De avonturen van kapitein Bob

Part 11

Chapter 112,162 wordsPublic domain

In een der neger-nederzettingen nam de aanvoerder ons zeer gastvrij op, en daar hij buitengewoon was ingenomen met de smeedproducten van onzen kunstenaar, verkocht deze hem een gouden olifantje voor een ongehoorden prijs. Zijn Zwarte Majesteit rustte in zijn opgetogenheid niet, eer hij onzen smid een handvol stofgoud in ruil had gegeven. Naar schatting woog dit ruwe goud wel vier-en-twintig lood, terwijl aan het dun geslagen olifantje hoogstens voor een gulden of tien goud zat.

Onze smid was zoo onbaatzuchtig dit goud eerlijk bij den gemeenschappelijken voorraad te voegen, hoewel hij voor zijn inspanning en kunstvaardigheid zeker wel een extra belooning verdiend had. Er bestond trouwens niet de minste reden gierig of hebzuchtig te zijn. Zooals onze nieuwe gids terecht opmerkte, konden wij--behoorlijk in staat om ons te verdedigen en met de vrije beschikking over onzen tijd--zooveel goud verzamelen als we slechts begeerden; wel honderd pond per man als we geduld genoeg hadden.

"Ik verlang minstens even hard naar 't vaderland terug als een van ons allen," zei hij, "maar wenschen jullie hier nog wat te blijven, dan ben ik gaarne bereid. Ik zou dan evenwel voorstellen ons hoofdkwartier wat meer naar 't zuidoosten te verleggen. Daar vinden we voedsel in overvloed en kunnen we ons langs de verschillende riviertjes verspreiden en de streek afzoeken. In twee of drie jaar zullen we dan stellig een kapitaal bijeengebracht hebben."

Hoe verleidelijk dit plan ook klinken mocht, lachte het toch geen van ons bizonder toe. 't Was er ons in den grond der zaak toch meer om te doen naar huis te komen dan rijk te worden, want het langer dan een jaar rondzwerven door woestijnen en tusschen wilde volksstammen en verscheurende dieren had ontzaglijk veel van onze krachten gevergd.

Toch wist mijn landgenoot, die in hooge mate de gave des woords bezat, ons te overreden nog een half jaar in het goudland te vertoeven. Hij wees er ons op, hoe belachelijk het eigenlijk zou zijn de vruchten van al onze ontberingen niet te plukken nu de oogsttijd eindelijk was aangebroken; hoe de Europeanen met groote kosten schepen uitrustten en expedities het land in zonden om, met opoffering van veel moeite en geld, kleine voorraden goud te bemachtigen, terwijl wij, die ons als 't ware aan de bron bevonden, met leege handen zouden wegtrekken. We waren sterk genoeg het zoo noodig tegen de negerstammen op te nemen en zouden 't onszelf nooit vergeven, wanneer we, in ons eigen land teruggekeerd, slechts een honderdste van het goud meebrachten van 't geen we zonder moeite hadden hunnen vergaren.

"Ik ben niet hebzuchtig van aard," eindigde hij, "maar nu het in onze macht staat ons voor de geleden tegenspoeden schadeloos te stellen en ons een onbezorgde toekomst te verzekeren, acht ik me uit dankbaarheid voor al 't geen jullie voor mij doet, verplicht, jullie op dit groote voordeel te wijzen. Als we de zaak goed aanpakken en de negers ons flink helpen, kunnen we per hoofd misschien wel een honderd pond stofgoud en twee-honderd olifantstanden verzamelen, terwijl we, onmiddellijk naar de kust koersende, de eenige kans die ons in ons leven geboden wordt laten voorbijgaan."

Onze heelmeester bezweek het eerst voor de verleiding van al die schatten, en na hem de kanonnier. Wat mij betreft, ik voelde niets geen lust nog langer in dat verwenschte heete land te blijven, doordat ik de waarde van het geld nauwelijks kende en wanneer het goud verdeeld was meer dan genoeg zou hebben naar mijn zin. Ik dacht het in Engeland uit te geven aan de noodige kleeren en wat pretmakerij, en dan weer dienst te nemen en op nieuwe avonturen uit te gaan.

Daar de Engelschman, de heelmeester en de kanonnier echter grooten invloed op de anderen hadden, lieten deze zich overtuigen en werd er besloten nog hoogstens een half jaar in de goudstreek te blijven, maar dan ook onherroepelijk--tenzij we allen van gedachte veranderd waren--naar onze geboortelanden terug te keeren.

Zoo trokken we dus nu nog eens weer vijftig mijlen naar 't zuidoosten, waar we verscheiden stroompjes vonden, die allen van een bergrug in 't noordoosten schenen te komen. De landstreek was hier desondanks dor genoeg, doch door de bemiddeling van onzen nieuwen vriend en ons nooit falend ruilmiddel: de eigengemaakte sieraden, verkregen we overvloedig voedsel.

Op aanwijzing van onzen raadgever plantten onze negers hier ook maïs, en het zorgvuldig gietende, konden we de kolven na drie maanden al oogsten.

Zoodra ons kampement was opgeslagen, gingen we weer aan onze oude bezigheid: goud visschen in de kleine riviertjes, en onze Engelsche vriend wist ons hierbij zoo juist te leiden dat we hoogst zelden onverrichterzake thuiskwamen.

Toen we zoo geregeld aan den arbeid waren verzocht hij op een avond verlof met vier of vijf negers voor een veertien dagen uit te mogen trekken. Hij wilde een excursie maken en onderzoeken wat het land in noordelijke richting zou opleveren. Natuurlijk zou het gevondene eerlijk aan den gezamenlijken voorraad worden toegevoegd.

Niemand had eenig bezwaar tegen het plan, en zelfs bekroop twee van ons de lust met hem mee te gaan, waarop ze, behoorlijk gewapend, van zes negers en twee onzer buffels vergezeld en voor twee weken van proviand voorzien, de reis aanvaardden, die om te beginnen naar den bergrug voerde, vanwaar de tallooze riviertjes tot ons kwamen. Zooals ik later van onze mannen hoorde, overzagen ze van den top dezelfde woestijn, die ons vroeger zoo met afschrik had vervuld en die naar hun berekening wel een driehonderd mijlen breed en zeshonderd mijlen lang moest zijn.

In plaats van veertien, bleven ze twee-en-vijftig dagen uit, waarna ze ons ongeveer zeventien pond stofgoud meebrachten, sommige korrels veel grooter dan we ze nog gezien hadden. Verder bestond de buit uit een vracht olifantstanden, die hij--gedeeltelijk goedschiks, gedeeltelijk kwaadschiks door de bewoners van den woestijnrand had laten bijeenzamelen en naar ons kamp dragen. Toen we hen in de verte met een twee-honderdtal negers zagen naderen, wisten we niet wat we er van denken moesten, maar de zaak werd ons duidelijk toen ze bij ons kamp gekomen, hun last aan den ingang neerlegden.

Behalve al die olifantstanden brachten ze ons nog twee mooie leeuwen- en vijf luipaardshuiden mee, allen van prachtige kwaliteit. Ondanks dit alles was onze Engelschman toch niet voldaan over zijn buit en verzocht hij ons er nog eens op uit te mogen trekken, overtuigd dan betere zaken te zullen maken.

Nadat hij de negers die het ivoor getorst hadden, verblijd had met een belooning in den vorm van eenige gouden sieraden en een paar dagen rust had genomen, ondernam hij zijn tweede reis.

Bij deze gelegenheid wenschten nog meer onzer kameraads zich bij hem aan te sluiten, en met hun twintigen--tien blanken en tien zwarten--benevens de twee buffels om hun eetbare waar en ammunitie te dragen, ondernamen ze een nieuwen ontdekkingstocht in dezelfde richting, zij 't dan ook niet langs dezelfde paden.

Dezen keer bleven ze maar twee-en-dertig dagen uit, in welken tijd ze niet minder dan vijftien luipaarden, drie leeuwen en verscheiden andere wilde dieren doodden en ruim vier-en-twintig pond stofgoud vergaarden.

Onze nieuwe vriend kon er nu terecht op wijzen, dat onze tijd goed besteed was geweest, want in de vijf maanden van ons oponthoud hadden we vijf en een kwart pond goud per hoofd bijeengebracht, 't geen, gevoegd bij wat we reeds bezaten en bij wat onze fijnsmid verwerkt had, een aanzienlijke hoeveelheid mocht genoemd worden.

Maar nu hadden we dan ook meer dan genoeg van ons zwervend bestaan, en met algemeene stemmen werd tot de reis naar de kust besloten, toen mijn landsman glimlachend opmerkte, dat dit nu onmogelijk was, omdat het regenseizoen binnenkort zou beginnen.

Na heel wat gemopper onderwierpen we ons aan het onveranderlijke en begonnen we, van den nood een deugd makende, zooveel mogelijk proviand bijeen te garen, om--gedurende de twee gedwongen rustmaanden waarin we bijna voortdurend op ons kamp zouden zijn aangewezen--tenminste geen gebrek te lijden.

Gedurende dien natten mousson zwollen de kleine stroompjes zóó, dat ze haast niet te onderscheiden waren van groote rivieren. Het zou een prachtige gelegenheid zijn geweest om onze olifantstanden op een vlot te vervoeren, want de voorraad ivoor was langzamerhand zoo aangegroeid--de negers en negerinnen uit den omtrek kwamen ze ons graag voor een sieraad aanbieden--dat ik vreesde ze nooit mee naar de kust te zullen krijgen.

Zoodra het weer opklaarde, zei onze Engelsche vriend op een ochtend: "Ik wil er nu niet weer op aandringen nóg langer hier te kampeeren, al blijf ik het vreemd vinden dat jullie zoo weinig waarde aan het goud hecht en om zoo te zeggen niet eens bukken wilt om het op te rapen. Toch acht ik me verplicht jullie er opmerkzaam op te maken dat nu, na den grooten vloed, het meeste goud gevonden wordt. Als we nog een maand hier blijven, zullen jullie zien hoe duizenden negers zich over deze heele streek verspreiden om goud te wasschen voor de Europeesche schepen aan de kust van Guinea. Het geweld waarmee het water van de bergen stroomt, voert er altijd heel wat goud uit mee, en als we nu zorgen de inboorlingen vóór te zijn, zult ge eens zien hoe'n schat hier te vinden is."

Voor den zooveelsten keer uitstel dus! 't Ging ons aan 't hart, maar toch--het vooruitzicht op zooveel voordeel, met een kleine opoffering van tijd te behalen, deed ons nog eens besluiten gebruik te maken van de ons geboden gelegenheid.

En het bleek al gauw dat hij niet te veel beloofd had. Zoodra het water begon te zakken en de riviertjes tot binnen hun beddingen terugkeerden, vonden we langs de oevers zooveel aangespoeld goud, dat we na verloop van één maand niet minder dan zestig pond bijeen hadden. Niet zelden troffen we ook opmerkelijk groote korrels aan, en een onzer negers waschte zelfs eens een stuk goud uit het zand ter groote van een kleine noot.

Na die eerste vier, vijf weken werd het resultaat van onzen arbeid echter steeds geringer, daar de negers, mannen, vrouwen en kinderen van alle kanten kwamen opzetten om de rivieren niet alleen, maar ook de heuvels af te zoeken.

Onze fijnsmid, al zoo menigmaal onze redder, wist ons ook nu weer een grooten dienst te bewijzen. Met den Engelschman als tolk, knoopte hij onderhandelingen aan met verschillende van die negers, 't geen ten gevolge had, dat ze telkens belangrijke hoeveelheden goud brachten om er zilveren of gouden sieraadjes voor in ruil te ontvangen, en de vraag naar die prullen werd zóó groot, dat onze kunstenaar niet hard genoeg kon werken om iedereen tevreden te stellen.

Toen we na drie maanden oponthoud, onzen totalen voorraad verdeelden, bleek dat ieder van ons ongeveer vier pond goud het zijne kon noemen. Dankbaar en voldaan zetten we ons dan nu toch eindelijk naar de Goudkust in beweging, om te zien hoe we vandaar Europa zouden kunnen bereiken.

Van dezen laatsten tocht wil ik in 't kort alleen nog vertellen, dat we nu eens vriendschappelijk, dan weer vijandig ontvangen werden door de verschillende negerstammen die we op onze reis ontmoetten. Een zeker negerkoning, die onzen Engelschen vriend vroeger had bijgestaan en nu door zijn vijanden gevangen was genomen, konden we, tot onze blijdschap, bevrijden en weer op den troon zetten in zijn rijk, dat ongeveer driehonderd onderdanen telde. Tot dank onthaalde hij ons op zijn manier vorstelijk en gaf hij onzen Engelschman al zijn onderdanen mee om de olifantstanden te gaan halen, die wij hadden moeten achterlaten. Ze droegen ze alle naar een rivier (waarvan ik den naam vergeten ben) en hielpen ons vlotten maken waarmee we in elf dagen een der Hollandsche nederzettingen aan de Goudkust bereikten en overgelukkig voet aan wal zetten. Onze voorraad tanden verkochten we aan de Hollandsche factorij en schaften ons voor het verkregen geld de noodige kleeren en andere benoodigdheden aan, niet alleen voor ons zelf, maar ook voor een paar van onze negers die met ons mee wilden gaan. Onzen Zwarten Prins hergaven wij de volledige vrijheid, kleedden hem uit onze gemeenschappelijke kas, schonken hem anderhalf pond goud, dat hij heel goed wist te gebruiken en namen ten slotte van al onze Afrikaansche reisgenooten zeer hartelijk afscheid.

Onze Engelsche vriend bleef nog eenigen tijd in de Hollandsche factorij werkzaam en keerde toen met zijn rijkdom over Holland naar Engeland terug.

Mijn overige kameraden scheepten zich op een kleine bark in naar de Portugeesche factorijen in de buurt van Gambia, terwijl ik met twee negers die ik bij me wilde houden naar Kaap Coast Castle trok. Hier nam ik passage naar Engeland, en in September betrad ik eindelijk, met een hart overvloeiende van dankbaarheid, weer den vaderlandschen bodem.

INHOUD.

Bladz.

I. Een moeilijke jeugd 5 II. Aan wal gezet 22 III. Rondom Madagaskar 44 IV. Het vasteland 67 V. Stroomopwaarts 91 VI. De woestijntocht 115 VII. Aan de Goudrivier 133 VIII. Ontmoeting met een blanke 152 IX. Naar Engeland terug 177

AANTEEKENINGEN

[1] Zie titelplaat.

[2] Vroeger 1/2 ons.

End of Project Gutenberg's De avonturen van kapitein Bob, by Daniel Defoe