Part 5
Jan stond even te denken. Toen scheen hij eensklaps een besluit te nemen, want hij zei:
"Ja, dat doe ik en dan hier een beetje gauw opgeschoten."
Om tien uur was onze baas op 't schoolplein, slenterde even heen en weer en deed toen het hekje naast meesters huis open, waardoor hij bij de achterdeur kwam.
Jan deed die open en riep: "Huila!"
De vrouw van den meester kwam en vroeg vriendelijk:
"Wel Jantje, wat is er, vent?"
"Mevrouw," hakkelde Jan een beetje in de war, "de meester is ziek en nou... wie moet er nou voor de konijnen zorgen?" En zonder antwoord af te wachten, raffelde hij er achter: "Ik zal 't wel doen en uitmesten en eten geven ook en halen ook."
"Da's aardig van je," zei mevrouw. "Dat zal de bovenmeester ook erg aardig van je vinden."
"Dan ga ik ze eerst uitmesten."
"Goed en als je dat gedaan hebt, moet je 't even komen zeggen, zul je?"
"Ja mevrouw."
En Jan ging achter in meesters tuin, waar tegen het schuurtje op houten stellinkjes de twee hokken stonden.
Hij wipte het schuurtje in en kwam er even later weer uit met een schrabber, dien meester gebruikte om in zijn tuin te wieden. En nu aan den slag! Je kon merken, dat Jan zoo'n werkje niet voor den eersten keer deed. 't Ging hem handig af. Hij maakte de beide hokken keurig netjes in orde en spreidde er een laagje lekker frisch hooi in.
"Ziezoo, ouwe jongens, nou zit jullie heerlijk schoon in je buitenverblijf. 'k Zal eens zien, of er wat te bikken voor je is, want je etensbakjes zijn puur leeg. Wat zou meester jullie in je bakjes geven? Brood? Nou, da's ook wat! Knabbel-spul was beter; een koolstronk of een flinke wortel. 'k Zal zien, of er niet een bloemkoolstronk voor jullie te vinden is in meesters hof."
En werkelijk: Jan vond er twee en of de konijnen er zich aan te goed deden! Jantje had er zelf zijn draai in.
"Da's andere kost dan brood hè? Jullie moet knagen, anders groeien je tanden te hard en dan maak je je hok maar stuk. Huila, zwarte knaap, niet zoo driftig, anders breek je nog een tand en daar zou je niet op lachen, slokop! Zou de bovenmeester jullie altijd gras voeren? Even vragen."
"Zeg Ka," riep Jan tegen de meid, die juist uit de achterdeur kwam, "weet jij niet, wat de meester altijd aan zijn konijnen voert?... Wat zeg je? Gras? O zoo! Nou, maar dan zal ik ze vandaag en morgen eens op wat anders trakteeren. Ze krijgen paardebloem-planten, zooveel als ze lusten!"
Kaatje riep iets terug.
"Waarvandaan?" antwoordde Jan. "Dat weet ik wel. 'k Haal 't voor de mijne ook altijd! Is er geen mandje bij de hand?"
"Kijk maar eens in 't schuurtje, daar zal er wel een wezen!"
't Was waar. Jan vond wat hij zocht en hij wou juist om een voorraad voer gaan, toen meesters vrouw hem riep:
"Kom nou maar eerst in de keuken om een kop koffie Jan! Wil je?"
"Astublieft!" En Jan kwam de keuken in, waar hij een kop koffie kreeg met een snee zoetekoek van wel anderhalven vinger dik. Een bommerd!
Terwijl hij in zijn heete koffie zat te blazen, kreeg hij op eens het raampje in 't oog, waardoor hij toen naar dien sla-emmer gehengeld had en onwillekeurig schoot hij haast in een lach. Maar hij hield zich in, omdat hij dat avontuur nu liever maar met rust liet.
Een kwartier buiten het dorp lag het kerkhof, dat met een dichte haag van elzen omzoomd was en achter dat kerkhof liep een sloot, nu droog, begroeid met gras, allerlei struikgewas en dichte braamdorens. Daar had Jan voor een paar weken een grooten voorraad paardenbloemen ontdekt. Hij kroop tusschen de struiken door en stak met zijn mes de bossen uit, die wel wat op andijvie geleken. 't Was een echte lekkernij voor konijnen.
Hij lette er niet op, dat het witte melksap, dat uit de afgesneden wortels te voorschijn kwam, zijn vingers bruine plekken bezorgde. Dat ging er strakjes met een blaadje zuring wel weer af. Hij had het erg druk, tot opeens...
Stil, wat was dat?
Een groote vogel met een heeleboel kleintjes, net kuikentjes.
Jan loerde stilletjes tusschen de braamstruiken door en zag een fazant hen, die met haar kleine grut door 't gras scharrelde. Dat was toch een leuk gezicht, die bruingrauwe vogel en al die kleine dotjes er trippelend bij. Papa met z'n mooie goud roode veeren was zeker uit. Jan kroop nog wat verder en liet een verrast "aha! da's een buitenkansje!" hooren. Wat vond hij?
Het broednest van de fazant en daarbij de leege eierdoppen.
"Jongens, da's getroffen!" juichte hij zoo luid, dat de fazant er met haar kroost zoo gauw mogelijk van door stoof en in 't lange kerkhofgras verdween.
"Als ik die leege schalen bij Westdijk, den jachtopziener breng, heb ik een dubbeltje voor 't stuk. Laat eens zien. Tien, elf, twaalf uitgebroede eiers, da's één gulden en twintig centjes. Zoo'n fortuintje is me nog nooit te beurt gevallen. Ik doe ze voorzichtig in mijn zakdoek en leg ze dan op mijn mand met konijnenvoer. Jongens, jongens, hoe is 't mogelijk, zou je zeggen. Da's pas een bik!"
En Jan verkneuterde zich in zijn buit.
"Nou ga ik eerst naar Westdijk toe, voor ik naar den meester ga. De konijnen kunnen tòch nog geen honger hebben."
't Was een aardige wandeling naar den jachtopziener, maar dat kwam er minder op aan. Jan trof hem gelukkig thuis en ja hoor: hij kreeg een gulden en twee dubbeltjes voor de leege eierdoppen: een maatregel natuurlijk om het uithalen der eiers en daardoor het verminderen van den wildvoorraad te voorkomen. Heeren jagers weten ook wel wat ze doen.
Een gulden en twintig cent! Zoo rijk was hij nog nooit zoo gauw geweest. Wat zou moeder lachen als ze 't hoorde. Maar nu eerst de konijnen van den meester verzorgd en dan op een beentje naar huis toe.
Op den terugweg naar het dorp moest hij voorbij het huisje van den armen Toon Kempe. Toon was een oud, versleten mannetje, die met Geertje, zijn vrouw, woonde in een huisje, dat eigenlijk meer den naam van hut verdiende. Werken kon ouwe Toon al lang niet meer en hij leefde voornamelijk van 't geen hij en Geertje van 't staatspensioen trokken.
Eén geluk: melk hadden ze in den regel in overvloed van hun geit.
Op 't oogenblik nu, dat Jan de schamele woning zou voorbijgaan, zag hij Toon en Geertje bij iets geknield liggen op het bleekveld voor 't huisje. Hij werd nieuwsgierig en stapte op het paar oudjes toe. De oude vrouw hield haar schort voor de oogen en schreide, terwijl Toon de geit, die bewegingloos in 't gras lag, streelde.
Wat was er gebeurd?
Toon vertelde het hem met een treurige stem:
"Jan, Jan, nou is opeens onze goeie geit gestorven. Gisteren was ze nog gezond, toen at ze tenminste nog en nou dood!"
"Nou zijn we nog armer dan arm!" snikte Geertje "... Dat lieve beest. Waar halen we nou voortaan onze melk! En ze gaf zoo veel en koemelk is zoo duur. Daar is voor ons geen aankomen aan!"
"'t Is verschrikkelijk!" jammerde Toon, "'t is erger dan erg. 't Was ons heele bezit."
Jan was verslagen. Wat moest hij zeggen! Hij had innig medelijden met de twee oude, arme stakkers.
"Kom, kom Geerte," probeerde hij te troosten om toch wat te zeggen: "Je kunt misschien wel een nieuwe geit koopen."
"Koopen?" zei Toon treurig. "Koopen? Van wat? Zet eens een vuist, als je geen vingers hebt; kun jij pluimen halen van een kikker? Neen, Jantje, mijn jongen. We zullen 't zonder melk moeten stellen. Da's een zware slag voor ons, vent." En zijn stem beefde.
"En zonder pap ook," snikte Geertje. "En dan dat lieve, vriendelijke beest dood. Arm is nog niet genoeg. Nou dit nog! Je moet toch maar ongelukkig zijn."
"'t Is lam, da's waar!" Jan wist niets anders te zeggen en ging erg onplezierig gestemd verder.
Hij? Een andere geit koopen? Ja zeker, maar hoeveel zou zoo'n beest wel kosten! Hij zou er met alle plezier zijn pas verworven vier en twintig stuivers voor over hebben. Maar zooveel wist hij wel: voor vier en twintig stuivers heb je geen geit.
"'t Is toch zonde van die twee ouwe, stumperige stakkers," mompelde hij.
Zou daar nou toch eens niets op te verzinnen zijn? Niets?
NEGENDE HOOFDSTUK.
JAN KOMT OP EEN UITMUNTEND DENKBEELD. MAAR ZAL 'T GAAN?!
"Waar loop jij zoo over te suffen?" 't Was Stoffel Driedijk, die 't zoo belangstellend aan Jan vroeg. We weten al, dat Jan niet zoo bijzonder Stoffelachtig uitgevallen was.
"Ik? Ik suf niet."
"Zoo. En je ziet me niet eens."
"Dat spijt me, want jij bent anders werkelijk het aankijken wel waard," zei Jan scherp.
"Nou, nou," suste Stoffel, "snij maar niet op. Waar ga je naar toe?"
"Ho even," dacht Jan, "dat zal ik jou niet aan je neus hangen. Geen mensch heeft er mee noodig, dat ik meester z'n konijnen verzorg. Ze zouden anders al gauw denken: Jan doet het om bij den bovenmeester in een goed blaadje te komen en dàn hebben ze 't mis. Waarom of ik 't dan wèl doe, weet ik zelf niet, maar vast niet uit fleemerigheid."
Stoffel wachtte nog op antwoord en zei, half vragend:
"Nou?"
"Och kerel, zeur niet. 'k Ga, waar ik wil en 't liefst zonder jouw gezelschap, dus hoepel maar op, want ik ben niks om je verlegen."
"Wel, wel wat een praatjes. Wat denk je wel?" smaalde Stoffel.
"Wat ik denk? Dat jij een nieuwsgierig stukje mensch bent. Daar, nou weet je 't. Bemoei jij je maar met je eigen bemoeisels. Bonjour!"
En Stoffel aan zijn lot overlatend, vervolgde Jan zijn weg naar meesters huis.
Toen hij over 't schoolplein kwam, zat de bovenmeester juist voor 't raam. Hij tikte op de ruit en riep:
"Zeg ereis! Als je strakjes klaar bent, kom dan eens even naar binnen!"
Jan tikte aan de helft van zijn petklep, want de andere helft zat ergens anders, dan aan Jan's pet. En tegelijkertijd zei hij: "Ja meester."
Eerst verzorgde hij de konijnen, ging toen naar de achterdeur, deed open en werd daar begroet door Ka met de woorden:
"Zoo Jantje, ben je er weer. Is de zaak in orde?"
"Welke zaak?"
"Wel, van de konijnen."
"O, bedoel je dat? Ja, da's klaar en meester zegt, dat ik even bij hem moet komen."
"Goed, kom binnen."
Jan liet zijn klompen op het grint staan en volgde Ka toen naar binnen.
Meester zat in een leunstoel voor 't raam en Jan vond, dat hij er wel een beetje sip uitzag.
"Dag Jan," zoo begroette de bovenmeester hem, "da's aardig van je, kerel, dat je mijn kweekerij niet in den steek laat. Dank je wel, hoor. Hoe kwam je toch op dat idee?"
"Dat weet ik zelf niet goed, meester, maar 'k was bezig met de mijne en toen dacht ik op eens aan die van U."
"En wat dacht je?"
"Wel, ik dacht: die stomme beesten kunnen toch niet doodgaan van den honger nou d'r baas ziek is en Ka heeft er natuurlijk geen verstand van."
"Da's waar. 'k Vind het erg aardig van je.--"Hier, da's voor jou," en meester reikte Jan een dubbeltje toe.
"Datte?" vroeg Jan eenigszins verontwaardigd en hij deed een stap achteruit. "Dat?"
"Zeker jò, voor je moeite."
"Meester, geen kwestie van. 'k Deed het voor.. voor... 'k Weet zelf niet waarvoor, maar niet in elk geval om er wat voor te krijgen. Dan zou de aardigheid er voor mij heelemaal af zijn."
"Kom jongen, pak maar aan!"
"Neen. 'k Wil er niks voor hebben. Toe, meester, stop dat dubbeltje nou asjeblieft maar gauw in je portemonnaie. Laat me 't nou voor niks doen; heelemaal voor niks. Da's veel leuker. Maar doe me dit eene plezier, meester en zeg tegen niemand, dàt ik het deed."
"Waarom niet?"
"Waarom? Waarom? 'k Wil het niet weten voor de andere jongens."
"Hoe zoo? Je deed er toch geen kwaad mee?"
"Nee, dat niet, maar ze zouen misschien maar denken, dat ik het deed om mooi weer te spelen."
"Zoo... nou... enfin... Maar dat geloof ik niet, hoor Jan."
"Gelukkig dan, want ik doe 't niet om er wat voor te krijgen en ook niet uit..."
"Uit?"
"Uit fleemerigheid of zoo."
"Uit vriendschap dan?"
"Ja juist, zoo is 't, uit vriendschap."
"Nou Jan, dan kan ik je alleen maar bedanken voor je vriendschap hè?" zei meester.
"Da's mooi genoeg ook." Ze zwegen even en toen hervatte meester:
"Is er geen nieuws op 't dorp Jan?"
"Nieuws?" en Jan's gezicht betrok op eenmaal, want ouwe Toon en Geerte schoten hem in eens in de gedachte.
"Ja, nieuws," zei meester, "je kijkt opeens zoo raar."
"Meester, er is slecht nieuws," antwoordde Jan en zijn stem klonk treurig.
"Hoe zoo?" was de belangstellende vraag.
"U weet, dat Toon Kempe zoo'n erg mooie geit had, hè?"
Meester knikte begrijpend.
"Nou, en nou kom ik daar zoo meteen langs zijn huisje en daar zaten hij en Geertje allebei te huilen op d'r bleek en daar lag d'r geit, dood. Die ouwe Geerte was toch zoo bedroefd en Toon niet minder. En ze jammerden over d'r geit en ik maakte zoo'n zonde van die twee ouwe menschjes. D'r geit dood; nou hebben ze niks meer." Jan's stem beefde en de tranen welden in zijn oogen.
De bovenmeester voelde met Jan het groote leed van die twee arme zielen. 't Was een oogenblik stil, waarin hij Jan belangstellend aan zag en toen zei hij:
"Da's erg, Jan!"
"Da's 't net," beaamde Jan. "'t Waren toch al zulke zielige stakkers en nou dit nog... 'k Wou, da'k rijk was."
"Hoe zoo?"
"Dan hadden ze vandaag nog een nieuwe geit, zoo groot als..."
"Als wat?"
"Nou ja; ik bedoel een beste, nieuwe geit."
Hij zweeg even en ging toen voort:
"Maar 'k heb zelf zoo goed als niks.--Als iedereen op 't dorp eens wou."
"Wat zou er dan Jan?"
"Wel, als elk wat gaf... Hoeveel zou een nieuwe geit kosten, meester?"
"'k Weet het ook niet, maar toch zeker wel een dertig gulden."
"'k Denk het ook. Nou, dat was voor elk een kwartje of op zijn hoogst dertig onnoozele centen. Wat is dat nou!"
"Maar dan tel je de zuigelingen zeker ook mee?"
"Da's waar ook. Nee, dat zou niet gaan. Maar zou er eens geen mouw aan te passen zijn, meester, dat Toon een andere geit kreeg?"
"Hou een collecte," zei meester zoo langs zijn neus weg.
Jan nam 't voor ernst op. Zijn oogen lichtten en haastig vroeg hij:
"Meent U 't? Ja, dat zou leuk zijn!" Maar snel liet hij er op volgen:
"Zouen ze me gelooven als 'k er voor rond kwam?"
"O, je denkt zeker, dat iedereen zou denken, dat Jantje weer eens een grap uithaalde. Maar neen, brave Hendrik," vervolgde meester plagend, "maak je daarover niet ongerust."
"'k Weet niet," opperde Jan. "'t Is lam als je zoo bekend staat als de bonte hond."
"Ja maar, zóó erg is 't nou niet hoor," troostte de meester. "Maar zoo maar rondgaan bij de lui en zeggen: krijg ik asjeblieft wat om een nieuwe geit voor Toon Kempe te koopen, want zijn ouwe is dood, dàt zou niet gaan." Meester begon het plan werkelijk ook uit een ernstig oogpunt te beschouwen. Hij dacht even na en zei toen:
"Een lijst!"
"Een lijst?" klonk het vragend.
"Ja zeker, een inteekenlijst, waar ieder, die wou, zijn naam op kon zetten en er dan achter invullen, wat hij er voor over had."
"Dat doe ik!" Jan's stem tintelde van ingehouden plezier.
"Toe, meester, maak eens gauw zoo'n ding in orde, want er moet toch iets boven staan, dat ze kunnen lezen."
"Vooruit," was 't bescheid van meester, wien het plan toelachte en die Jan's medelijdende bereidvaardigheid wou steunen. "Maar dan moet je verlof vragen aan den burgemeester om met die lijst rond te gaan, dat weet je zeker hè?"
"Da's geen bezwaar," zei Jan moedig. Hij zàg geen bezwaren. "Toe meester, maak maar eerst vooral zoo'n ding voor me gereed. Kunt U?"
"Ja zeker. Zóó ziek ben ik gelukkig niet hoor," zei meester opstaande. Hij ging naar zijn schrijftafel, nam een groot vel papier en schreef er boven met flinke letters:
De geit van Toon Kempe stierf. Iedereen kent de behoeftige omstandigheden van het brave paar oudjes. Wie helpt mee een nieuwe geit koopen? Bijdragen worden door den aanbieder dezer lijst gaarne in ontvangst genomen.
Daar een dikke inktstreep onder, toen nog een paar lijnen en klaar was 't.
Jan las het over meesters schouder en kon niet nalaten te zeggen:
"Wat schrijft U toch mooi, meester!"
"Is 't zoo goed?"
"Prachtig."
Tegen het vuil worden kwam het stuk in een portefeuille.
Jan had nauwelijks tijd om te bedanken. Hij vloog er de deur mee uit, het schoolplein en de straat over en nog geen twee minuten later stond hij al met zijn pet in zijn broekzak en de portefeuille in zijn hand op de secretarie voor den burgemeester.
Deze was een oud zeekapitein; een echt rondborstige, goedhartige heer.
Hij keek Jan eens aan en vroeg vriendelijk:
"Wel baasje, wat is er van je dienst?"
Jan vertelde het doel van zijn komst en de reden daarvan, niet altijd even geregeld, maar de burgemeester begreep hem best.
"Jij bent een kerel naar mijn hart," zei hij ten slotte. "Of je rond mag met je lijst? Geef hier dat ding." De burgemeester deed de portefeuille open, schreef wat op de lijst, gaf ze toen terug aan Jan en die las:
"Gaarne beveel ik deze lijst bij ieder aan," en als nummer een der inteekenaars stond er:
J. W. ten Brink en daarachter f 2.50.
Jan schrok er haast van. Een rijksdaalder!
"Hier pak an!"
"Dank u wel burgemeester."
"Dat hoeft niet, maar als je rond geweest bent, moet je me eens rapporteeren hoeveel je hebt opgeduikeld hoor. En verlies nou je geld niet. Dus denk je er aan, dat je 't me komt zeggen."
"Zeker burgemeester. 'k Zal 't niet vergeten."
"Hoe oud ben jij?"
"Twaalf jaar burgemeester."
"En wat moet je worden?"
Jan's gezicht betrok. Wat moet je worden, nog al. Dat was nog al duidelijk en niet al te opgewekt was 't antwoord.
"Veldarbeider. Wat zou ik anders?"
"Nou," hernam de burgemeester. "Je zet er een gezicht bij als zeven dagen storm. Wou je graag wat anders worden?" En zonder Jan's antwoord af te wachten, liet hij er onmiddellijk op volgen:
"Als 'k zoo'n gezonde jongen was als jij, trok ik stellig het zeegat uit!"
"Was 't maar waar," klonk het gul.
"Wou je 't graag?"
"Ikke wel, burgemeester."
"Nou!"
"'t Kan toch niet."
"Willen ze 't thuis niet hebben?"
"'k Weet het niet."
"Praat er dan eens over.--Maar steek nou maar gauw van wal en blijf hier niet langer op 't droge zitten. Ga nou met je lijst aan 't werk. En komen zeggen hoor, van je weet wel. Dag Jan! Goed succes!"
"Dag burgemeester!"
Wat 'n aardige man toch! Maar nou eerst even bij moeder aangewipt.
TIENDE HOOFDSTUK.
HET GAAT. HET OORDEEL DER MENSCHEN IS NIET ALTIJD JUIST.
De bovenmeester teekende natuurlijk ook op de lijst en op zijn raad besloot Jan voornamelijk bij de meer gegoede burgers en bij de boeren rond te gaan. Hij trof het, dat de meesten thuis waren en ook, dat bijna ieder zijn plan bijzonder toejuichte.
De oude dokter liet hem in zijn spreekkamer komen en moest alles in de puntjes weten.
"En als je nou geld genoeg hebt Jan," vroeg hij, "wie moet dan die geit koopen?"
Deksels ja, daar had Jan heelemaal nog niet aan gedacht. Hij had wel zoo'n ietsje verstand van konijnen, maar van geiten niemendal en daarom moest hij gulweg bekennen:
"Dat weet ik nou toch warempel zelf niet, dokter," maar snel volgde daarop:
"Vader misschien. Die zal wel verstand van geiten hebben, zoudt u ook niet denken?"
"'k Geloof het ook wel. 'k Hoop maar, dat Toon een goeie krijgt, jij niet, Jan?"
"Nou, dat zou nou toch zoo even eens leuk zijn," zei Jan.
"En als je nou eens meer geld ophaalt, dan je noodig hebt, Jan?"
Alweer een nieuw bezwaar! Maar neen, dat was heelemaal geen bezwaar. 't Zou toch te zot zijn om dat teveel zelf te houden en daarom antwoordde Jan:
"Wat er overschiet, is goed voor Geerte. Die zal er wel raad mee weten."
"Dat zou ik ook wel gelooven," lachte de dokter. "Nou, Jantje, waar is je brandkast, vadertje?"
"Hier dokter," en Jan toonde het linnen zakje, dat moeder hem had meegegeven op zijn tocht. Hier zat de kluit in.
En die kluit groeide opnieuw aan met een rijksdaalder van den dokter.
Toen Jan op straat was, dacht hij: "jammer, dat het hier zoo'n klein nest is. Niet eens een notaris of zoo'n soort heerschap, zooals je wel op andere dorpen hebt. En de groote boeren zijn ook niet dik gezaaid. Als je ze allemaal meetelt een stuk of acht, maar veel meer dan toch ook al zeker niet. Enfin, geen ellende voor den tijd. We zullen zien, zooals blinde Louw zei."
En 's avonds telde Jan voor vader Kees achttien gulden en vijftig cent op het wasdoeken tafelkleed uit.
"'t Is mooi, 't is aardig," zei vader, "maar je bent nog niet aan een geit toe, mijn jongen. Bij wien moet je nu nog zooal zijn?"
"Pieterse en Hoogstrate waren niet thuis, daar moet ik dus morgen nog eens terugkomen en dan ... zou ik naar Kooiman ook gaan, vader? Ze zeggen allemaal en altijd, dat hij zoo'n gierige vrek is."
"Dat zeggen ze, ja, maar je kunt het toch allicht probeeren."
"Dan doe ik het ook."
"Welja, waarom ook niet," viel moeder bij, "het ergste, wat hij zeggen kan is: je krijgt niks en dan ga je er vandoor. Waar of niet."
"Da's zeker."
Onder het boterham eten vroeg moeder naar de ervaringen op Jan's collecte tocht en deze vertelde honderd en een uit, tot hij op eens zijn vader aankeek en vroeg:
"Heb jij verstand van geiten, vader?"
"Hoe zoo?"
"Wel, daar had de dokter het over. Ik kan toch zoo'n beest niet gaan koopen?"
"Nee, da's waar. Nou, dat zal wel losloopen hoor. Als jij maar voor het geld zorgt, dan zal ik wel maken, dat er een goeie geit komt. Ik hoorde toevallig juist vandaag, dat er op Moerland een puike te koop is."
"'t Zou toch een leuke mop zijn, zeg, als ik daar met zoo'n blèrende geit bij Toon kwam aanzeilen. Wat zouen ze een oogen opzetten. Ik zette ze regelrecht in 't leege hok en dan haalde ik Toon en Geertje d'r bij en 'k zou met een effen gezicht zeggen: doe nou de deur van 't geitenhok eens open en dan... Nee, ik bond het nieuwe beest an een paaltje op 't bleekveld en dan tikte ik op 't raam en dan..."
"Hou je nou een beetje bedaard," kalmeerde moeder haar zoon, die zich al meer en meer opwond bij het feestelijke vooruitzicht.
Jan was bedaard, o, ijskoud bedaard beweerde hij, maar dan toch niet zóó, of hij lag een heelen tijd in zijn bed te draaien en te keeren en telkens kwam de pijnigende gedachte bij hem op: "als je nou eens geen geld genoeg ophaalde. Wat dan?"
"Mijn een gulden twintig gaat er óók bij, dat staat als een paal boven water."
En slingerend tusschen hoop en vrees dommelde onze waarde vriend in.
Den volgenden morgen was hij al weer vroeg bij de hand. Zijn eerste gang was naar den meester om de konijnen te gaan voeren en te vragen, of 't soms vandaag al school zou zijn.
Neen, vandaag zou meester nog maar eens verzuimen, maar morgen, hoopte hij, zou de zaak weer gewoon gaan marcheeren.
"Enfin," dacht Jan, "de bovenmeester is nou toch weer zoo goed als overeind gekrabbeld en dan heb ik toch maar liever, dat hij ons vandaag nog eens met rust laat, dan heb ik mijn dag vrij om voor de geit rond te gaan."
Eerst naar Pieterse. Die vond het plan van Jan om zoo te zeggen in één woord kolossaal; o, hij was er niet over uit zoo prachtig als hij het vond, want het was toch verschrikkelijk voor den ouwen Toon en hij zou zich niet graag onbetuigd laten. En hij verrijkte den buit met twee heele kwartjes.
"Dat merk ik, hoe leuk je 't vindt," mopperde Jan, toen hij op den grintweg was. "Maar met al je leukheid heb je er dan toch maar een allermiserabelst schijntje voor over. Rijk ben je voor twee en je hebt den naam van een royale Piet te zijn, maar ik merk er niet veel van. Dat zet goed op vandaag. Nou naar Hoogstrate!"
Die was vanmorgen al vroeg vertrokken en kwam niet voor over een dag of drie thuis.
"Als je dàn dus nog eens wilt terugkomen."
Dat zag er mooi uit! Over een dag of drie. Zoolang kon Jan onmogelijk wachten. Bij nommer een twee kwartjes en bij nommer twee dezen schralen troost. Dat ging mooi.
Negentien gulden en zijn één twintig, dat was een stijve twintig pop. Op zoo'n manier kwam hij er niet. Nou Kooiman nog, maar dat zou ook wel huilen wezen. Rijk verschrikkelijk, maar ze zeien allemaal: kom niet an z'n portemonnaie.
Toch stapte Jan na een poos het erf op, regelrecht naar de achterdeur en liet zijn schel: huila! volk! hooren.
Vrouw Kooiman kwam zelf naar de deur en vroeg vriendelijk:
"Wel, wat had je?"
"Is de baas thuis, vrouw?"
"Jawel, mijn jongen!"
"Och vraag dan eens asjeblieft, of hij de lijst eens wil inzien, die in die portefeuille zit."
"Moet je op antwoord wachten?"
"Asjeblieft."