hun bewustzijn hadden verloren, en nadat wij de gevallenen zorgvuldig onderzocht hadden, bleek dit ook werkelijk het geval. Toch moeten er naar mijn vaste overtuiging echter ook verscheiden onder geweest zijn die enkel door den schrik stierven.

Nadat deze doodelijk ontstelden langzamerhand weer tot zichzelf gekomen waren, schenen ze ons zoo ongeveer als bovennatuurlijke wezens te beschouwen, als goden of duivels, wàt was ons niet recht duidelijk en liet ons ook onverschillig. De hoofdzaak was, dat ze ons met den grootst mogelijken eerbied behandelden. Sommigen knielden voor ons neer, anderen lieten zich plat op den grond vallen [1] en maakten de vreemdste gebaren, meer dan dwaas in ons oog, maar duidelijk genoeg om ons te doen zien, dat ze zich onvoorwaardelijk onderwierpen.