De avonturen van Jan Kodde

Part 8

Chapter 84,243 wordsPublic domain

Hol toeterde over het water een onzichtbare boot zijn uitgestooten toe-oe-oe-oe-oet!

"Hoor hem 's," merkte Jan op.

"Gevaarlijk voor de schepen," was 't antwoord. "Met zoo'n weer zitten ze subiet op mekaar."

En weer klonk het: toe-oe-oe-oe-oe-oet. Toet!

"Dat komt van den anderen kant; hoor je wel Jilles?"

"Mocht wat. Dat zou je denken, maar door den mist vergis je je altijd in den kant vanwaar het geluid komt."

"Ja maar, 't was toch een andere toon."

En opnieuw, maar nu veel dichterbij, klonk weer een klagend geloei, dat moeizaam door den mist heen boorde.

"'k Hoor zijn schroef slaan, Jan."

"En ik hoor er twee. Luister zelf maar, Jilles, je kunt er duidelijk twee hooren werken."

Jilles rees overeind en meende ook twee schroeven te hooren. En zijn twijfel werd opgeheven, toen vlak op elkaar twee lange loeitonen door de lucht doofden. 't Leek wel van heel dicht bij te komen.

"'t Is toch gevaarlijk."

"Maar, Jilles, er is toch werkelijk ruimte genoeg. Ze hoeven toch zoo maar niet in eens boven op mekaar te varen?"

"Ruimte genoeg! Ruimte genoeg. Da's na, hoe of je 't neemt. Ze dienen toch altijd hier in de vaargeul te blijven, zooveel ze kunnen. Zijn er dan geen zandbanken? Nee, jongetje, 't is nou beslist...

"Groote hemel! Daar heb je 't al!"

En van schrik liet Jilles zijn krammatvork uit de hand vallen.

Daar klonk eensklaps een hevig gebons, vermengd met een luid gekraak en geknars en een verward geschreeuw duidelijk hoorbaar uit den beklemmenden, misleidenden nevel. Heftig hoorden ze de schroeven te keer gaan. Het getier hield niet op en werd af en toe overstemd door een woedend getoeter.

"Die zitten boven op mekaar!" riep Jilles verschrikt. "Da's een aanvaring!"

"Wat nou, Jilles?"

"Ja, wat nou! Jongens, jongens, hoor ze eens te keer gaan. Wat een lawaai schoppen ze. Wie weet, hoe ze daar ginds in den olie zitten."

"Ze zullen toch zeker niet verdrinken?"

"Niet? Waarom niet? Weet jij, wat voor averij ze een van beien of misschien allebei wel hebben? Hoor maar 's!"

En hun oor vernam bij het geschreeuw en gekraak een geknars van ijzerwerk.

"Ze zitten in mekaar vast en nou probeeren ze los te komen," merkte Jilles op. "De schroeven slaan terug. Hoor je?"

Ja, Jan hoorde 't heel duidelijk en ook 't geroep.

"'t Is net, of 'k een schroef dichterbij hoor komen."

Jan knikte luisterend.

"Dan zoekt er een den wal op, die is er dan bepaald slecht aan toe."

"Zouden ze den wal kunnen vinden met den mist? Verbeeld je dat ze hem niet kunnen vinden. Wat dan?"

Jilles stond luisterend stil.

"Zouden wij ze niet kunnen helpen, Jilles?"

't Was of Jilles in eens wakker werd. "Jongen, je zegt zoo wat. Ja, wij kùnnen en we zùllen ze helpen. Mee, gauw mee naar den kop van het dijkje en dan schreeuwen, schreeuwen, zoo hard als we kunnen. Hoe harder, hoe beter."

En ze renden al met hun beiden voort, hard roepend. Het diepe basgeluid van Jilles paarde zich aan de schelle stem van Jan, die met de handen voor den mond zijn hè-è-è-è-! ho-o-o-o-! hou-ou-ou! uittrompette.

"Toe maar!" moedigde Jilles aan, zette zijn vingers in den mond en liet een langgerekt, schel gefluit hooren en nog eens en weer opnieuw.

"Ze naderen, hoor je wel? Toe, maar schreeuwen. Hoe harder hoe beter... Stil... wa's dat?"

Weer een nieuw geluid en weer een hard stemmengeroep uit zee.

Toen werd het stil. Jilles brulde het weer uit en floot en riep, onverdroten begeleid door Jan.

"Luister," liet Jilles hooren en greep Jan bij den schouder. "Stil eens even en hou je mond. Hoor je 't?"

Jan hoorde het: riem geklots en stemmen geroezemoes.

"Dan hebben ze d'r schuit in den steek gelaten en roeien ze hierheen. Ze zijn al dicht bij. Nog eens geroepen!"

Maar dat was niet lang meer noodig want eensklaps dook uit den nevel een groote roeiboot op.

"Ahooi! Hierheen!" riep Jilles en met een zwaai schoot de boot langs de glooiïng van den dijk.

Een der inzittenden, iemand van middelbaren leeftijd, richtte de vraag tot hen:

"Waar zijn we?"

"Vlak voor Elswijk, dicht bij Oosthaven. Averij?"

"Erger dan dat. Aangevaren en schuit naar den kelder."

"In diep water?"

"Onder den wal. Hoeveel staat daar?"

"Vijf en twintig voet bij ebbe."

"Dank je maat. Kun jij ons den weg wijzen, jongen?" vroeg de kapitein, want die was het.

"Waar naar toe?"

"Naar je dorp. Is daar een telefoonkantoor?"

"Jawel meneer."

"Goed zoo. Waar kan onze boot blijven m'n goeie vrind?"

"Hier in de baai," zei Jilles. "Ze ligt daar zoo veilig als wat."

De bemanning van het verongelukte vaartuig sprong nu aan wal. Geen van hen, die een pak bij zich had, dan alleen de kapitein, die een bundel papier in de hand hield; zeker zijn scheepspapieren, die hij gered had voor hij 't schip verlaten moest.

"Vooruit nou vent en wijs ons den weg asjeblieft."

Wat een opstootje in Elswijk, toen daar die troep mannen regelrecht naar de dorpsherberg marcheerde. 't Ging als een loopend vuurtje dadelijk het dorp rond: "een schip verongelukt."

Jan ging mee naar binnen, maar een oogenblik later kwam hij weer al naar buiten met een stuk papier in de hand. Hij voelde zich, begrijpelijkerwijze, de held van den dag, toen hij door de menigte buiten heen moest dringen. Iedereen had wat te vragen:

"Een schip gezonken? Zijn er bij verdronken? Zeker een Engelschman?"

Doch Jan hield zijn woord aan den kapitein gegeven: gauw opschieten en hij liep op een draf naar het telefoonkantoor, waar hij zijn telegram afgaf:

Reederij Neptunus

Amsterdam.

Poolster aangevaren in Oosthavenergat. Kon wal niet halen. Vlak onder strand gezonken. Vijf en twintig voet bij ebbe. Wacht consignes.

Smit.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

KAPITEIN SMIT KOMT BIJ KEES KODDE OP BEZOEK.

Boven de deur van de Elswijker dorpsherberg was een groot houten bord bevestigd, waarop een wit beest stond afgebeeld. Het dier trok een afschuwelijk leelijk gezicht, alsof het ergens hevige pijn leed en als wanhopig van smart op zijn achterpooten steigerde. De staart stond krampachtig in de hoogte. De dorpsschilder, die indertijd het kunststuk had afgeleverd, hield stijf en strak vol, dat het een leeuw voorstelde en dat zal hoogstwaarschijnlijk het geval geweest zijn, want boven den kop van het wondermonster stond in zeer duidelijke letters te lezen: "Hotel" en onder de pijnlijk springende pooten zweefden de woorden: "De Witte Leeuw."

Die Witte Leeuw nam de heele bemanning van de verongelukte Poolster onder zijn vorstelijke bescherming; doch slechts voor één nacht, want den anderen morgen al vroeg vertrokken allen te voet naar de stad om zich vandaar te begeven naar het kantoor te Amsterdam. Alleen de kapitein wachtte op nadere orders van zijn patroon en bleef.

Janbaas, die zich zoo bijzonder nauw bij het scheepsongeval betrokken gevoelde, richtte natuurlijk reeds in den vroegen voormiddag zijn schreden langs De Witte Leeuw. Daar werd op het raam getikt en opziende ontwaarde hij den kapitein, die hem wenkte, om naar binnen te komen.

Kapitein Smit, zooals we reeds zagen, een man van rond de vijftig, was het type van een zeeman. Hij begroette Jan met de woorden:

"Zoo, kerel, ben je daar? Je hebt zeker niks te doen hè?"

"Neen meneer, we hebben vacantie."

"Noem jij me maar kapitein, dat klinkt me meer gewoon in de ooren. Ik moet je nog bedanken voor het gebruik van je keel gister, want zonder jullie geschreeuw hadden we misschien den heelen dag en wellicht den nacht erbij in onze open boot kunnen rondzwalken. Maar nou zou ik ook graag dien man eens bedanken, die toen bij je was. Dat was zeker je vader, niet?"

"Neen, kapitein, dat was Jilles."

"Zoo, Jilles. Nou veel wijzer ben ik door je verklaring niet. 'k Zou wel eens naar hem toe willen gaan, want ik loop toch met m'n ziel onder de armen. Breng jij me eens bij hem? Je heet Jan, hè?"

"Jawel kaptein. En als ik u eens bij Jilles wil brengen: met plezier."

"Vooruit dan. 't Is hier binnen een saaie boel."

De mist was nu heelemaal opgetrokken en er sijpelde een drenzerige motregen neer. Jan stapte met zijn nieuwen kennis naar het duin en weldra stonden beiden op het strand. 't Was laag water en in eindelooze wijdte strekte zich nu de vloed uit onder den éénkleurigen grijzen hemel, die vloed, die gister gehuld was in den ondoordringbaren mistsluier.

"Waar moeten we nou heen, Jan?"

"Dezen kant uit. We gaan zeker eerst eens kijken, of er wat van uw schip te zien is?"

"Natuurlijk, want ik ben erg benieuwd."

Het dijkje was spoedig bereikt en daar lag de roeiboot van de Poolster op het droge zand. Ze waren den kleinen dijk nog niet ten einde geloopen, of kapitein Smit riep:

"Ginder ligt ze, mijn arme schuit!" En 't viel Jan op, hoeveel smart er in die weinige woorden lag opgesloten. Hij had gedacht een stoomboot te zien zitten en hij zag niets, wat hij dan ook tegen den kapitein zei.

"Kijk langs mijn vinger; zie je daarginds geen stok boven water uitsteken? Da's de top van m'n mast. Zie je 't?"

"Ja, ik zie hem, maar..."

"Goeien dag, samen," klonk eensklaps de zware stem van Jilles achter hen. "Morgen kaptein; heb je je schip in de gaten?"

"Goeie morgen, Jilles, zal ik ook maar zeggen. Ja, man, maar van mijn schip zie ik helaas niet veel. Da's treurig afgeloopen en zonder jouw tegenwoordigheid van geest zou het hoogst waarschijnlijk nog veel ellendiger geëindigd zijn. Ik dank je wel hoor. Je hebt, door je kordaat optreden, vast een heeleboel onheil voorkomen."

Kapitein Smit drukte Jilles dankbaar de hand, maar deze hield strak en stijf vol, dat het totaal niets te beteekenen had, die hulp meende hij en toen vroeg hij belangstellend:

"Waar was u mee geladen?"

"Stukgoed. Olie, eenige vaten wijn, kisten met sinaasappelen en wat andere Zuidvruchten en al dat spul, maar ik vrees, dat ik er nooit veel van terug zien zal."

"'k Vrees er ook voor," was de schrale troost, die Jilles gaf. "Zoudt u denken, dat er nog moeite zal worden gedaan, om de zaak te lichten?"

"'k Weet niet, wat de reederij, of het assurantiekantoor zullen doen. Was het zomertijd, ja, dan zou ik haast wel denken, dat hier al gauw een paar lichtbokken van Van der Tak's bergingmaatschappij of zoo, zouden liggen, maar nu! De tijd van 't jaar zal ons leelijk parten spelen. Je kunt veel te weinig op 't weer aan en als er wind komt, is er van lichten geen sprake. Dan zouden trouwens die bokken hier ook vast niet heengesleept kunnen worden. 't Zou te gevaarlijk zijn."

"Is 't loodswezen al gewaarschuwd?"

"Ja, gisteravond nog. Ze zullen dus wel gauw een groene ton brengen, ten teeken, dat er een wrak ligt, anders vaart er 't avond of morgen nog een andere schuit boven op die van mij en dan heb je nog meer spektakel."

"'t Was dan ook razend mistig gisteren."

"Bar. En 't ergste was, dat die mist zoo plotseling opkwam. Ik had geen keus en 'k moest dóórvaren, of ik wilde of niet, al was het dan ook erg langzaam en we gaven elke minuut een stoot op de fluit, maar bij zulke weer weet je je oosten of je westen niet. Aan je oogen heb je zoo goed als niets en je ooren laten je ook in den steek. Je bent heelemaal aan het blinde toeval overgeleverd.--Maar 't is geen weertje om hier lang te blijven stil staan en bovendien, je kijkt toch maar als een uil door een schuifgat naar dien onnoozelen masttop en dat is toch voor mij zoo'n ellendig idee, te weten, dat daar je schip nou zit. Je eigen trouwe schuit, waar je jaren op gevaren hebt; die om zoo te zeggen een stuk van je bestaan geworden is. 't Is beroerd!" en weer klonk er aandoening in de woorden van kapitein Smit. Langzaam wandelden ze met hun drieën op, staken het duin over en vervolgden langs den binnenkant hun weg.

Jilles nam, bij zijn woning gekomen, afscheid en kapitein Smit en Jan gingen verder.

Ze kwamen langs het huis van Kees Kodde en Jan zei:

"Hier woon ik."

"Woon jij hier? Dan ga ik eens even mee naar binnen. Je vader is zeker niet thuis?"

"Neen, maar moeder wel."

Vrouw Kodde had juist de koffie klaar. De kennis was gauw gemaakt en weldra zat de nieuw aangekomene met een kop heete koffie achter de kachel, druk in gesprek met Jan's moeder, die zich uitsloofde, om het haar gast zoo aangenaam mogelijk te maken. En deze vond het gezellig in het eenvoudige arbeidershuis, waar een adem van gemeende hartelijkheid zweefde en toen hij na een uurtje opstond om te vertrekken, vroeg hij:

"Vin je 't goed, vrouw Kodde, dat ik vanavond wat kom praten, als je man thuis is? 'k Vind het in die herberg zoo ongezellig en 'k voel me er zoo weinig op mijn gemak. Hier heb ik in allen gevalle goeie kennissen, al zijn ze versch. Mag ik?"

"Zeker, kaptein. Kom maar gerust hoor. 'k Weet zeker, dat Kees het erg prettig zal vinden en Jan ook. Is 't niet m'n jongen?"

"Jan is zoo wat onze redder. Kerel, kerel, Jan, je weet nog niet half, wat we aan jou te danken hebben." Na een hartelijk afscheid vertrok de bezoeker.

Hij vertrok, om vroeg in den avond reeds weer te keeren. Kees Kodde zat al op hem te wachten en het duurde niet lang of hij genoot van een lekker sigaartje, dat de kapitein hem aanbood.

"Een boterham meeëten? 't Is toch niet te veel gevraagd? Dan graag, want ik zit hier zoo echt op mijn gemak en als ik jullie vanavond soms te lang uit je kooi houd, dan jaag je me maar gerust weg."

Maar van wegjagen was in de verste verte geen sprake. Daarvoor was kapitein Smit een veel te gezellige prater en hij van zijn kant voelde zich hier zoo echt thuis. Weldra zat hij te vertellen van zijn ongeluksdag van gister.

"Langzaam, erg langzaam stoomden we op, want ik begreep wel, hoe gevaarlijk onze toestand was. We deden allen, wat we konden, maar kijk eens uit als je kunt bij zoo'n weer. Van de brug af kon je ternauwernood den steven van de schuit zien en je ooren zijn ook geen goeie gidsen bij zulk een gelegenheid."

"Da's waar," bevestigde Jan, "want eerst hoorden Jilles en ik één stoomfluit en later, toen het er twee waren, was op geen stukken na te zeggen, van welken kant het geluid kwam."

"Da's altijd zoo met mist. Je doet wat je kan en ieder oogenblik, iedere minuut dreigt je gevaar. Wij hoorden die andere boot ook en ineens, daar dook ze uit de mist op. We probeerden nog te wijken. Ik sprong op 't stuurrad toe en wierp zelf het roer òm, maar daardoor voer die Engelschman dwars op ons in. Die kon er ook niets aan doen en hij was bepaald even ontdaan als wij, al kwam hij er ook veel beter af. 'k Hoorde z'n kaptein nog schreeuwen, "achteruit!" maar te laat. Met z'n kop zat hij in ons middenschip. Er was voor mij nog één kansje om m'n schip te redden en dat was: probeeren op het strand te loopen. Maar wáár wàs het strand! Door den mist viel er nòch van strand nòch van duin iets te bespeuren. Daar hoorde de tweede stuurman het luide geschreeuw en gefluit, dat, zooals me later bleek van jouw, Jan en van Jilles afkomstig te zijn en nadat de Engelschman zich van ons had losgemaakt en òpstoomde, probeerden we op jullie aan te koersen, want we begrepen jullie bedoeling. Helaas, onze boot maakte zooveel water, dat we vreesden het strand niet meer te zullen halen en die vrees werd maar al te zeer bewaarheid. Ik zag het gevaar, dat we zouden zinken en gaf bevel, de groote boot uit te zetten. Gelukkig, dat ik daarmee niet langer gewacht had, want we waren nog geen honderd meter onderweg of we hoorden een hevig gesuis. Ik begreep het: mijn trouwe schuit ging naar de diepte. Jullie kunt niet begrijpen, wat er dan in 't gemoed van een zeeman omgaat..."

't Was even stil in de kleine kamer, maar kapitein Smit hervatte:

"Vandaag was er iemand van 't kantoor hier en die zei, dat ze zullen probeeren, m'n arme Poolster te lichten, maar... zal 't lukken!"

"Als 't maar niet gaat waaien." Kees Kodde keek bij deze woorden zijn vrouw eens beteekenisvol aan. Hun gast merkte het op en zei:

"Ja, ik hoor het ook wel. De wind steekt op: dan is alles verspeeld ook; maar komaan laat ik niet klagen, er zijn geen menschenlevens bij de ramp verloren gegaan en dat is het voornaamste toch bij slot van rekening."

"Zou uw vrouw niet ongerust zijn?" vroeg moeder.

"Mijn vrouw? Neen, vast niet, want ik heb nog nooit tijd kunnen vinden om een vrouw te zoeken," was het lachend gegeven antwoord; "en nou is het daarvoor te laat geworden ook. Wat jij, moeder Kodde?"

Trui lachte maar even en zei toen:

"'t Is toch een eng leven, dat van een zeeman."

"Eng?" was het nu. "Eng? Dat denk je maar. Niks mooier!"

"Hoe is 't mogelijk in vredesnaam, dat u zooiets kunt zeggen, na al wat er nu pas gebeurd is."

"Maar mijn lieve ziel, een mensch zijn zin is een mensch zijn leven..."

"Dat zeg ik ook, vader," stemde Jan in, "en als ik mijn zin had..."

"Ja, hou jij je mond asjeblieft maar gauw over de zee," suste moeder.

"Hoe dat zoo?"

"Wel kaptein, die jongen zeurt me voortdurend aan mijn ooren om ook naar zee te mogen gaan."

"Ja? En?"

"En?"

"Toe, kaptein, doe eens een goed woordje voor me bij moeder; 'k wou toch zoo graag."

"Zwijg jongen, wat is dat nou?" riep moeder Kodde bijna angstig uit.

"En dan altijd matroos," vond Kodde.

"Altijd matroos?" vroeg kapitein Smit verwonderd; "altijd matroos? Waarom?"

"Och kaptein, wat zou zoo'n jongen, die niet meer geleerd heeft, anders? En wij zouden het niet kunnen bijbrokken om hem wat meer te laten leeren."

"Laat mij dan voor hem zorgen," was het gulle aanbod.

"U?"

"Wel ja. 'k Heb kind noch kraai."

"Toe vader, toe moeder, zeg nou maar ja," vleide Jan.

Vader keek zwijgend voor zich uit en moeder? Ze zuchtte en... zei óók niets.

't Was dus nog geen "neen."

"Enfin, denkt er maar eens over. Neemt niet dadelijk een besluit: we spreken mekaar wel eens nader.

"Maar komaan, 't wordt zoo zoetjes aan jullie bedtijd en voor mij ook. De waard uit De Witte Leeuw mocht anders eens denken, dat ik voor vannacht niets met zijn kramppootig monster wou te maken hebben." De kapitein stond op en na een hartelijk welterusten van weerskanten vertrok hij.

Jan rook de zee toen hij naar boven klauterde en in het ruischen van den wind, die meer en meer aanwakkerde, hoorde hij het gesuis der golven en de zee zong over de duinen heen in zijn ooren haar slaapliedje: naar de zee! naar de zee!

Zou het waar zijn?!

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

DE STORM. EEN BETEEKENISVOLLE OUDEJAARSAVOND. EEN GEKNIPTE STRANDROOVER.

Kapitein Smit's vrees werd maar al te krachtig bewaarheid. Oudejaarsdag bracht regen en wind, veel wind; driekwart storm en nog meer. De kale boomen zwiepten angstig heen en weer; de waterige wolken ijlden in wilde vaart langs den somberen hemel.

's Voormiddags stapte de kapitein er weer met Jan op uit; natuurlijk naar het strand.

"'t Wordt nog erger met den wind Jantje! Kijk maar eens daar." En hij wees naar den vuurtoren, waar aan een hoogen mast boven op het duin een zwarte kegel hing met de punt naar boven gekeerd.

"Zie je 't? 't Stormsein hangt uit en dan nog liefst met de verwachting: storm uit het noordwesten. Dat ziet er slecht uit. Dan houdt de Poolster het zeker niet en slaat bepaald binnen weinige uren uit elkaar."

Ze wipten even bij Jilles aan, die, rookend uit een reusachtig groote houten pijp met zijn grijze kousen tegen de kachel zat, terwijl zijn vrouw in het kleine keukentje bezig was.

"Morgen, Jilles! kruip je in je schulp met het mooie weer?"

"Goeie morgen saam," luidde het antwoord. "Ja, kapteintje, we krijgen boos weer. Het stormsein hangt uit."

"Dat hebben we gezien. Ik vrees ook..."

"Voor je schuit, hè? Ja, 't is een schrale troost, maar om je de waarheid te zeggen, ik heb er een zwaar hoofd in en vrees, dat ze 't niet lang zal uithouden. Er staat daar boos water. Maar ga zitten, want het is buiten toch niks gedaan. De tanden waaien bijna uit je mond."

"Neen, dank je. We kwamen eens even kijken naar de zee, maar ik vrees, dat die me al even min moed zal inspreken als jij."

't Was waar: die troost was nog schraler. Hoog liepen de golven op en krulden zich steigerend tegen de paalhoofden, die ze op hun onwrikbare koppen in vlokkend schuim deden uiteen spatten.

"Ik zie mijn Poolster nooit weer, Jantje! Denk je 't ook niet?" riep de kapitein boven het geraas van wind en golven.

"'t Is bar weer!" antwoordde Jan schreeuwend. Hij kon zich op dat dijkje ternauwernood staande houden en telkens moesten ze achteruit of zijwaarts springen voor een golf, die hen met een ijskoud stortbad bedreigde. Nog enkele oogenblikken bleven beiden het indrukwekkende, ruwe schouwspel sprakeloos gade slaan. Kapitein Smit draaide zich om, alsof het hem moeite kostte afscheid te nemen van de plek waar zijn arme schuit naar den kelder ging en hij zei:

"We gaan naar huis, kereltje. We kunnen hier toch ook niets uitrichten. Misschien heeft moeder de koffie wel klaar. Kruip maar een beetje achter me."

"Ik kan er wel tegen op!" riep Jan, die zich graag groot wou houden; maar de wind joeg bij tijden den adem terug in zijn keel.

't Was een harde dobber om thuis te komen. De koffie was klaar en toen de kopjes gevuld waren, zei kapitein Smit:

"'t Is een booze ouwejaarsdag, vrouw Kodde en mijn schip is verloren, hoor!"

"Is 't waar, kaptein? 't Is toch zonde."

"Dat is 't. 't Gaat me razend aan mijn hart."

En toen na een oogenblik stilte.

"Vin je 't goed, dat ik vanavond hier weer kom?"

"Best hoor!" klonk het gul. "Erg best. Dan vieren we met zijn viertjes oud in nieuw. Da's voor Kees ook gezellig."

"Mooi zoo. Maar op een droogje kunnen we niet zitten hoor. Mag ik dan eens trakteeren? Ja? Zorg jij dan voor alles, vrouw Kodde?"

"Voor wat zoo al?"

"Voor een goeien voorraad krentenbollen en verder voor een flinken ketel chocolademelk. Doe je 't? Alle onkosten zijn voor mij!"

"Hè, hoe gezellig," riep Jan in verrukking. "Dan zullen we nog eris een echt gezelligen oudejaarsavond hebben!"

"'t Zal aan mij vast en stellig niet mankeeren, hoor," beloofde moeder.

Nog maar pas was dien avond de tafel afgeruimd, of kapitein Smit stapte al naar binnen.

"Jongens, jongens," zei hij, "wat een wind, wat een wind! En regenen! 't Giet soms met putsen tegelijk uit den hemel. Goeien avond allemaal. Wat ziet het er hier echt gezellig uit. Je hebt er alle eer van, hoor moeder!"

En vrouw Kodde hàd er eer van. De kopjes stonden zoo gezellig op het theeblad te pronken en op de kachel prijkte de chocoladeketel. Vader Kees zat in zijn leunstoel van zijn pijpje te genieten en Jan sloeg bij het binnenkomen van den verwachten gast gauw zijn bibliotheekboek dicht.

Het gesprek was weldra in vollen gang en Kees had zijn pijp verruild voor een lekker sigaartje. Van tijd tot tijd stokte het gesprek even als een huilende windvlaag de boomen bij het huis hun fluitend takkengezwiep deden hooren. Dan klapperden de pannen op het dak.

"'t Is nou toch ook niet alles op zee," bracht vrouw Kodde in het midden, maar de zeeman betoogde:

"Neen, dat is het zeker niet. Voor je plezier ben je daar nou niet; maar die lui van het land nemen het toch veel zwaarder op, dan een goeie zeeman zou doen. Werkelijk, als je er eenmaal in bent en je hebt een beetje zeemansbloed in je boddie, dan neem je dat ook nog wel op den koop toe mee. En bovendien, jullie denken, geloof ik, dat het op zee ongeveer drie honderd vijf of zes en zestig dagen in het jaar stormt, of op z'n minst hard waait. Maar, dat is niet zoo, hoor. 't Kan toch zoo heerlijk zijn en 't is ook in den regel zoo prettig, als je schip met een kalme zee er door snijdt, dat het een lust is om te zien. En dan je kostelijke vrijheid! Geen gezemel van ouwe zeurkousen. Geen lasterpraatjes van je buren; geen zorgen..."

"Geen zorgen?"

"Wel neen! Nou ja, zorgen heeft ieder mensch, maar geldzorgen bedoel ik. Wie oppast, komt vooruit en oppassen moet je overal op de wereld, anders ben je je kost niet waard. En je werk wordt betaald, goed betaald. Zeg nu eens, of dat op het land ook altijd het geval is."

Kees Kodde schudde bedenkelijk het hoofd en zei: "Zwijg daar maar over; daar weten we alles van. Hard werken, weinig verdienen en altijd de ouwe knecht blijven, tot je dood-versleten bent."

"En de wereld zien van een anderen kant dan van uit je dorp doe je nooit," zei Jan.