Part 6
Jan bleef op het straatje voor de deur staan en vrouw Kooiman slofte op haar muilen naar binnen.
't Duurde erg lang, zóó lang, dat onze jonge vrind bij zich zelf dacht:
"'t Lijkt wel, of baas Kooiman de heele lijst van buiten wil leeren, net alsof het jaartallen zijn. Als hij er dan zelf maar een goed jaartal onder zet, bijvoorbeeld: 1920. Baas Kooiman geeft een flinke kluit voor de geit van Toon Kempe. Maar wacht!"
"Kom maar eens even binnen, vraagt de baas," zei vrouw Kooiman.
Jan schoot zijn klompen uit en stapte op zijn kousen de vrouw achterna, door de keuken, de ouderwetsche lange gang en eindelijk in een groote kamer met matten op den vloer. Daar zat baas Kooiman bij de tafel. Hij had een bril op met groote ronde glazen en de portefeuille met de lijst lag open voor hem.
't Was een ouwe baas met een paar strenge oogen, die Jan strak aankeken. Zijn gezicht was echter lang niet stuursch of onvriendelijk.
"Jij bent de jongen van Kees Kodde, hè?"
"Ja, baas."
"En hoe weet jij, dat Toon Kempe z'n geit dood is?"
"Ik zag 't toen ik er voorbij kwam. Ouwe Geerte zat er bij te schreien."
"En toen?"
"Toen? Toen?... Wat bedoel je, baas?"
"Wat heb jij toen gedaan?"
"Niks! Ik heb er een poosje bij gestaan en toen ben ik naar huis geloopen."
"En wat dacht je wel?"
"Dat het erg zonde was van die twee ouwe menschen. Ze hebben het tòch al zoo arm."
"Da's waar... Hm! Hm! En heb jij toen dat plan verzonnen van die lijst?"
"Ik eigenlijk niet; maar ik vertelde het van die geit aan den bovenmeester en die deed me het plannetje aan de hand en die heeft de lijst geschreven ook."
"Dat dacht ik wel, want zoo mooi zou jij niet kunnen schrijven hè?"
"Och heden neen!"
"Nou, 't is wel een aardig plannetje. En nou heb je negentien gulden zie ik."
"En een gulden twintig van mezelf, maar die staan er niet op."
"Een twintig van je zelf? Zit het er bij jou zóó an?"
"Dat niet, maar ik wou het toch graag geven."
Kooiman zweeg en Jan zei natuurlijk ook niets. Eindelijk zei de eerste:
"Lust je pruimen?"
"Asjeblieft, baas!"
"Wacht dan even!"
"Wat was dat nou! Lust je pruimen! Wat een rare kerel," dacht Jan. "Hoe moet dàt afloopen?"
Even later was Kooiman weer in de kamer.
"Hier heb je d'r wat in een papieren zak. Eet ze strakjes maar op. Maar zeg me nou eens eerlijk: denk je, dat ik je wat geven zal voor die geit?"
Nou nòg mooier! Denk je, dat ik je wat geven zal?
"Ik hoop het, baas."
"Ja maar, je weet toch wel, dat Kooiman den naam heeft van een gierigaard te zijn, hè?"
Jan zweeg.
"Je zwijgt. Da's misschien nog maar het verstandigste. Luister nou 's hier. Ik zet niks op die lijst."
Daar! Dat viel tegen. "Dan had je je pruimen óók wel kunnen inzouten," dacht Jan.
"Wie moet die geit koopen?"
"Vader zou 't doen, baas."
"Goed. Welnou. Je vader koopt een beste geit; een beste, hoor je? En àl wat er te kort komt, dat kun je bij mij halen. Je hoeft dus niet verder meer te schooien. Maar geen mensch heeft er mee noodig, verstaan Jan? En nou, jongen, moet ik je dit zeggen: ik vind het mooi van je, dat je die twee ouwe zielen wilt helpen. Da's best. Kom me later eens vertellen, hoe ze 't vonden.
"Maar mondje dicht hoor over Kooiman, die gierig is voor iedereen, die onbeschaamd genoeg is, zijn luie handen om een aalmoes uit te steken en zonder werken aan den kost wil komen. Dag kereltje! Je komt dus om mijn portie als je alles weet. Laat je vader er nou maar verder voor zorgen."
Jan kon geen woorden vinden. Hij was letterlijk verstomd en zei zeker wel tien keer achter elkaar: "dank je wel, baas."
En nou als de wind naar huis. Nou was de zaak in orde. Den burgemeester kon hij een heeleboel vertellen, maar niet alles. Dat van Kooiman bleef een geheim. Dat zou hij nooit verklappen.
Wat kunnen de menschen iemand toch onverdiend zwart maken. Dàt kunnen ze!
ELFDE HOOFDSTUK.
WAARIN TOON EN GEERTJE EEN GEIT KRIJGEN EN WAARIN GEURENDE VERF VOORKOMT.
Toen Kees Kodde 's middags op den weg aankwam, stond Jan hem al op te wachten. Hij sprong als het ware zijn vader tegemoet en riep hem al van verre toe:
"De duiten zijn er hoor!"
"Wat zeg je nou?" klonk het roepend terug.
Ze waren nu vlak bij elkaar en Jan herhaalde:
"Met de duiten is 't in orde."
"Wat hoor ik nou?" vroeg Kees verwonderd, "da's ook gauwigheid. Hoe komt dat zoo?" En in korte trekken vertelde Jan onder het naar huis gaan zijn wedervaren van dien voormiddag.
't Spreekt van zelf, dat er onder 't middagmaal nergens over gesproken werd, dan over de collecte en over de geit.
Vader had nog eens geïnformeerd en wist, dat die geit, waar hij van sprak, een erg beste moest zijn. Hij zou vanavond een uurtje vroeger naar huis komen en dan zoo gauw mogelijk naar Moerland gaan. De prijs kwam er nu niet zoo bijzonder erg meer op aan en als het beest hem aanstond, zou hij het maar tegelijk mee brengen.
Na den eten liep Jan als een haas naar den bovenmeester toe om hem het goede nieuws mee te deelen en toen had hij nog even den tijd om bij den burgemeester aan te wippen. Jan was in de wolken en de beide heeren waren wàt in hun schik over den goeden uitslag. Maar over Kooiman sprak Jan zoo weinig mogelijk. Gelukkig werd niet naar de lijst gevraagd. 't Geld was er en dat bleef het voornaamste.
Natuurlijk hadden de jongens al vernomen, waarmee Jan de laatste paar dagen zijn tijd had zoek gebracht en de meesten waren in hun hart jaloersch op hem, omdat hij zoo'n buitengewoon leuk plan, want dat wàs het, ten uitvoer kon brengen. Als gevolg van die jaloerschheid probeerden sommigen Jan een steek onder water te geven, maar al die steken liet hij ijskoud langs zich heen glijden. En uithooren over wat er nu verder moest gebeuren? Hij dacht er niet aan en liet de nieuwsgierigheid onbevredigd.
De namiddag duurde hem minstens tienmaal zoo lang als anders en volgens zijn idee kon het om drie uur al best zes geweest zijn. Eindelijk na uren zonder eind sloeg het zes en gelukkig: daar kwam vader. Nu eerst boterham eten.
Vader was niet zoo opgewonden als zoonlief en toen de laatste zei:
"Mot je nou nòg al een boterham hebben, vader?" klonk het kalm:
"Ja, man, eerst mijn genoegen anders val ik van de graat."
Om half zeven was Kees Kodde al op stap naar Moerland, dat een twintig minuten gaans van Elswijk af lag en om zeven uur liep Janbaas, die nergens rust kon vinden, al uit te kijken, of zijn vader nog niet terug kwam. Zóó ongedurig was hij, dat moeder, om hem te plagen zei:
"Wacht je ergens op, mijn ventje?"
"Och, plaag me nou niet," was 't antwoord, "ik wou dat vader maar kwam."
Dat duurde nog tot bij achten en toen klonk Jan's juichkreet:
"Daar komen ze an!"
"Wie?"
"Vader en de geit natuurlijk!" En mèt ijlde hij den weg over.
Wat een pronkstuk van een beest. En 't blaatte zoo prettig en zoo leuk. Jan meende, dat er al veel mooie geiten konden zijn, maar zoo'n juweel spande stellig de kroon: zwart met witte vlekken en mooie horens en een sik!! Janbaas was er niet over uit. Ze kostte acht en twintig gulden. Dat kwam wel terecht, maar waar moest ze nu van nacht blijven!
Dat wist vader. Hij zou ze voor vannacht stallen bij Hannes de Jager, die had er wel ruimte voor, maar dan moest het gauw gebeuren, anders lagen die lui te bed.--
Weer was Jan den volgenden dag al vroeg bij den bovenmeester. Hoe moest dat nu met de geit?
"Wel," zei meester, "je gaat er mee naar Toon toe tusschen den middag en als je daar bent, dan bied je de twee ouwe luidjes d'r geit aan en dan zeg je..."
"Meester, daar komt geen spaan van terecht. Als ik dat op mijn eigen houtje moet doen, loopt de heele zaak ongemanierd in 't honderd. 'k Weet zeker, dat ik een sliert jongens achter me krijg van wat-ben-je-me. Heusch, daar komt niks van."
"Wat wou jij dan?"
"Doe u 't 's."
"Dank je feestelijk," was 't antwoord. "Ik sjouw met geen geit over 't dorp."
Jan moest onwillekeurig lachen. Hij zag in zijn verbeelding den bovenmeester al met die geit aan een touw marcheeren! Dat zou me een dwaas gezicht zijn.
"Neen, dan weet ik beter," stelde meester voor; "ik ga vooruit, wacht je onderweg op en dan kom jij met je geit."
"Hè ja, da's goed. En dan zegt u alles bij Toon hè? De heele preek?"
"En jij dan?"
"Ikke? Ik luister."
"Nou vooruit. Om twaalf uur van huis. Dat kan net, want om half twaalf gaat de school uit."
"Prachtig. Houdt u weer school?"
"Jawel, ik ben weer beter."--
Dien voormiddag zag meester heel wat door de vingers. Voortdurend toch dwaalde Jan met zijn gedachten af.
Om twaalf uur stapte hij met zijn viervoetig cadeau aan een touw den weg op naar Toon en halverwege al kwam meester van achter een boschje.
Gelukkig maar ook, want Jan had al gevolg. Een stuk of zes makkers gevoelden zich verplicht de plechtigheid met hun tegenwoordigheid op te luisteren en bij die zes was vriend Stoffel nog al. Meester verzocht ze vriendelijk rechtsomkeert te maken.
Daar waren ze bij Toon. Meester opende de deur en Toon kwam naar voren, op den voet gevolgd door Geertje want ze hadden door 't raam den drieledigen optocht zien aankomen.
Meester begon:
"Toon en Geertje! Door toedoen van Jan Kodde vernamen we, dat je vorige geit gestorven is en, óók weer door zijn toedoen, is er geld bijeen gebracht om je deze nieuwe te koopen."
Geertje sloeg van verbazing de handen ineen en greep daarop onmiddellijk naar een slip van haar schort, want zoo'n groot onverwacht geluk overstelpte haar. Toon knipperde geweldig met zijn oogen, toen hij probeerde te zeggen:
"Da's toch kras, da's..."
Jan stond bedremmeld. Hij had zich voorgesteld, dat Geertje en Toon... nou ja, dansen van blijdschap, daarvoor waren d'r beenen te stijf, maar die tranen! Hij werd er een beetje raar van. Doch meester vervolgde: "En Jan alleen heeft er zich voorgespannen om dat geld bijeen te brengen. Hij zag er wel wat tegen op, je je geit alleen te brengen en daarom ging ik mee. Geertje en Toon, uit zijn naam bied ik je het beest aan."
Geertje greep Jan bij de hand en snikte; Toon wou zijn andere hand grijpen en tegelijk wat zeggen, maar zijn keel schoot vol. 't Werd nu Jantje-baas te machtig. Hij kreeg zelf de waterlanders in de oogen, maakte zich los, draaide om en liep, liep, alsof hem tien van Stappens op de hielen zaten. Hij liet den meester bij de twee overgelukkige oude menschen achter.
"Als ik dàt geweten had, dan had ik vader met de geit gestuurd," dacht hij onder 't vliegen en hij verslapte zijn vaart pas, toen hij bij het dorp was. Daar schoot Stoffel hem op zij. Die had een pot met groene verf in de hand en begon opslag te vragen:
"Wat zeien ze wel, Jan?"
"Wie?"
"Wel Toon en Geerte van d'r geit?"
"Ze keken maar aldoor naar d'r neus."
"Naar d'r eigen neus?"
"Wel neen sukkel, naar den neus van de geit."
"Waarom?"
"Die was nat?"
"Nat? Van wat?"
"Van plezier, omdat ze hem nooit in een andermans zaken steekt."
Stoffel voelde den steek en gromde: "klets niet."
"Van 't zelfde."
Stoffel zette eensklaps zijn verfpot neer, bukte en greep een steen.
"Wat gaan we nou eten?" vroeg Jan.
Maar Stoffel gaf geen antwoord en slingerde den kei over de sloot op 't erf van Jansen, waar een kalkoensche haan liep te snateren en te pronken.
"Mis!" en Stoffel zocht een nieuwen steen.
"Hou toch op en laat dat beest met rust. Hij doet je immers niks."
"'k Zal gooien als ik wil."
"Bah wat ben jij toch een dierenplager."
Stoffel zocht nog altijd. Jan kreeg den verfpot in 't oog en roerde er met den kwast in.
"Hier heb ik een lekkere," klonk het verrast uit den mond van den gooi-graag. "Als ie die op z'n bast krijgt, zul je 'm eris hooren. Let op." Maar op 't zelfde oogenblik kwam Jansen om den hoek van de schuur en Stoffel liet stiekum den steen vallen.
Jan was met een verrukt gezicht in de verf bezig. Hij rook aan den kwast.
"Wat is dat voor verf, Stoffel?"
"Voor moeder. Voor d'r emmers."
"Da's zonde," En Jan snoof weer begeerig.
"Zonde? Waarvoor?"
"Zulke kostelijke verf heb ik nog nooit geroken." Weer rook Jan aan den kwast.
"Ruiken? Ruikt die dan zoo lekker?"
"Lekker? Meer dan fijn. Ruik zelf."
En Stoffel boog, maar Jan plantte opeens den vollen kwast op diens sproetigen neus, zoodat de verf er in stralen langs droop. Stoffel blies en Jan gierde het uit.
"Leelijkerd!" keef Stoffel!
"Ja!" schaterde Jan. "Jij bent nou mooier, groene baviaan!"
Het slachtoffer poetste en wreef, maar dat maakte de zaak niet beter: zijn heele gezicht werd groen en hij zag er zoo bespottelijk uit, dat Jan zoo mogelijk nog harder schaterde. Stoffel was als een spin en ging zóó te keer, dat er eenige jongens kwamen aanhollen.
De troep werd steeds grooter en de vroolijkheid steeg ten top. Jan danste als een dolle om den groenen Stoffel heen, die ten slotte niets beters wist te doen, dan zijn verfpot te grijpen en zoo hard hij kon, naar thuis te rennen.
Toon en Geerte en den meester en de geit: Jan had ze alle vier totaal vergeten en had nog pret om half twee, toen hij Stoffel op 't schoolplein zag verschijnen. Die rook naar terpentijn. Je begrijpt wel, hoe dat kwam.--
Meester zei, met gedempte stem, toen de school pas in was:
"Jij bent ook een mooie mosch. Je liet me netjes in den steek."
Toen werd Jan bedaard en hij antwoordde:
"'k Had er mijn bekomst van, meester." Meer werd er in 't bijzijn van de heele klas niet over gesproken.
Maar de geitenzaak was nog niet afgedaan. De geldkwestie moest nog in orde komen en daar liet Jan geen gras over groeien. Om vijf uur 's avonds stond hij bij de achterdeur van Kooiman en moest dadelijk binnen komen.
"En?" vroeg de baas.
"'t Is allemaal in orde hoor, baas. Ze hebben d'r geit. Vanmiddag al. Vader kocht gisteravond een bovenstebeste op Moerland voor acht en twintig gulden."
"Dat doet me genoegen. Enne... mondje gehouden?"
"As een Mof!"
"Goed zoo. Wacht nou even. Hoeveel had je ook weer in kas?"
"Twintig gulden twintig."
Kooiman stond op, opende zijn secretaire, scharrelde er even in, kwam terug naar de tafel en zei: "Hier, da's net gepast." Hij gaf Jan een bankbiljet van tien gulden.
"Nee baas, da's teveel en 'k heb niet terug."
"'k Wil ook niks terug hebben. Wat er teveel is, mag jij houden."
Jan werd rood en antwoordde: "maar dat neem ik niet an. Dat wil ik niet!"
"Waarom niet?"
"Baas, de aardigheid zou er voor mij heelemaal af zijn, als 'k er zelfs ook maar één half je voordeel van had. Begrijp je dàt nou niet?"
"Dat kan wel, maar eens gegeven, blijft gegeven."
"Mag ik het dan houden?" Jan's stem klonk blij. "En er mee doen wat ik wil?"
"Da's te zeggen. Wat wou je er dan mee?"
"Nog een aardigheidje koopen voor Geerte; suiker en koffie en al zulk gesnor."
Kooiman glimlachte tevreden en zei: "Je bent een aardig jonk. Doe er maar mee, wat je wilt. Maar je moet toch wàt van me mee hebben. Waren de pruimen lekker?"
"Heerlijk, baas!"
"Neem er dan nog een beetje mee. Dàt doe je toch wel?"
"Asjeblieft, baas!"--
En moeder Kodde beaamde ten volle wat Jan zei, toen ze 's avonds met zijn drieën aan de lekkere gele pruimen smulden:
"Die Kooiman een vrek noemt, kent hem niet."
Moeder beloofde nog dienzelfden avond het overschot van 't geld goed te besteden en toen Geertje den volgenden morgen de deur van haar huisje opende, vond ze op de stoep eenige zakken en zakjes met koffie, suiker, thee en wat niet al. Boven op lag een papier, vastgestoken met een speld in een zak met bruine suiker, op welk papier met een echte schooljongenshand geschreven stond:
Voor Geerte van de rest van 't geite geld.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
EEN JONGENS-PLAAG AAN 'T WERK.
Het schoolplein van Elswijk was niet zoo heel groot, trouwens de school zelf was ook maar een kleine. Vlak naast het schoolplein woonde Leen Schep, een rentenier, onder de jongens en ook bij de ouderen algemeen bekend onder den naam van Leen den Beer, welken bijnaam hij aan zijn meer dan onplezierig humeur te wijten had. Leen toch was een brompot van de ergste soort, die wel een hekel scheen te hebben aan iedereen, misschien ook aan zichzelf. Grooter jongenshater dan hij was beslist nergens te vinden en hoe ter wereld zoo'n man als hij er toe gekomen was om vlak bij 't schoolplein te komen wonen zal wel altijd een onopgelost en onoplosbaar raadsel blijven. Voortdurend toch lag hij met de schooljeugd overhoop.
Of was hij juist dáár gekomen, omdat hij er blijkbaar zijn grootste vermaak, een heerlijk genot in vond om de jongens als hij maar eenigszins kon een kool te stoven en hun het leven zuur te maken? Hoe 't zij, Leen wàs er en de jongens werden ieder oogenblik maar al te leelijk gewaar, dàt hij er was en als hun wensch vervuld was geworden liep de ouwe Leen al lang aan de Noordpool te ijsbeeren.
Als je op niets kwaads verdacht was en je zag het onvriendelijke gezicht van Leen in geen velden of wegen: één vinger stak je in de asch en als bij tooverslag verscheen de gevreesde bullebak met zijn loerende, grijze oogen onder de borstelige, vooruit stekende wenkbrauwen. Kwam je per ongeluk te dicht bij zijn tuinhek, Leen schoot onverwachts op je af. En òp zijn hek gaan zitten, zooals je overal anders wel eens deed? Geen schooljongen zou het in zijn hoofd gekregen hebben. Vast en zeker had Leen je een emmer water over je overmoedige lichaam gesmeten. Hoe veel tollen hij al had ingerekend, die in zijn tuin gevlogen waren, is niet te zeggen. Als een haai op zijn prooi schoot hij er op af en 't was voor iederen jongen een mirakel, hoe gauw de loerende Leen er altijd bij was. 't Leek wel, of hij het rook, als er wat van den een of ander in zijn tuin te land kwam.
Je begrijpt, dat iedere jongen bang voor zoo'n schoolplein monarch was, maar je begrijpt zeker ook, dat elke Elswijker jongen het niet zou laten om Leen op de een of andere manier te pakken te nemen. Als je maar zorgde, dat je uit zijn handen bleef, want hij had me zoo even een paar grijpers. In al zijn jeugd verzuring had Leen een trouw medehelpster in Kee, zijn vrouw. Ieder oogenblik van den dag kon je haar groote brillenglazen achter het raamhorretje zien blinken. Sommige jongens zeiden, dat ze daar voortdurend op wacht zat, omdat je telkens het nijdig getik van haar vingerhoed tegen de ruiten kon verwachten. En anderen bezwoeren bij kris en kras, dat ze haar vriendelijken echtgenoot opstookte om de jongens goed achterna te zitten, maar die wat beter doordachten, wisten wel, dat Leen niet aangepord behoefde te worden op dat gebied.
Op een Zaterdagnamiddag in October waren Jan en Gommert Vos, Louw van Tienen, Hein Krul en Hannes de Roo op 't schoolplein aan het spelen. Het verbeeldde voetballerij met een rooden elastieken bal van Gommert, maar een echte volbloed voetballer zou er zijn neus voor opgetrokken hebben. Die had het kind vierkant bij zijn naam genoemd en gezegd: "'t Is maar zoo'n beetje gegooi en geschop met dat stuk elastiek." Hoe 't zij, onze jongens hadden het grootste plezier en soms kreeg de bal een oppeuter, dat hij boven de school uitvloog en dan was er natuurlijk het noodige spektakel bij, dat onafscheidelijk aan voetballen verbonden schijnt.
Van tijd tot tijd vormden ze alle vijf één palingachtige, schreeuwende massa en dat allemaal terwille van dien eenen gummi bal.
Tweemaal reeds had een driftig tikken van Kee hen gewaarschuwd, dat ze dicht bij vijandelijk terrein kwamen en Leen was al eens, zoo schijnbaar zonder erg, in zijn tuintje verschenen. Tot opeens, daar gaf Hannes de Roo den bal een trap, dat hij pardoes langs den lindeboom schoot, die voor Leen's huis stond, tegen het dak aanpatste, toen met kleine sprongetjes omlaag tipte en toen, o jammer, midden in den tuin rolde tusschen een paar armzalige, uitgebloeide rozenstruiken.
Spoorslags was alle plezier verdwenen, was alle gejuich verstomd en staarden de voetballers elkaar sprakeloos aan. Onwillekeurig wendden ze alle vijf hun schreden naar het hekje, dat als een electrische draad het verboden grondgebied omstrengelde. Kee tikte natuurlijk weer al, maar dat was overbodige moeite. Geen van vijven zou er zich in deze omstandigheden aan gestoord hebben, al had ze de ruit te barsten getikt èn geen van vijven zou ook maar even geaarzeld hebben om over de heining te springen en naar den bal toe te hollen. Doch natuurlijk: als een wraakgierige geest schoot Leen al voor den dag. 't Was, alsof hij uit den grond verrees; of hij er op had staan wachten. Met tergende kalmte stapte hij op den bal toe, greep hem en stak hem grijnslachend in den uitgescheurden zak van zijn verschoten jekker, terwijl hij zoo hatelijk mogelijk tot de jongens kraste:
"Die is voor de haaien jongetjes."
"Toe Leen, krijg ik 'm asjeblieft terug," schooide Gommert.
"Geen kwestie van," was 't antwoord.
"Maar we konden er toch niks aan doen, dat hij in je tuintje vloog?" waagde Hein.
"Niet? Ik toch ook niet zeker? Dat heb je van je gek getrap tegen zoo'n stuk elastiek," antwoordde Leen, blijkbaar erg vergenoegd.
"Nee, jij kunt er zeker niks an doen, maar geef me nou m'n bal terug, Leen."
Tot antwoord draaide de onheusche Schep zich om en verdween zonder een woord te zeggen, door het gangetje naast zijn huis.
"Wat een ezelsveulen. Wat een hatelijk stuk mensch!" barstte Louw kwaad uit.
Jan had nog niets gezegd, maar nu kwam het los:
"Hij is voor de haaien, de bal. Ja, voor die twee haaien dáár. Zoo'n vent moesten ze het dorp uitbannen. Zoo'n... zoo'n Isegrim, zoo'n Beer, zoo'n bruine grijnsaap!"
"Met dat al ben ik mijn bal kwijt," treurde Gommert.
"Ja, die is naar z'n grootje," bevestigde Hannes. "Die ouwe Grijpgauw heeft 'm te pakken en dan kan je er wel naar fluiten, dat weten we van ouds. Hij kan zoo zoetjes aan wel een winkeltje gaan opzetten van ingepalmd jongensspul; zoo'n roofdier."
"'t Is meer dan dun," zei Jan, "dat je daar nou heelemaal niks aan doen kan. 't Ventje wel. Zag je 'm grijnslachen? Hij lacht nooit, dan wanneer hij ons een pretje kan bezorgen, zoo'n vroolijke potmosch. Schep, ja zeker, Schep-vreugde-in-'t-leven mag je wel tegen hem zeggen. Leen Schep-op! Laten we maar weggaan. Kijk dat hoofd van Kee eens razend te keer gaan achter haar raamhorretje. Leen brengt zeker verslag uit en nou bekijken ze den buit. Vooruit, we gaan; ze hebben er anders nog meer aardigheid in, als we hier als beteuterde Jorissen blijven heen en weer schilderen."
Druk pratend sloegen ze nu den Achterweg in en streken daar neer tegen den hittenstal van den bakker, waar, dat spreekt van zelf, de verbeurd-verklaarde bal het onderwerp van 't gesprek bleef.
"'k Wou dat ik 'm maar terughad," wenschte Gommert voor de zooveelste maal.
"'k Zei je immers, dat je 'm nooit meer terug ziet," betoogde Hannes niet òver-bemoedigend. "Nooit zie je 'm weerom; voor goed geblazen. Wat jij, Jan?"
Jan antwoordde niet dadelijk. Er flitste een geheimzinnig vuur uit zijn donkere kijkers, zoodat Hannes herhaalde:
"Wat jij? Of zie jij er kans op?"
"Hoe laat zou 't wezen?" vroeg Jan.
"Hoe laat? Zoowat half drie, maar wat zou dat?" vroeg Louw.
"Eigenlijk niks."
"Wel nou dan. Zie jij een gaatje?" vischte Hein.
"'k Weet niet... Waar zou die akelige, zure Leen den bal gelaten hebben?"
"Ja, goeie morgen; zeg maar op," viel Hannes in.
"Wou jij 'm soms halen?"
"Als je 't weten wou: ja; dat zou ik nou net precies eens graag willen. Luister alle vier nou 's goed. Achter Leen z'n huis is een klein plaatsje, waar zijn achterdeur op uitkomt. Wacht, je kunt het hier vandaan zien. Kom hier."
Ze rezen op en nu lei Jan verder uit:
"Zie je de deur?"
Vier knikkende hoofden en acht vragende oogen.
"En vlak naast die deur is een raam. Welnou, dat raam is van zijn achterhuis en nou zou 't me niks verwonderen, als de vent daar den bal van Gommert had neergelegd."
"Allemaal mooi en goed," onderbrak Gommert, "maar ik had 'm wel zoo lief in mijn broekzak. als daar in dat achterhuis."
"Hou je even in. Nou ga ik probeeren om 'm terug te krijgen."
"Jij? Hoe? 't Zou wat! Kom nou!" klonk het verward.
"Ja, ik. Maar jullie moet me helpen."
"Ik ga niet mee," bracht Hannes al vast in het midden.
"Dat vraag ik je ook niet. 'k Moet je niet eens mee hebben, maar je moet helpen uitkijken. Ik ga er alleen op uit."