De avonturen van Jan Kodde

Part 7

Chapter 74,298 wordsPublic domain

"Langs dezen kant?"

"Dat wil zeggen, Hein, ja, langs achter ten minste. Let jullie nou goed op, of er geen onraad is. Zie je wat, dat niet deugt, dan moet jij, Gommert, tweemaal op je vingers fluiten, kort. Twee stooten en als 't gevaar voorbij is, dan geef je een langen haal. Snap je? Fluit nou niet verkeerd."

"Ben je nou besneeuwd?" zei Gommert; "bij onraad twee korte en..."

"Gesnapt. En sta nou zoo meteen niet alle vier op een hoopje naar mijn kant te gapen als jonge spreeuwen, maar elk op zijn eigen houtje. Apart dus. Je zult me zóó zien verschijnen."

"Waar ga je dan naar toe?"

"Door de poort naast den stal van de herberg. Die staat altijd open, zooals je weet en de ouwe herbergier komt maar zelden in dien achterafhoek. Door die poort kom ik in den herbergtuin; ik kruip dan door de haag en ben zoo in den hof van den bakker. Daar staat een varkenshok, kijk maar en... maar vooruit. De rest zal je zelf wel zien. Nou ga ik."

Jan wandelde, alsof er geen vuiltje aan de lucht was, er vandoor. Bij de stalpoort gekomen opende hij deze stilletjes en bevond zich in den tuin van Langeraad, den waard uit "De Witte Leeuw." Omzichtig loerde hij rond en zag niemand. Als een kat schoof hij den Leeuwenhof door en stond nu bij de dichte haag, die hem scheidde van den tuin van den bakker. Nu werd het oppassen, want het terrein, dat nu aan de beurt kwam, lag aan drie zijden open en bloot en als hij ontdekt werd, was alles verloren. Daar, daar zag hij een plek in de haag, die wat minder dicht was. In een wip was hij er door en nu sloop hij in gebogen houding langs die haag naar een hoek van den bakkerstuin. Dwars over steken was te gevaarlijk; dan liep hij te veel in de gaten.

Het achtererfje van Leen Schep was nog een meter of tien verwijderd, maar juist die tien meters waren de gevaarlijkste, want het gebied, waar Leen de alleenheerschappij voerde, was vanachter begrensd door het varkenshok, waarin de twee zwijntjes van den bakker zich vergastten aan oudbakken brood en nu was er ter wereld maar één weg om bij Leen achter te komen en die weg leidde van dezen kant uit over dat varkenshok heen. Maar wàs dat ook al een bezwaar, een nieuw, een onverwacht bezwaar was het niet, want Jan had alle moeilijkheden goed overwogen en zijn veldtochtsplan wèl in elkaar gezet. Hij aarzelde dan ook geen oogenblik; zette zijn voeten op den varkenstrog en werkte zich zonder veel moeite op het lage pannendak.

Nu pas zagen de vier uitkijkers in den Achterweg hem scharrelen. Gommert hield èn zijn vriend èn de deur van het bakkershuis in 't oog en o, schrik, daar zag hij deze laatste opengaan en de dikke bakkersvrouw trad naar buiten. Twee korte fluitstooten sneden gillend door de stilte. Gommert en zijn vrienden voelden het hart slaan van vrees, maar gelukkig: 't dak was al verlaten en Jan had voor een oogenblik zijn heil gezocht bij de knorrende varkens. Voorzichtig loerde hij door een reet tusschen twee planken of hij misschien ook den bakker zag verschijnen; maar er kwam niemand of niets en hij had de ruimte alleen, want de twee knorrende slap-ooren waren bij 't zien van hun onverwachten gast met een verschrikten varkenskreet in het nachthok gestoven.

Een langgerekt fluitsignaal was voor Jan het bewijs, dat het gevaar overgedreven was. Hij stak zijn hoofd boven de plankenschutting uit en zat weldra op den rand. Nu pas kwam het allergrootste gevaar. Als Leen in de buurt was; als hij plotseling zijn achterdeur eens opende! Maar vooruit! Nu hij eenmaal zóó ver was, kon hij toch moeilijk onverrichter zake terugkeeren ook, er mocht dan van komen, wat er van komen wou. Hij gleed aan de andere zij naar beneden, liep op de teenen naar het achterraampje van Leen Schep, gluurde er door naar binnen en: zijn hart sloeg in zijn keel, want daar zag hij op een tafeltje, tegenover het raam, den bal liggen.

Daar lag hij! Daar lag hij veilig en wel, want er was geen sprake van, dat Jan er bij kon komen. Nog even dacht hij er over, de deur stilletjes te openen, het achterhuis binnen te sluipen en den bal weg te pikken, maar hij begreep, dat zooiets onmogelijk kon gebeuren; dat stond gelijk met het hol van den leeuw, in dit geval van den Beer, binnen te gaan. Alle moeite was voor niemendal geweest. Neen, tòch niet heelemaal. Hij wist nu tenminste iets; wist, waar de bal wàs. Dat kon misschien waarde krijgen. Voorloopig was er maar één ding te doen en dat was: als de wind terug.

In minder dan drie minuten was hij weer in den Achterweg, waar zijn vier kameraden hem al te gemoet liepen.

"En?" riep Gommert vragend, "heb je 'm?"

"Neen!"

"Niet?" klonk het ontmoedigd, "da's me ook een stel!"

"Stil," waarschuwde Jan, "niet zoo schreeuwen. Ik weet tenminste waar hij is."

"Dat weet 'k óók," bromde Gommert. "Hij is natuurlijk in Leen z'n kraal; maar hij is niet, waar hij hoort en dat is in mijn zak."

"Zie je 't nou," opperde Hannes. "Heb ik 't je niet gezegd, dat je 'm voor goed kwijt was. Zie je 't nou zelf, Jan?"

Maar Jan gaf de zaak nog niet zoo maar in eens op. Zijn besluit stond vast: hij moèst en zoù den bal terug hebben en daarom antwoordde hij:

"Als je denkt, dat ik het er nou al bij zal laten zitten, dan sla je de plank mis. Zou je nou toch warempel meenen, dat ik me door dien ouwen, nijdigen Schep op m'n kop liet zitten? Nooit! We zullen hem trakteeren, dat het hem heugt en meteen den bal terug hebben ook."

"'k Zie 't al gebeuren tegen Sint Juttemis," twijfelde Hannes.

"Komt niks van terecht," bracht Hein in 't midden.

"Hou je in," zei Jan. "Als jullie maar durft. Als jullie me niet alleen laat staan, komt alles netjes en vierkant op z'n pootjes terecht. Maar 'k zeg nog eens: jullie moet durf in je lijf hebben."

Geen van vieren wou zijn durf aan eenigen twijfel onderworpen zien. Durven? Alles! En daarom ging Jan voort:

"'t Is tegenwoordig vroeg donker en volk op straat zie je zoo goed als niks. Om zes uur is 't voor mijn doel zeker al donker genoeg. Als jullie nou precies doet, wat ik je zeg, heeft Gommert zijn bal terug en dan zullen wij tegelijk dien leelijken Leen in 't zonnetje zetten, zooals hem nog nooit overkomen is. Jullie loopt er heelemaal geen gevaar bij."

De aandacht was ten hoogste gespannen en Louw van Tienen vroeg:

"Wat wou je dan nou weer?"

"Mot je verder hooren. Om zes uur zijn we hier alle vijf weer present. Jullie maakt dan zoo'n beetje schandaal aan den voorkant van Leen z'n huis en je zult zien, dat de ouwe Beer uit zijn hol sloft om tegen jullie op te scheppen. In dien tusschentijd neem ik langs den achterkant mijn kansje waar."

"Moet je dan weer over dat varkenshok?"

"Neen, daarvoor is 't dan te donker. Ik sluip door 't gangetje van Leen. Daar is een draaihekje, zoo je weet en dat bind ik achter me dicht. 'k Heb al zoo dikwijls gezien, dat er 's avonds in 't achterhuis een lichtje brandt, dus ik kan zien, wat ik zeg."

"Waarom moet dat hekje dicht?"

"Waarom Hein? Dat zul je vanavond zien. Dat is een verrassing voor jullie en ook voor de firma Schep."

"En moeten wij niks anders doen, dan dat kleine beetje opschepperij?" vroeg Gommert, wel een weinig teleurgesteld.

"Da's te zeggen... Durf je wat?"

"Zeur niet. 'k Heb zooeven immers al gezegd van wèl?"

"Mooi. Luister nou. 'k Heb thuis nog die ouwe groote fietspomp."

"Wou je daar Leen en Kee soms mee opblazen?"

"Hou nou je mond, Hannes en luister nou," zei Hein, die evenals de anderen vol belangstelling waren voor Jan's plannen.

"Goed. Weet je 't nog van laatst met die pomp?"

"Van dat water spuiten?"

"Precies. En nou komt er wat voor jou, Gommert. Jij kruipt vanavond met je gelaaie spuit in den boom voor Leen z'n deur. Komt Beeroom dan naar buiten, dan..."

"Dan geef ik hem een straal precies in zijn nijdigen wafel."

"Je snapt 'm. En de rest volgt vanavond. Maak nou allemaal, dat je op tijd bent, anders loopt de boel in 't honderd. Ik ga nou naar huis, anders krijgen m'n konijnen den geeuwhonger. Tot ziens!"

DERTIENDE HOOFDSTUK.

DE UITVOERING VAN HET PLAN. BOONTJE KOMT OM ZIJN LOONTJE.

Even voor zessen stonden de vijf samenzweerders tegen het huis van Doris de Voogd stil te beraadslagen. 't Was al aardig donker, zooals het op avonden in het laatst van October zijn kan, en de hier en daar neergeplante dorpsstraatlantaarn deed zijn niet zeer vleienden bijnaam van "gloeiende spijker" alle eer aan. Waar Elswijk zich ook misschien op mocht beroemen, de straatverlichting deed min of meer denken aan de dagen van een paar honderd jaar terug. 't Weer leende zich uitmuntend voor een aanslag. Regenen deed het niet bepaald en droog was 't ook niet heelemaal; zoo'n beetje drenzerig. Daardoor werd natuurlijk de duisternis nog meer verdiept.

"Heb je de spuit, Jan?" vroeg Hein.

"Dat zou ik meenen en de ouwe knaap is me zoo eventjes vol ook."

"Laat eens even zien."

"Hier heb je 'm, maar zien zul je niet veel. Pas op, de zuiger is uitgetrokken."

Hein had het instrument al te pakken, drukte met kracht de zuigerstang omlaag en s-s-s-s-, een flinke straal patste sissend tegen den muur.

"Uilige suffert!" viel Jan uit. "Mot jij 'm nou leeg spuiten! Dan heeft Gommert immers strakjes niks. Wat heb je nou aan een leege spuit! En hoe krijg je 'm hier weer vol water!"

"Da's waar ook; daar dacht ik zoo gauw niet aan. Hier heb je 'm terug."

"Jij bent ook een mooi meubel," bromde Louw. "Hou je vingers er ook af. Jij moet altijd overal aan zitten. Wat nou! Een spuit zonder water! 'n Mooie beweging. Daar staan we nou wel!"

"Jij zorgt, dat ie weer vol komt natuurlijk," oordeelde Jan. "En gauw maar ook en stilletjes meteen, anders loopt het zaakje scheef."

"Geef hier," zei Hein. "Bij Neel Boer staat de regenbak buiten en tien tegen een of er staat een volle emmer bij en zoo niet, dan put ik zachtjes een aker vol."

"Pas op nou," waarschuwde Hannes nog, "en maak geen lawaai en probeer eerst of ie goed vol zit en zuig 'm dan nog 's lekker vol, dat Leen goed zijn portie krijgen kan."

Hein verdween in 't donker en de vier anderen bleven in hun schuilhoek achter. Ze spraken bijna geen woord, zenuwachtig vervuld, door alles wat komen zou. Plotseling echter werd de stilte verbroken door een hevige hoestbui van Gommert.

"Hou jij nou op, met je geblaf," verzocht Hannes niet bijzonder vriendelijk, "je verraadt ons anders." En Gommert, die al bedaarde, zei:

"Hier is mijn ponjaard. Doorsteek me, opdat ik ulieden door mijn gehoest niet verrade."

"Flauwerik," fluisterde Hannes. "Je zit hier niet tot je knieën in die lekke turf schuit van... hoe heet ie ook weer."

"Stil nou," gebood Jan. "Hoe minder leven, hoe beter. Daar komt Hein terug. En?"

"In orde hoor! En een straal meneertje, als van onze hoog geroemde brandspuit. Met een klein fortuintje blaast Gommert er Leen mee van zijn sokken. Hier heb je 'm. Pas op."

"Luister nou nog eris goed," zei Jan. "Gommert klimt, natuurlijk als een kat zoo zacht, in den boom en dan kruip je tusschen de takken, zoo, dat je de deur goed in 't oog hebt. Als je goed en wel zit, ga ik op de heining staan en reik je je waterkanon aan. Dan hou je je gereed. Hein en Hannes en Louw gaan aan den overkant staan in 't donker tegen het huis van Ko Pols en gooien met kleine keisteentjes tegen de vensterluiken van Leen en vast en zeker komt onze beschermengel dan naar buiten. Als nou de achterdeur maar open is, want daar moet ik door. Staat Leen goed en wel op zijn stoep, dan geef jij, Gommert, hem met je spuit zijn tractatie en ik smeer door de achterdeur de gang van zijn huis in en doe vliegensvlug de voordeur achter hem op den grendel. Langs 't hekje kan hij niet zoo gauw achter komen, want dat bind ik vast en wat er verder gebeurt, moeten we maar afwachten.

"En als Kee je nou eens te pakken krijgt, want die ouwe tante is óók niet voor de poes."

"Geen nood. Ik tippel op mijn kousen door de gang en let er nou goed op: als je een hond hoort keffen, begin jullie met je steentjes te werken. Vooruit!"

Als vijf doortrapte misdadigers slopen ze nu op het huis van Leen Schep aan. Jan droeg voorzichtig de spuit. Gommert klom op het hekje en kon nu juist de onderste takken van den lindeboom met de handen bereiken. Hij trok zich op en toen hij goed en wel gezeten was, klonk zijn fluisterend: "klaar. Geef maar op!"

"Zit je goed?"

"Ja. Best!"

"Pak an dan. Hier heb je 'm en mik strakjes goed."

"Ja. Stil nou maar."

"Jullie drieën naar den overkant. Daar liggen keisteentjes genoeg; je kunt ze op 't gevoel wel vinden. Je weet er dus alles van en wachten tot ik blaf."

Muisstil klom Jan over de heining, maakte zonder eenig gedruisch het kleine draaihekje open en bond de spijlen met een stevig touw goed vast aan den paal, waartegen het draaide. Nu was hij op 't achterplaatsje van Schep en jawel, er brandde voor 't raam een looplampje, zooals Jan gehoopt had. Stil, geruischloos stil, lichtte hij de klink van de deur op, voelde even en gelukkig, de grendel zat er van binnen niet voorgeschoven. Hij kon dus naar binnen. Nu trok hij zich terug, kroop achter den regenbak, die buiten tegen het huis stond en bootste zoo natuurlijk het blaffen van een hond na, dat niemand zou gedacht hebben, dat hier een hond op twee beenen aan 't woord was.

Nu kwamen de drie keiwerpers in actie. Telkens tikten een of twee, soms drie steentjes tegelijk tegen de gesloten vensterluiken van Leen, waar door kleine openingetjes van boven het lamplicht scheen. Gommert staarde onafgebroken naar de deur, met de spuit gereed. Zou Leen komen?! Zou hij? Tik-tik! Weer twee tegen 't venster. Tik! Al weer raak! 't Stond niet stil. Gelukkig, dat er niemand langs kwam. Zou... Maar wacht! Daar hoorde hij zachtjes en voorzichtig de deur open doen. Leen stak zijn hoofd even buiten en Gommert hoorde een stem, de stem van Kee, fluisterend vragen:

"Zie je ze?"

"Stt!" zei Leen, "hou je mond. 'k Zie nog niks," en tegelijk verscheen de lieflijke gestalte van den heer Schep in zijn geheel op de stoep.

"Zie je nou nòg niks," vroeg Kee weer met gedempte stem.

"Nee, niemendal, maar wacht even. De rakkers hebben zeker een touwtje gespannen van de straat af tegen de vensters. 'k Zal ze vinden!" Kee en Leen stonden nu allebei op het straatje voor de deur en tuurden in het duister rond om hun rustverstoorders te ontdekken, maar ze zagen niets, dat op een jongen leek.

"'t Zijn bepaald die vlegels van den bal, die ik van namiddag inrekende," hoorde Gommert uit Leen's mond. Op hetzelfde oogenblik echter ging de voordeur achter het echtpaar Schep dicht en eer Leen tijd had, zich òm te draaien, om te zien wat er eigenlijk aan de hand was, siste een onzichtbare waterstraal uit den boom schuin naar omlaag en pardoes, want het kon onmogelijk mooier, vlak in het gezicht van Leen. Die gaf een schorren schreeuw van schrik en deed een sprong achteruit, maar die sprong ontperste Kee een snijdenden gil want haar echtvriend trapte haar ongemakkelijk op de teenen in haar muilen en dat niet alleen, maar hij kwam met zoo'n toomelooze vaart tegen haar aan, dat de eerwaarde mejuffrouw Schep tegen de zoo geheimzinnig gesloten deur aanbonsde, weerom stuitte en in haar vaart Leen meesleepte, zoodat beiden bezijden het straatje in de nattige aarde van het tuintje rolden.

Gommert stikte in zijn hooge schuilplaats bijna van ingehouden pret. Hij had moeite om het niet uit te schateren, maar hij wist zich toch nog in te houden en liet alleen een soort van geknor hooren.

Kee en Leen rolden grommend en kijvend over den grond en allerlei minder lieflijke benamingen ketsten heftig heen en weer aan elkaars adres. Pijnlijk rezen ze eindelijk beiden overeind, terwijl Leen opspeelde:

"Trek dan die deur ook niet achter je dicht."

"Doe ik dat?" sputterde Kee. "Ik heb heelemaal geen hand naar de deur uitgestoken."

"Hoe komt ze dan dicht?"

"Weet ik dat? Doe nou maar gauw open, want het bevalt me niks om hier voor gek in de kou op de stoep te staan."

Leen greep de kruk en duwde en trok en wrong en probeerde, maar de vestingpoort wàs en blééf gesloten.

"Wel stom," bromde hij, "daar begrijp ik nou geen stomme steek van. Zoo even open en nou ineens gegrendeld van binnen. Hoe komt dat nou? Die misselijke apen van jongens! Je ziet geen steek en dan patsen ze me bovendien nog een straal water vlak in mijn snuit."

"Zeur nou niet en doe open," drong Kee aan.

"Doe open? Doe open? Belast jij je hond en blaf zelf. Ik kan niet. De grendel zit er op," klonk het onvriendelijk.

"Maar we kunnen hier toch niet buiten blijven staan?"

"Denk je soms, dat ik dat van plan ben? Vooruit, dan gaan we langs achter."

Gommert hoorde Leen een oogenblik later aan het hekje morrelen.

"Da's ook al dicht."

"Maak 't dan open."

"Dacht je, dat ik dat niet doen zou, als ik kon?"

"Hoe zoo?"

"'k Begrijp er geen sikkepit van. Die akelige apenkoppen hebben me nou toch zoo eens even te pakken. Beroerde jongens!" Leen barstte haast van kwaadheid en sprak nu luid en krassend scherp.

"Laat jij ons dan ook met rust en sleep niet alles van ons in de wacht!" toeterde het door de stilte. Dat leverde Gommert hem.

"Pas op, geboefte, dat ik je niet te pakken krijg!" riep Leen terug.

"Dat kun je niet, ouwe plaag!" klonk het.

"Schiet op maar," drong Kee ongeduldig aan.

Leen, die nu op 't gevoel het touw gevonden had, sneed het met zijn zakmes door, doch ternauwernood sloegen beiden den hoek, achter, òm of er schoot een gebogen gedaante langs hen heen, die bliksemsnel door het hekje verdween.

"Hou 'm vast!" riep Leen nog en Kee schramaaide wel met haar knokige armen door de lucht, doch ze greep in de ruimte.

"Da's mis!" klonk het hun lachend uit Jan's mond tegen.

"De achterdeur staat open!" riep Kee verschrikt. "Dieven, moord!"

"Och hou jij toch je grooten schreeuwer dicht," beet Leen haar nijdig toe. "Jij met je dieven! Snap je dan niet, wat er gebeurd is? Die aap van zooeven is langs achter binnen gekomen. Die heeft natuurlijk de voordeur stilletjes achter ons gegrendeld. 't Zijn bepaald die vlegels van den bal geweest. Ja, kijk maar, die is geblazen. Ze hebben ons dan gemeen te pakken gehad, die schavuiten. En 't water is me tusschen mijn halsboord doorgeloopen. Gauw nou maar, naar binnen en doe asjeblieft de deur achter je op slot."

De vijf helden waren intusschen al lang en breed in den Achterweg. Ze brulden het uit van plezier.

"En hoe was je binnen gekomen, Jan?"

"Wel, op mijn kousen. Ik hoorde Leen en Kee allebei op de stoep en toen was de kust veilig. Dat was een meevallertje, waar ik heelemaal niet op had durven rekenen. Ik kon dus zonder gevaar mijn klompen achter op de stoep laten staan. Zachtjes smeerde ik door de gang en flap! de voordeur was achter hen dicht en tegelijk gegrendeld ook. Je snapt, dat ik niet bleef wachten maar dadelijk rechtsomkeert maakte. 'k Had nou al den tijd om op mijn dooie gemak den bal uit het achterhuis weg te pikken. Hij lag nog op 't zelfde plekje. Zie je, dat ik toch nog wel wat had aan mijn tocht van vanmiddag?"

"Kerels!" lachte Gommert, "je had dien ouwen knorrepot eens moeten hooren proesten. Hij ging te keer als een razende toen ik hem m'n straal vlak in zijn tronie spoot. En moeder Kee gaf een gil als een mager varken, toen Leen ze op d'r eksteroogen danste. Ze rolden als gekken over den grond. Jammer aan één kant, dat het zoo donker was. 'k Heb lekker mijn bal terug!"

"Jan," prees Louw, "je hebt 't 'm eens netjes geflikt. Wat jullie?"

"Nou en of."

"We hebben Leen samen een lesje gegeven, dat hij niet gauw vergeten zal," zei Jan. "Als de twee aardige lui er vannacht maar niet van droomen. Maar nou mot ik maken, dat ik thuis kom. We hebben den Beer fijn te pakken gehad."

"Wel te rusten!"

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

DE GEVOLGEN VAN DEN MIST.

Onder aan den binnenvoet van het duin stond in de eenzaamheid het huisje van Jilles. Niemand, groot noch klein, noemde hem ooit anders dan bij zijn doopnaam.

Jilles verdiende zijn brood door aan de zeewering te werken en niemand kon beter dan hij de zwarte stukken bazaltsteen zoo netjes, zoo geregeld en zoo stevig tot een paalhoofd leggen. Vlak bij zijn huisje stak een klein dijkje regelrecht in de zee uit. De duinenrij maakte daar een scherpe bocht en zoo werd door dat dijkje en het duin een soort van kleine baai gevormd en daarin lag de groote, plompe roeiboot van Jilles, waarmee hij soms naar de paalhoofden voer als hij daar nieuwe steenen had in te steken, welke steenen hij dan in de boot meevoerde. Geen grooter genot voor de jongens van Elswijk, dan wanneer ze op zoo'n roeitochtje den stoeren dijkwerker mochten vergezellen.

't Was nu een mistige voormiddag in de Kerstvacantie; zoo'n drukkende dreinerige dag als je zoo vaak om dien tijd van 't jaar hebt als het niet vriest. En wanneer vriest het eens lekker bij ons in den Kersttijd!

Jan slenterde uit verveling op zijn eigen houtje naar den kant, waar hij Jilles hoopte te vinden. Van een fijn roeitochtje, zooals wel eens gebeurd was, zou nu niets komen, maar in vredesnaam; Jilles was altijd een aardige kerel. Hij stak het duin over en wendde zijn schreden naar het dijkje. Je kon hier op zijn best tien meters voor je uit zien, zóó dik was het. Dichte mist en doodstil bijna. Alleen het zachte gekabbel der kleine golven, ruischte flauw uit den nevel op en Jan was vlak bij Jilles, eer deze hem opmerkte; ja, hij schrok op, toen Jan, wiens voetstappen in 't gras niet hoorbaar waren, plotseling zei:

"Goeien dag, Jilles!"

"Hé," zei de dijkwerker, zijn lichaam met een ruk opheffend, "ik schrik me een halve stuip. Waarom loop je zoo zachtjes?"

"Ikke? Ik loop gewoon. Mistig hè?"

"Nou, geen beetje," en Jilles ging weer verder met zijn werk.

Jan hoefde niet te vragen, waarmee hij bezig was. Dat werkje kende hij wel. Netjes had Jilles lang, glad roggestroo tegen de helling van den dijk uitgespreid, daarover smalle stroobundeltjes van een paar vingers dikte overdwars heen gelegd en nu was hij begonnen om die laatste strooreepen door het andere stroo heen met een klein vorkvormig stuk gereedschap in den grond te steken. Daardoor werd het glad uitgespreide stroo op zijn plaats gehouden. Jilles was aan het krammatten. Zieke plekken in den dijk, waar de golven het gras hebben weggeknaagd en die dus gevaar zouden kunnen opleveren voor uitkabbeling of nog erger: zulke wonde plekken worden op die manier verstevigd. Langzamerhand groeit er gras tusschen het krammat, waar dan ten slotte niets meer van te zien is en de zaak is weer gezond.

Jan had het al dikwijls zien doen. Een poosje keek hij belangstellend toe en vroeg toen:

"Mag ik ook eens steken, Jilles?"

"Jij? Dat kun je niet, Jantje; daar heb jij geen kruim genoeg voor in je knuisten."

"Niet? Kom nou! Dat denk je maar. Laat me dan eens probeeren."

"Vooruit, probeer op en laat zien, wat je kan."

Jilles schoof op zij en reikte het vorkje over. Jan greep het aan, streek op zijn knieën neer, zette het handvat tegen zijn borst, duwde en... sloeg met zijn neus tegen den dijk.

Jilles schoot in een lach en zei:

"Wat zei ik je? Je duikelt over je vork heen. Ja mannetje, alles moet geleerd worden. Je zou denken, dat dijkwerkerswerk heelemaal geen kunst is, hè? Alle werk is kunst, als je 't nog niet kan. Jij kan beter met knikkers werken en daar staan mijn handen niet meer zoo goed naar. Je kwam zeker eens kijken, of ik er niet met de boot op uit moest, hè? Maar dat zou ik wel feestelijk van onder mijn pet laten met zulk weer."

"Zou 't zoo erg wezen?"

"Erg? Kijk zelf. Je snapt toch, dat je zóó de kust kwijt was en dan was je gebrood.

"Ja, je kijkt me een klein beetje ongeloovig aan; maar geloof gerust, dat ik gelijk heb. Voor geen tientje deed ik het. Je weet niet half, hoe gevaarlijk het is, met zoo'n dichten mist op zee te zijn."

Jilles hervatte zijn arbeid en Jan keek naar den kant, waar hij den grooten waterplas wist, maar zijn uitzicht loste op in den dikken, grijzen nevelsluier.

Hoe vreemd was 't hier. Dáár waren de duinen, vlak bij en je zag ze niet. En alle geluid werd gedempt. Triestig zeurde het doffe geklots der golven, die tegen de glooiïng van den dijk kabbelden.