Part 10
Den volgenden dag kwamen er wel een honderd mannen en vrouwen naar ons toe, die ons op allerlei vreemdsoortige manieren hun vriendschap betuigden. Ze dansten voor ons, grijnsden ons vriendelijk aan en gaven ons al wat ze maar hadden. 't Bleef ons onverklaarbaar hoe de neger in 't bosch op den vijandigen inval gekomen was, zonder eenige aanleiding op een onzer zwarten te schieten, daar deze inboorlingen zich overigens van zoo'n gunstigen, welwillenden kant lieten kennen.
Van hier trokken we naar den oever der kleine rivier, die we sinds lang in 't oog hadden, en nu bleek al heel gauw dat we in een steeds dichter bevolkte streek geraakten, door groote negerstammen bewoond, omtrent wier houding ten opzichte van ons we natuurlijk geheel in 't onzekere verkeerden.
Voorloopig konden we ons plan de rivier te bevaren, helaas nog niet ten uitvoer brengen, en we waren zeker vijf dagen langs den oever verder getrokken, eer onze timmerman, meenende dat het water langzamerhand genoeg diepte had gekregen, ons voorstelde nu onze tenten op te slaan en kano's te gaan maken. We trokken met ijver aan den arbeid en hadden al een dag of vier aan 't omhouwen van eenige geschikte boomen besteed, toen een paar onzer matrozen van een excursie stroomafwaarts terugkeerden met de ongelukstijding dat de rivier eerder ondieper dan dieper werd en wel geheel in 't zand scheen te verloopen of door de hitte te verdampen.
Tot onze bittere teleurstelling moesten we dus opnieuw van 't aanlokkelijke kanoplan afzien en te voet verder trekken.
Van nu af aan reisden we drie dagen lang in zuiver westelijke richting, daar het land in 't noorden buitengewoon bergachtig bleek en de grond zoo dor en vol spleten als we 't nog niet gezien hadden. Daarentegen vonden we naar 't westen toe, een vriendelijk dal dat tusschen twee hooge bergruggen lag ingesloten. De bergen aan weerskanten zagen er afschrikwekkend kaal uit, er was geen sprietje of struikje op te bekennen, maar in de vallei groeide overvloed van gras en lage boomen en troffen we eetbare dieren en zelfs eenige menschelijke bewoners aan. Nu en dan kwamen we een paar hutten dier inboorlingen voorbij, maar zoodra de zwarten ons zagen naderen, vluchtten ze in de bergen. Aan het einde van het dal geraakten we in een dicht bevolkte streek, 't geen ons even in tweestrijd bracht of we er midden doorheen zouden trekken, dan wel ons aan de bergen houden, die meer noordelijk liepen; en daar ons doel bleef zoo mogelijk den Niger te bereiken, besloten wij tot het laatste en sloegen we, na 't compas te hebben geraadpleegd, de noordwestelijke richting in.
Op deze wijze trokken we, zonder onderbreking, zeven dagen verder, na welk tijdsverloop we tot de ontdekking van een toestand kwamen, die nog veel troosteloozer en moeilijker was dan de omstandigheden waarin wij ons hadden bevonden.
Behalve wanneer we hen voor de aanvulling onzer provisie of om ons te orienteeren noodig hadden, zochten we geen aanraking met de bevolking die vooral naar het zuiden toe, dus links van ons, tamelijk dicht bleek.
Hoewel we over 't geheel voldoende voedsel konden vergaren, kwam het toch menigmaal zeer krap aan, en met blijdschap begroetten we eindelijk een frisch stroomend water, dat wel nauwelijks groot genoeg was om rivier te noemen, doch in noord-noordwestelijke richting liep, dus ons uitstekend te pas kwam.
Aan den anderen kant van dit water zagen we een paar negerhutten en in een klein dal een veldje mais of Indiaansch koren, 't geen ons dadelijk op de gedachte bracht, dat hier een meer ontwikkelde stam moest wonen dan we over 't geheel hadden aangetroffen.
Terwijl onze kleine karavaan regelmatig opgesteld verder marcheerde, riepen plotseling de negers die in 't voorste gelid liepen, dat ze een "witman" zagen. 't Eerste oogenblik waren we niet buitengewoon verwonderd, overtuigd dat de zwartjes zich vergist moesten hebben, maar toen ik, naar hen toegaande, vroeg, wat ze eigenlijk bedoelden, wezen ze opgewonden naar een hut aan den anderen oever, waar ik werkelijk een blanke onderscheidde. De man stond, geheel naakt, bij den ingang der hut, diep voorovergebogen met iets in zijn hand, een werktuig blijkbaar, waarmee hij bezig was, en met zijn rug naar ons toegekeerd, zoodat hij ons niet zien kon.
Ik beduidde den negers geen lawaai te maken en wachtte tot de anderen ons hadden ingehaald om hen te kunnen overtuigen dat hier geen sprake was van een vergissing. Op dit oogenblik scheen de blanke onze nadering te bespeuren; hij richtte zich als verschrikt op, en tuurde naar ons, blijkbaar niet minder verrast dan wij zelve en naar 't mij voorkwam, eerder angstig dan blij.
't Duurde niet lang of ook de overige bewoners kregen ons in 't oog en allen liepen aan den anderen kant der breede beek te hoop, niet wetende, zooals de blanke ons later vertelde, of ze zouden blijven wachten of vluchten.
Als er blanken onder hen leven, dacht ik, moet het ons natuurlijk veel gemakkelijker vallen ons met hen te verstaan dan met de overige negerbevolking, en dus bond ik een witten lap aan een stok en zond er twee negers mee tot aan den oever, hen bevelende dit vredesteeken flink omhoog te houden. Het signaal werd onmiddellijk begrepen, en de blanke trad met twee negers zoo dicht mogelijk aan den anderen zoom.
Daar de man echter geen Portugeesch sprak, konden ze elkaar slechts door gebaren en teekens eenigszins verstaan, maar onze negers beduidden hem dat er ook blanken bij ons gezelschap waren, waarop de "witman" zooals ze mij vertelden, gelachen had. Na korten tijd kwamen onze negers terug met het bericht dat het allemaal goede vrienden waren, en na een poos begaven zich vier der onzen met twee inboorlingen en den Zwarten Prins naar den oever om zich nader met den blanke in verbinding te stellen.
Geen tien minuten zullen verloopen zijn geweest of een der negers kwam naar mij toegerend met het bericht dat de "witman" een "Inglese" was zooals hij hem noemde, waarop ik zoo gauw ik kon met hem naar de beek terugliep om werkelijk in den naakten vreemdeling een landgenoot te vinden. De man geraakte geheel van streek en drukte mij diep ontroerd beide handen, terwijl de tranen hem langs het gezicht stroomden. Eer wij hem bij de beek ontmoetten, was de eerste verbazing over onze komst al voorbij, maar ieder kan er zich wel een voorstelling van maken, die het verhaal hoort van zijn allerellendigste omstandigheden en zijn wonderbaarlijke redding, zóó wonderbaarlijk als geen tweede mensch ter wereld misschien beleefde, want het was duizend tegen één, dat hij ooit uit dien vreeselijken toestand verlost zou zijn geworden, wanneer wij niet na al onze ongehoorde lotgevallen als door een wonder met hem in aanraking waren gekomen.
Uit allerlei kleinigheden: zijn houding, zijn wijze van spreken, zijn geheele optreden, bleek mij dat hij een man van goede afkomst was, zelfs in zijn barbaarsche omgeving had hij het stempel der beschaving niet verloren.
Naar schatting moest hij een kleine veertig jaar oud zijn, hoewel zijn lange baard en het slordige haar, dat voor een deel rug en borst bedekte, hem ouder deden schijnen. Zijn teere huid was geheel verbrand en hier en daar met blaren en schilfers bedekt door de felle hitte der zon. Sedert ruim twee jaar had hij het al, zooals hij ons vertelde, geheel zonder kleeren moeten stellen.
De zenuwachtige blijdschap over onze ontmoeting wond hem zóó op, dat hij nauwelijks in staat was den eersten dag rustig met ons te praten, en toen we hem, een paar uur na ons korte gesprek, alleen zagen rondloopen, maakte hij de dolste gebaren en bewegingen als om zijn niet te beheerschen blijdschap lucht te geven. Ja, zelfs nog dagen later sprongen hem telkens weer opnieuw de tranen in de oogen, wanneer we het onderwerp van onze gelukkige ontmoeting--en altijd kwamen we daarop terug--maar aanroerden.
Steeds meer leerden we hem als een beleefd, goedhartig en edel mensch kennen. In al wat hij deed of zei de, trad zijn beschaafde aard aan den dag, en onze mannen toonden zich bijzonder met hem ingenomen. Hij had een hoogeschool bezocht, was een goed wiskunstenaar en kon, al had hij dan geen Portugeesch geleerd, Latijn spreken met onzen chirurg, Fransch met een onzer matrozen en Italiaansch met een ander.
Aanvankelijk bleek hij te onrustig van geest om ons te vragen waar we vandaan kwamen, hoe we in zulk een eenzamen streek waren verzeild en wat wel het doel van onzen tocht kon zijn; één ding scheen hém genoeg: dat wij als door den hemel gezonden waren om hem te verlossen uit de ellendigste positie waarin een mensch ooit kon gebracht worden.
HOOFDSTUK IX.
NAAR ENGELAND TERUG.
Terwijl onze mannen ons kamp aan den oever der beek begonnen op te slaan, vroeg mijn landgenoot ons, of we voldoende proviand hadden en hoe we dachten ons van levensmiddelen te voorzien, en toen hij hoorde dat het daar vrij droevig mee gesteld was, beloofde hij ons met de inboorlingen te spreken, die volgens hem de vriendelijkste en goedhartigste van de geheele streek waren. Dit bleek trouwens wel uit het feit dat hij veilig onder hen leven kon.
De ontmoeting met den blanke bezorgde ons allerlei voordeelen. Ten eerste wist hij ons nauwkeurig te vertellen waar we ons bevonden en in welke richting we het best verder konden trekken; ten tweede wees hij ons de middelen aan om aan proviand te komen, en ten derde werd hij een onmisbaar tolk en onderhandelaar tusschen ons en de verdere bevolking, die zich, toen we later de kust naderden, veel sluwer, ontwikkelder en strijdlustiger betoonde dan de bewoners langs de beek. Ze lieten zich door onze vuurwapens volstrekt geen ontzag inboezemen en bleken niet van zins hun voedsel voor de sieraden van onzen kunstsmid te ruilen. Blijkbaar had de omgang met de Europeesche kusthandelaars of met de negerstammen die met deze in aanraking kwamen, hen geleerd, hun voedsel alleen af te staan voor dingen die evenveel waarde hadden.
Dit gold wel te verstaan voor de negers die we spoedig zouden ontmoeten; de zwartjes, waaronder mijn landgenoot driehonderd mijlen van de kust woonde, waren nog volkomen argeloos. Hun gansche verkeer met de Europeanen bestond daarin, dat ze in 't gebergte in 't noorden olifantstanden verzamelden, die ze zestig à zeventig mijlen zuidwaarts vervoerden en daar bij handeldrijvende negers inwisselden voor kralen kettingen, schelpen, spiegeltjes, vliegendooders en dergelijke prullen, die de Engelschen, Hollanders en andere Europeanen als ruilmiddelen bij hun Afrikaanschen handel gebruikten.
Langzamerhand geraakten we met onzen nieuwen bekende op vertrouwelijker voet en hoewel we zelf, wat onze kleeding betrof, maar een zeer armzaligen indruk maakten, daar we kousen, schoenen noch hoeden, en maar heel weinig hemden meer bezaten, kleedden we hem toch nog zoo goed en zoo kwaad als 't ging. Onze heelmeester die een schaar en een scheermes bezat, ontlaste hem van zijn overtolligen haargroei, en in plaats van een hoed, maakte hij zich, heel handig, een muts van een luipaardenhuid, zoodat hij er weer als een mensch begon uit te zien. 't Gemis van kousen en schoenen die hij zoolang ontbeerd had, hinderde hem zoo weinig, dat hij volstrekt niet op een paar "voethandschoenen", zooals wij ze noemden, gesteld bleek.
Even nieuwsgierig als hij was om het verslag van onze wederwaardigheden aan te hooren, even nieuwsgierig waren wij om te weten te komen hoe hij zoo geheel alleen in dit afgelegen oord gestrand was. Zijn verhaal was belangwekkend genoeg om er een boekdeeltje als dit mee te vullen, en met groote belangstelling luisterden we naar zijn avonturen, maar ik moet mij beperken tot een korte samenvatting.
Onze nieuwe vriend was zaakwaarnemer geweest voor de Engelsche Guinea-compagnie te Sierra Leone, tot de factorij in handen der Franschen viel, bij welke gelegenheid hij zoowel van zijn eigen bezittingen als van het aanwezige kapitaal der maatschappij beroofd werd. Toen de compagnie in gebreke bleef hem het verlorene te vergoeden en een nieuwe positie aan te bieden, verliet hij haar dienst en nam opdrachten aan van afzonderlijk handeldrijvende kooplieden, om ten slotte geheel voor eigen rekening zaken te doen. Eens, toen hij zich onvoorzichtigerwijze in een der nederzettingen van zijn oude compagnie vertoond had, was hij, ten gevolge van verraad, of bij een toevallige overval der negers, in hun handen gevallen. Daar ze hem niet doodden, had hij na verloop van tijd zijn kans schoon gezien naar een anderen negerstam te vluchten, die hem, omdat ze op oorlogsvoet met den eersten leefde, vriendelijk ontving en hem rustig onder hen deed leven. Ook hier beviel het hem natuurlijk niet op den duur en hij vluchtte opnieuw. Na zoo verscheidene malen van omgeving en gezelschap veranderd te zijn, was hij eindelijk, na allerlei wonderlijke lotsverwisselingen, ongewapend en zonder nog eenige hoop op uitkomst te hebben behouden, verzeild waar wij hem vonden en waar het opperhoofd van den kleinen stam hem vriendelijk ontvangen had. Tot dank voor de ondervonden gastvrijheid leerde hij hun hoe ze sommige gewassen konden teelen, nuttige gereedschappen maken en voordeeliger voorwaarden bedingen bij de onderhandelingen met de negers die olifantstanden met hen kwamen ruilen.
Even berooid als hij was van kleeren, bleek hij dit ook wat bewapening betrof. Hij bezat geweer, mes, zwaard, noch pijl en boog om zich tegen de wilde dieren die veel in de streek voorkwamen, te verdedigen. Toen we hem vroegen hoe het kwam, dat hij niet beter op zijn veiligheid bedacht was, antwoordde hij: "Na al wat ik heb geleden, is het leven mij ongeveer niets meer waard. Ik had me sinds maanden bij het denkbeeld neergelegd, geen uitkomst meer te vinden, en in dat wanhopige bewustzijn, zou 't mij niet hebben kunnen schelen, wanneer er op de een of andere manier een einde aan mijn bestaan was gemaakt; ja, ik zou er zelfs dankbaar voor zijn geweest. Daarbij leef ik hier geheel afhankelijk van de genade van de negers, en die vertrouwen me juist omdat ik geen wapens draag. Om wilde dieren behoef ik me niet veel te bekommeren, ik verlaat mijn hut alleen in gezelschap van het opperhoofd en zijn mannen, die altijd hun lansen en bogen bij zich hebben. 't Gebeurt trouwens vrij zelden dat leeuwen of tijgers ons overdag naderen, en blijven de negers 's nachts van huis, dan slaan ze even een hut op en stoken een vuur om de beesten op een afstand te houden."
Met hem overleggende wat wij nu in de eerste plaats moesten doen om zoo gauw mogelijk de kust te bereiken, vertelde hij ons dat we ongeveer honderd-en-twintig uur gaans verwijderd waren van dat gedeelte, waar zich de meeste Europeesche nederzettingen en factorijen bevonden, de zoogenaamde Goudkust. Op den weg daarheen zouden we evenwel zooveel vijandige negerstammen te bestrijden hebben, dat de kans aan provisie te komen of het leven er af te brengen, naar zijn meening heel gering was.
"Maar er bestaan nog twee andere wegen," liet hij er op volgen "en als ik gezelschap gehad had, zou ik stellig langs allebei getracht hebben te ontkomen. De eene loopt vlak naar het westen en is wel langer, maar niet zoo dicht- en niet zoo vijandig bevolkt. De andere komt aan den Niger uit, dien we dan met kano's zouden kunnen afvaren."
"Precies wat ons eerste plan was!" riep ik verheugd. Maar hij temperde mijn blijdschap door er ons op te wijzen, dat we om de rivier te bereiken een groot stuk woestijn en een uitgestrekt oerwoud moesten doortrekken, wat wij stellig, ook bij de grootste volharding, op twintig dagreizen moesten schatten.
"Levert het land hier geen paarden, ezels of buffels op, om bij zoo'n tocht gebruik van te maken?" vroeg onze kanonnier, op onze trouwe lastdieren wijzende, waarvan er ons nog maar drie waren overgebleven.
"Neen," zei hij, "die komen in dit gedeelte van Afrika in 't geheel niet voor. In het woud houden zich groote kudden olifanten op en in het stuk woestijn veel tijgers, leeuwen, luipaarden, lynxen enz. De negers trekken er altijd goed gewapend heen, om olifantstanden te verzamelen en meestal komen ze met een mooien buit terug."
"Maar op dien weg naar de Goudkust?" vroeg ik, hartelijk verlangend in een door Europeanen bewoonde streek te komen, "loopen daar geen rivieren, die onzen tocht kunnen vergemakkelijken? Voor die gevechten met de negers zijn we niet bang. We weten langzamerhand wel hoe met dat volkje om te gaan, en als zij voedsel hebben, zullen we wel kans zien ons deel daarvan te bemachtigen. Wijs ons den weg maar, dan zullen wij dien met goed vertrouwen inslaan, en 't spreekt vanzelf dat we elkaar onder alle omstandigheden blijven bijstaan."
Hij verzekerde ons dat hij niets liever wilde dan zijn lot aan het onze verbinden en nam op zich, ons den weg te wijzen en wel zoo, dat we nog hier en daar een vriendschappelijken negerstam zouden ontmoeten, die ons niet alleen goed behandelen maar er misschien voor te vinden zoude zijn ons tegen de vijandige horden bij te staan. En zoo besloten we dus allen met elkaar de zuidelijke reis naar de Goudkust te aanvaarden.
Terwijl we den volgenden morgen allen bij-een-zaten om het verdere plan voor den tocht te beramen, voegde hij zich bij ons en begon ons zeer ernstig toe te spreken.
"Den ganschen nacht," zei hij, "heb ik er over nagedacht, hoe wij ons allen eenigszins schadeloos zouden kunnen stellen voor de moeilijkheden en ontberingen die wij zoo langen tijd hebben doorstaan. Dit kan ik jullie wel verzekeren, dat dit land, hoe woest en onherbergzaam het er ook moge uitzien, tot een der rijkste gebieden der heele aarde behoort. Er is hier geen beek die geen goud, geen woestijn die niet een schat aan ivoor oplevert. Niemand kan benaderen, hoe rijk de mijnen zijn en welke onschatbare massa's goud de gebergten bevatten. Te oordeelen naar al de schepen, die de Europeanen hier heen zenden en naar het goudstof dat de rivieren en beken meevoeren, moet de voorraad wel heel belangrijk zijn."
"Hoe ver zou zich dat rijke terrein wel uitstrekken?" vroeg ik. "De scheepvaart bepaalt zich toch maar tot een zeker gedeelte van de kust."
"De negers doorzoeken de rivieren van de kust af tot op een honderdvijftig of twee honderd mijlen," antwoordde hij. "Dikwijls blijven ze twee of drie maanden uit en brengen altijd een rijken buit mee terug. Tot waar wij nu zijn komen ze nooit, en toch is hier zeker zooveel te vinden als dichter bij de kust. Als ik me de moeite had willen getroosten er naar rond te zien en het bijeen te garen, zou ik, sedert mijne komst hier, wel een honderd pond goud hebben kunnen verzamelen. Maar ik zou niet geweten hebben wat er mee te doen, nu ik alle hoop had opgegeven hier ooit vandaan te komen. Wat zou 't mij geholpen hebben, al had ik me in 't goudzand kunnen rondwentelen! De grootste schat kon mijn ellendig bestaan geen zier lichter of vroolijker maken. Ik had er zelfs geen stuk kleeren voor kunnen koopen, geen teug water om mij voor versmachten te bewaren! 't Goud heeft hier niet de geringste waarde," eindigde hij, "en er zijn menschen genoeg in die hutten daarginds, die een handvol stofgoud zouden verkwanselen voor een paar glazen kralen of wat schelpen."
Om ons te bewijzen dat hij niet overdreef, haalde hij een ruwen aarden pot, die in de zon gebakken was, en zette dien voor ons neer.
"Kijk," zei hij, "dit is nu wat slijk uit deze streek; als ik gewild had, zou ik er heel wat van hebben kunnen vergaren."
De pot bevatte naar onze schatting twee of drie pond stofgoud van dezelfde kleur als wij het vroeger hadden gevonden.
Toen we het bekeken hadden zei hij glimlachend:
"Nu ik al het mijne, zelfs mijn leven, als het eigendom van mijn bevrijders beschouw, verzoek ik jullie mij het genoegen te doen, dit van mij aan te nemen. In ons eigen land zal het zijn waarde opbrengen, en op dit oogenblik voel ik voor 't eerst hevigen spijt er niet meer van te hebben verzameld."
Toen hij weg was bleek, dat onze mannen, wien ik altijd vertaalde wat de Engelschman zeide, buitengewoon getroffen waren door zijn mild aanbod, en we kwamen overeen dit goud bij onzen gemeenschappelijken schat te voegen en later stipt eerlijk te verdeelen. Hij van zijn kant moest dan echter ook--nu zijn lot zoo nauw met het onze verbonden was--plechtig beloven, geen korreltje van 't goud dat hij nog vinden zou voor ons verborgen te houden.
Hadden we zijn raad opgevolgd, dan zouden we, alvorens den tocht naar de Goudkust te aanvaarden, eerst een uitstapje naar de noordelijke woestijn en het groote woud hebben gemaakt om onze negers en nog eenige zwarten die hij mee zou sturen, elk een olifantstand te doen halen en dragen, tot we ze verder in onze kano's zouden kunnen meenemen om ze aan de kust met groot profijt te verkoopen.
Op mijn verzoek evenwel zagen we van dit plan af. 't Leek mij vrij wat voordeeliger onze negers goud te laten zoeken dan hun die geweldig zware tanden te laten meesleepen, en mijn landsman gaf zich gewonnen, hoewel hij ons graag de ontzaglijke tanden had laten zien, die daar volgens zijn zeggen verspreid lagen.
Nog twaalf dagen bleven we aan de beek, gedurende welken tijd de inboorlingen zich buitengewoon gedienstig betoonden en ons vruchten, pompoenen en een soort van wortels brachten, die er als onze peenen uitzagen maar anders smaakten. Ook voorzagen ze ons van verschillende eetbare vogels, die we niet kenden. In 't kort, ze deelden, zeer goedhartig, alles met ons wat zij hadden, zoodat we een onbezorgd en gemakkelijk leventje leidden waarvoor we hun uit dankbaarheid gelukkig maakten met de sieraden die onze fijnsmid weer ruimschoots gefabriceerd had.
Den dertienden dag zetten we ons met onzen nieuwen vriend in beweging. Bij ons vertrek zond de negerkoning nog twee zwarten naar hem toe met een afscheidsgeschenk in den vorm van een voorraad gedroogd vleesch en deed de Engelschman hem als contra-beleefdheid drie zilveren vogeltjes cadeau uit de werkplaats van onzen smid; wat de vorst blijkbaar als een hem waardig huldebewijs beschouwde.
Eindelijk dan sloegen we de zuid-zuidwestelijke richting in en vonden wij weldra, na een marsch van meer dan tweeduizend mijlen, de eerste rivier die naar 't zuiden liep. Dit riviertje--aanvankelijk was het niet meer dan een flinke beek--volgden we tot het wat meer water begon te bevatten. Om de paar uur liep onze Engelschman eens naar den oever toe om het zand van de bedding te onderzoeken, doch pas na een vollen dag loopens bracht hij een handvol mee en zei: "Kijk!" waarop wij werkelijk verscheiden goudkorrels tusschen het zand ontdekten.
"Nu moeten we aan 't werk gaan," meende hij, en onze negers twee aan twee verdeelende, zette hij ze aan den arbeid, na ze gewezen te hebben hoe ze het zand op de ondiepe plaatsen moesten opscheppen en uitspoelen.
Den eersten anderhalven dag brachten onze mannen ongeveer zes-en-dertig lood [2] goud bijeen, en daar we bemerkten dat de hoeveelheid toenam naarmate wij verder kwamen, volgden we het stroompje drie dagen, totaan de plek waar een andere beek in ons riviertje uitmondde. In dezen zijtak vonden we stroomopwaarts ook goud, zoodat we besloten onze hutten hier op te slaan en onzen tijd te verdeelen tusschen goudwasschen en voor mondkost zorgen.
Dertien dagen bleven we hier aan 't werk, en onze knappe smid, door de lange oefening zoo handig geworden dat hij er letterlijk alles van fatsoeneeren kon, hamerde er maar lustig op los in dien tijd. Uit dungeslagen goud, want ons zilver en ijzer was op, maakte hij olifanten, tijgers, civetkatten, struisvogels, adelaars, kraanvogels en allerlei visschen die ons als altijd uitstekende diensten bewezen.